Mijn artikel, zoals het is gepubliceerd in Zemzem, met een enkele aanvulling, twee extra afbeeldingen, een aantal weblinks, een uitgebreide literatuurlijst en vooral een veel uitgebreider notenapparaat. Het oorspronkelijke artikel verscheen in het themanummer ‘Nederland en Irak’. Het nummer bevatte onder meer artikelen van Mariwan Kanie (politicoloog), al-Galidi (dichter), Anneke van Ammelrooy (journaliste in Bagdad en echtgenote van de Iraakse journalist en hoofdredacteur Ismael Zayer), interviews met voormalig minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel, Joost Hiltermann (van Human Right Watch), Fuad Hussein (politicoloog), Isam al-Khafaji (hoogleraar economie, naar Nederland uitgeweken), maar ook bijdragen over poëzie (Dineke Huizenga), muziek (Neil van der Linden) en mijn onderstaande bijdrage over beeldende kunst.
De Iraakse kunst gedijt ook in de diaspora
Er wonen zo’n tachtig Iraakse beeldende kunstenaars in Nederland. Hoewel dit aantal spectaculair hoog is, weten maar weinig Nederlanders van hun bestaan.1 De meeste kunstenaars hebben nog niet hun weg gevonden naar de Nederlandse culturele instellingen, en de instellingen nog niet naar hen. Hier zijn tenminste twee redenen voor. In de eerste plaats zijn de meeste kunstenaars in de jaren negentig als politiek vluchteling naar ons land gekomen. Na de vaak lange asielprocedures hebben zij weer van voren af aan af aan moeten beginnen met het opbouwen van een reputatie en een netwerk, in een volstrekt onbekende omgeving. De tweede oorzaak is dat in Nederland het begrip ‘Irak’ vooral wordt geassocieerd met ‘oorlog’, ‘olie’ en ‘dictatuur’. Als dan toch het woord beeldende kunst valt denkt men in regel meteen aan de talloze portretten en standbeelden van Saddam Hoessein. Het besef dat Irak in op zijn minst een groots cultureel verleden heeft drong voor een kort moment door bij een breder publiek, in de grimmige context van de plundering van het Nationaal Museum in Bagdad (april 2003). Dat ook de modernistische en hedendaagse kunst en cultuur van Irak zeer de moeite waard zijn, is vooralsnog onderbelicht gebleven.
Dit laatste is geheel ten onrechte. In de loop van de twintigste eeuw ontwikkelde er zich in Irak een van de meest interessante kunstbewegingen van het islamitische Midden Oosten. De grondlegger van de Iraakse modernistische kunst was Jewad Selim (1921-1961) . In de jaren veertig studeerde hij in Italië, Frankrijk en Engeland, onder meer bij Henry Moore. Teruggekeerd in zijn vaderland koesterde hij het ambitieuze doel om een Irakese moderne kunstscene op te zetten.
Cultureel erfgoed
Vanaf eind jaren veertig ontstond er onder zijn leiding een van de meest vooruitstrevende en originele avant-gardegroeperingen van de Arabische wereld en het Midden Oosten, waarvan de invloed tot op de dag van vandaag voortduurt. Jewad Selim en zijn ‘Bagdadgroep voor moderne kunst’ hadden twee belangrijke idealen voor ogen. In de eerste plaats wilden zij een radicaal modernisme introduceren, om Irak een aansluiting te geven bij de artistieke voorhoede van de twintigste eeuw. In die zin verschilde dit niet wezenlijk van bijvoorbeeld de revolutionaire ambities van de inmiddels beroemde Mexicaanse schilders als Diego Rivera en José Clemente Orozco uit dezelfde tijd. Aan de andere kant verwezen Jewad Selim en zijn geestverwanten bewust naar het rijke culturele verleden van Irak, zoals Mesopotamië, maar ook de grote tijd van het Abassidische Kalifaat (van onder andere Haroun al-Rashid). Dit om het Iraakse volk een nieuw sterk nationaal zelfbeeld te geven, na de eeuwenlange Osmaanse overheersing. Centraal in zijn werk stond het begrip turath, dat het beste uit het Arabisch te vertalen is als ‘cultureel erfgoed’. Veelal baseerde Selim zich op de beeldtaal van de oude Sumerische beschaving, zoals het hier getoonde voorbeeld duidelijk laat zien. Een opmerkelijk detail zijn de proportioneel grote ogen, een element dat duidelijk ontleent is aan de manier waarop in deze oude cultuur het menselijk gelaat werd weergegeven.2 Overigens betrof natuurlijk geen werkelijke voortzetting van een oude traditie. Het was een bewuste incorporatie van vormen uit een ver verleden om het eigen identiteitsbesef te bevestigen, net als wat Rivierra en Orozco in Mexico deden met hun verwijzingen naar de Azteken. Eric Hobsbawm en Terence Ranger zouden het ‘invented identity’ of ‘invented tradition’ noemen. 3

Jewad Selim, Children playing, olieverf op doek, 1953-54 (bron:www.enana.com) Vergelijk de weergave van de ogen met dit voorbeeld (een ceramische kop uit het oude Sumerië, van ca 2900 v. Chr.)
Antikoloniaal
Vanaf het eind van de Eerste Wereldoorlog was Irak een monarchie, maar werd achter de schermen min of meer koloniaal bestuurd door de Britten. Hoewel voor de huidige westerse kijker tamelijk onschuldig ogend, droegen Jewad Selim en zijn geestverwanten een felle antikoloniale boodschap uit, die qua intentie overigens weinig verschilde van de avant-gardistische kunst uit andere (voormalig) gekoloniseerde landen.

Shakir Hassan Al Sa’id, writings on a wall, acryl op doek, 1977. Bron: Mohamed Métalsi, Croisement des Signes, Institut du Monde Arabe, Parijs, 1989. Zie ook dit interessante artikel van Nada Shabout (van de University of North-Texas), Shakir Hassan Al Said A Journey towards the One-dimension, over deze, voor de moderne kunst van de hele Arabische en islamitische wereld, zeer invloedrijke kunstenaar

Dhia Azzawi, zonder titel, olieverf op doek, 1985. Bron: Brahim Alaoui, Mohamed Métalsi, Quatre Peintres Arabe Première ; Azzaoui, El Kamel, Kacimi, Marwan, Institut du Monde Arabe, Parijs, 1989. Zie voor meer werk van deze prominente Iraakse kunstenaar (sinds lange tijd werkzaam in Engeland) http://www.artnet.com/artist/423962681/dia-azzawi.html
In 1958 kwam de lang verwachte revolutie. De kunstenaars van de Bagdadgroep stonden aanvankelijk op de barricaden en Jewad Selim ontwierp zelfs het grote Vrijheidsmonument, na zijn dood voltooid in 1962, thans nog een van de belangrijkste en meest gekoesterde monumenten van Bagdad.4 De revolutie zou echter een heel ander karakter krijgen. Gedurende de jaren zestig volgde de ene na de andere militaire junta elkaar op. In 1968 leidde dit tot de staatsgreep van de Ba’thpartij, die tot voor kort aan macht was ( de ideologie van de Ba‘th, dat in het Arabisch herrijzenis betekent, kan worden gezien als de Arabische variant van het Europese fascisme. Het gaat hier om een seculiere, ultrarechtse nationalistische stroming. De oprichter en ideoloog van de Ba’thpartij, de christelijke Syriër Michel Aflaq (1910-1989), had zich, na zijn studie aan de Sorbonne in Parijs in de jaren dertig, in hoge mate laten inspireren door het gedachtegoed van Hitler en Mussolini 5) . Irak maakte een evolutie door van een koloniaal overheerst land naar een militaire dictatuur, werd vervolgens een eenpartijstaat, om te culmineren in een eenpersoonsstaat, na het aantreden van Saddam Hoessein in 1979.

