Mijn hersenspinsels en gedachtekronkels

March 10, 2010

De avonturen van Bolkestein in Irak

 

 De avonturen van Bolkestein in Irak

 

‘Maar ik wil u wel vertellen hoe ik Saddam Hoessein ontmoette’

 

 

De kunstenaar, de dictator en Frits Bolkestein

 

 

Toen ik mijn onderzoek verrichtte naar kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederland (waarvan een aanzienlijk deel bestaat uit veelal gevluchte kunstenaars uit Irak), vond ik in de archieven van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD, verbonden aan de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag), het onderstaande artikel uit de Telegraaf  uit 1997. Ik geef hier de complete tekst weer, met uitzondering van de naam van de kunstenaar, die wat mij betreft slechts een slachtoffer was van omstandigheden waar hij zelf weinig aan kon doen. De Telegraaf van 26 augustus 1997 (p. 4):

 

 

Bolkestein voor allochtoon

 

Het was drukkend warm weer. Maar de liberale leider mr. drs. Frits Bolkestein had zich toch in pak en stropdas gehesen om een tentoonstelling te openen in de galerie van Tom Okker in de Amsterdamse Nieuwe Spiegelstraat.

 

‘Ik heb geen verstand van kunst en matig mij dan ook geen oordeel aan over het werk van… [de kunstenaar]‘, zei de fractievoorzitter van de VVD. Bolkestein haalde nogal vaak het nieuws met heel verstandige uitspraken over allochtonen en asielzoekers en de kunstenaar behoort tot deze categorie.

‘Ik ben blij dat u hier de vrijheid en de rust hebt gevonden om uw kunst te beoefenen’, zo zei Bolkestein, maar hij voegde daar later aan toe dat hij hoopte dat de kunstenaar als in Irak de vrijheid en democratie ‘hersteld’ zijn- nou ja, hersteld, je vraagt je af of die er ooit geweest zijn- hij weer naar zijn geboorteland terug kan keren.

Bolkestein liet dus een beschouwing over kunst achterwege. ‘Maar ik wil u wel vertellen hoe ik voor het eerst Saddam Hoessein ontmoette’.

 

Prikkeldraad

 

Dat bleek in de tijd te zijn dat hij staatsecretaris van Economische Zaken was, die zich in het buitenland minister mocht noemen. Er was een grote handelsbeurs in Bagdad en Saddam zou de ministers ontvangen. Eerst werden ze naar een gebouw gebracht, waar de straat was afgezet met prikkeldraad en een legertje soldaten.

Na een uur werd verteld dat de ontvangst elders zou plaatsvinden. Dat zijn zo de bekende schijnbewegingen van een dictator, die bang is voor zijn hachje. ‘In het nieuwe gebouw zat ik naast mijn collega van Saoedi-Arabië op een bankje en wie schetst mijn verbazing dat Saddam tussen ons in kwam zitten’.

Bolkestein kreeg een uur lang op zijn lazer, want voor Nederland zat in die tijd Max van der Stoel in de Veiligheidsraad van de UNO en deze had een voostel ingediend om de verschrikkelijke oorlog tussen Iran en Irak te beëindigen. Een oorlog waar hele generaties aan werden opgeofferd.

Het voorstel was uiteraard een compromis, waarbij beide partijen wat moesten toegeven. Saddam vond het een schande, dat Nederland van hem enige tegemoetkoming verwachtte en stak dat niet onder stoelen of banken. Op dit bankje moest de toenmalige Nederlandse bewindsman het ontgelden.

Tot 21 september kunt u de kunst van de Irakees in de galerie bewonderen en… kopen als u het mooi vindt.  

 

Tot zover dit korte, maar onthullende en vooral buitengewoon lompe artikel uit de Telegraaf. Het komt zelden voor dat er over zo’n korte en compacte tekst zoveel te zeggen valt. En ik vrees dat het niet in positieve zin is, zowel over het artikel zelf als over het beschreven ‘evenement’. Het is zelfs zo extreem, wellicht een kandidaat voor de ‘De Moeder aller foute artikelen’, om maar een toepasselijke kwalificatie toe te kennen, dat je bijna niet zou weten waar je moet beginnen. Zoveel is er mis. Maar laat ik een poging wagen om systematisch een aantal aspecten van dit relaas nader te belichten. Want los van dat het een beetje onbeschoft van Bolkestein was om de wens uit te spreken dat de kunstenaar weer zo snel mogelijk zou vertrekken (op zijn eigen feestje), zou je de kwestie ook kunnen omkeren: wat deed Bolkestein zelf in Irak? Misschien waren de redenen van Bolkesteins bezoek aan Irak wel heel wat minder legitiem dan het verblijf van deze kunstenaar in Nederland. Het zou zomaar kunnen. Hij was daar in ieder geval voor iets meer om ervan te genieten dat ze daar ‘minister’ tegen hem zeiden… Ik wil in dit verband ook nog wel wijzen op een artikel uit de Volkskrant uit dezelfde periode, waarin Bolkestein een sluiting van de grenzen bepleit voor asielzoekers uit Irak, zie http://www.volkskrant.nl/archief_gratis/article737725.ece/VVD-kamerlid_Irak-uitlating_Bolkestein_aangezet. Kan het smaakvoller, meneer Bolkestein? Want het lijkt me dat als er iemand zich moet verantwoorden in de kwestie Irak bent u het wel, zoals snel zal blijken.

