Mijn hersenspinsels en gedachtekronkels

February 2, 2010

Inleiding en toelichting op mijn eigen positie in het Midden-Oosten conflict

Nu het zg Midden-Oosten conflict een van de belangrijkste thema’s van mijn blog is geworden en er ook al enige ‘discussie’ is ontstaan, althans, ik me genoodzaakt voelde om scherp stelling te nemen (want daar kwam het wel op neer, zie het vorige bericht), is het misschien toch goed om een keer mijn eigen uitgangspositie toe te lichten. Daarom zal ik alvast het inleidende stukje publiceren van een veel langere verhandeling die ik nu aan het schrijven ben over hoe het complexe geheel mijns inziens in elkaar zit. Een eerder fragment, over de drie monotheïstische godsdiensten, publiceerde ik al hiervoor op dit blog, hier te raadplegen. Maar hier dus alvast het inleidende gedeelte. Het geheel zal later verschijnen.
In dit verband vind ik het vooral belangrijk om mijn eigen vertrekpunt duidelijk te maken. Normaal schrijf ik op dit blog wat minder persoonlijke stukken, maar in dit geval lijkt het me niet verkeerd om toch iets over mijn eigen achtergrond te vertellen en waarom ik gaandeweg steeds meer affiniteit met die regio  en dus ook met deze penibele kwestie heb gekregen. Bij deze:

 

Een koloniale oorlog uit Europees schuldbesef;

De bijna onontwarbare kluwen van ‘het Midden Oosten conflict’

De bovenstaande titel lijkt een paradox. Hoe kan er kolonialisme bestaan uit naam van Europees schuldbesef? Toch is dit mijns inziens de kern van de kwestie Israël/Palestina. Overigens is dit niet de enige paradox. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog, t/m de jaren zeventig was het heel progressief om voor Israël te zijn. ‘Links’ was er maar al te zeer op gebrand om de schandvlek van de Holocaust uit te wissen. Bij ons gold dat zeker voor bijvoorbeeld de PvdA, zoals het kabinet Den Uyl in de jaren zeventig, dat zelfs in het geheim wapens aan Israël leverde voor de Yom Kippoer oorlog (zie wederom deze uitzending van Zembla, al veel naar verwezen in het vorige bericht). In Amerika was het lange tijd meer gebruikelijk om sympathie te uiten voor Israël bij de Democraten dan bij de Republikeinen. Tegenwoordig is het bijna omgekeerd. Het zijn nu de neo-conservatieven die Israël als grote bondgenoot zien, terwijl de sympathie voor de Palestijnen meer te vinden is aan de linkerkant van het politieke spectrum dan aan de rechterkant.
Als er een ingewikkelde kwestie is, die de hele wereld bezig houdt en waar maar geen eind aan lijkt te komen, dan is het wel het Palestijnse/Israëlische ‘conflict’ (zeg maar een voortdurende staat van latente dan wel oplaaiende oorlog). Het is ook een zaak waar zo’n beetje alle grote werkelijke en vermeende conflicten bij elkaar komen. De Tweede Wereldoorlog, zelfs de Eerste Wereldoorlog (het Sykes/Picot accoord en de Balfour declaratie), de dekolonisatiestrijd, gedurende een bepaalde tijd de Koude Oorlog, de al dan niet bestaande ‘clash of civilizations’, ‘het westen’ versus ‘de islam’, een vorm van apartheid, vermeend of echt antisemitisme in verschillende vormen, Amerikaans imperialisme en neoconservatieve visioenen, de aanjager voor de ‘radicale islam’, een bliksemafleider voor Arabische dictaturen, een excuus voor interventies in het Midden Oosten door internationale grootmachten om hun belangen veilig te stellen, enz. enz.
Om het nog ingewikkelder te maken; bij vrijwel iedere analyse of mening over deze kwestie speelt een of meer van de bovengenoemde zaken wel een rol, al is het op de achtergrond. Dat maakt ook dat iedere discussie over dit onderwerp al snel een heikele zaak. Alles wat met dit conflict samenhangt is historisch, ideologisch of zelfs religieus beladen. Het is bijna onmogelijk om deze kwestie terug te brengen tot een volkenrechtelijk conflict, al is dit mijns inziens de enige juiste weg om tot een uiteindelijke oplossing te komen.
Laat ik meteen beginnen om uiteen te zetten hoe ik zelf tegen deze materie aan kijk, al heeft mijn ‘denken’ ( of mening) hierover wel een ontwikkeling doorgemaakt. Niet omdat mijn mening er zoveel toe doet of omdat ik zelf zo interessant ben, maar als ik aan deze zaak mijn vingers wil branden, lijkt het me wellicht zinvol om zo helder mogelijk te zijn over mijn eigen vertrekpunt, dan bestaat er geen enkel misverstand over mijn intenties. En het blijkt keer op keer toch weer noodzakelijk te zijn om je positie duidelijk te maken; voor je het weet krijg je met het ‘a-woord’ naar je hoofd geslingerd, zoals besproken in het vorige bericht (al was dat wel een bijzonder excessief voorbeeld). 
Tot ongeveer halverwege de jaren negentig was ik min of meer pro-Israëlisch. Ik baseerde mijn mening vooral op wat ik in de kranten las, op het nieuws zag en verder op wat ik uit mijn omgeving meekreeg. Om het maar meteen helemaal persoonlijk te maken; ik heb zelf een gedeeltelijk Joodse achtergrond (om precies te zijn, mijn grootmoeder van vaderskant was joods), al ben ik daar zeker niet mee opgegroeid en speelde bij mijn directe familie het Jodendom eigenlijk geen rol. Ik ben ook zelf gaan ontdekken hoe dat precies met mijn eigen familie zat, want er werd zelfs niet over gepraat (overigens is mijn eigen familie seculier, dus ik ben zonder een religie opgegroeid). Wel hadden er verschillende, zij het wat verdere familieleden veel in de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en hebben sommigen het niet overleefd, maar dat was geen gespreksonderwerp, althans niet voor de generatie die het had meegemaakt en aanvankelijk ook niet voor de generatie daarna, die was opgevoed met het idee dat je over bepaalde zaken beter niet kunt spreken. Dat is eigenlijk alles wat ik er over kwijt kan of wil zeggen. Het bovenstaande is overigens niet een echt onbekend fenomeen. Ik ken althans meer mensen uit soortgelijke families waar precies hetzelfde opging.
Wel had een ander nabij familielid (de broer van mijn Opa, overigens niet van Joodse afkomst) in diverse concentratiekampen van de Nazi’s gezeten. Dit omdat hij Engelandvaarder was en later, toen hij als geheim agent in Frankrijk was gedropt, door de Duitsers werd gearresteerd. Hij werd naar Kamp Buchenwald gedeporteerd en later naar Kamp Dora, waar hij te werk werd gesteld als ‘Nacht und Nebel Arbeiter’ in de beruchte V2 fabrieken. Hij overleefde dit alles en keerde na de oorlog terug. De reden waarom ik dit vertel is dat hij, na ook jarenlang te hebben gezwegen, aan mij, toen ik zestien was, zijn hele verhaal heeft verteld. Hij woonde toen gedurende de zomers in Zuid Frankrijk, bij Aix en Provence en ik heb daar een keer gelogeerd om wat aan mijn Frans te doen, want de afspraak met mij (en vooral mijn ouders) was dat hij en zijn Franse vrouw vooral Frans met me zouden spreken. Daar is niets van terecht gekomen. Hij was net bezig om zijn herinneringen op te schrijven (is later als boek uitgegeven 2 ) en heeft mij eigenlijk iedere dag (en nacht want onze gesprekken duurden soms tot 3 a 4 uur in de ochtend) verteld over zijn tijd als geheim agent en wat hij had meegemaakt in de Nazi kampen. Dit heeft een grote indruk op me gemaakt (ik was toen ook pas zestien, maar dan nog). Maar het is iets dat ik nooit meer zal vergeten en zijn verhaal heb ik vaak in mijn achterhoofd gehad, ook toen ik vanaf die tijd steeds meer ben gaan lezen over de Tweede Wereldoorlog, de Nazi kampen en over antisemitisme of zelfs racisme in het algemeen. Ook toen ik Primo Levi’s ‘meesterwerk tegen wil en dank’ las, Is dit een mens, kon ik dit niet lezen, zonder te denken aan de verhalen over de concentratiekampen die deze broer van mijn opa mij verteld had.
Ik vertel deze persoonlijke geschiedenis alleen maar om duidelijk te maken wat mijn uitgangspunt was (of eigenlijk nog steeds is, als we het naar het algemeen menselijke trekken), niet om iets anders. Het verhaal van de broer van Opa over de Nazi kampen en de constatering dat ik wel degelijk Joodse roots heb (al waren die zogenaamd non-existent, want het onderwerp werd altijd gemeden), hebben er aanvankelijk voor gezorgd dat mijn sympathie enigszins overhelde naar  ‘de Joodse zaak’ (als er zoiets bestaat). Geen wonder dat ik, mij ook baserend op wat er voor ‘Oslo’ zoal in de Nederlandse kranten stond, gematigd pro-Israëlisch was. Dat ben ik eigenlijk tot halverwege de jaren negentig gebleven.
Gedurende mijn verblijf in Leiden kreeg ik steeds meer interesse voor kunst en cultuur uit de niet-westerse gebieden. Ik schreef een stuk over de kunst en de geschiedenis van Indiaans Noord Amerika (als er een geval van brute koloniale misstanden is geweest, is het deze geschiedenis wel. Dit stuk is later tot een artikel omgewerkt en heb ik ook hier gepubliceerd) en begon me zodoende steeds meer te interesseren voor andere voormalig gekoloniseerde gebieden in de wereld. Dankzij mijn stage bij een fonds dat kunst en cultuur in de niet-westerse gebieden ondersteunt (voornamelijk ontwikkelingslanden, maar doet ook veel in het Midden Oosten) kwam voor mij ook de Arabische wereld in beeld. Uiteindelijk heb ik ook mijn scriptie geschreven over kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederland, waarvan vele van deze kunstenaars zich zeker niet in ‘vrijwillige ballingschap’ bevonden (een paar fragmenten hier). Zodoende breidde mijn kennis van de wantoestanden van diverse Arabische dictaturen, maar zeker ook van de Israëlische bezetting van de Palestijnen, zich steeds meer uit. Een niet onbelangrijke bron is het denken van de Palestijnse literatuurwetenschapper Edward Said geweest. Naast zijn algemene verhaal over stereotypen van vroeger gekoloniseerde of niet-westerse volkeren, zoals hij uiteen heeft gezet in zijn belangrijke werken Orientalism (1978) en Culture and Imperialism (1993), heb ik natuurlijk ook kennis genomen van wat hij over zijn eigen achtergrond heeft geschreven; zijn bestaan als Palestijnse balling (zie overigens hier een fascinerende serie korte interviewfragmenten, waarin zijn visie helder naar voren komt). Al was ik ruim voor die tijd al veel genuanceerder tegen de Palestijnse kwestie gaan aankijken en had hun zaak al veel meer mijn sympathie dan de Israëlische bezettingsmacht, het bestuderen van Edward Said, zijn bewonderaars maar ook zijn scherpste critici (waaronder de Iraakse schrijver en dissident van het Ba’th bewind Kanan Makiya, wiens kritiek ik op belangrijke punten zelfs kan onderschrijven), heeft mijn standpunt echt doen veranderen in het voordeel van de Palestijnen. Daarmee zeg ik niet dat ik sympathiseer met een Palestijnse partij of met bepaalde Palestijnse politici, maar wel dat ik van mening ben dat de Palestijnen een groot onrecht is aangedaan en dat het einde van de Israëlische bezetting wel het minste is wat er moet gebeuren om vrede te stichten maar ook om recht te doen. Met de nadruk op het minste.
Mijns inziens staat het vanzelfsprekend buiten kijf dat de Joden een gruwelijke misdaad is aangedaan, vooral gedurende de Tweede Wereldoorlog, maar ook in de eeuwen daarvoor en zelfs daarna (zoals in de Sovjet Unie). De vraag is echter of de Palestijnen de prijs voor deze misdaden moeten betalen. Naar mijn mening is daarmee een groot onrecht geschied. En dan heb ik het niet over wat sommige Palestijnse leiders allemaal doen, of de middelen die sommige Palestijnen toepassen wel de juiste zijn (vaak verre van), noch over wat zogenaamde sympathisanten van de Palestijnen allemaal uitkramen, van verschillende Arabische dictators, de huidige Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad, t/m sommige zeer dubieuze sympathisanten in het westen (ik bedoel vooral de op zich marginale groep van Holocaust ontkenners, die ook populair zijn in sommige kringen in het Midden Oosten, zoals bij de huidige Iraanse president 2). Het gaat er mij ook niet om het Palestijnse leed uit te vergroten ten opzichte van het leed van de Koerden, de Tibetanen of de Christenen van Darfur. Dat gebeurt namelijk ook, hoewel je in het laatste geval weer ziet dat Israël voorop staat om te pleiten voor de rechten van de Darfur Christenen (en ze zelfs op grote schaal wil opvangen om het eigen ‘demografische probleem’ tov de groeiende Arabische bevolking op te lossen), die weer als een bliksemafleider gebruikt worden van het Palestijnse probleem. Zie ook het enorme kabaal dat door Israël supporters wordt gemaakt over Israëls ruimhartige hulp aan de slachtoffers van de aardbeving in Haïti, bijvoorbeeld op de site van de eerder besproken extremistische pro-Israël activiste Ratna Pelle, zie hier. Let vooral op haar opmerking: ‘degenen die geen zin hebben in de Novib & co, kunnen geld storten op…’ (de ‘Novib & co’ zijn natuurlijk te kritisch naar Israëls ‘ethische politiek’, zoals naar het blokkeren van hulpgoederen voor Gaza. Misschien is het voor Ratna Pelle een ideetje om een keurmerk op te zetten, zoiets als Max Havelaar, of ‘proefdiervrij’, maar dan anders;). 
Maar dit probleem bestaat op minstens net zo’n schaal, zoniet nog veel groter, aan de Arabische zijde.  Een korte passage uit het werk Verzwegen Wreedheid van de Iraakse schrijver Kanan Makiya, dissident van het Saddam regime, zegt misschien genoeg: ‘Er zijn door Arabische intellectuelen miljoenen woorden geschreven over dat Israël honderden Palestijnse dorpen verwoestte en terecht. Toch besloten deze zelfde intellectuelen te zwijgen toen een Arabisch regime duizenden Koerdische dorpen met de grond gelijk maakte’.3 Deze constatering van Makiya, overigens zelf een Arabier, is wellicht terecht. Maar ook in deze kun je niet het ene leed tegen het andere wegstrepen. En dat geldt voor beide partijen. De ramp voor de Palestijnen wordt er niet minder op door er een omvangrijker humanitaire ramp tegenover te zetten. Net zo goed als het in Zuid Afrika ook nogal potsierlijk was als verdedigers van de apartheid naar Idi Amin verwezen. Omgekeerd waren de opmerkingen van Idi Amin over de apartheid net zo grotesk, net als Saddams gebral over het ‘bevrijden van de Palestijnen’. 
Aan de andere kant kun je wat mij betreft ook vraagtekens bij kunt plaatsen is wat Ronnie Naftaniel te zoeken heeft in het nieuwe ‘Iran Comite’, samen met dhr Sadegh Zarza van de  Koerdische Democratische Partij Iran (KDP-I, niet te verwarren met de op dit blog eerder ter sprake gekomen Iraakse KDP), samen met verschillende politici van CDA, VVD en Christen Unie, zie hier. Ook weer een ietwat vreemde verbintenis, al hebben zij natuurlijk het bewind van de Mullahs als gemeenschappelijke vijand. Maar ik heb wel enigszins mijn twijfels bij de motieven van de heer Naftaniel, althans ik kan me moeilijk voorstellen dat het hem louter om mensenrechten in het Midden Oosten gaat. Dan zou ik nog wel een andere prioriteit weten, voor hem ‘veel dichter bij huis’. 
Het ergst heb ik altijd de pro-Saddam leuterpraatjes van sommige westerlingen gevonden, alleen omdat ze ook heel kritisch zouden zijn op Israël, dus zijn alle Arabieren goed. Het slechtste voorbeeld op dit gebied dat ik ken is dit Belgische reisverslag, als boek verschenen, maar ook online beschikbaar. 4 Maar verder heb ik helaas ook wat meer meegemaakt en gezien van dit soort zaken (fellowtravellers dus), gedurende mijn onderzoek naar de kunst van de Iraakse diaspora. Heel interessant om als ‘progressieve West Europeaan’ zo modieus anti-westers, Israël en het embargo te zijn (alle redenen tot kritiek overigens), maar om dan Saddam te vergoeilijken heb ik altijd een vorm van dommige dweepzucht gevonden. Ik bedoel hier dus niet de kwestie voor of tegen de Amerikaanse aanval zijn, maar vooral beweringen als: ‘Het is daar allemaal niet zo erg, want Amerikaanse propaganda’, etc. Nog nooit met een Iraki gepraat die het regime aan den lijve had ondervonden, of uitsluitend met Iraki’s die of voor het regime werkten of in Irak ‘vrijuit konden praten’, met het mes van de Mukhabarat op de keel (Saddams geheime dienst, NB getraind door de Oost Duitse Stasi, de relatie van het Iraakse regime met beide Koude Oorlogsmachten was overigens altijd een ingewikkelde zie hier). En dan wel beweren solidair te zijn met het Iraakse volk. En kennelijk ook vergeten dat Saddam in de jaren tachtig door het westen gesteund werd en wellicht nog saillanter (maar bijna vergeten) dat gedurende de Koude Oorlog men de Ba’thpartij niet eens zo’n slechte buffer vond tegen het communisme. Irak had namelijk een grote communistische partij, waar de Ba’thi’s uitermate vijandig tegenover stonden. Dat het regime in een bepaalde periode steun zocht en vond bij het Oostblok is weer een heel ander verhaal. Maar goed, geen enkel misverstand dus, allemaal fout en hypocriet. 
Maar om dan opeens voor Israëls ‘ethische politiek’ naar de Palestijnen te zijn? Als Israël pretendeert ‘de enige democratie van het Midden Oosten’ te zijn, kan het zich een systeem van apartheid niet permitteren (werd er tot in de jaren tachtig in sommige kringen niet beweerd dat Zuid Afrika ‘de enige democratie van Zuidelijk Afrika’ was?). En bovendien, Israël was toch gesticht met het doel om een veelal elders gediscrimineerde bevolkingsgroep een veilig tehuis te bieden? Zie hier weer een van de wrange paradoxen van dit vrijwel uitzichtloze conflict. Wat ooit een plaats had moeten worden waar de mensenrechten gewaarborgd zouden zijn, is nu een plek geworden waar misschien een van de laatste koloniale oorlogen wordt uitgevochten.5
Aan de hand van deze beschouwing zal ik proberen mijn standpunt toe te lichten. Ik zal vooral een historische beschrijving geven (het onderstaande betoog is chronologisch opgebouwd). Wellicht is het verre van volledig, maar ik heb getracht de belangrijkste kwesties mee te wegen.