Jewad Selim, Nasb al Hurriyya (Freedom Monument), 1958-1961. Monument ter gelegenheid van de Iraakse onafhankelijkheidsrevolutie. De revolutie maakte een einde aan de monarchie en de Britse dominantie, maar was het begin van een reeks militaire dictaturen, totdat Irak een totalitaire eenpartijstaat werd onder de Ba’thpartij
Kentering
Ondanks deze turbulente ontwikkelingen, maakte de Irakese moderne kunst in de eerste twee decennia van de Republiek een grote bloeiperiode door. Kunstenaars als Shakir Hassan al-Said (1926-2004) en Dhia Azzawi (1939) waren toonaangevend en van grote invloed in het hele Midden Oosten en de Arabische wereld. Belangrijk waren ook de, later door het regime van Saddam Hoessein minder gewaardeerde Mohammed Muhreddin en de zelfs vermoorde kunstenaars, zoals Shams Eddine Faris.6 Vanaf midden jaren zeventig kwam de geleidelijke kentering. Kunstenaars moesten bijvoorbeeld verplicht lid worden van de Ba’thpartij. Ook werd er steeds meer van ze gevraagd om bij te dragen aan de verheerlijking van de ‘17 juli revolutie’, de machtsgreep van de Ba’thpartij in 1968. Deze ontwikkeling nam ongekende vormen aan toen Saddam Hoessein alle macht naar zich toe trok, zijn concurrenten elimineerde en zich stortte in de heilloze oorlog met Iran. Bagdad veranderde van aanzien; er moest een nieuwe revolutionaire stad ontstaan voor de nieuwe revolutionaire mens, gedomineerd door groteske monumenten. Het hoogtepunt (of dieptepunt) van deze ontwikkeling culmineerde in de kolossale overwinningsboog, het monument van de gekruiste zwaarden, voltooid in 1989. De immense armen die de zwaarden vasthouden, zijn uitvergrote afgietsels van de eigen armen van de dictator, tot in de kleinste details. Deze buitenproportionele en bizarre ‘ready made’ domineert nog steeds het stadsbeeld. Hoewel uitgevoerd door de prominente beeldhouwers Khalid al-Rahal en Mohammed Ghani Hikmet, werd dit ‘object’ ontworpen door Saddam zelf. ‘Neurenberg en Las Vegas in een’, schreef Kanan Makiya, Iraks bekendste dissidente schrijver, over deze creatie.7

Saddam Hoessein (uitvoering Khalid Al Rahal en Mohammed Ghani Hikmet), The Victory Arch, 1989. Bron: Samir al Khalil (pseudoniem van Kanan Makiya), The Monument; Art, Vulgarity and Responsibility in Iraq, André Deutsch, Londen, 1991. Zie voor meer, de detailfoto’s opgenomen in het Historisch overzicht Irak, of dit fragment van de vroegere Iraakse staatstelevisie, hoe Saddam zich laat toejuichen door een stoet van veteranen, marcherend of in rolstoel onder de Victory Arch paraderend.
Ook het culturele erfgoed van Irak was niet veilig in de handen van het Ba’thregime. Saddam besloot zelfs om het historische Babylon te reconstrueren en te herbouwen, geheel in zijn stijl. Op het herrezen paleis van Nebukadnezar prijkt tegenwoordig het portret van de Iraakse dictator. Het omgekeerde van Jewad Selims toepassing van de notie van ‘turath’.

Babylon (Babil, al-Hilla, Irak), het nieuwe ‘gereconstueerde’ paleis van Nebukhadnezar, met Saddam als ‘nieuwe heerser’ van Mesopotamië aangebracht in reliëf.
Vanaf deze tijd werden er steeds meer kunstenaars opgeleid aan de kunstacademie van Bagdad. Binnen tien jaar verachtvoudigde het aantal studenten (en dit is nog een voorzichtige schatting). Het doel was echter om zoveel mogelijk ‘propagandakunstenaars’ op te leiden. Ieder die weet hoeveel portretten en standbeelden van Saddam er in de loop der tijd zijn gemaakt, kan zich enigszins voorstellen wat voor legioen kunstenaars er nodig was om dit alles te kunnen produceren. Het was trouwens niet zo dat de modernistische of abstracte kunst geheel verboden werd, zolang deze maar niet kritisch was naar het regime. Zelfs in de meest donkere periode hebben docenten aan de kunstacademie ervoor gevochten om hun studenten toch een goede opleiding te geven en bleven kunstenaars in hun eigen stijl door werken, al zat het tij nog zo tegen. Hier zijn talloze voorbeelden van. Wel werd de ooit zo rijke experimentele Iraakse kunst steeds verder in de marges gedrukt.
Overigens was het niet zo dat kunstenaars echt gedwongen werden om propaganda-materiaal voor Saddam of de Ba’thpartij te produceren. Het zat iets subtieler in elkaar. Het waren wel klussen die je niet kon weigeren. En om carrierre te maken was enige loyaliteit aan het heersende systeem wel noodzakelijk. En disloyaliteit deed je snel op een zwarte lijst belanden. Dat was in het Irak van de Ba’thpartij al gevaarlijk genoeg.8
Berucht waren de grote massa-exposities van soms meer dan tweehonderd deelnemers. Deze vonden vaak plaats gedurende ‘Pan-Arabische’ culturele manifestaties, waar Irak zich trachtte te profileren als het gidsland van de Arabische wereld. Voor de massatentoonstellingen werd van de kunstenaars gevraagd twee werken in te zenden: een vrij werk en een portret van Saddam Hoessein.9 Dus hoewel de moderne kunstraditie, begonnen met Jewad Selim en de zijnen, bleef voortbestaan, werden de kunsten steeds meer ingekapseld in de propagandamachine van de Ba’thpartij.