Het was pas een paar jaar nadat ik het verslag van die gedenkwaardige opening uit de Telegraaf in het RKD vond, toen ik via een uitzending van VPRO’s Argos weer iets vernam van deze vreemde ontmoeting tussen Frits Bolkestein en Saddam Hoessein, die inmiddels, hoewel nog niet veel in de media bediscussieerd, op zijn zachtst gezegd wat controversieel geworden was. Hier een aantal achtergronden. Over een kunstenaar en balling tegen wil en dank, een wrede dictator die niet altijd de grote vijand van het westen was en een overijverige staatssecretaris van Economische Zaken, die, verblind door het sluiten van lucratieve handelsovereenkomsten en daarmee de dubieuze Nederlandse handel met een van de meest verdorven regimes ter wereld sterk heeft bevorderd, niets wilde weten van mensenrechtenschendingen en grove oorlogsmisdaden en daar achteraf geen enkele spijt van heeft betuigd. Integendeel, zie het bovenstaande artikel uit de Telegraaf. En bovendien ook nog klaagt dat er we in Nederland met te veel vluchtelingen voor dat regime te maken hebben.

 

 

De kunstenaar

 

Er wonen en werken zo’n tachtig beeldende kunstenaars uit Irak in Nederland. Dit aantal is spectaculair hoog. De reden van hun verblijf in Nederland heeft natuurlijk alles te maken met de omstandigheden in hun geboorteland en de situatie, zoals die door het regime van Saddam Hoessein gecreëerd was. Verrassend is natuurlijk wel dat er, ondanks die omstandigheden, zoveel kunstenaars zijn.

Elders heb ik op dit blog al veel over de ontwikkeling van de moderne kunst van Irak geschreven. Vanaf eind jaren veertig/begin jaren vijftig begon zich in Irak een bloeiende kunstscene te ontwikkelen. Deze was toonaangevend voor het hele Midden Oosten. Hoewel Irak nooit een echte democratie was (daar moet ik Bolkestein wel in gelijk geven), was het beslist niet altijd even bar en boos als het onder het regime van de Ba’thpartij (aan de macht sinds 1968, Saddam president vanaf 1979). Er waren vanaf de jaren vijftig verschillende avant-garde bewegingen, die zich ook manifesteerden met allerlei beginselverklaringen en manifesten. De eerste was die van Jewad Selim (eigenlijk de ‘vader van de Iraakse moderne kunst’) en de Bagdadgroep. Maar later ontstonden er meer bewegingen en locale stromingen zoals de zg. ‘One Dimension Group’, of ‘The Shaddow Group’ (al-Dhil Group). Van de laatste beweging, die het levenslicht zag vanaf de tweede helft van de jaren zestig, was de bovenstaande kunstenaar een belangrijke representant, zelfs een van de kernleden. Ik wil de naam van de kunstenaar hier buiten beschouwing laten, maar hij wordt genoemd in een aantal belangrijke overzichtswerken over de moderne kunst van Irak, of zelfs over de moderne kunst van de Arabische of islamitische wereld als geheel, zoals in de publicaties van Brahim Alaoui, Art Contemporain Arabe (Institut du Monde Arabe, Parijs, 1988) of Wijdan Ali, Contemporary Art of the Islamic World (Amman/ Londen, 1989). Ook in het recentere overzichtswerk van Maysaloun Faraj (red.), Strokes of genius; contemporary Iraqi art (Saqi Books, Londen, 2002) komt deze kunstenaar uitgebreid aan bod.

Het gaat hier dus om een kunstenaar die in ‘betere tijden’ al zijn sporen ruimschoots verdiend had, binnen Irak, maar ook in het buitenland. Er zijn overigens meer Iraakse kunstenaars in Nederland met een soortgelijke loopbaan. In andere bijdragen heb ik er ook al een paar genoemd. Deze kunstenaar is overigens op dit blog nog nergens ter sprake gekomen en ik heb zijn naam nog niet in een van mijn eerdere bijdragen genoemd die elders op internet zijn verschenen. Vooralsnog wil ik dat zo houden. In dit verband staat immers deze pijnlijke affaire centraal en niet het werk van deze specifieke kunstenaar. Bovendien had het zo’n beetje iedere kunstenaar uit Irak in Nederland kunnen overkomen, dus het zegt ook niets over deze kunstenaar. Zoals Bolkestein het zelf al aangaf: over kunst wilde hij het niet hebben, hij wilde alleen, na wat misplaatste opmerkingen over ‘asielzoekers’, wat sappige anekdotes kwijt over zijn ontmoeting met Saddam Hoessein en zijn officiële contacten met diens regime, iets waar hij tegenwoordig niets meer over wil zeggen, sinds er over die ontmoeting door bepaalde media wat pijnlijke kritische vragen zijn gesteld. Daarover later meer.

In een ander verband wil ik met liefde nog een keer uitgebreid ingaan op het werk van deze kunstenaar, de man en zijn werk verdienen dit zonder meer. Zijn persoon wil ik er nu buiten laten. Wel kan ik zeggen dat zijn werk totaal niet politiek van aard is en ook niets te maken heeft met de akeligheden waar Frits Bolkestein mee kwam aanzetten. Hij maakt vooral heel erg mooi abstract werk, gelaagd en poëtisch van opbouw met ingetogen maar soms intense kleuren, waarin af en toe elementen van lettertekens zijn verwerkt. Zijn werken drukken van alles uit, maar hebben geen concrete politieke lading, of het is een melancholisch verlangen en zorgen om een vaderland dat nu vrijwel verwoest is.