Floris Schreve

Tot zover de inleiding. Het direct hierop volgende stukje wordt het fragment over de monotheïstische godsdiensten, al eerder hier verschenen. Het geheel volgt dus later.

Noten 

1. Guido Zembsch Schreve (opgetekend door Eddy de Roever), Operatie Pierre Jaques; Geheim agent, comando en gevangene van de Gestapo, Uitgeverij Hollandia, Baarn, 1990. In het Engels verschenen als Pierre Lalande: special agent, Leo Cooper, Londen, 1996. Zie ook deze uitzending van het geschiedenisprogramma Andere Tijden over Kamp Dora, http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/2899536/afleveringen/39391235/, waarin hij overigens geen rol speelt (hij is in 2003 overleden). De verhalen van deze twee oud-gevangenen van Dora komen precies overeen met de verhalen van deze broer van mijn Opa, zowel de specifieke details als hun uiteenzettingen over hoe je in die omstandigheden het beste kon overleven. Vooral dat laatste frappeerde mij het meest.

2. Aan een paar van deze Holocaustontkenners (David Irving, Robert Faurrisson en Ernst Zündel) heb ik aandacht besteed in een serie andere artikelen op dit weblog. Bij een Belgisch antroposofisch tijdschrift dat ik hier kritisch heb besproken, zijn deze lieden nogal populair, zie http://florisschreve.blog-s.nl/category/de-brug-tijdschrift/. Los van het aanprijzen van deze Holocaustontkenners doet dit blad zelf ook nog een stevige duit in het zakje op het gebied van negationisme en antisemitisme van het allergrofste soort.