Voor een werkelijk vrije expressie zagen vele kunstenaars zich genoodzaakt om in ballingschap te gaan. Ook waren er veel kunstenaars politiek actief, met name in de illegale oppositie ter linkerzijde, waar de Ba’thpartij uitermate vijandig tegenover stond. Om deze reden zijn er zoveel Irakese kunstenaars in Nederland terecht gekomen, hoewel dit ook voor een aantal andere Europese landen geldt, met name Italië en Oostenrijk, waar in het laatste geval vooral veel Koerdische kunstenaars hun toevlucht hebben gezocht. Maar ook Frankrijk, Engeland, Zweden, Finland, Spanje en Zwitserland kennen een aanzienlijke populatie Irakese beeldende kunstenaars, waaronder zeker een aantal grote prominenten.10
Ballingschap betekent echter wel eenzaamheid en isolement, in een land vol onbegrip en onwetendheid. Het heeft van deze kunstenaars enorm veel wilskracht gevergd om de oorspronkelijke individualistische traditie van de Irakese moderne kunst voort te zetten en om zich bovendien verder te ontwikkelen in een nieuwe omgeving. De vier te bespreken kunstenaars zijn hier goed in geslaagd. ‘Het gevecht zit in mij’, verklaarde Aras Kareem al in 1995, toen hij nog maar voor twee jaar in Nederland was.11
Alsaedy
Een kunstenaar die steeds meer aan de weg timmert is Qassim Alsaedy. Alsaedy (Bagdad, 1949) studeerde begin jaren zeventig onder Kadhim Haider, Shakir Hassan Al Sa’id en Mohammed Mohreddin. Zoals eerder vermeld kwam hij al tijdens zijn studententijd in grote politieke problemen (zoals zijn hiervoor genoemde verblijf in het ‘Paleis van het Einde’). Hij was gedwongen om uit te wijken naar achtereenvolgens Syrië, Libanon en Jemen. Qassim Alsaedy was een van de weinige Irakezen van Arabische afkomst die besloot om in de jaren tachtig terug te keren naar zijn vaderland, om zich aan te sluiten bij het Koerdische verzet in Noord Irak. Naast dat hij daar als guerrillastrijder actief was, was hij ook werkzaam als kunstenaar. Hij organiseerde zelfs exposities in tenten, om zijn medestrijders en de gevluchte dorpelingen iets mee te geven, namelijk hoop. Qassim Alsaedy schilderde vele doeken in Nederland om de recente geschiedenis van zijn land te verwerken. Overigens gaat zijn zwerftocht door allerlei dictatoriale landen van het Midden Oosten nog iets verder. Nadat hij de zogenaamde ‘Anfal-operaties’ (de beruchte genocide campagne op de Koerden) zelf had meegemaakt, week hij in 1988 uit naar Libië. Voor zeven jaar lang was hij docent aan de kunstacademie van Tripoli. Uiteindelijk werd hem ook de opdracht gegeven om propaganda te produceren voor het Libische regime. Qassim Alsaedy, die de terreur van Saddam Hoessein al had overleefd, weigerde om propaganda te produceren voor Kadaffi. Zodoende is hij in 1994 naar Nederland gevlucht.
Over het werk van Qassim Alsaedy valt veel te vertellen. Zijn totale oeuvre kan ik niet in dit kader compleet omschrijven.12 Wel is het een kunstenaar die een diepgaand filosofisch idee heeft over zijn vaderland, zijn ballingschap en wat voor culturele bagage hij met zich meedraagt. Hij heeft dit in vele geschilderde werken geuit, maar ik zal me beperken tot zijn multimedia werk. Qassim Alsaedy is zeker tijdens de weken van de afgelopen Irak-oorlog heel actief aan het schilderen geslagen. Zijn abstracte werken, uit deze drie weken, die zonder uitzondering, allen lichtgekleurd zijn, bewijzen dit zonder meer. In een eerder verband heb ik het werk van Qassim Alsaedy vergeleken met het werk van de Nederlandse kunstenaar Armando. Armando maakte een aantal indrukwekkende werken, rond het gegeven ‘schuldig landschap’. In feite gaat Qassim


boven en onder: Qassim Alsaedy, Last Summer in Baghdad, (details van een installatie) gemengde technieken op paneel, 2003 (Bron: collectie van de kunstenaar). Zie voor meer http://www.isim.nl/files/newsl_13-67.pdf en de website van de galerie van Frank Welkenhuysen http://www.kunstexpert.com/kunstenaar.aspx?id=4481
Alsaedy van hetzelfde thema uit, maar komt hij tot een fundamenteel andere visie. Terwijl Armando in zijn ‘schuldige landschappen’ ervan uitgaat dat het kwaad zijn definitieve stempel heeft gedrukt op een specifieke plek, laat Qassim Alsaedy zien (een kunstenaar die geleefd heeft in het meest ‘schuldige landschap’ dat er maar te bedenken is, zie de chemisch verbrande velden van Koerdistan) dat uiteindelijk de tijd het litteken van het verleden zal wegnemen.
Het hier getoonde voorbeeld toont twee kleine paneeltjes uit zijn installatie Last Summer in Baghdad. Alsaedy baseerde zich in dit werk op zijn laatste bezoek aan Bagdad in de zomer van 2003. Nav zijn bezoek maakte hij ook een reportage voor de VPRO over het artistieke klimaat in Irak, kort na de Amerikaanse invasie en de val van het regime. Alsaedy: “I saw a city of destruction and a city of hope. It was also a city of terror and a city of new life”.13
Kareem
Een andere kunstenaar die in Nederland steeds sterker van zich doet spreken is Aras Kareem (Suleimanya, Koerdistan, 1961). Aras Kareem studeerde aan het kunstinstituut van zijn geboortestad. In 1991 was hij actief in de Koerdische opstand na de golfoorlog, die door het regime in Bagdad met veel geweld werd neergeslagen. Aras moest voor een tijd lang onderduiken. Uiteindelijk lukte het hem om in 1993, met zijn vrouw en twee kinderen naar Nederland te vluchten. Tegenwoordig woont en werkt hij in Amsterdam.

Aras Kareem, Zonder titel, koffie en inkt op papier, 1995 (bron: http://aidanederland.nl/, zie ook http://www.araskareem.com/)
In het werk van Aras Kareem staat altijd de mens centraal en zijn verhouding tot de omgeving. De ene keer zijn zijn doeken zeer uitbundig, waarin vooral intense roden sterk domineren, de andere keer is zijn werk sober en ingetogen, waarin donkere kleuren overheersen. Aras Kareem in een statement over zijn werk: “Gezichtsuitdrukkingen zijn de kern van mijn werk. De mens en zijn motieven staan centraal. In mijn visie is het leven een cirkel waarbinnen mensen zich bewegen. Beweging is creatief. Ik wil de beweegredenen opsporen die mij, bewust of onbewust, aansturen. Wat beweegt mij, wat beweegt de ander? Ik vind mijzelf geen estheticus. Schoonheid in de pure betekenis interesseert mij niet. Ik zoek een antwoord op de tegenpolen die ik ervaar. Mij intrigeert het contrast dat ik onderscheid. Zoals ik dat contrast beleef. Ik wil geen slachtoffer zijn van mijn eigen denkprocessen. Ik wil uitzoeken wat mijn geest verkent en uitdrukken in mijn werk”.14
Haider
Een Iraakse kunstenaar die een heel bijzondere en eigen beeldtaal heeft ontwikkeld is Ziad Haider (Amara, 1954), helaas recent overleden (Amsterdam, 2006), ook voor de Iraakse kunsten in Nederland een groot verlies. Naast een goed kunstenaar, was zijn huis altijd een belangrijk trefpunt van Iraakse kunstenaars, musici en dichters. Ziad was ook de belangrijkste initiatiefnemer voor het organiseren van het festival ‘Iraakse kunsten in Amsterdam’, in 2004, waar de beeldende kunst, literatuur en de podiumkunsten van in Nederland verblijvende Iraki’s centraal stond.