Hooguit moet ik hier nog verder toelichten hoe deze kunstenaar, bijna vanuit het niets, opeens in deze galerie aan de Spiegelgracht terecht kwam, een circuit waar bij mijn weten zelden een Iraakse of een gevluchte kunstenaar terecht komt.

Wat ik uit mijn documentatie over deze tentoonstelling kan afleiden (vooral samengesteld door Jaski Art Gallery zelf, want wat je ook van deze show mocht vinden, dat hadden zij uitstekend voor elkaar), is dat de directie van het AZC waar deze kunstenaar verbleef, enorm zijn nek voor hem heeft uitgestoken. Toen men er achter kwam dat deze man, die volstrekt berooid in Nederland arriveerde, een bijzonder begaafde beeldende kunstenaar was, had men op het terrein van het AZC een schuurtje als atelier  ingericht en hem aan materiaal geholpen. Dit bleek een heilzame daad te zijn, want binnen de kortste keren ging de kunstenaar weer  aan het werk. De medewerkers van dit AZC, ergens diep in de provincie, waren erg onder de indruk van het resultaat en zochten contact met diverse kunstinstellingen en galeries. En warempel, een dure, zij het naar mijn smaak wat commerciële galerie als Jaski uit het chique Spiegelgracht circuit wilde graag met de kunstenaar in zee. Zo kwam het dat deze kunstenaar, die van Nederland niets meer had gezien dan de vluchtelingenopvang, plotsklaps in een circuit belandde waar normaal gesproken slechts Appels en Corneilles worden verhandeld. De kunstenaar, die toen geen woord Nederlands sprak en op dat moment totaal niet op de hoogte was van de culturele infrastructuur in Nederland, wist natuurlijk niet wat hem overkwam. En natuurlijk zei hij ja- wie zou dat niet doen in die situatie? Ogenschijnlijk een kans uit duizenden om zo je entree te maken in het Nederlandse kunstcircuit, zo zullen de kunstenaar en degenen die zich om hem bekommerden hebben gedacht. En in bepaalde opzichten was dat ook terecht. Dus zo kwam deze, weliswaar in Irak beroemde, maar in Nederland volstrekt onbekende kunstenaar terecht in de hogere regionen van het commerciële Nederlandse kunstcircuit. Alleen wat bezielde de oud-tennissers en tegenwoordig galeriehouders Tom Okker en Nico Koster? Ging het ze werkelijk om deze kunstenaar, of wilden ze hem opvoeren als een figurant in een sensationele Frits Bolkestein show?  Hoewel de documentatie bij deze expositie absoluut goed op orde was (er verscheen een mooie folder met een goed achtergrondartikel, zeker als je bedenkt dat goede literatuur over de moderne kunst van Irak niet heel erg bekend is in brede kring en niet in iedere boekhandel of bibliotheek te bemachtigen is- daarvoor dus alle lof), begrijp ik met de beste wil van de wereld niet dat zij uitgerekend Frits Bolkestein vroegen om deze expositie ‘feestelijk’ te openen. Bolkestein had net naam gemaakt met de eerste ‘taboe-doorbrekende’ opmerkingen over ‘de multiculturele samenleving’, ‘de islam’, ‘integratie’ en ‘de vluchtelingenproblematiek’ (sinds kort is dhr Bolkestein weer bijzonder actief met het afgeven van verklaringen dat de ‘westerse cultuur’, superieur is aan ‘de islam’, zie dit recente voorbeeld). Wilden zij Bolkestein graag een podium bieden en werd daarvoor deze individuele kunstenaar gebruikt, die, nog maar net in Nederland aanwezig, geen idee had wat er speelde? Of was het pure sensatiezucht om meer publiciteit te genereren? Want wie wil dat niet zien, een vluchteling met een ‘islamitische achtergrond’ die wordt toegesproken door de grote ‘taboebreker’ Frits Bolkestein. Succes verzekerd en de Telegraaf is dan zeker niet te beroerd om een pittig verslagje te schrijven. Het heeft er alle schijn van dat deze kunstenaar gewoon als een decorstuk of een figurant werd ingezet, als het niet door de galeriehouders was, dan zeker door Frits Bolkestein, de politicus die zichzelf graag als een intellectueel afschildert. ‘Ik heb geen verstand van kunst en matig mij dan ook geen oordeel aan over het werk van…(…) ‘Maar ik wil u wel vertellen hoe ik voor het eerst Saddam Hoessein ontmoette’.

Toen in 1997 kon Bolkestein hier nog goede sier mee maken, in het Spiegelgracht circuit en in de Telegraaf. Nu, in het tijdperk dat een Frans van Anraat inmiddels strafrechtelijk is veroordeeld en achter de tralies zit, zwijgt de vroegere Staatssecretaris van Buitenlandse Handel liever. Want zijn bezoek aan Bagdad blijkt een onderdeel te zijn van een tamelijk duistere geschiedenis. Al handelde van Anraat vooral op eigen initiatief en overtrad hij ook toen de wet (ik verwijs hier graag naar het gedegen boek van oorlogscorrespondent Arnold Karskens, Geen cent spijt, de jacht op de oorlogsmisdadiger Frans van Anraat, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, dat ik bij deze zeer kan aanbevelen); vele westerse regeringen maakten in die tijd net zo goed vuile handen in het zakendoen met Saddam. In die lijn past ook Bolkesteins bezoek, al staat dit los van de criminele activiteiten van Frans van Anraat. Maar aan de andere kant, hoe uitzonderlijk was van Anraat als zelfs regeringen bijna hetzelfde deden?