3. Kanan Makiya, Verzwegen wreedheid; nationalisme, dictatuur en opstand in het Midden Oosten, Bulaaq/Kritak, Amsterdam/Antwerpen, 1993, p. 209. Aan deze publicatie heb ik elders op dit blog ook uitgebreide aandacht besteed, zie http://florisschreve.blog-s.nl/2008/10/14/edward-said-orientalism-en-de-kritiek-van-kanan-makiya/.

4. Charles Ducal (red.), Rendez vous in Bagdad, Epo, Antwerpen, 1994. Verslag van een groepje ‘kritische’ Belgische intellectuelen, die zich door het toenmalige Iraakse regime  lieten uitnodigen om de gevolgen van het embargo ‘kritisch’ te onderzoeken. Hun gastvrouw was de Iraakse journaliste en functionaris van het ministerie van informatie, Nasra as-Sadoon, gehaat en gevreesd door de Iraakse ballingen die ik ken, al wordt er in het boek stellig beweerd dat zij géén lid van de Ba’thpartij was en ‘onafhankelijk’ zou zijn  (net alsof dat mogelijk was). Om dit met een voorbeeld te illustreren; hier in Nederland sprak ik een inmiddels gevluchte Iraakse kunstenaar die in eigen land een grote faam genoot; hij werd ook herhaaldelijk positief gerecenseerd in het niet meer bestaande Engelstalige internetkrantje van deze Nasra as-Sadoon, The Daily Iraq. Dit was een krantje van het regime, dat in de eerste dagen van de oorlog van internet verdween (ik hield het in die dagen goed in de gaten omdat ik ook de ‘officiële’ Iraakse verslaggeving wilde volgen). Maar deze kunstenaar (wiens naam ik hier niet zal noemen) verkeerde in Irak dan ook in bepaalde kringen, zeg maar de hogere regionen van ‘de partij’, dat het onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk zou zijn geweest dat hij haar niet zou hebben gekend. Toen ik hem over dit boek sprak, wist hij me te vertellen: ‘Zij zou niet voor het regime werken? Zij was het regime’.
Dit gezelschap sprak ook met een andere kunstenaar in Bagdad, die later ook naar Nederland is gevlucht en die ik persoonlijk goed heb leren kennen (hij staat ook uitgebreid in het boek beschreven). Geheel overbodig om te zeggen dat wat hij toentertijd in Irak aan deze delegatie vertelde niet overeenkwam met zijn werkelijke opvattingen en deze kunstenaar was echt geschokt om jaren later terug te lezen hoe dit gezelschap zich door het regime had laten inpakken en hoe hij gebruikt was, niet alleen door het regime, maar ook door deze Belgische delegatie. Ook de naam van deze kunstenaar zal ik in dit verband achterwege laten. Hij heeft hier in Nederland een nieuw bestaan opgebouwd en dat is hem van harte gegund. Overigens heb ik geen van deze twee kunstenaars elders op dit blog genoemd in een ander artikel (maar er zijn ook tegen de tachtig Iraakse kunstenaars in Nederland, zie dit eerdere artikel). In deze laat ik ze verder anoniem. Ze hebben een nieuw leven en dat moet vooral zo blijven.
Het boek van dit Belgische gezelschap, waar oa de bekende Belgische zanger Raymond van het Groenenwoud deel van uitmaakte, is in zijn geheel te lezen op http://www.irak.be/ned/index.htm

5. Ik ontleen deze omschrijving aan de beroemde Midden Oosten correspondent Robert Fisk. In zijn monumentale werk De Grote Beschavingsoorlog; de verovering van het Midden Oosten (oorspr. The Great War for Civilisation), Anthos/Standaard Uitgeverij, Amsterdam/ Antwerpen, 2005, omschrijft hij dit conflict als ‘de laatste koloniale oorlog’, zoals de titel luidt van zijn twaalfde hoofdtuk, pp. 541-609.

January 3, 2010

Voor de liefhebbers van de ‘Joods-Christelijke en humanistische traditie’ versus ‘de islam’

 

Zomaar wat passages uit de drie belangrijkste openbaringen van het Woord Gods

Nu op dit blog het heikele thema ‘tekstuitleg van Heilige Boeken’ ter sprake is gekomen (zowel door religieuze fundamentalisten als door ‘Verlichtingsfundamentalisten’, zie deze vorige bijdrage) wilde ik alvast een fragment publiceren uit een nog te verschijnen bijdrage (die zal gaan over het Israëlische-Palestijnse conflict en de rol van bepaalde aanhangers van de drie monotheïstische godsdiensten, als moslimfundamentalisten, Joodse extremisten en ‘Christenzionisten’). Het totale verhaal zal nog wel even op zich laten wachten, maar hier is alvast een kleine ‘bloemlezing’ van verschillende passages uit de Heilige Schrift.
Voordat er misverstanden ontstaan (al leg ik het in de tekst zelf ook uit), dit is geen pamflet tegen een van, of zelfs alle drie de monotheïstische godsdiensten. Helemaal niet zelfs. Het enige wat ik wil laten zien is dat een letterlijke toepassing van deze drie eerbiedwaardige geschriften in de huidige tijd zinloos is, en vooral dat het eenzijdig fulmineren tegen een van deze godsdiensten, de islam, zoals dat tegenwoordig zeer in de mode is, enigszins hypocriet is. Opiniemakers, die zich ‘Verlichtingsfundamentalisten’ noemen, maar tegelijkertijd iemand als George W. Bush niet eens zo’n ongeschikte leider vonden (NB een ‘Born again Christian’), zouden zich wat mij betreft wel achter de oren kunnen krabben. Dat geldt overigens ook voor een PVV kamerlid als meneer Sietse Fritsma, die het bestond om in Pauw en Witteman tegen Hans van den Broek in een welhaast religieuze vervoering een tirade af te steken over ‘Judea en Sammaria’, toen van den Broek de term ‘Bezette Gebieden’ gebruikte (fragment hier terug te zien). En met zo’n man zouden dus bijvoorbeeld homoseksuelen veilig zijn tegen die intolerante moslims? ‘Brrr, dan zijn we helemaal in de aap gelogeerd’ (vrij naar een passage van Pim Fortuyn, zie deze eerdere bijdrage op dit blog). En dan te bedenken dat de PVV, itt het CDA, een seculiere partij zou zijn. Het mengsel Christenzionisme met het gebruikelijke gedachtegoed van de PVV lijkt mij een tamelijk giftige cocktail. Dat is mijn idee althans, al heeft meneer Fritsma daar misschien nog niet eens over nagedacht en riep hij maar wat. Lijkt me niet onwaarschijnlijk, net als zijn collega Hero Brinkman, die met zijn kreet ‘Nederland ontwaakt!’ per ongeluk een NSB slogan bezigde. Dan heb je geen ‘demonisering’ meer nodig, om het maar voorzichtig uit te drukken. Dat laatste valt overigens erg goed te rijmen met het hysterische maar oppervlakkige filosemitisme van de PVV. Alhoewel onze Geert onmiskenbaar meer van de knoet erover is dan de vijver met kwakende kikkers die we bij de LPF hebben gezien, lijkt het me voor zijn partij wel handig dat op dit soort heikele punten de neuzen dezelfde kant opwijzen. ‘Judea en Sammaria’ en ‘Nederland ontwaakt’; dat zijn hele gevoelige zaken die denk ik moeilijk samen gaan en als je zomaar op die knoppen drukt spingen er allerlei associatieve doosjes open, met alle neveneffecten van dien. Dus pas op. ’Een beetje dom’, in de woorden van Prinses Maxima. De PVV wordt niet gedemoniseerd. Neen, de PVV demoniseert zichzelf. Zie overigens ook dit artikel op de site van het Historisch Nieuwsblad en het commentaar van de historicus Gjalt Zondergeld, op dit blog al vaker genoemd in een heel ander verband, over het logo van de PVV. Per ongeluk lijkt dit logo wel erg veel op een van de emblemen van de NSB. Ook weer een gevalletje van ‘een beetje dom’.
Tot zover de PVV. Ik zou nog veel meer voorbeelden kunnen noemen, maar het gaat hier nu over een bredere onderstroom dan het PVV smaldeel, nl over westers superioriteitsdenken uit naam van de recent heruitgevonden ‘Verlichting’, als baken tegen de ‘barbaren’.  Kortom, het verhaal van de balk en de splinter, in andermans en de eigen ogen:

 