Ziad Haider, opgeleid door Kadhim Haider sudeerde in de jaren zevenig aan de kunstacademie van Bagdad. Hoewel hij een succesvol kunstenaar was (zo heeft het zogenaamde ‘Saddam-Artcentre’, het vroegere museum voor moderne kunst in Bagdad, vijf grote abstracte doeken van hem in de collectie, waarschijnlijk weggestopt in de depots of erger), heeft het noodlot deze talentvolle kunstenaar danig in de weg gezeten. Zo moest hij dienen als soldaat in de Irak/Iran oorlog en werd hij later naar Koeweit gestuurd., zinloze oorlogen, die hij diep verafschuwde. Na een tragisch incident werd hij gearresteerd. Voor vijf jaar zat hij vast in de beruchte Abu Ghraib gevangenis. Daarna vluchtte hij via Damascus en vervolgens Amman naar Nederland.15

Ziad Haider, Zonder titel, acryl op doek, 2004. (bron: collectie Paula Vermeulen, zie ook http://www.ziadhaider.net/home.php)
In Nederland heeft Ziad Haider een stijl ontwikkeld, die getuigt van een zeer persoonlijke expressie. Naast dat hij hier als portretschilder actief was (om in zijn eigen onderhoud te voorzien), heeft hij hier een flink aantal abstracte werken geproduceerd, die getuigen van een grote artisticiteit. Zijn kracht ligt vooral in zijn technische beheersing van zijn materiaal, waardoor hij tot zeer sterke werken komt. De abstracte schilderijen van Ziad Haider tonen vormen die soms doen denken aan vloeiend metaal. Vanwege deze techniek is hij soms wel eens vergeleken met Robert Rauschenberg. Het gaat hier echter om een verwerking van wat hij zelf gezien heeft, aan het front van de Irak/Iran oorlog en de bezetting van Koeweit. Op deze laatste gebeurtenis is een van zijn laatste grote werken gebaseerd. Haider putte uit zijn herinneringen aan het beruchte bloedbad van de Mutla Range, toen de terugtrekkende Iraakse troepen werden gebombardeerd door de Amerikanen. Deze gebeurtenis vormde feitelijk het startsein voor de ‘Grote Intifadah’ tegen het regime van Saddam.16 Ook verwijst dit werk naar Haiders indrukken, toen hij begin 2004 weer een eerste bezoek aan Irak bracht. Hoewel de compositie zeer gedegen is opgebouwd toont het ons de totale chaos en destructie. De door het tralievenster zichtbare vormen doen denken aan de rokende puinhopen van een verwoeste stad.

Ali Assaf, Feet of Sand (an immigrant’s prayer), foto nav. de performance, Rome, 1997 (bron: collectie van de kunstenaar)
Assaf
Ook buiten Nederland zijn er veel Iraakse kunstenaars actief, zoals, naast de meeste landen in het Midden Oosten, in Engeland, Zweden, Finland, Zwitserland en Italië. Een van de meest voorbeelden is de in Rome werkzame kunstenaar Ali Assaf (Basra 1950). Assafs complexe en meerduidige oeuvre bestaat uit installaties, performances en video’s. Zijn werk is vaak sterk provocerend van aard, politiek maar zeker ook persoonlijk en poëtisch. Wat uit al zijn werk blijkt,
is een scherp inzicht in de werking van archetypische beelden en materialen, die sterk associatieve reacties oproepen Over de politieke lading van zijn werk schrijft hij zelf onder meer: “For me the art which I have done, and which I think to do, it will be uncompleted if the following elements are not available: Signification: the new presentation of the contemporary subjective world of violence and wars between the people in more than fourty countries, the complication of the tough exile, searching about identity, the increasing number of the immigration from the south to the north, killing the innocent people by fundamentalism, the unbelievable increase of the global population and the social and natural disasters what comes as a consequence, and lastly there is more than three million people infected with HIV and so on, and so on further”.17
Met name het element ‘subjective world’ speelt in het werk van Assaf een belangrijke rol. In een van zijn meest indrukwekkende performances, Feet of Sand uit 1996 (zie afb.), zijn een aantal etalagepoppen in chador opgesteld, voor de westerse kijker direct associatief verbonden met de islamitische revolutie van 1979 in Iran. Toch zorgt een kunstmatige wind ervoor dat deze zwarte jurken omhoog geblazen worden (een soort ‘Marylin Monroe effect’ uit Some like it hot). Dan blijkt dat deze vrouwen zijn voorzien van erotische netkousen en glimmend rode hakken, voor de westerse kijker een vreemde contradictie. Over dit werk valt overigens nog veel meer te vertellen, zo rijk is het aan verborgen symbolische elementen en associaties.
De toekomst van Irak is uiterst onzeker. Toch kan er gezegd worden dat vele Iraakse kunstenaars in ballingschap in Nederland en elders geleidelijk aan hun plek gaan veroveren.
Voor een meer uitgebreide beschouwing verwijs ik naar mijn artikel uit Leidschrift, het blad van de vakgroep geschiedenis van de Universiteit Leiden, http://www.leidschrift.nl/artikelen/jaargang17/17-3/06%20SCHREVE.pdf, of een bewerking van dit artikel op de site van AIDA (Association Internationale de Défense des Artistes), voor gevluchte kunstenaars.
Zie op dit blog op ook Denkend aan Bagdad, het Interview met Qassim Alsaedy, Historisch overzicht Irak en links naar artikelen en uitzendingen over kunstenaars uit de Arabische wereld. Zie voor meer theorie, achtergrond en de debatten over het Midden Oosten op dit blog Edward Said, Orientalism en de kritiek van Kanan Makiya. De hier veel aangehaalde dissidente schrijver Kanan Makya komt hierin uitgebreid ter sprake en dan vooral zijn polemiek met Edward Said.
Noten
1 Er bestaat geen volledige inventaris van Iraakse kunstenaars wereldwijd. Wel heeft de kunstenares Maysaloun Faraj in haar boek Strokes of Genius, al-Saqi, Londen 2002, een poging gedaan om zoveel mogelijk namen op te nemen. Qua Nerderland ben ik voor mijn eigen afstudeerscriptie gekomen op zo’n tachtig namen
2 Samir al Khalil (pseudoniem van Kanan Makiya), The Monument: Art vulgarity and responsibillity in Iraq, Londen 1991, p.91
3 Naar de beroemd geworden studie van Eric Hobsbawm en Terence Ranger, ‘The invention of tradition’, Cambridge University press, 1983. Overigens brengt Makiya deze studie in een ander verband ter sprake. Hij doet dit wanneer hij de nationalistische pastiche van de kunsten onder Saddam beschrijft. Ook Saddam verwees graag naar het verleden van Mesopotamië, zij het op een hele andere manier dan Jewad Selim en zijn geestverwanten. Makiya: ‘The invention of tradition’ as Eric Hobsbawm has ponted out, goes on all the time in every society’. However, it tends to become creatively exuberant during periods of rapid change. The faster ‘old Baghdad’ disappeared, the more urgent became the desire to fantasize about how wonderful it always was’, The Monument, p. 71
4 Interessant zijn in dit verband de heriineringen van Lorna Selim, de engelse vrouw van Jewad Selim. Zij heeft haar herinneringen opgeschreven samen met Ulrike al-Khamis, gepubliceerd in Strokes of Genius; contemporary Iraqi art, het hoofdstuk ‘Lorna Selim remembers’, pp. 41-46 (oorspronkelijk opgetekend in Abergavenny, Whales, 1999).