 

 

De dictator

 

Over Saddam Hoessein is veel verschenen, ook in de media. Zoveel, dat het bijna vermoeiend is. De kwaliteit van de vloed aan informatie is op zijn zachtst gezegd nogal wisselend. Al zijn er genoeg sensationele verhalen bekend over al zijn misdaden uit de tijd van zijn presidentschap (en dan vooral van na 1991, toen hij opeens de paria van de ‘vrije wereld’ werd), toch valt het me op dat er tussen alle ruis weinig gedegen achtergrondartikelen zijn verschenen over de geschiedenis van deze inmiddels geëxecuteerde mysterieuze potentaat, die plotseling wereldnieuws werd toen hij in 1991 Koeweit binnenviel. Natuurlijk, er zijn veel zinnige bijdragen verschenen over de achtergrond van deze vroegere president van Irak, maar die lijken vaak ondergesneeuwd te zijn in een heleboel oppervlakkigheid. Vandaar dat ik hier nog wat aandacht aan hem zal besteden, met enige focus op zijn relatie met de westerse wereld (waaronder Nederland) in de jaren tachtig, toen hij ook Frits Bolkestein op bezoek kreeg. Dus hier een kleine geschiedenis van Saddam Hoessein tot 1983:

 

Saddam Husayn Abdal-Majid al-Awyat (al-Tikriti) werd waarschijnlijk in 1937 geboren, in het gehucht al-Awya, in de buurt van de stad Tikrit. Zijn vader, Husayn Abid al-Majid, nam voor de geboorte al de benen, iets dat in het traditionele Bedoeïenen- milieu van Saddams familie als een grote schande werd gezien. Zijn stiefvader, overigens ook familie, Hassan Ibrahim, maar vooral bekend geworden als ‘Hassan de Leugenaar’, mishandelde het kind en liet hem vaak weten dat hij eigenlijk maar een bastaard was. Zoals Saddam het zelf waarschijnlijk openhartig heeft verteld aan zijn officiële biografen, zoals Amir Iskander, die een propagandistische hagiografie schreef, kwam het voor hem als een bevrijding dat zijn oom Khairallah Tulfah, de broer van zijn moeder, zich over hem ontfermde en hem in zijn gezin opnam. Bovendien was zijn oom Khairallah, die in de stad Tikrit woonde, de enige uit de directe familie die het armoedige boerenmilieu van Saddams ouders  achter zich had weten te laten. Hij was ooit toegetreden tot de militaire academie en had het gebracht tot onderofficier. Irak was in die dagen officieel een monarchie, onder de Hashemitische dynastie (dezelfde Koninklijke familie van Jordanië), maar in de praktijk een door de Britten gecontroleerd (al was het Britse mandaat, ingesteld in 1920, officieel net ingetrokken). Juist in het militaire milieu van Saddams oom waren de anti-Britse sentimenten sterk aanwezig. In 1941 lukte het een aantal hoge officieren, onder leiding van generaal Rashid Ali al-Khailani, een coup te plegen. Deze coup werd gesteund door Nazi-Duitsland. In hetzelfde jaar verdreef een grote Britse troepenmacht dit Duitsgezinde regime weer en werd de monarchie weer hersteld. De oom van Saddam was een van de onderofficieren die vanwege hun steun aan het Rashid Ali bewind in de gevangenis belandde. Toen Khairallah Tulfah vrij kwam werd hij, inmiddels oneervol ontslagen uit het leger, onderwijzer in Tikrit. Zijn hele leven bleef hij vol wrok over zijn mislukte militaire carrière en vooral een groot bewonderaar van Nazi-Duitsland. Hij schreef in die tijd ook een manifest met de veelzeggende titel ‘De drie dingen die nooit door God geschapen hadden mogen worden; Joden, Perzen en vliegen’. De haat tegen ‘Joden’ en ‘Perzen’ zou Saddam zijn hele leven koesteren; zelfs toen hij in 2006 werd geëxecuteerd waren zijn laatste woorden onder meer ‘Dood aan de Perzen en leve de Arabische natie’ (de laatste kreet is overigens een typische Ba’th slogan).

Maar voor de jonge Saddam was zijn oom dus zijn belangrijkste held, waaraan hij zich graag optrok. Saddam trouwde zelfs met zijn dochter, Sayyida Tulfah, de moeder van oa Uday en Qusay. Zij was dus Saddams volle nicht. Jaren later zouden de relaties bijzonder slecht worden toen Saddam Khairallahs zoon en de broer van zijn vrouw Sayyida, Adnan Khairallah Tulfah, die minister van defensie was geworden, om het leven liet brengen gedurende een interne partijzuivering (hij kwam zogenaamd om het leven bij een helikopterongeluk en zou formeel in de gratie blijven, want zo’n familieaffaire zou wel erg pijnlijk zijn). Maar dat was pas in 1986. Voor de jonge Saddam was zijn oom Khairallah zijn belangrijkste voorbeeld.