Jodendom, Christendom en Islam en hun onderlinge verhoudingen

Antisemitisme is een heel oud verschijnsel in Europa of zelfs in alle gebieden waar het Christendom de boventoon voert. Het is zeker verschillend met het islamitische cultuurgebied, waar antisemitisme of in ieder geval anti-judaïsme (want ook Arabieren zijn Semieten, het kan niet vaak genoeg benadrukt worden) veel minder aanwezig was, althans in de periode van voor de twintigste eeuw.
Na het neerslaan van de Joodse opstand door de Romeinen in 70 n. Chr. en vooral de opstand van 134-135, die werd neergeslagen door de Romeinse veldheer Julius Severus, werden de Joden uit hun oorspronkelijke leefgebied verbannen en verspreid over verschillende delen van het Romeinse Rijk. Dat is eigenlijk bijna 2000 jaar zo gebleven, totdat eind negentiende eeuw de eerste Zionistische initiatieven het levenslicht zagen.
De geschiedenis van het Jodendom of de joden in Europa is er een geweest van pogroms, discriminatie, onderdrukking en uitsluiting. Gedurende de Middeleeuwen leefden de Joden veelal in getto’s (het woord ‘getto’ komt zelfs van de gelijknamige Joodse wijk ‘Ghetto Nuovo’ in Venetië). Joden waren ook uitgesloten van vele beroepen. Noodgedwongen was een aanzienlijk deel vrij ondernemer, veelal handelaar. Het (antisemitische) cliché dat ‘Joden goed in geldzaken zouden zijn’, vindt natuurlijk zijn oorsprong in het feit dat het vrije ondernemerschap vaak de beste gelegenheid was waarin Joden maatschappelijk vooruit konden komen. Ook het bankwezen viel daaronder. Als je gediscrimineerd wordt kun je natuurlijk het beste voor jezelf beginnen. Als je daarin succesvol bent en in economisch opzicht van nut kunt zijn, hechten handelspartners, klanten of andere belanghebbenden vanzelfsprekend minder aan allerlei religieuze of culturele verschillen. Het feit dat er in de Nederlanden voor een bepaalde periode een relatief tolerant klimaat bestond voor Joden had daar natuurlijk alles mee te maken. De Spaanse en Portugese Joden die zich hier gevestigd hebben, werden in eigen land na de Reconquista op de islamitische overheersing (die vele malen toleranter was dan de daarop volgende Katholieke overheersing), het leven zo zuur gemaakt dat ze hun heil elders zochten. In Antwerpen en Amsterdam waren ze welkom omdat ze een substantiële bijdrage leverden aan de economie, niet om iets anders. De tolerantie was dus eerder pragmatisch dan principieel. Dat gaandeweg er ook een belangrijke bijdrage werd geleverd aan de wetenschap en het culturele leven, is een gelukkige bijzaak geweest, die voorvloeide uit de pragmatische tolerantie uit economische opportuniteit. Het is vooral om die reden geweest dat een belangrijk filosoof als Baruch de Spinoza in Amsterdam zijn werken kon publiceren. ‘Erst kommt das Fressen, dann der Moral’ (naar de passage van Berthold Brecht) is zeker toepasbaar op ‘onze Nederlandse tolerantie’, hoewel je daar tegenwoordig weinig meer van hoort, maar dat is weer een heel ander verhaal.
Het antisemitisme in Europa werd op verschillende manieren ‘verantwoord’, zowel religieus als ‘seculier’. Hoewel het Christendom natuurlijk zijn oorsprong vindt in het Jodendom (Christus was immers zelf een Jood) heeft de Rooms Katholieke Kerk zich in haar lange geschiedenis voortdurend schuldig gemaakt aan antisemitisme. Hetzelfde geldt tot op zekere hoogte ook voor de Protestante kerk (Luther was zelfs een felle antisemiet). Wellicht is het zinvol om toe te lichten hoe dit antisemitisme aan de hand van de Christelijke leer werd en soms nog steeds wordt verantwoord.
Het Christendom is natuurlijk uit het Jodendom voortgekomen, al bestaat er veel onzekerheid over de historische figuur Jezus. Los van de Christelijke bronnen (de Evangeliën, zowel de gecanoniseerde als de apocriefe) is er geen historisch bewijsmateriaal overgeleverd over de persoon Jezus. Naar alle waarschijnlijkheid was hij een van de vele Joodse Predikers uit die tijd, die een vernieuwde religieuze boodschap trachtten te verkondigen, tegen de verdrukking door de Romeinen in. Veel van deze predikers en hun aanhangers zetten zich af tegen de traditionele Joodse priesterklasse, die zich had geconformeerd naar het Romeinse gezag. Het is zelfs de vraag of Jezus daadwerkelijk een nieuwe religie wilde stichten. Veel van wat er over hem is overgeleverd zegt meer over de volgelingen uit die tijd dan over de persoon Jezus zelf.
Wel wordt er al vrij kort na zijn dood melding gemaakt van de Christenen, die al snel, ook buiten Palestina, in het Romeinse Rijk actief waren, zij het als een marginale beweging. Het was pas veel later dat het christendom een factor van betekenis zou worden. Dit ligt anders dan bijvoorbeeld bij de Islam, waar de eerste grote successen werden geboekt gedurende het leven van de Profeet Mohammed. Wellicht is er bij de overleveringen van de Profeet veel Dichtung en Wahrheit tot een verhaal gemaakt, maar de Islam kende in haar vroegste bestaan, veel meer dan het Christendom, een traditie van een kritische tekstlezing, waar werd nagegaan wat er wel van de Profeet afkomstig was en wat niet. Dit vooral omdat de Islam in een veel vroeger stadium een dominante stroming was en dit bij het Christendom een paar eeuwen op zich liet wachten. Een traditie van schriftgeleerden, die al in de begintijd bij de islam aanwezig was, ontbrak bij het vroege Christendom, voornamelijk omdat het Christendom haar geschiedenis begon als een min of meer clandestiene religie.
Hoe dan ook, toen het Christendom een belangrijke factor en het zelfs de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk werd, waren er al ruim drie eeuwen voorbij gegaan. Inmiddels had ook het Christendom zich grotendeels losgemaakt van zijn oorsprong, een afsplitsing van het Jodendom. En toen het Christendom werd geïntegreerd in de ideologie van het Romeinse Rijk bestond er vanzelfsprekend de behoefte om de religieuze inhoud vooral af te zetten tegen het traditionele Jodendom en niet tegen het Romeinse gezag.
In de Evangeliën, zoals wij die nu kennen, zijn daar duidelijke sporen van. Het is niet de Romeinse landvoogd Pilatus die Christus tot het kruis heeft veroordeeld, maar het Joodse volk. Pilatus laat het ‘Joodse volk’ kiezen wie er, ter gelegenheid van het Joodse Paasfeest, gratie mag worden verleend: Jezus, de ‘Koning der Joden’ of de crimineel Barabbas. Het verzamelde ‘Joodse volk’ (de menigte ter plekke) kiest voor Barabbas en laat de Zoon des Mensen kruisigen. Volgens Mattheus: ‘Maar de hogepriesters en de oudsten haalden het volk over Barrabas te kiezen en Jezus te doen sterven. De landvoogd nam weer het woord en sprak tot hen: ‘Wie van de twee wilt u dat ik vrijlaat?’ Zij zeiden: ‘Barabbas!’ Pilatus vroeg hen: ‘Wat zal ik dan doen met Jezus die Christus genoemd wordt?’ Zei riepen allen: ‘Aan het kruis met Hem!’ Hij hernam: ‘Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?’ Maar zei schreeuwden nog harder: ‘Aan het kruis met Hem!’ Toen Pilatus zag dat hij niets verder kwam, maar dat er veeleer tumult ontstond, liet hij water brengen en waste ten overstaan van het volk zijn handen, terwijl hij verklaarde: ‘Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtschapen man; gij moet het zelf maar verantwoorden’. Het volk riep terug: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!’ Daarop liet hij omwille van hen Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden’ (Mattheus 27: 20-26).[1]
Op die manier zijn de Joden verantwoordelijk gehouden voor de dood van Christus en ‘wast Pilatus zijn handen in onschuld’. Vervolgens vervloekt het Joodse volk zichzelf met de formule ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’. Deze passage is een van de beruchtste mantra’s geweest van het Christelijke of zelfs westerse antisemitisme. Hiervan stamt de notie van de Joden als ‘Godsmoordenaars’, die tot in lengte van dagen vervloekt zouden zijn.
Hoewel er veel onzeker is over de totstandkoming van de Evangeliën in de vorm zoals wij die nu kennen is deze passage vrijwel zeker afkomstig uit de tijd dat het Christendom in de Romeinse tijd erkenning moest krijgen. Heel simpel gezegd zou het dan moeilijk te verkopen zijn geweest om een Romeinse gezagsdrager verantwoordelijk te stellen voor de moord op het Lam Gods. Maar naar alle waarschijnlijkheid is het wel zo gebeurd; het is inmiddels bekend dat slechts het Romeinse gezag bevoegd was om iemand tot de kruisiging te veroordelen. De Joodse Sanhedrin kon wel doodvonnissen uitvaardigen, maar uitsluitend executies middels steniging. De kruisiging was een Romeinse straf, die ook elders in het Romeinse Rijk veelvuldig werd uitgevoerd (denk maar aan Spartacus). Dat Pilatus het volk zou hebben laten kiezen is niet voor de hand liggend; het verhaal van het wassen van de handen in onschuld is dus waarschijnlijk een verzinsel waarmee de Romeinen zich trachtten te verschonen (letterlijk) toen het Christendom de staatsgodsdienst werd. En rond die tijd werden ook de vier Evangeliën gecanoniseerd (en zeker ook ‘geredigeerd’, om het eufemistisch uit te drukken).
Overigens wijst ook de Koran het Jodendom af, althans er zijn een aantal passages waar dat heel duidelijk gebeurt, bijvoorbeeld Sura 5, vers 51: ‘O Gij die gelooft neemt u niet de joden en de christenen tot verbondenen zij zijn elkanders verbondenen en wie Uwer met hen gemeenschap aangaat die behoort tot hen. God leidt waarlijk niet recht de onrechtdoende lieden’. En iets verderop (Sura 5, vers 57-58): ‘O Gij die gelooft neemt u niet tot verbonden uit het midden van hen tot wie de Schrift voor uw tijd gekomen is diegenen die uw godsdienst maken tot voorwerp van spot en scherts en ook niet de ongelovigen. Vreest God indien gij gelovig zijt. En wanneer gij oproept tot de salāt (het gebed, FS) maken zij haar tot een voorwerp van spot en scherts. Dit omdat zij onverstandige lieden zijn’(…) (vers 60): Zeg: Zal ik u iets aanzeggen dat bij God nog slechter beloond wordt dan dat? Zij die door God vervloekt zijn en op wie Hij vertoornd is en van wie hij er heeft gemaakt tot apen en zwijnen en die de Tāğūt ( noot vertaler: hiermee worden de joden of de christenen bedoeld) dienen diegenen hebben de slechtste plaats en dwalen het verst af van de gebaande weg (…) (vers 63): Hadden de Rabbijnen en de schriftgeleerden hen dan niet kunnen afhouden van het zeggen van zondige dingen en het verteren van het onrechtmatige? Slecht is waarlijk wat zij verrichten. En de Joden zeggen: Gods hand is dichtgeknepen. Mogen hun handen dichtgeknepen worden en mogen zij vervloekt worden om wat zij zeggen (…) (vers 78): Vervloekt zijn zij die ongelovig waren van de zonen Isrāīls door de tong van Dāwūd (=David, FS) en van ‘Īsā, de zoon van Maryam (=Jezus, de zoon van Maria, FS). Dat was omdat zij ongehoorzaam waren en in overtreding. Zij hielden zich niet af van het verwerpelijks dat zij deden. Kwaad was het voorwaar wat zij deden’[2].