5 Literatuur over deze ontwikkelingen: Hanna Batatu, The old social classes and revolutionary movements in Iraq; a study of Iraq’s old landed and commercial classes and of its communists, Ba’thists and Free Officers, Princeton University Press, New Jersey, 1978, Samir Al Khalil, Republic of Fear; the politics of modern Iraq, University of California Press, 1989 (repr. 1998) en Charles Tripp, Irak; een geschiedenis, Bulaaq, Amsterdam, 2002
6 Uit mijn vele gesprekken met oa Qassim Alsaedy, Ismael Zayer en de politicoloog Fuad Hussein
7 Samir Al Khalil, The Monument, p. 51
8 Zie voor een aantal uiteenlopende verhalen dit artikel uit Trouw van Minka Nijhuis, dat weer in contrast staat met het artikel van Judit Neurink, Schilder Saddam, of sterf, in ‘Wordt vervolgd’ (Amnesty International), nr. 2, februari 2000, waarin naar Nederland gevluchte Iraakse kunstenaars anoniem aan het woord komen, of het tragische verhaal van Fawzi Rasul in een reportage in het kunstprogramma RAM van de VPRO. Voor zover ik het kan beoordelen (na met vele kunstenaars gesproken te hebben) heeft de waarheid in het midden gelegen. Laten we het erop houden dat het systeem ongeveer hetzelfde werkte als in de voormalige DDR (de Mukhabarat, Saddams geheime dienst is dan ook in de jaren zeventig door de Russische KGB en de Oost Duitse Stasi getraind), al waren de gevolgen nog veel drastischer als je met het regime een probleem kreeg. Hoewel de Ba’th-ideologie zeker niet communistisch was, werden er om pragmatische redenen in die periode goede betrekkingen met het voormalige Oostblok onderhouden, juist in die periode (en de Iraakse communisten zaten toen nog in het Progressief Nationaal Front). Zie hiervoor Makiya, Republic of Fear, p. 66. Makiya maakt de vergelijking met de Amerikaanse steun voor diverse dictaturen in Latijns Amerika.
Overigens is de geschiedenis van Irak en zeker die van de Iraakse Ba’thi’s gedurende de koude oorlog buitengewoon complex. In 1963, bij hun eerste en meest beruchte machtsgreep kon de Bathpartij op westerse steun rekenen, omdat deze coup tegen de pro-Russische president Qasim werd gepleegd. Kort daarna zouden de Ba’thi’s de macht weer verliezen. In 1968, bij de tweede Ba’thcoup was weer sprake van westerse steun, maar al snel ging de Ba’thpartij een alliantie met de communisten aan en werden de banden met de Sovjet Unie weer aangehaald, al was Irak lid van de zg Unie van Ongebonden Landen gedurende de koude oorlog. Bij het aantreden van Saddam Hoessein in 1979 en het wegzuiveren van de communisten werd er weer meer aansluiting gezocht met diverse westerse landen, vooral voor steun in de oorlog tegen Iran. De Nederlandse betrekkingen met Irak werden in die tijd ook sterk aangehaald (toen kon ook iemand als Frans van Anraath zijn zaken doen). Na de invasie in Koeweit werd Irak de paria van de westerse mogendheden, tot aan 2003, toen de Amerikaanse invasie een eind maakte aan het bewind van Saddam Hoessein en de Ba’thpartij. Het is dus een buitengewoon complexe geschiedenis. Zie voor meer Historisch overzicht Irak, elders op dit blog, waarin veel literatuurverwijzingen zijn opgenomen. Het geschiedenisprogramma van de VPRO, Andere Tijden, heeft een keer een interessante uitzending gewijd aan deze materie, afl. ‘De VS en de Golf’, 7 januari 2003, hier terug te zien. Zie ook het artikel van Carolien Roelants ‘Van vazal van het westen tot speciaal doelwit’, NRC Handelsblad, 27-7-2002
9 Ik baseer ik mij vooral op de verhalen van verschillende Iraakse kunstenaars. In eerste instantie is mij dit verhaal echter verteld door twee kunstenaars van Marokkanaanse afkomst die wonen en werken in Nederland. Zij kregen een uitnodiging om naar Bagdad af te reizen om deel te nemen aan zo’n festival. Dit was in de jaren tachtig, toen Irak nog min of meer een bondgenoot was en er de Koeweitcrisis en het daaopvolgende embargo nog niet aan de orde was. In eerste instantie waren zij erg onder de indruk van hoe dit Arabische land de kunsten stimuleerden. De schok was dan ook groot om erachter te komen deze manifestatie in dit toen nog bevriende land slechts een grote totalitaire facade was.
Overigens bestaat er ook nog een opmerkelijke Amerikaanse getuigenis. Irak werd gedurende de oorlog met Iran gesteund door het westen en de westerse media waren nog helemaal niet zo negatief over Saddam Hoessein (dat gebeurde pas toen hij in 1990 Koeweit binnenviel). In 1985 publiceerde National Geographic een tamelijk positief artikel, The new face of Baghdad, waarin lovend werd geschreven over Iraks radicale moderniseringsprogramma en zelfs over alle nieuwe monumenten ter meerdere glorie van Saddam, die het beeld van de stad in toenemende mate gingen bepalen. Aan het woord kwamen ook de (zeer regime getrouwe) beeldhouwer Mohammed Ghani Hikmet (de maker van de Victory Arch) en kunstenaar (en arts) Ala Bashir, zie ook http://www.alabashir.com/ . Dat deze kunstenaars hecht met het regime verbonden waren werd op geen enkele manier duidelijk. Ala Bashir was zelfs de lijfarts van Saddam (die dus ook schilderde). Hij publiceerde na de val het regime zijn memoires, Getuigenissen van Saddams lijfarts; berichten uit een duistere, krankzinnige wereld, het Spectrum, 2004. In het artikel in National Geographic laat hij zich, itt in zijn latere memoires, vanzelfsprekend en begrijpelijk buitengwoon lovend uit over het Iraakse regime, ook over het artistieke klimaat. Het interessante is dat National Geographic in 1985 alle positieve verhalen kritiekloos overnam, in William S. Ellis, ‘The New Face of Baghdad: Iraq at War’, National Geographic (January 1985), pp. 80-109. De meest kritische opmerking wil ik de lezer niet onthouden: ‘There are few political parties in the world so strictly disciplined as the Baath Party in Iraq, and a few operate under such a heavy veal of secrecy. Dissent, even whispered, is not heard here. Nor much laughter heard’, p. 93. Verder blinkt dit artikel uit in enthousiasme over Iraks economische en sociale moderniseringsprojecten (vrouwenemancipatie, overigens niet geheel onwaar, zij het dat ook dit vooral een pastiche was, voor de Bühne, zonder een daadwerkelijke verbetering op het gebied van rechten voor vrouwen, zoals de vele kwesties waarin een traditioneel relict als ‘eerwraak’ werd gebruikt als chantagemiddel om vrouwen als informant aan de Mukhabarat te binden. Zie Kanan Makiya, Verzwegen wreedheid, pp. 304-319, waar dit uitgebreid wordt beschreven). Lovend zijn de beschrijvingen van het ‘nieuwe Bagdad’, inclusief alle groteske monumenten die in rond die tijd verrezen. Hoe anders zou de toon over het nieuwe en revolutionaire Irak worden na Saddams invasie in Koeweit, zeker in Amerikaanse tijdschriften.