Ook Saddam wilde niets liever dan zijn opleiding vervolgen aan de militaire academie in Bagdad. Hij werd afgewezen en volgde in plaats daarvan een rechtenstudie en was vooral actief in het clandestiene extreem nationalistische milieu, waar hij zich vooral ontpopte tot beroepsrevolutionair. Hij sloot zich aan bij de Ba’thpartij, een toen nog marginale beweging. Deze partij, gesticht door de Christen Michel Aflaq in Syrië, stond een seculiere en extreem nationalistische ideologie voor (alleen geen ‘Iraaks nationalisme’, maar wel een ‘Pan-Arabisch nationalisme’), wederom geïnspireerd door het Europese fascisme. Wat de Ba’thi’s in die tijd vooral onderscheidde, naast hun militante Pan-Arabisme, was hun sterke afkeer van het communisme. Dat was in Irak zeker relevant, want in die tijd kende Irak een weliswaar clandestiene, maar grote communistische partij. Voor de velen die het Ba’thisme situeren in de communistische hoek; dit is dus niet correct. De Ba’thpartij was zelfs een uitgesproken anticommunistische beweging, hoezeer Saddam ook persoonlijk een bewonderaar van Stalin was en dat gedurende een bepaalde tijd de Ba’thi’s enige steun kregen vanuit het Sovjet kamp. Toch wil ik in dit verband wijzen op Saddams anticommunisme; het was juist daarom dat verschillende westerse landen voor een bepaalde periode gedurende de Koude Oorlog geïnteresseerd waren in een goede verstandhouding met het Iraakse regime- zie bijvoorbeeld het latere bezoek van Frits Bolkestein, waar ik nog uitgebreid op terugkom.

Maar hoe dan ook, in 1958 kwam de revolutie die een eind maakte aan de monarchie en de Britse invloed. Een groep van hoge militairen, die zich naar Nasser de ‘Vrije Officieren’ noemden, grepen de macht middels een bloedige staatsgreep, waarbij vrijwel de volledige Koninklijke familie om het leven kwam (alleen Prins Sharif Ali bin al Hussein, die in het buitenland verbleef, overleefde het en werd later, gedurende de jaren van de heerschappij van de Ba’thpartij, een belangrijke woordvoerder van de Iraakse oppositie in ballingschap, t/m de Amerikaanse invasie van 2003) . De Ba’thi’s waren aanvankelijk enthousiast over de machtsgreep van het leger, maar dat was de communistische partij ook, die toen bovengronds kwam. De president van de nieuwe republiek, brigade generaal Abdul Karim Qasim, zocht aansluiting bij de Sovjet Unie en brak daarmee met de pro-Westerse koers die Irak was gevaren onder de monarchie. De Ba’thi’s hadden geen schijn van kans om in de macht te delen. Dus begon de Ba’thpartij ook te complotteren tegen het nieuwe militaire bewind. In 1959 stelden zij een moordcommando samen om President Qasim te executeren. Een van de deelnemers was de jonge activist Saddam Hoessein. De aanslag mislukte en Saddam vluchtte naar Cairo. Naast dat hij daar zijn rechtenstudie voltooide, was hij ook actief binnen de groep van Iraakse ballingen die af wilden rekenen met president Qasim. Het was in die tijd dat hij ook regelmatig de Amerikaanse ambassade bezocht; want ook Amerika wilde van de pro-Russische Qasim af en zocht actief contact met Iraakse groeperingen, die mogelijk een alternatief konden bieden.

In 1963 lukte het de Ba’thpartij (voluit Arabic Ba’thist Socialist Leaders Party, ABSLP) om middels de meest bloedige coup uit de Iraakse geschiedenis aan de macht te komen. De Ba’thi’s die in ballingschap verbleven, waaronder Saddam, keerden terug naar Irak. Het jaar 1963 stond in het teken van de grote afrekening en Saddam was een van degenen die leiding gaf aan de terreurcampagne. Het vroegere Koninklijke paleis werd ingericht als gevangenis en kreeg al snel de bijnaam al-Qasr an-Nihayyah, het ‘Paleis van het Einde’, dat in gebruik bleef tot in de jaren tachtig de nog beruchtere Abu Ghraib open ging. De situatie liep in het jaar van de eerste Ba’thcoup echter zo uit de hand dat uiteindelijk de legerleiding eind 1963 een tegencoup pleegde en de Ba’thi’s afzette. Saddam belandde voor een paar jaar in de gevangenis. Onder het regime van de gebroeders Arif (Adul Rahman Arif, president 1963-1966 en Ab-as Salam Arif, president 1966-1968) werd er weer een pro-westerse koers ingezet, tot 1967, toen de verzamelde Arabische legers een nederlaag tegen Israël leden in de zesdaagse oorlog. Irak had nauwelijks meegedaan (de Iraakse hulptroepen arriveerden zelfs te laat) en het Arif regime werd in militante kring al snel verdacht van opzettelijke sabotage. Het was in het klimaat van de Arabische nederlaag tegen Israël dat er in 1968 een voedingsbodem bestond voor de tweede Ba’thcoup, met steun van elementen uit het leger. Deze verliep aanvankelijk zonder bloedvergieten; president Ab-as Salam Arif werd op het vliegtuig naar het buitenland gezet en de al wat oudere generaal en Ba’thlid Ahmed Hasan al-Bakr en zelfs een ver familielid (eigenlijk ‘clangenoot’) van Saddam, werd de nieuwe president van Irak. Er zijn overigens verschillende getuigenissen, uit diverse bronnen, dat er wederom sprake was aan CIA steun voor de Ba’thcoup. Said Aburish heeft hier het eea over geschreven, maar er zijn ook fascinerende getuigenissen van toenmalige soldaten, die hebben verklaard dat er in de nacht voor de coup op grote schaal Amerikaanse wapendroppings plaatsvonden. Ik kan bijvoorbeeld verwijzen naar de memoires van Ala Bashir, de latere lijfarts van Saddam, maar toen dienstplichtig soldaat (en overigens ook kunstenaar, zie http://www.alabashir.com/ , zij het dat dit wat mij betreft niet het beste is wat Irak op dit gebied te bieden heeft). Bij mijn weten is hier echter nog niet het definitieve woord over gezegd. Zie verder dit  propagandaclipje van het vroegere Iraakse persbureau INA, ter herdenking van ‘de glorieuze 17 juli revolutie’. Alle hoofdrolspelers uit die tijd komen langs. Deze geschiedenis is overigens erg complex; Irak was formeel ‘ongebonden’ gedurende de Koude Oorlog, maar zigzagde voortdurend tussen beide kampen door. De belangrijkste literatuur over deze complexe geschiedenis is, naast Kanan Makiya’s Republic of Fear (1989, University of California Press, gepubliceerd onder het pseudoniem Samir al-Khalil), het magnum opus van Hanna Batatu, The old landed commercial classes and revolutionary movements of Iraq; a history of its communists, Ba’thists and Free Officers (Princeton University Press, 1978), in Nederland helaas alleen te raadplegen in Universiteitsbibliotheken of de KB. Zie overigens ook deze uitzending van RAM, het vroegere kunstprogramma van de VPRO, waarin fragmenten worden uitgezonden van een film die de Nederlandse/Iraakse kunstenaar Qassim Alsaedy (met wie ik goed bevriend ben, overigens niet de kunstenaar waar het in dit verhaal om gaat) maakte over het culturele en intellectuele leven na de val van het regime. Daarin vertellen Iraakse boekhandelaren hoe dit verboden boek clandestien in Irak circuleerde.