Ook deze tekst is niet bepaald de meest zachtmoedige of meest tolerante die er in de Koran te vinden is. Overigens gaat het mij hier ook niet om. Het is zeker niet de bedoeling om hier een soort Fitna-achtige Wilders collage neer te zetten. Elders staan er weer genoeg passages waarin wordt vermeld dat Gods Genade grenzeloos is. Ook worden de profeten van het Oude Testament en Jezus in de Islam gezien als belangrijke profeten, waarvan Mohammed de laatste was en degene met de meest ‘afgeronde boodschap’ (daarom wordt Mohammed ook wel ‘het zegel der Profeten’ genoemd). Dus ook de Koran, net als de Joodse en de Christelijke overlevering spreekt zichzelf weleens tegen, of benadert een thema vanuit verschillende invalshoeken (het is maar hoe je er tegenaan kijkt, maar de laatste omschrijving lijkt me ook voor gelovigen geheel acceptabel).
Bovendien staan er in alle drie de Heilige boeken dit soort teksten. Zie ook het Oude Testament. Zo kunnen wij in Leviticus lezen: ‘Gij zult vlees eten van uw zonen en dochters. Uw offerhoogten verwoest Ik. Uw wierrook altaren haal Ik omver, uw gedenktekens smijt Ik op een hoop met die van uw afgoden, want Ik walg van u. Van uw steden maak Ik een woestijn, van uw heiligdommen een puinhoop. De geur van uw gaven kan Ik niet meer uitstaan. Als Ik eenmaal het land ga verwoesten staan zelfs de vijanden die er wonen verbijsterd’ (Leviticus 26; 27-32)[3]. En over homoseksuelen heeft Leviticus het volgende te melden (wellicht de meest beruchte passage van alle drie de monotheïstische godsdiensten op dit specifieke gebied): ‘Als een man met een andere man omgang heeft als met een vrouw begaan zij een afschuwelijke daad. Zij moeten ter dood worden gebracht; zij hebben de dood aan zichzelf te wijten’ (Leviticus 20; 11)[4]
Uitzonderingen zijn de bovenstaande passage niet. De Joodse overlevering, die onverkort is overgenomen in de Christelijke traditie, kent veel meer van dit soort ‘zedige teksten’. Kijk maar wat het Oude Testament zegt over een onschuldig vertier als zelfbevrediging (hele generaties Calvinistische pubers zijn op die manier getraumatiseerd, zie ook de boeken van Jan Wolkers, al kun je in deze passage ook wat anders lezen): ‘Toen zei Juda tot Onan: ‘Ga naar de vrouw van je broer, sluit met haar een zwagerhuwelijk en zorg dat je een kind verwekt voor je broer’. Maar Onan wist dat dit kind niet van hem zou zijn, daarom liet hij telkens als hij met de vrouw van zijn broer samen was, het zaad op de grond verloren gaan, om voor zijn broer geen kind te verwekken. Zijn gedrag was slecht in Jahwe’s ogen, zodat deze hem ook liet sterven’[5] (Genesis 38; 8-10). Als je uit deze passage een moraal wilt destilleren kun je verschillende kanten op, om het maar voorzichtig te zeggen. En het kan nog intiemer binnen een familie, als we zien wat Juda nog meer uitspookt. Want het verhaal gaat verder: ‘Toen zei Juda tot zijn schoondochter Tamar: ‘Ga als weduwe naar het huis van mijn vader terug, totdat mijn zoon Sela volwassen is (…) Toen Tamar vernam dat haar schoonvader naar Timna kwam om schapen te scheren met zijn vriend Chira uit Adullam, legde zij haar weduwendracht af, hulde zich in een sluier en parfumeerde zich en ging bij de Enaïmpoort aan de weg naar Timna zitten. Want zij had gemerkt dat Juda haar niet aan Sela tot vrouw gaf, ofschoon die de volwassen leeftijd bereikt had. Toen Juda haar zag hield hij haar voor een publieke vrouw, daar zij haar gezicht bedekt had. Hij ging naar haar toe, langs de weg, en vroeg: ‘Kan ik bij je terecht?’ Hij wist niet dat zij zijn schoondochter was. Zij antwoordde: ‘Wat geeft u mij, als u bij me mag komen?’ Hij antwoordde: ‘Ik zal je een geitenbokje van mijn kudde sturen’. Zij antwoordde: ‘Geef mij dan een pand, tot u mij het bokje hebt gestuurd’. Hij zei: ‘Wat voor pand moet ik je geven?’ Zij gaf ten antwoord: ‘Uw zegel, uw snoer en de staf die u bij u hebt’. Hij gaf ze haar, had omgang met haar en zij werd zwanger. Daarop ging zij heen, legde haar sluier af en trok haar weduwendracht weer aan (…) Door bemiddeling van zijn vriend uit Adullam probeerde Juda de vrouw het geitenbokje te doen toekomen, om het pand van haar terug te krijgen. Maar zijn vriend kon haar niet vinden (…) Ongeveer drie maanden later werd aan Juda medegedeeld: ‘Uw schoondochter Tamar heeft ontucht gepleegd en is nu zwanger’. Juda sprak: ‘Breng haar dan weg om verbrand te worden’. Terwijl men haar wegbracht liet zij echter aan haar schoonvader zeggen: ‘Van de man, aan wie deze dingen behoren ben ik nu zwanger’. En zij voegde er aan toe: ‘Ga eens na van wie dit zegel, dit snoer en deze staf zijn’. Juda herkende ze en zei: ‘Zij staat tegenover mij in haar recht, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven’. Verder heeft Juda geen gemeenschap meer met haar gehad’ (Genesis 38; 10-24) .[6]
Het is natuurlijk heel makkelijk om op grond van deze passages te concluderen dat hoerenlopen en ‘gemeenschap hebben met de weduwe van je zoon’ wel is toegestaan, maar zelfbevrediging, ‘onaneren’, niet. Waar het hier natuurlijk om gaat is dat alles in dienst stond van de voortplanting want de continuïteit van de stam of gemeenschap moest gewaarborgd zijn, een moraal die nog steeds bestaat in bijvoorbeeld de Katholieke Kerk. En dan nog. Maar het ‘probleem’ is dat deze teksten gewoon heel erg oud zijn en uit een volstrekt andere culturele context komen dan de onze. We hoeven het ook niet te hebben over de vrouwvriendelijkheid van deze passage. Juda kan hoerenlopen wat hij wil, maar Tamar loopt het risico om wegens buitenechtelijke ‘omgang’ met daarop volgende zwangerschap verbrand worden.
Om deze bloemlezing met een aardigheidje af te sluiten; wat moet een orthodox christelijke minister van gezinszaken met deze uitspraken van Jezus uit het Nieuwe Testament? (geldt ook voor het CDA dat het gezin als ‘de hoeksteen van de samenleving’ ziet). Mattheus 10; 21: ‘De ene broer zal de andere overleveren om hem te laten doden, de vader zijn kind, de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders om hen ter dood te brengen’ en (Mattheus 10; 34-35): ‘Denk niet, dat Ik vrede ben komen brengen op aarde; Ik ben geen vrede komen brengen maar het zwaard. Tweedracht ben ik komen brengen tussen een man en zijn vader, tussen dochter en moeder, schoondochter en schoonmoeder en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn’.[7] Het gaat er mij hier overigens niet om een volgens mij integere minister als André Rouvoet onnodig voor het hoofd te stoten, maar wel dat een al te letterlijke interpretatie dus problematisch kan zijn.
Tot zover deze selectie hoogtepunten en terug naar het eigenlijke onderwerp. Waar het hier natuurlijk om gaat is hoe deze tamelijk willekeurige citaten uit de Heilige Boeken van de drie monotheïstische godsdiensten in de loop van de geschiedenis in de praktijk zijn toegepast. En de theorie is vaak anders dan de praktijk. Bovendien staan er zoveel tegenstrijdigheden in alle drie de heilige boeken, dat je er vaak alle kanten mee uitkunt. Jodendom, Christendom en Islam vertegenwoordigen alle drie een zeer eerbiedwaardige traditie, maar over de toepassing is het niet makkelijk om een consensus te vinden en dat is in de loop van de geschiedenis wel gebleken. Dat geldt dus voor alle drie de monotheïstische godsdiensten. Wat dat betreft lijkt het mij niet onverstandig als degenen die tegenwoordig de slogan bezigen ‘De Joods-Christelijke Humanistische traditie versus de Islam’ een klein beetje zouden inbinden. ‘De pot verwijt de ketel’ lijkt mij in deze geen misplaatste stoplap. Want ook de Islam kent zeker een ‘Verlichte’ traditie, dat is niet slechts voorbehouden aan het Jodendom of het Christendom.
Overigens geen enkel misverstand. Mijns inziens vertegenwoordigen deze drie monotheïstische godsdiensten grote tradities en zijn het belangrijke cultuurdragers waaruit ook veel goeds is voortgekomen. Bovenstaande passages heb ik alleen aangehaald om duidelijk te maken dat het zinloos is om elkaar vliegen af te vangen op de donkere kanten van deze religies. Die hebben ze namelijk alle drie. Bovendien denk ik dat het zinloos is om een godsdienst heel eendimensionaal op de letter te ‘beoordelen’. Zo’n benadering is wat mij betreft het spiegelbeeld van het religieus fundamentalisme; beide maken dezelfde denkfout. Zie voor meer bijvoorbeeld mijn eerdere bijdrage over Nasr Abu Zayd.
Maar het gaat hier nu niet om tekstexegese. Als we kijken naar hoe de verspreid in de Diaspora levende Joden het is vergaan, dan kan er geconcludeerd worden dat zij in het algemeen in de Christelijke wereld er veel slechter af waren dan in de islamitische wereld. In de islamitische wereld werden Christenen en Joden gezien als ‘gelovigen van het boek’ en genoten zij zelfs een vorm van staatsprotectie, mits zij extra belastingen betaalden. Er was dus wel sprake van institutionele discriminatie, maar in regel werden zij niet vervolgd. Natuurlijk zijn er ook daar geregeld uitbarstingen geweest, waarbij diverse minderheden het moesten ontgelden, maar de norm was dat als de Joden en Christenen zich schikten naar het islamitische gezag zij vrij waren om hun godsdienst uit te oefenen. Dit gold voor verschillende islamitische rijken die er geweest zijn, van de Khaliefen tot de Osmaanse sultans. In het Osmaanse Rijk konden Joden en Christenen soms toetreden tot de hoogste kringen. Soms waren zij ministers of gouverneur of genoten zij anderszins aanzien. De beroemdste architect die het Osmaanse Rijk heeft voortgebracht, Mimar Sinan, onder meer de ontwerper van de beroemde brug van Mostar in Bosnië, was oorspronkelijk een Griekse Christen. En vooral zijn moskeeën (zoals de Suleyman de Grote Moskee in Istanbul) zijn wereldberoemd.
Dit lag in de Christelijke wereld vaak een beetje anders. De notie van de Joden als ‘Godsmoordenaars’ is in de loop der tijd beslist geen dode letter gebleken’…. Enz. De rest volgt later nog.