Uniek was dit overigens niet, er werden in die tijd ook goede zaken met Irak gedaan, ook door Nederland, zie de affaire van Anraat, maar zie ook deze interessante uitzending van het VPRO programma Argos over Frits Bolkestein, die in de jaren tachtig als staatsecrearis van buitenlandse handel afreisde naar Bagdad om er goede zaken te doen, zie link (originele uitzending hier, va 18 minuten). Zo zijn er nog veel meer voorbeelden, zie ook deze reportage van Netwerk over het bezoek van Donald Rumsfeld als speciaal gezant van president Reagan aan Saddam Hoessein . Voor meer van dit soort verhalen kan ik zeker de Saddam biografie van Said Aburish aanraden, Saddam Husayn; the politics of revenge, Bloomsbury publishing, 2000 en dan vooral het hele hoofdstuk ‘Marching to Halabja’, pp. 129-159
Een interessante bron van een heel andere aard is het Belgische reisverslag ‘Rendez vous in Bagdad’ (Charles Ducal. red.), EPO, Antwerpen, 1994. Een aantal Belgische intellectuelen en kunstenaars reisde in 1994 naar Bagdad om de gevolgen van het embargo met eigen ogen te bekijken. Deze delegatie heeft zich echter volledig laten inpakken door het Iraakse propaganda-apparaat, maar dat maakt het juist fascinerend om te lezen. Zo staat er uitgebreid beschreven hoe zij een ontmoeting hadden met de beeldhouwer Mohammed Ghani Hikmet, om iets daarna de Victory Arch te passeren. Dit ‘kunstwerk’ wordt weliswaar potsierlijk genoemd, maar niemand realiseert zich dat dit het werk is van die prominente beeldhouwer die zij zojuist gesproken hadden. Zo zijn er veel meer van dit soort voorbeelden. De oplettende lezer zal hier echter snel doorheen prikken. Het hele boek is te raadplegen op de site van de Belgische-Iraakse vriendschapsvereniging (nog uit de tijd van het oude regime): http://www.irak.be/ned/index.htm Wellicht zegt deze passage uit de inleiding genoeg: ‘Terwijl Irak grote inspanningen levert om het hoofd boven water te houden, de gevolgen van het embargo op een zo fair mogelijke manier probeert te spreiden over alle lagen van de bevolking, niet toegeeft aan de druk van het Imperialisme, en koortsachtig aan de wederopbouw werkt, proberen de Iraaks-Koerdische leiders en Iraakse dissidenten er alles voor te doen om het Iraakse volk in diskrediet te brengen, en zoveel mogelijk leugens te verspreiden, teneinde de publieke opinie verder te vergiftigen. Daardoor kunnen zij mede-verantwoordelijk geacht worden voor het voortbestaan van de blokkade en de moord op hun eigen volk’. Oie laatste opmerking denk ik dat we het niet hoeven te hebben, die spreekt al voor zich. Niet het regime van Saddam is verantwoordelijk, maar de vluchtelingen die dit regime afwijzen… Dat het embargo veel leed bij de bevolking heeft veroorzaakt wil ik hier niet bestrijden, maar de opmerkingen over ‘dissidenten’ en de pogingen van ‘Irak’ (het regime dus) om het hoofd boven water te houden, zijn wel enigszins wrang. Want hoe je ook over het sanctiebeleid van de VN kunt denken, het regime heeft er in die tijd nog nooit voor gezorgd om het lijden van de bevolking te verzachten. Voor de goede orde, ik heb het dus niet over de serieuze kritiek op het sanctie-beleid, zoals die van VN functionarissen Hans von Sponeck en Dennis Halliday, verschillende hulporganisaties, of die van Edward Said (zoals uiteen gezet in zijn korte maar roemruchte artikel Apocalypse now ). Dat lijden was juist een handig instrument van het regime om de anti-sanctie lobby levend te houden en deze Belgische delegatie heeft zich hiervoor graag laten gebruiken. En dat deze delegatie zich meer door het regime heeft laten gebruiken, dan dat het iets voor het Iraakse volk heeft gedaan is mij duidelijk geworden uit het verhaal van een naar Nederland gevluchte Iraakse kunstenaar (laat hier het midden wie). Ook hij had een ontmoeting met deze Belgische groep (hij wordt ook in het boek beschreven). Uiteraard was het voor hem onmogelijk om zijn echte mening te geven. En deze groep Belgen was bereid om alles van het regime te slikken, zo heb ik van hemzelf mogen vernemen.
Deze voorbeelden laten vooral zien dat er altijd genoeg fellow-travelers zijn geweest met het regime van Saddam Hoessein, zowel van ‘rechts’ (voor de invasie in Koeweit, toen Irak een goede buffer leek tegen het gevaar van Khomeiny, hard optrad tegen de communisten in eigen land en bovendien een interessante zakenpartner leek, zie van Anraath, maar ook talloze anderen t/m regeringen van diverse westerse landen), als van ’links’ (na de invasie in Koeweit en de golfoorlog en Irak een vijand werd van Amerika). Zie deze Belgische delegatie, maar ook Willem Oltmans, t/m Ramsey Clarke, oud-minister van justitie van de VS onder Johnson, die na de Vietnamoorlog als ‘born again’ activist optreedt voor alles wat anti-Amerikaans is en zo ook vriendschap heeft gesloten met het Iraakse regime, overigens pas na de golfoorlog.
10 Niet iedere Iraakse kunstenaar in Nederland was een daadwerkelijke tegenstander van het regime van de Ba’thpartij. Een flink aantal kunstenaars draaide mee in de propagandamachine, totdat het regime hen in de jaren negentig, vanwege het embargo, waardoor de propaganda industrie niet meer te betalen was, eenvoudigweg in ballingschap stuurde, soms met een vluchtverhaal.
Interessant is in dit verband een bericht op de weblog van de in Zwitserland wonende Iraakse kunstenaar Salam Khedr, een kunstenaar die overigens goed bevriend is met veel van zijn in Nederland wonende collegae (zo hebben wij elkaar ook ontmoet). Salam schrijft hier precies wat ik uit talloze bronnen ook vernomen heb, met het verschil dat ik alle redenen heb om aan te nemen dat er ook een aantal bijzonder ‘trouwe Ba’thi’s’ op die manier zijn weggestuurd. Dat heeft voor genoeg onrust gezorgd binnen de Iraakse ballingengemeenschap. Hier zijn echt meer dan genoeg voorbeelden van en dan gaat het niet alleen om partijleden, die dat slechts noodgedwongen waren om een opleiding volgen of om carièrre te maken (vanaf een bepaald moment was het zelfs verplicht om lid te worden, maar dat is niet waar het hier over gaat). Zonder in te gaan op allerlei individuele gevallen wil ik hier volstaan met de bewering dat er alle reden is om dit voor waar aan te nemen.