In ieder geval was de koers van het nieuwe bewind aanvankelijk meer pro-Sovjet dan pro-Westers (al waren er ook hartelijke contacten met Frankrijk). In die tijd leerden diverse buitenlandse gezagsdragers, waaronder Jacques Chirac, voor het eerst Saddam Hoessein kennen. Saddam was in die tijd een soort naaste assistent van de president, maar werkte stug door aan zijn netwerk, waarbij hij zijn rivalen dikwijls meedogenloos elimineerde en werd al snel vice-president. In de Koude oorlogsverhoudingen was Irak in die tijd officieel neutraal; er werden zowel contacten onderhouden met de Sovjet Unie, als met sommige westerse landen. Deze betrekkingen zouden sterk verbeteren toen Saddam Hoessein in 1979 plotseling Ahmed Hasan al-Bakr aan de kant zette en zelf president werd. Eerst volgde er een grote interne partijzuivering; naar Stalinistisch voorbeeld organiseerde Saddam een serie showprocessen, waarin hij zijn belangrijkste rivalen binnen de partij uit de weg ruimde. Van deze zuivering werd een film gemaakt, die naar alle partijafdelingen werd gestuurd, zodat er geen twijfel over kon bestaan wie er vanaf nu de baas was. Een klein stukje van deze beruchte film is hier te bekijken (Arabisch, niet ondertiteld, maar de strekking is duidelijk). Op een speciaal congres van de Ba’thpartij worden de namen voorgelezen van de vermeende samenzweerders tegen Saddam, die vervolgens de zaal worden uitgeleid om direct geëxecuteerd te worden. Saddam kijkt toe, soms veinzend alsof hij huilt en soms grijnzend terwijl hij een dikke sigaar rookt. Als je de sfeer van die bijeenkomst, zoals die in die film naar voren komt op je in laat werken, kun je enigszins begrijpen waarom het bekendste werk van de Iraakse dissidente schrijver Kanan Makiya, een van de eerste standaardwerken over het Irak van de Ba’th, Republic of Fear heet (gepubliceerd in 1989, onder het pseudoniem Samir al-Khalil). Verder kun je aan deze film goed zien in welk opzicht Saddam een bewonderaar van Stalin was. Dat was dus niet zo zeer om ideologische redenen, maar eerder om ‘methodische’ redenen, al schijnt Saddam rond die tijd een keer gezegd te hebben: ‘Wij hebben geen Stalinistische methodes nodig om ons van onze vijanden te ontdoen. Wij hebben onze eigen Ba’thmethodes’. Er bestaat een bekende anekdote van Jalal Talabani, de huidige president van Irak maar toen de leider van de Popular Union of Kurdistan (PUK), een van de rebellerende Koerdische partijen (samen met de KDP, de Koerdische Democratische Partij, van Mullah Mustafa Barzani en zijn zoon Massoud Barzani, de tegenwoordige leider, die nu president van de regio Koerdistan is). Na het sluiten van een bestand in Bagdad  in 1977 nodigde Saddam Jalal Talabani uit op zijn privékantoor. Talabani zag tot zijn verbazing dat Saddam een hele boekenkast had ingericht met literatuur over Stalin. Op zijn opmerking: ‘Maar meneer de vice-president, u bent toch geen communist?’ antwoordde Saddam: ‘En u dacht dat Stalin een echte communist was? Dan heeft u Stalin niet goed begrepen’.

De betrekkingen met het westen werden pas sterk verbeterd toen in buurland Iran in 1979 de islamitische revolutie plaatsvond en het regime van de Shah werd afgezet. Het westen en dan vooral Amerika, was in een keer een belangrijke bondgenoot in de regio kwijt. Het nieuwe regime van de Ayatollahs keerde zich fel tegen Amerika, zie de langdurige gijzeling van het Amerikaanse ambassade personeel, die uiteindelijk president Jimmy Carter zijn herverkiezing kostte en plaats moest maken voor Ronald Reagan.