Tot zover dit fragment van een nog te verschijnen bijdrage. En nogmaals, dit is geen miskenning van de oude en eerbiedwaardige teksten, die voor velen een diepe betekenis hebben. Wel is het een kritische noot bij een al te letterlijke lezing van zowel de religieuze als Verlichtingsfundamentalisten als door de aanhangers van de recent uitgevonden ‘Joods-Christelijke en Humanistische traditie’, die eigenlijk bedoelen ‘wij dynamische en verlichte geesten versus de eeuwige en onveranderlijke islam’. Verder wil ik hier ook wijzen op een column waar ik het maar ten dele mee eens ben, van iemand met wie ik het zelfs maar zelden eens ben. Toch stipt Max Pam in zijn column De Mythe van het Joods-Christelijke Fundament een aantal zaken aan die zeker het overdenken waard zijn. Bij deze beveel ik hem van harte aan, hier te raadplegen.

Floris Schreve

[1] Geciteerd uit: De Bijbel uit de grondtekst vertaald; de Willibrordvertaling, Katholieke Bijbelstichting, Boxtel, 1991, p. 1314

[2] De Koran uit het Arabisch vertaald door prof. dr. J.H. Kramers, bewerkt door drs. Asad Jaber en prof. dr. Johannes J.G. Jansen, de Arbeiderspers (Rainbowpockets), 1997, p. 129, 130, 131, 133

[3] Willibrordvertaling (1991), p. 133

[4] Idem, p. 126

[5] Idem, p. 46

[6] Idem

[7] Idem, p. 1291

 

Free Hit Counters
Free Web Counter

Unieke bezoekers (vanaf 11 januari 2010)

November 22, 2009

Het ‘islam-debat’ in Nederland; de stand post Fortuyn, pre-Wilders

Onlangs vond ik dit stukje tekst terug, geschreven voor een paper in 2002. Het leek me wel aardig om het hier te publiceren. Het is in  ieder geval de stand van zaken na Fortuyn, maar nog van voor Wilders. En nog voor de moord op Theo van Gogh. Hem noem ik overigens ook. Ik moet zeggen dat ik voor de man zelf altijd wel enigszins een zwak had, al was ik het fundamenteel met hem oneens. Midden jaren negentig ben ik een keer met hem in debat gegaan voor Veronica ’s Call Radio, dat toen net van start ging. Om zeker te zijn van genoeg bellers had men een paar studentenhuizen gebeld met de vraag of er mensen geïnteresseerd waren om met Theo in debat te gaan, waaronder mijn toenmalige huis in Leiden. Op die manier ben ik toen, als ’spontane beller’ (althans voor de luisteraars) met van Gogh in discussie gegaan over de stelling ‘de islam is de grootste bedreiging voor Nederland’. Volkomen onzin vond ik toen en nu maar dat ging er toen verrassend vriendelijk aan toe, ook toen ik hem jaren later een keer in de trein tegenkwam en wij over dit onderwerp een heel normaal gesprek hebben gevoerd. In die zin vond ik Fortuyn erger. Over Wilders zal ik het (voorlopig) nog even niet hebben. Maar goed, hier nog een oud stukje tekst van mij.  Miscchien is het nog steeds actueel.
Wat in ieder geval nog actueel is, is dat de beroemde hoogleraar Nasr Abu Zayd in Nederland eigenlijk nauwelijks aan het woord komt in ons ‘nationale islamdebat’, al zit hij hier in Leiden. Dat is nog steeds vreemd. Overigens weten de BBC en Al Jazeera hem regelmatig te vinden. Op Al Jazeera was het Abu Zayd die uitlegde wat er met Nederland aan de hand was sinds de opkomst van Fortuyn, de moord op van Gogh en de vertoning van Fitna. In Nederland zelf prefereert men kennelijk liever mensen als Pastors, vanuit de wetenschap Afshin Ellian, of soms die andere internationaal beroemde geleerde, Tariq Ramadan. Maar die is ook veel orthodoxer, dus wellicht bevestigt dit meer het verwachtingspatroon (en de behoefte) van het Nederlandse publiek. Op een geluid als dat van Abu Zayd zitten de media en het publiek kennelijk nog steeds niet te wachten, de roep om de broodnodige emancipatie van de moslims ten spijt.

Hier volgt de tekst (niet meer dan een uitsnede uit een veel langer betoog):

 