Vaak hebben goedbedoelende Nederlanders, die iets met Iraakse kunstenaars wilden organiseren, dit niet goed gezien. Zo is het meer dan eens voorgekomen dat er iets werd georganiseerd werd voor uit Irak gevluchte kunstenaars, de kunstenaars op het laatste moment afhaakten, juist omdat er pricipiële dissidenten op een hoop werden gegooid met kunstenaars die loyaal aan de Ba’thpartij waren. Door deze gebeurtenissen, vaak niet goed begrepen door Nederlanders die zich bekommerden om deze kunstenaars, is het verhaal ontstaan dat er met Iraki’s niet te werken valt. De oorzaak is echter primair de geheel begrijpelijke verdeeldheid van de Iraki’s onderling en het gebrek aan kennis van de achtergronden van een aantal van deze goedbedoelende Nederlanders. Over hoe het precies in elkaar zit, hoe verschillende kunstenaars uiteindelijk in Nederlandse ballingschap terecht zijn gekomen en vooral het waarom is door de IKON een keer een interessante uitzending gemaakt, waarin de kunstenaars Qassim Alsaedy, Ziad Haider, Ali Talib, Fawzi Rasul en Iman Ali hun verhaal vertelden, Factor, afl. ‘Beeldenstorm’ 17 juli, 2003. Zie over deze vanzelfsprekend zeer gevoelige materie verder mijn uitvoeriger beschouwing uit Leidschrift, of op dit blog Denkend aan Bagdad. Dat de verhalen van verschillende Iraakse kunstenaars die ik heb gesproken gewoonweg juist waren (en geen product van paranoia, zoals mij weleens is verteld door iemand die eerder met deze kunstenaars in contact was gekomen), is meer dan eens gebleken. Een pregnant voorbeeld. In de tijd dat Saddam nog aan de macht was (2002) ontdekte ik op een Engelstalige internetsite van het regime (The Dayly Iraq, een niet meer bestaande internetkrant van journaliste en ‘vertegwoordiger van het regime’, Nasra as-Sadoon, op de inmiddels verdwenen staatsprovider www.uruklink.net , dit krantje figureert overigens ook in deze uitzending van Netwerk), een positieve bespreking van een Iraakse kunstenaar, die inmiddels al jaren in Nederland als ‘vluchteling’ woont. Dit, terwijl ‘werkelijk vluchten’ in Saddams Irak gelijk stond aan landverraad.
Een nog extremer geval ken ik uit Italië. Twee Iraakse beeldhouwers, die daar wonen en werken, hebben daar ter plekke opdrachten vervaardigd voor het Iraakse regime. Werp zeker een blik op de website van de bronsgieterij, waar dit open en bloot wordt vertoond, hier en ook hier te bezichtigen. Een inkijk als deze krijg je zelden. En ook in Italië wonen veel Iraakse kunstenaars, die tegenstanders van het regime waren en zijn gevlucht. Deze uitersten bestaan dus ook in Nederland, zij het niet zo openlijk zichtbaar als daar.
11 Francien Coenen, Het gevecht zit in mij, in ‘Onze Wereld’, april 1995.
12. Ik verwijs hiervoor naar het interview met Qassim Asaedy, dat ik met hem had voor mijn scriptie-onderzoek, elders op dit blog gepubliceerd. Zie hier ook twee andere interviews met Qassim Alsaedy
13 Uitzending kunstprogramma RAM, VPRO, 19 oktober, 2003, http://www.vpro.nl/programma/ram/afleveringen/14421835/items/14495412/
14 Aras Kareem, ‘Ik herinner mij de schaduw van mijn jeugd’, statement, 2000. Zie ook dit televsieportret dat de RKK van hem maakte in 2001
15 Over wat er precies gebeurd is, heeft hij zelf uitgebreid verteld in een uitzending van Factor, afl. ‘Beeldenstorm’ , van de IKON, op 17 juli, 2003 (uitzending via link te bekijken)
16 Robert Fisk, De grote beschavingsoorlog; de verovering van het Midden Oosten, Anthos/Standaard uitgeverij, Amsterdam/Antwerpen, 2005, p. 851-878, of Kanan Makiya, Verzwegen wreedheid; nationalisme, dictatuur en opstand in het Midden Oosten, Bulaaq/Kritak, Amsterdam/Antwerpen, 1994, pp. 34-37.
17 Ali Assaf, ‘Who am I?’, statement, Rome, 2002, p. 1.
Aan te bevelen literatuur en andere bronnen:
Kunst uit Irak en de Arabische wereld (algemeen)
• Brahim Alaoui, Art Contemporain Arabe, Institut du Monde Arabe, Parijs, 1996
• Brahim Alaoui, Mohamed Métalsi, Quatre Peintres Arabe Première ; Azzaoui, El Kamel, Kacimi, Marwan, Institut du Monde Arabe, Parijs, 1988 (oa over Dhia Azzawi).
• Wijdan Ali, Contemporary Art from the Islamic World, Al Saqi Books, Londen, 1989.
• Maysaloun Faraj (ed.), Strokes of genius; contemporary Iraqi art, Saqi Books, Londen, 2002
• Samir Al Khalil (pseudoniem van Kanan Makiya), The Monument; art, vulgarity and responsibillity in Iraq, Andre Deutsch, Londen, 1991
• Mohamed Metalsi, Croisement de Signe, Institut du Monde Arabe, Parijs, 1989 (over oa Shakir Hassan al-Said)
Zie ook de websites van International Network of Contemporary Iraqi Artists (INCIA), http://www.incia.co.uk/index2.html , de Darat al-Funun, ‘Klein huis voor de kunsten’, in Amman (Jordanië) www.daratalfunun.org, http://www.iraqiart.com/ (grotendeels in het Arabisch, maar staan ook bijdragen in het Engels op en vooral nuttig voor beeldmateriaal), of http://www.iraqiartists.org/ voor veel werk van talloze Iraakse kunstenaars, van binnen en buiten Irak. Zie hier overigens nog een andere, overigens zeer interessante visie op de geschiedenis van de Iraakse kunst, gedurende de twintigste eeuw (met een sterke focus op de familie van Jawad Salim).
Kunstenaars uit Irak in Nederlandse ballingschap
• W. P. C. van der Ende, Versluierde Taal, vijf uit Irak afkomstige kunstenaars in Nederland, Museum Rijswijk, Vluchtelingenwerk Rijswijk, 1999. (Abeer Al Khateb, Fadil Al Badri, Hoshyar Saeed Rasheed, Qassim Alsaedy, Yousif Chati Abadi).
• IMPRESSIES; Kunstenaars uit Irak in ballingschap, AIDA Nederland, Amsterdam, 1996 (zie ook dit artikel uit de Volkskrant).