Toen Saddam Hoessein in 1980 Iran binnenviel keek de wereld aanvankelijk toe. In de westerse wereld waren er toen geen speciale banden met Irak, op Frankrijk na (vooral Chirac, toen premier, onderhield hartelijke betrekkingen met Saddam Hoessein). Maar nu het westen in Iran de sterkste bondgenoot in de regio verloren had (de Shah werd door sterke Amerikaanse steun in het zadel gehouden, maar sinds hij vertrokken was, klonk het iedere vrijdag in de moskeeën ‘dood aan Amerika’), was men toch op zoek naar nieuwe partners. De Iraakse Ba’thi’s, ooit ondersteund als tegenkracht tegen het dreigende gevaar van een communistische machtsovername in Irak (en Irak had een van de grootste communistische partijen van het Midden Oosten), maar waren later zelf tamelijk vriendschappelijk met de Sovjet Unie geworden, begonnen weer een interessante kandidaat te worden. Zie over deze ‘partnerswitch’ deze  uitzending van Andere Tijden, die wel een overzichtelijk, zij het een wat globaal beeld schetst.

Maar nog voordat de regering van president Reagan niemand minder dan Donald Rumsfeld als speciaal gezant naar Saddam Hoessein stuurde om de betrekkingen aan te halen (zie deze uitzending van Netwerk ), was Nederland al voor geweest met een eigen speciale gezant, in oktober 1983. Dat was Frits Bolkestein, staatssecretaris voor Buitenlandse Handel in het kabinet Lubbers I.

 

 

Frits Bolkestein en Saddam Hoessein

 

In 1991, toen Saddam Hoessein net Koeweit was binnengevallen en het oog van de wereld plotseling gericht was op dit ‘nieuwe kwaad’ in Bagdad, werd de toenmalige fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer, Frits Bolkestein, in een uitzending van NOS Laat (de voorloper van Nova), oktober 1991, in de studio geïnterviewd door Charles Groenhuizen. Zij het iets minder uitvoerig dan in het bovenstaande artikel uit de Telegraaf, vertelde Bolkestein toen ook over zijn bezoek aan de Iraakse dictator.

 

Bolkestein: ‘Het is een buitengewoon onaangename man. Ik was toen staatssecretaris van Buitenlandse Handel en heb in die hoedanigheid Saddam Hoessein en ook een paar van zijn ministers ontmoet. Ik kan niet anders zeggen, het was een lugubere bijeenkomst, het is een luguber regime’. Op de vraag van Charles Groenhuizen: ‘Wat is er zo luguber aan de man zelf als je hem spreekt?’, antwoordde Bolkestein: ‘Het absolute gebrek aan medemenselijkheid dat hij uitstraalt. Geen enkele terughoudendheid wat betreft de wijze waarop hij andere mensen behandelt’. Groenhuizen: ‘Want hij was toen nog volop verwikkeld in de oorlog met Iran, waarbij ook gifgas werd gebruikt’. Bolkestein: ‘Zeker, iedereen weet toch ook wat voor regime het is, hoe ze de Koerden bestrijden met mosterdgas, hoe ze de oorlog tegen Iran zijn begonnen, hoe ze de eigen bevolking onderdrukken’.

 

Helaas vroeg Charles Groenhuizen toen niet door. Want als Bolkestein kennelijk zo goed op de hoogte was van de misdaden van dit regime, wat had hij daar toen te zoeken, vooral als Staatssecretaris van Buitenlandse Handel? Helaas een gemiste kans voor het toenmalige NOS Laat, waar ze Bolkestein live in de studio hadden, dus een prachtige gelegenheid om hem daarover stevig aan de tand te voelen, al was de actualiteit op dat moment natuurlijk Saddams bezetting van Koeweit.

Wie wel diep in dit dossier zijn gedoken en wel de nodige kritische kanttekeningen hebben gemaakt, is de redactie van het onderzoeksjournalistieke radioprogramma Argos (VPRO). Aan dit programma ontleen ik ook de bovenstaande conversatie met Groenhuizen (terug te luisteren op: http://www.ochtenden.nl/themasites/mediaplayer/index.jsp?referer=10442372&portalnr=22641901&hostname=ochtenden&portalid=ochtenden&media=13664044&mediatype=audio, na 16 minuten).

Argos maakte een ijzingwekkende reconstructie van het dit vergeten stukje geschiedenis van de Nederlandse/Iraakse betrekkingen. Ik kan iedereen ten zeerste aanraden dit hele verhaal te beluisteren (aflevering 4 april 2003). Naast dat het ontluisterend is, is het ook bloedspannend. De onderstaande citaten zijn grotendeels afkomstig uit deze uitzending (soms uit een vervolgaflevering, maar dat zal, met link, duidelijk worden aangegeven). Hier wil ik een aantal opmerkelijke zaken uit deze en andere afleveringen van Argos doornemen, die aan deze zaak gewijd waren.

In 1983, toen de Irak/Iran oorlog op zijn hoogtepunt was, bracht staatssecretaris voor Buitenlandse Handel, Frits Bolkestein, namens het Ministerie van Economische Zaken een bezoek aan Bagdad. Het doel van zijn bezoek was om met de Iraakse regering een overeenkomst te sluiten voor economische samenwerking. Overigens was dit niet eens heel uitzonderlijk voor een westers land; veel westerse landen verstevigden in die tijd de  betrekkingen met het bewind van de Ba’thpartij. Daar waren natuurlijk twee redenen voor. In de eerste plaats was Iran als bondgenoot in de regio weggevallen, vanwege het bewind van de Mullahs. Saddam Hoessein was de eerste die, vanwege zijn aanval op Iran, die mogelijk in staat was om dit bewind te verzwakken. En verder moet er niet vergeten worden dat Irak de op een na grootste olievoorraad ter wereld heeft. Alleen Saoedi-Arabië beschikt over grotere oliereserves. De zucht naar olie en de macht over de aan en afvoer is overigens de belangrijkste rode draad uit de geschiedenis van Irak gedurende de twintigste eeuw geweest. Zie daarvoor mijn eerdere op dit blog verschenen Historische overzicht van Irak .