Inmiddels is de toon van de berichtgeving van rond de aanslagen van 11 september, de politieke situatie in het Midden Oosten en de islam in het algemeen, in de Nederlandse media, enigszins gekalmeerd (lente en zomer 2002). Zeker de berichtgeving over de Israëlische/ Palestijnse kwestie is sterk veranderd in het voordeel van de Palestijnen. Toch blijken er en aantal ‘blijvertjes’ te bestaan. In vele opzichten heeft de Nederlandse publieke opinie zich verhard. Dit blijkt vooral uit de opkomst van de Lijst Pim Fortuyn, die vanuit het niets zesentwintig zetels in de kamer wist te veroveren. Een belangrijk issue van de LPF is het tegengaan van de immigratie en de anti islamitische stellingname. Ook de gevestigde politieke partijen hebben hun standpunten verhard, zoals blijkt uit de toespraak van CDA lijsttrekker Jan Peter Balkenende, die stelde dat de multiculturele samenleving geen nastreefbaar doel is. Het aardige is dat Balkenende, net als Cliteur en Bolkestein, niet definieert wat hij met het begrip ‘cultuur’ bedoelt, laat staan met het begrip ‘multiculturele’ samenleving.
‘Politiek correct’ denken heeft opeens afgedaan voor ‘je moet zeggen wat je denkt’. Pim Fortuyn leek hierin voorop te lopen. Zo bepleitte hij, in de Volkskrant van 9 februari, desnoods de afschaffing van artikel 1 van de grondwet als deze de vrijheid van meningsuiting in de weg staat [1]. Over deze uitspraak is veel ophef ontstaan en Fortuyn moest uiteindelijk aftreden als lijsttrekker van Leefbaar Nederland. Ook is over deze kwestie al veel geschreven, dus ik wil er niet heel veel aandacht aan besteden. Overigens heeft hoogleraar rechtsfilosofie A. Soeteman erop gewezen dat artikel 1 van de grondwet niet eens over het verbod op discriminerende uitspraken gaat. Deze bepalingen zijn te vinden in het wetboek van strafrecht. “Fortuyn weet niet waar hij het over heeft”, concludeert Soeteman.[2]
In dit verband zijn Pim Fortuyns opvattingen over de islam interessanter. In 1996 schreef hij hier een boekje over, Tegen de islamisering van onze cultuur, dat in 2001 werd herdrukt, met een naschrift van imam Abdullah Haselhoef. Het meest opvallende van deze kleine publicatie is dat het nauwelijks over de islam gaat. Voor driekwart gaat dit boek over de emancipatiegeschiedenis van vrouwen en homoseksuelen in Nederland. Ook besteed het veel aandacht aan de veranderde maatschappelijke verhoudingen sinds de jaren zestig. Zeker deze gedeeltes zijn zeer lezenswaardig, maar het is dan ook Fortuyns eigen metier. Fortuyn schiet zijn doel echter voorbij als hij het over de islam in Nederland heeft. Uit niets blijkt dat hij hier serieus onderzoek naar heeft gedaan, noch verwijst hij naar andere onderzoeken. Dit is overigens een kenmerk van de gehele verhandeling, waardoor het als wetenschappelijke publicatie niet serieus kan worden genomen. Nu is dit natuurlijk niet noodzakelijk, alleen is het wel opmerkelijk dat Fortuyn anders doet suggereren. Op de flaptekst laat hij zich prof. dr. Pim Fortuyn noemen, onafhankelijk en kritisch wetenschapper.
In Tegen de islamisering van onze cultuur betoogt Fortuyn dat de meeste moslims in Nederland uit kansarme groepen komen. Doordat zij zich ook in Nederland aan de onderkant van de samenleving bevinden zou het wel eens kunnen zijn dat zij zich in de armen van het fundamentalisme laten drijven. Als je ziet wat het fundamentalisme in de islamitische wereld zelf allemaal aanricht kun je concluderen dat de situatie buitengewoon gevaarlijk is. Als adequate maatregel bepleit Fortuyn de sluiting van de Nederlandse grenzen, het opzeggen van Schengen en het vluchtelingenverdrag, en een Koude Oorlog tegen de Islamitische wereld. Als voorbeeld noemt hij de politiek van Ronald Reagan ten aanzien van de Sovjet Unie. Fortuyn stelt dat deze een belangrijke factor zou zijn geweest voor de val van het communisme. Waar hij dit laatste punt vandaan heeft vermeldt hij niet. Ook verzuimt hij het om deze opmerkelijke stelling historisch te onderbouwen.[3]
In zijn verhandeling over de islam in Nederland blijkt Fortuyn erg anekdotisch. Zo heeft hij het over zijn eigen seksuele contacten met homoseksuele moslims, die hij niet als positief heeft ervaren.[4] Nu bestaat er in de culturele antropologie wel zoiets als participerend onderzoek, maar nergens suggereert Fortuyn dat wij zijn escapades als zodanig serieus moeten nemen.
Wat betreft Fortuyns verklaring voor het ontstaan van het fundamentalisme; deze staat haaks op de conclusies van uitgebreide studies naar dit fenomeen. Uit veelomvattend wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het fundamentalisme niet ontstaat bij de onderlaag van de samenleving, maar verschijnsel is van de middenklasse, die zich vaak politiek voelt uitgesloten. Doordat de middenklasse door de veelal dictatoriale regimes in de islamitische wereld wordt uitgesloten van politieke participatie, lijkt het fundamentalisme een rechtvaardig alternatief, temeer omdat de meeste regimes in de islamitische wereld door niet gelovige, westerse krachten gesteund worden. Het regime van de Shah van Perzië en de daarop volgende islamitische revolutie is hier een klassiek voorbeeld van. Ook de grondleggers van de moderne soennitische fundamentalistische ideologie, Jamal ad-Dine al Afghani, Hassan al Banna en Said Qutb, min of meer de geestelijke vaders van Osama Bin Laden (al waren niet al deze denkers pleitbezorgers van geweld), hadden vooral aanhang binnen deze maatschappelijke klasse.[5] Tekenend is dat de plegers van de aanslagen van 11 september niet afkomstig waren uit de onderklasse van de Arabische wereld, maar allen goed opgeleide jongemannen waren, met een ogenschijnlijk redelijk toekomstperspectief. Recent is dit beeld weer bevestigd in een onderzoek naar de strijders van de Hezbollah en de Hamas, waaruit bleek dat deze militante bewegingen vooral aanhang hebben binnen de middenklasse.[6]
In wetenschappelijk opzicht is Fortuyns bijdrage weliswaar van weinig betekenis, in maatschappelijk opzicht echter des te meer. Hoewel wellicht weinig van zijn kiezers dit boek hebben gelezen is hij er wel in geslaagd om veel stemmen te winnen, met name op de issues ‘migratie’ en ‘islam’. Fortuyns uitspraken als: “Je ziet het in alle landen waar de islam de baas is. Ik vind het gewoon een achterlijke cultuur”, in het veel genoemde Volkskrant artikel heeft het electoraat niet weten af te schrikken. Integendeel, ondanks alle breed uitgemeten veroordelingen van bijna alle lijsttrekkers van de gevestigde partijen, heeft dit hem wellicht nog populairder gemaakt.
Ook leden van de LPF fractie, die na de tragische moord op Fortuyn in de tweede kamer zitting namen, werden vaak niet gehinderd door enige kennis van zaken wanneer het onderwerp ‘islam’ ter sprake kwam. Fractievoorzitter Mat Herben haalde wederom het argument van vrouwenbesnijdenis van stal om te stellen dat “de islam een achterlijke cultuur is”.[7] (opmerking: eerder in de oorspronkelijke tekst is al aan de orde geweest dat vrouwenbesnijdenis vooral een locaal fenomeen is uit de Hoorn van Afrika en soms Egypte, dat voorkomt bij zowel Koptische Christenen als moslims. Elders in de islamitische wereld komt vrouwenbesnijdenis niet voor. Het is dus geen islamistisch gebruik, maar een locaal verschijnsel).   Fractiesecretaris Joost Eerdmans noemde het Koerdische parlement “een uitwas van een cultuur die we hier niet moeten hebben”.[8] Opmerkelijk dat uitgerekend een parlement een uitwas van een cultuur wordt genoemd. Het gebrek aan democratie en de rechten van minderheden in de islamitische wereld lijkt mij hier eerder voor in aanmerking te komen, hoewel ik zeker niet zou willen beweren dat dit cultureel bepaald is.
Er kan gesteld worden dat de islam, of Nederlanders met een moslimachtergrond, op dit moment een ernstig imagoprobleem hebben. Internationale factoren spelen hier zeker een belangrijke rol in. Toch zijn ook binnenlandse incidenten een belangrijke factor die dit negatieve beeld keer op keer bevestigen. Genoemd kunnen worden de Aisja-affaire, de uitspraken van imam El Moumni over homoseksuelen en de politiek getinte preken van Syrische en Egyptische imams in een aantal Nederlandse moskeeën. Ook de aanhoudende berichten over kleine criminaliteit van Marokkaanse jongeren, met als meest beruchte voorbeeld de structurele berovingen op Station Amsterdam Lelylaan [9], dragen zeker bij aan het negatieve beeld dat men in Nederland van moslims heeft, al heeft het gedrag van deze Marokkaanse jongens weinig tot niets met de islam te maken.
Wellicht is een van de allergrootste problemen dat er zeer zelden een georganiseerd tegengeluid komt vanuit de islamitische gemeenschap. Voor het Nederlandse publiek zou dit kunnen worden uitgelegd als een stilzwijgende instemming. Nu bestaat het probleem dat de islam geen centrale organisatiestructuur kent, dus het is vrijwel onmogelijk om met de ‘vertegenwoordigers’ van de Nederlandse moslims te gaan praten, hoe graag ex-minister Roger van Boxtel dit ook wilde. In die zin is de islam een buitenbeentje binnen de van oudsher verzuilde Nederlandse traditie. Het grote nadeel van dit gebrek aan een organisatiestructuur is dat er hierdoor nauwelijks mogelijkheden zijn de almaar steeds negatievere beeldvorming te doorbreken. Verlichte intellectuelen van islamitische afkomst zijn er in Nederland volop voorhanden, alleen hebben zij even veel met radicale imams te maken als de autochtone Nederlander, dus is er voor hen weinig reden om ‘namens de islam’ het woord te voeren.[10]
Ondertussen lijken de verhoudingen zich steeds meer te verharden. Het beeld dat de islam een godsdienst is die uitsluitend bestaat uit ‘fundamentalisten’ is zeker het laatste jaar sterk toegenomen. Verschillende invloedrijke opiniemakers hebben hier flink aan bijgedragen. Zo stelde Pim Fortuyn in Tegen de islamisering van onze cultuur, dat liberale stromingen binnen de islam niet relevant zouden zijn, omdat het fundamentalisme zou overheersen en andere geluiden monddood zou maken. Als voorbeeld noemt hij de affaire rond de islamitische denker Nasr Abu Zayd, die vanwege zijn liberale interpretatie van de Koran gedwongen was Egypte te verlaten en nu hoogleraar is in Leiden. Overigens noemt Fortuyn de desbetreffende hoogleraar niet een keer bij zijn naam. Later, in een uitzending van Buitenhof, kon Fortuyn eveneens niet op zijn naam komen. Waar het hier echter om gaat is dat Fortuyns bewering simpelweg niet klopt en door vele belangwekkende publicaties wordt tegengesproken, niet in de laatste plaats door Abu Zayd zelf. [11]
Een ander soort geluid is dat het islamitische fundamentalisme de meest pure variant van de islam is en dat liberale interpretaties slechts een product zijn van ‘wishful thinking’, van goedpraterij en hypocrisie, die de werkelijke geloofsleer feitelijk geweld aandoen. Als de fundamentalisten inderdaad de enige juiste leer verkondigen, kan er worden geconcludeerd dat er in de moderne wereld voor de islam geen plaats meer is. Deze denkrichting wordt wel het essentialisme genoemd en verschilt in redeneertrant weinig van die van de fundamentalisten.
Degene die het afgelopen jaar het essentialistische standpunt het meest prominent in de media naar voren heeft gebracht is rechtsfilosoof Paul Cliteur, in zijn televisiecolumns in Buitenhof, hoewel er ook anderen waren met bijdragen dezelfde strekking.[12] Zo stelde Cliteur in zijn column van 4 november 2001, getiteld Sympathie voor fundamentalisme: “De orthodoxe imam El-Moumni vergeleek homoseksualiteit met een ziekte en plotseling dachten we in het land waar alles mocht en alles kon: hè, wij kunnen toch geschoffeerd worden (…) In een bepaald opzicht hebben El-Moumni, Hazelhoef en andere fundamentalisten natuurlijk wel gelijk. Hun interpretatie van de Heilige Schrift is namelijk heel wat minder hypocriet dan die van de overgrote meerderheid van de moderne gelovigen. Toen de Koran en de Bijbel werden geschreven waren de vrouwen vanzelfsprekend ondergeschikt aan de mannen, kregen homoseksuelen even vanzelfsprekend de doodstraf, was de aarde plat en stamden de mensen nog niet af van de apen. Is het dan vreemd dat de helft van de Tien Geboden regelrecht in strijd is met de moderne rechten van de mens? Dat was gewoon de geest van die tijd. Wat de fundamentalisten nu alleen maar doen, is dat serieus nemen”.[13]
In principe is er niets mis met deze redenering (hoewel er hier aan voorbij wordt gegaan dat fundamentalisme geen ‘pure’ religie is, maar een politieke ideologie [14]), tenminste als je uitsluitend van de tekst uitgaat zonder de specifieke context en reden van haar ontstaan. Ook sluit deze benadering alle moderne interpretatie methoden als hermeneutiek, of semiotiek uit en gaat er volledig aan voorbij dat een tekst in een andere context wellicht een andere betekenis kan krijgen en wellicht op een nieuwe manier gewaardeerd kan worden. Daar is niets hypocriets aan, dat heeft simpelweg te maken met hedendaagse wetenschappelijke inzichten wat betreft de wisselwerking van tekst en context.
Consequent doorgeredeneerd zouden grote vernieuwende Christelijke theologen als Albert Schweitzer, Hans Kung en Edward Schillebeeckx minstens even hypocriet zijn als ‘de moderne gelovigen’ waar Cliteur het over heeft. In die zin redeneert Paul Cliteur inderdaad op dezelfde manier als een fundamentalist als Said Qutb.[15] Tekenend is dat hij het in deze column ook opneemt voor de essentialistische (lees fundamentalistische) manier van redeneren.
Toch bestaan er ook binnen de islamitische wereld belangwekkende alternatieven. Inmiddels zijn daar door verschillende Korangeleerden diverse mogelijkheden ontwikkeld om tot een vernieuwing van het religieuze erfgoed te komen. Een van de meest belangrijkste representanten van deze ontwikkeling is de verlichte Egyptische Koraninterpretator Nasr Abu Zayd, thans hoogleraar in Leiden.
Oorspronkelijk was Abu Zayd hoogleraar aan de universiteit van Cairo, hoewel hij in het verleden ook in de Verenigde Staten en Japan heeft gedoceerd. Vanwege zijn onorthodoxe opvattingen over de interpretatie van de Koran raakte hij in conflict met de Moslimbroederschap, de belangrijkste ‘islamistische’ partij van Egypte (opgericht in 1929, door de eerder genoemde Hassan Al Banna, een van de grondleggers van het moderne soennitische fundamentalisme, overigens de grootvader van Tariq Ramadan, al suggereer ik hiermee niet dat zij hetzelfde gedachtegoed hebben), hoewel er vaak vergeten wordt dat Abu Zayd een grote internationale reputatie had opgebouwd en ook in Egypte zeer veel waardering oogstte. Een aantal orthodoxe gelovigen besloot tot een zeer onconventionele maatregel; zij stelden dat Abu Zayd een afvallige van het geloof was en spanden een rechtszaak aan waarmee zij trachtten Abu Zayds huwelijk te ontbinden. Volgens een bepaalde interpretatie van de Sharia is een afvallige van de islam gedwongen te scheiden, omdat het huwelijk dan onwettig zou zijn. Tegen ieders verwachting in werd het proces door de aanklagers gewonnen, een unieke zaak in de Egyptische rechtsgeschiedenis. Weliswaar nam de Egyptische overheid direct een wet aan die dit soort processen in de toekomst onmogelijk maakte, maar toen was het kwaad al geschied. De zaak kreeg ruime internationale aandacht. Uiteindelijk werd Abu Zayd naar Nederland gehaald, waar hij weer opnieuw met zijn vrouw trouwde. In Leiden zet hij nu zijn wetenschappelijke werk voort. In 2000 bezette hij de Cleveringa leerstoel, een bijzondere leerstoel bestemd voor wetenschappers die zich sterk hebben ingezet voor de mensenrechten of de vrijheid van meningsuiting.[16]
Abu Zayd stelt dat de Koran, net als iedere andere oude tekst, kan worden geïnterpreteerd volgens moderne wetehschappelijke methoden (hij pleit sterk voor de Hermeneutiek van Hans Georg Gadamer). Abu Zayds centrale stelling is dat het heel goed mogelijk is om op grond van de Koran tot een liberaal en tolerant wereldbeeld te komen. Door de nieuwste wetenschappelijke interpretatiemethoden los te laten op de Korantekst kunnen er interessante perspectieven ontstaan, zonder dat de interpretatie blasfemisch zou zijn voor gelovige moslims, zoals hij heeft uiteengezet in zijn publicatie Vernieuwing in het islamitisch denken.
Stel, de oorsprong van de Koran is goddelijk. Dit betekent dat deze oorsprong zich in het metafysische bevindt en dus geen object kan zijn van wetenschappelijk onderzoek. Toch heeft het goddelijke een manier nodig om zich in de fysieke wereld te manifesteren, anders zou het goddelijke voor de mens onkenbaar zijn. Voor iedere religie is dit een noodzakelijke voorwaarde. Bij het Christendom heeft het goddelijke zich gemanifesteerd in de vleeswording van God in Christus. Bij de Islam heeft geen vleeswording van het goddelijke plaatsgevonden, het intermediair tussen God en de mens is de openbaring van de Koran, een literaire tekst. In tegenstelling tot de goddelijke oorsprong kan de fysieke manifestatie van de tekst wel degelijk aan een wetenschappelijk onderzoek worden onderworpen en gezien worden in de context van plaats en tijd van het ontstaan. Abu Zayd stelt dat God een sadist zou zijn als hij zich niet in een bepaalde culturele context zou hebben openbaard; niemand zou immers zijn openbaring kunnen begrijpen.[17] Daarom moet de Korantekst dan ook telkens opnieuw worden gewogen tegen de veranderde omstandigheden, daar een tekst immers altijd weer een nieuwe relatie aangaat met de telkens veranderende culturele context. De intentie van de tekst is dan ook belangrijker dan de letter. Wanneer de Korantekst wordt gewogen tegen de omstandigheden van het zevende-eeuwse Arabië kan volgens Abu Zayd de Koran niet anders begrepen worden dan een pleidooi voor vrijheid, wijsheid en naastenliefde. Hij pleit er dan ook sterk voor om de Koran vanuit deze geest te interpreteren. Abu Zayd komt tot verrassende conclusies. Op grond van de Koran bepleit hij o.m. gelijke rechten tussen man en vrouw en de scheiding van ‘Kerk’ en staat.[18]
In die zin kan zijn werk ook gezien worden als een kritiek op het essentialistische en fundamentalistische denken. Abu Zayd stelt dat de rigide opvattingen van de fundamentalisten van de Koran een dood relikwie hebben gemaakt, dat slechts blindelings vereerd kan worden. Hij kiest dan duidelijk voor een alternatief, door de Koran als een levende tekst te zien die telkens weer een nieuwe verbinding aangaat met een almaar veranderende culturele context. De kern van zijn denken zit hem juist in dat hij enerzijds de Koran ziet als een literair werk met alle betekenislagen van dien, maar dat hij anderzijds niets afdoet aan de Goddelijke oorsprong van de Koran.
Nasr Abu Zayd is in de Nederlandse media tot nu toe nauwelijks aan het woord geweest, iets dat als een groot gemis kan worden gezien. Bijna een jaar na 11 september kan er gesteld worden dat dit vooral het jaar geweest is waarin Pim Fortuyn, Paul Cliteur, Leon de Winter, Theo van Gogh en Frits Bolkestein de toon zetten, in een toenemend vijandig klimaat.