• Tineke Lonte, Kleine Beelden, Grote Dromen, Al Farabi, Beurs van Berlage, Amsterdam, 1993. (vijf kunstenaars uit de Arabische wereld in de beurs van Berlage, waaronder Saad Ali en Baldin Ahmad).
• Ismael Zayer, 28 kunstenaars uit Irak in Nederland, de Babil Liga voor de letteren en de kunsten, Gemeentehuis Den Haag, 2000 (zie hier een gedeelte van de tekst).
Verder de documentatie rond het festival ‘Iraakse kunsten in Amsterdam’, uit 2004. Zie hier het programma en de begeleidende teksten
Dat de Iraakse kunstenaars in Nederland op zijn zachtst gezegd een nogal verdeeld gezelschap zijn is een gegeven waar bijna iedereen, die weleens iets met hen heeft willen ondernemen, tegenaan is gelopen. Zoals bovenstaand vermeld heeft dit alles te maken met de verschillende relaties van deze kunstenaars met het vroegere Iraakse regime. Dit is door verschillende Nederlanders niet altijd even goed begrepen en er is in de literatuur eigenlijk niets over terug te vinden. Maar het is wel een gegeven dat er nu eenmaal is en dat niet genegeerd kan worden. Voor degenen die precies willen snappen hoe het in elkaar zit kan ik de uitzending van Factor aanraden, aflevering ‘Beeldenstorm’ 17 juli, 2003 (ook bovenstaand genoemd in de noten), waarin vijf Iraakse kunstenaars, waaronder Qassim Alsaedy en Ziad Haider, zelf aan het woord komen en uitgebreid vertellen over hun persoonlijke geschiedenis. Wellicht een must voor iedereen die zich met dit onderwerp wil bezighouden. De kunstenaars leggen het zelf heel duidelijk uit, dus alle reden om hier kennis van te nemen.
Iraakse literatuur in Nederland
• Chaalan Charif, Dineke Huizenga, Mowaffk al-Sawad (red.), Dwaallicht; tien Iraakse dichters in Nederland (poëzie van Mohammad Amin, Chaalan Charif, Venus Faiq, Hameed Haddad, Balkis Hamid Hassan, Salah Hassan, Karim Nasser, Naji Rahim, Mowaffk al-Sawad en Ali Shaye), de Passage, Groningen, 2006.
• Salah Hassan, Slapen in een vreemde taal, dichtbundel, Rijwijk, 2000
• Salah Hassan, Terug naar Bagdad, verschenen in ‘Eutopia, voor kunst, cultuur en politiek’, de Balie, Amsterdam, 7 februari, 2004 (reisverslag, essay).
• Mowaffk al-Sawad, Stemmen onder de zon, uitgeverij de Passage, Groningen (roman, gebundelde brieven), 2002 (zie hier een interview met Mowaffk al-Sawad in de Goene Amsterdammer).
• Ibrahim Selman, En de zee spleet in tweeën, in de Knipscheer, Amsterdam, 2002 (roman)
• Ibrahim Selman, Dapper hart gezocht; notities van een gevluchte Iraakse Koerd, Meulenhoff, Amsterdam, 2007 (essays).
Verder natuurlijk het werk van de in Nederland werkzame schrijver/dichter/columnist Rodhan Al-Galidi. Op zijn website is veel te vinden over zijn dichtbundels en romans, http://www.algalidi.com/
Irak (geschiedenis en algemeen)
• Said K. Aburish, Saddam Husayn; the politics of revenge, Londen 2000.
• Bert Cornillie, Hans Declerq (ed.), In de schaduw van Saddam; het Koerdische experiment in Irak, Bulaaq/van Halewyck, Amsterdam, Leuven, 2003
• Robert Fisk, De grote beschavingsoorlog;de verovering van het Midden Oosten, Anthos/Standaard uitgeverij, Amsterdam/Antwerpen, 2005
• Samir Al Khalil (pseudoniem van Kanan Makiya), Republic of Fear; the politics of modern Iraq, University of California Press, 1989 (repr. 1998)
• Kanan Makiya, Verzwegen wreedheid; nationalisme, dictatuur, opstand en het Midden Oosten, Bulaaq, Amsterdam, 1994
• Fatima Mohsen, Cultural totalitarism, uit Fran Hazelton (ed.), Iraq since the Gulf War; prospects for democracy, Zed Books, Londen, 1994.
• Charles Tripp, Irak; een geschiedenis, Bulaaq, Amsterdam, 2002
Zie ook de beroemde documentaire Saddam’s killing fields (1993), over de onderdrukking en de moordpartijen op de Koerden, de Shiieten en de Moeras-Arabieren, online hier te zien. Ook zeer de moeite waard ‘Tegenlicht’, afl. Wat moet ik weten om de oorlog te begrijpen, een gesprek met Paul Aarts (UvA), Herman von der Dunk (UU) en Erik Jan Zurcher (UL), VPRO, 30 maart, 2003, aan het begin van de Amerikaanse inval. Over de geschiedenis van Irak en welke grote belangen achter de westerse bemoeienis met Irak zitten, vanaf 1920 tot nu. Absolute aanrader is de uitzending van Zembla, Kanonnenvoer van Saddam, van 5-12-2002. Daarin komt een groot aantal Iraakse Nederlanders aan het woord en geven zij hun mening over de Amerikaanse inval (waaronder de dichters Mowaffk al-Sawad en Naji Rahim en de politicoloog Mariwan Kanie. Hoogleraar economie Isam al-Khaffaji, later voor een korte tijd adviseur van Paul Bremer, legt mijns inziens precies het werkelijke motief en het waarom van de Amerikaanse invasie uit). Duidelijk blijkt dat zij hun eigen geschiedenis met de Amerikanen hebben en dat die verre van positief is, los van hun afkeer van het regime van Saddam. Eigenlijk wordt hier de vraag beantwoord waarom de Amerikanen niet met open armen als bevrijders zijn ontvangen, ondanks het Iraakse lijden onder Saddams bewind.
Over het post-Saddam Irak en de Amerikaanse bezetting
• Anneke van Ammelrooy, Alles is er niet, de mythe van de Iraakse wederopbouw; berichten over het leven in Bagdad, de Papieren Tijger, Breda 2004
• Pim van Harten, Roel Meijer (red.), Irak in chaos; botsende visies op een humanitaire ramp, uitgeverij Aksant, 2007.
• Seymour Hersh, Bevel van hogerhand; de weg van 11 september tot het Abu Ghraib schandaal, de Bezige Bij, Amsterdam, 2004 (Hersh, wereldberoemd journalist van de New Yorker, bracht als eerste het Abu Ghraib schandaal naar buiten)
• Joris Luyendijk, Het zijn net mensen; beelden uit het Midden Oosten, uitgeverij Podium, Amsterdam, 2006 (gaat niet alleen over Irak, maar ook over Israël/Palestina en Egypte, maar absolute aanrader).
• Rory McCarthy, Nobody told us we are defeated; stories from the new Iraq, Chatto & Windus, Londen, 2006
• Minka Nijhuis, Het huis van Khala, uitgeverij Balans, 2005
• Riverbend, Bagdad onder vuur; dagboek van een jonge vrouw in Irak, Meulenhoff, Amsterdam, 2006