 Floris Schreve

Tip: zie voor de geschiedenis en het ontstaan van het gedachtegoed vane islamitische fundamentalisten als Osama Bin Laden enerzijds (over Said Qutb ea) en de ontwikkeling van het neo-conservatieve gedachtegoed anderzijds (over oa de Duitse/Amerikaanse filosoof Leo Strauss, de grondlegger van het neo-conservatisme), de fascinerende Channel 4 documentaire ‘The Power of Nightmares’ (2004). In drie delen hier online te bekijken.

Een van de meest verhelderende documentaires die ik ken over de beweegredenen van de moderne religieuze fundamentalisten (in dit geval wederom de islamitische, al worden er ook parallellen getrokken met het Christelijke en Joodse fundamentalisme) is de uitzending van VPRO’s Tegenlicht, ‘de Berg’. Hierin komt een groot aantal deskundigen aan het woord, zoals Karen Armstrong, Manuel Castells en Benjamin Barber, maar ook de Tsjetjeense rebellenleider en ‘fundamentalist’ Khozh-Ahmed Noukhaev. Wat je ook van zijn ideeën en daden mag vinden, hij weet zijn standpunten en beweegredenen zeer welsprekend en inzichtelijk voor het voetlicht te brengen en enige introspectie is hem ook niet vreemd. Dit geldt ook voor de van oorsprong Poolse en tot de islam bekeerde theoloog Mansour Jachimczyk, die namens Noukhaev het zg. ‘Institute for the Closed Society’ leidt (vrij naar het ‘Open Society Institute’ van George Soros). Deze ‘fundamentalisten’ zijn in ieder geval niet ‘achterlijk’, maar dat maakt het misschien nog verontrustender. Des te meer een reden om kennis te nemen van hun denkwereld. Een grote aanrader, hier terug te zien.

Wat betreft de overeenkomsten tussen islamitische fundamentalisten en Christelijke fundamentalisten, zoals bijv. Karen Armstrong vaak heeft benadrukt, is het wellicht ook aardig om de bijna schokkende documentaire ‘Jesus Camp’ te bekijken (Oscarnominatie 2006), over de Christen fundamentalisten in de Verenigde Staten (ook een rol weggelegd voor de beruchte dominee Ted Haggard). Zoals de jeugdpredikante Becky Fischer het zelf uitelegt, vinden deze Christenen dat ze best een voorbeeld kunnen nemen aan de hartstocht van fundamentalistische moslims. Wel is deze film veel meer een activistische film tegen, dan de eerste twee voorbeelden, die vooral proberen te verklaren. Maar ook als je daar doorheen kijkt, blijft het nog beklemmend genoeg. Hier in verschillende delen te bezichtigen (zie ook de beknopte informatie van wikipedia).

Zie over Nasr Abu Zayd verder, dit interview en  een artikel over Paul Cliteur versus Nasr Abu Zayd

Update 2 januari 2010: zie hier een eerdere versie van het proefschrift van Maria Trepp of hier een link naar het zg ‘Passage(n) Project’, een initiatief ontstaan aan de Universiteit Leiden, als een weerwoord tegen het (althans in de media) dominante ‘nieuwe conservatieve geluid’ van diezelfde universiteit (het is overigens ook mijn universiteit en binnen mijn vak is de trend gelukkig eerder het tegenovergestelde). Met rode oortjes gelezen.

Noten:

1. Frank Poorthuis en Hans Wansink, De Islam is een achterlijke cultuur, ‘de Volkskrant’, 9-2-2002 (zie http://www.volkskrant.nl/den_haag/article153195.ece/De_islam_is_een_achterlijke_cultuur).

2. Artikel 1? Hij weet niet waar hij het over heeft, ‘NRC Handelsblad’, 11februari, 2002 (zie http://www.nrc.nl/geslotendossiers/fortuyn/leefbaar_nederland/article1607888.ece/%60Artikel_1_Hij_weet_niet_waar_hij_het_over_heeft )

3. Pim Fortuyn, De islamisering van onze cultuur; Nederlandse identiteit als fundament, Karakter uitgevers BV, 2001, p. 20

4. Ibidem, p. 75

5. Hans Jansen, Nieuwe inleiding tot de Islam, Uitgeverij Coutinho, Bussum, 1998, p. 24, 149-165 en Karen Armstrong, De Strijd om god; een geschiedenis van het fundamentalisme, De Bezige Bij, Amsterdam, 2002, p. 271-273. Voor een uitgebreide beschrijving van de invloed van de ideeën van Hassan Al Banna en Said Qutb op de Egyptische samenleving, zie Nasr Hamid Abu Zayd, Mijn leven met de islam, Bulaaq, 2002.

6. De Volkskrant, 31-7-2002

7. Nova/Den Haag vandaag, Nederland 3, 3 juni 2002

8. Interview met Joost Eerdmans, Vrij Nederland, 26 juni 2002

9. Zie voor een uitvoerige reportage hierover, Joris van Casteren, De bodyguards van Lelylaan, de Groene Amsterdammer, 15-6-2002.

10. Als voorbeeld wil ik noemen dat een groot deel van de Iraakse intellectuele elite zich in Nederland bevindt. Zij hebben echter niets met de politieke islam van doen.

11. Fortuyn, p. 25. Voor de uitzending van Buitenhof zie Fortuyns discussie met Hans Jansen in de uitzending van 4-10-2001. Overigens heeft Abu Zayd zelf uitgebreid getuigenis gedaan van zijn belevenissen in Mijn leven met de islam, 2002. Hij gaat hier ook uitgebreid in op de situatie in Egypte en de academische vrijheid daar. Uit zijn verhaal blijkt dat de overgrote meerderheid van de universitaire gemeenschap achter hem stond en dat slechts door een kleine speling van het lot dit alles heeft kunnen gebeuren.

12. Paul Fentrop, Het gevaar van de islam, ‘HP de Tijd’, 27-9-2001 en in veel mindere mate Erik van Ree, Al-Qur’an; naïeve lezing van de Heilige Schrift, ‘de Groene Amsterdammer’, 13-10-2001

13. Buitenhof, VPRO, Nederland 3, 4-10-2001

14. Een belangrijke illustratie van dit gegeven is Said Qutbs bekendste publicatie Milestones (1961), overigens de belangrijkste inspiratiebron voor Osama Bin Laden. De Egyptische arts Ayman al-Zawahiri, Bin Ladens tweede man, was in zijn studententijd, begin jaren zestig, een van Qutbs naaste volgelingen. In dit werk spreekt Qutb van een stappenplan om de totale islamitische revolutie tot stand te brengen. Belangrijk is om op te merken dat dit niet een voorschrift is dat door oude religieuze teksten wordt gegeven; het betreft hier een concept van een revolutie die geheel past bij de moderne tijd. Armstrong, pp. 275-277, Hans Jansen, pp. 162-165. 

15. Interessant is in dit verband de bespreking van Qutbs gedachtegoed door Karen Armstrong, pp. 274-280.

16. Nasr Abu Zayd, Vernieuwing in het islamitisch denken, pp. 11-34, Mijn leven met de islam, pp. 149-157

17. Nasr Abu Zayd, Vernieuwing in het islamitisch denken, pp. 74-75

18. ibidem, pp. 135-138

Powered by WordPress