Overigens waren niet alleen de westerse mogendheden met Irak bezig, ook de Sovjet Unie en haar bondgenoten richtten zich nog altijd sterk op Irak. Officieel was Irak neutraal in de Koude Oorlog en was het zelfs een prominent lid van de zg Unie van Ongebonden Landen met als belangrijkste medeleden Indonesië en India. Maar nu het zich in een oorlog met het uitgesproken anti-westerse Iran van de Mullahs had gestort, was het vanuit het perspectief van de Koude Oorlog niet onhandig om goede betrekkingen met Saddams Irak te onderhouden. En dat wist het Iraakse bewind maar al te goed, al verspeelde het die positie in een keer met de annexatie van Koeweit; achteraf Saddams grootste strategische blunder uit zijn carrière, die hem in een klap alle goodwill van de internationale gemeenschap deed verspelen en hem opzadelde met militaire acties en sancties tegen zijn bewind (en vooral ook zijn land, die veel leed hebben berokkend aan het Iraakse volk, dat je moeilijk alle misdaden van Saddam in de schoenen kunt schuiven), tot de definitieve invasie in 2003, die zijn einde betekende.

Maar zover was het in 1983 nog lang niet. De Palestijnse schrijver en journalist Said K. Aburish, die een gedegen biografie van Saddam Hoessein schreef (Saddam Hussein; the politics of revenge, Bloomsbury Publishing, Londen, 2000, van alle biografieën wat mij betreft de beste tot nu toe, zeker beter dan de recentere biografie van Con Coughlin), heeft in zijn hoofdstuk ‘Marching to Halabja’ een ontstellend lange reeks namen opgesomd van westerse politici en regeringen, maar ook grote bedrijven, die stonden te dringen om bij het Ba’thregime zoete broodjes te bakken in de hoop op gunstige deals. In een uitzending van Nova (26 februari 2003, uit deze reportage blijkt overigens dat Aburish sceptisch is over nog bestaande massavernietigingswapens, terwijl in de studio Mient Jan Faber nog volop overtuigd is ) zei Aburish in een interview het volgende: ‘Saddam Husayn had great plans with Iraq. He wanted to push Iraq into the 20th century. But there were conditions attached most people would not except. If that meant eliminating half of the population, he was willing to do that. His project of eradicating analphabetism in Iraq was absolutely one of the most successful ever in history. And he did receive an award of the Unesco’ (de Kropeska-award in 1977, FS) (…) Iraq offered potential’. Over de levering van dubieuze chemicaliën, zogenaamd voor Iraks industriële opbouw, maar eigenlijk bestemd voor oorlogsdoeleinden, zegt Aburish: ‘The United States knew about it, Great Britain knew about it, everybody knew. Nobody raised any objection’.

In het plaatje dat Aburish hierboven schetst past ook het bezoek van Bolkestein, al noemt Aburish dit kleine voorval niet in zijn boek (Nederland was leek toen nog niet zo belangrijk, want het verhaal van Frans van Anraat, die toch echt de grootste leverancier van chemicaliën voor Saddams wapenarsenaal blijkt te zijn geweest gedurende de tweede helft van de jaren tachtig, was in 2000 nog niet boven water gekomen en wordt dus niet door Aburish genoemd). Maar Bolkesteins eigen motivering, die hij gaf toen zijn overeenkomst met het regime door de Tweede Kamer moest worden gesluisd, lag geheel in de lijn van de beschrijving van Aburish. Op deze brief aan de kamer kom ik nog terug.

Laten we de paar belangrijkste punten eruit lichten, die in de uitzendingen van Argos naar voren zijn gebracht, in eerste instantie de uitzending van 4 april 2003.

De uitzending begint met een paar uitspraken van Nederlandse politici aan de vooravond van de Amerikaanse aanval, waaronder Balkenende, Zalm en de Hoop Scheffer. Zij benadrukken vooral dat Saddam Hoessein een wrede dictator is, die de mensenrechten systematisch schendt. De retorische vraag van Argos luidt: Waren deze mensenrechten altijd het belangrijkste wanneer het de naar Irak te voeren politiek betrof? ‘Deze lotsverbondenheid van sommige voorstanders van de oorlog is vaak van recenter datum dan zij doen voorkomen’, stelt Argos. ‘Argos vandaag over een onverwerkt verleden en korte geheugens’.

De uitzending gaat van start met een passage van Henk Kamp, minister van defensie namens de VVD in het kabinet Balkenende II, in het EO programma het Elfde Uur. Kamp somt voor Andries Knevel een aantal van Saddams grootste misdaden op om de oorlog te rechtvaardigen, waaronder de oorlog tegen Iran en de gifgasaanvallen tegen de Koerden. ‘Ik vind het heel mooi van Amerika dat ze daar iets aan willen doen’, aldus Henk Kamp. Argos maakt de vergelijking met Donald Rumsfeld, die de strijd tegen Saddam heeft omschreven als ‘een kruistocht tegen het kwaad’. Maar uit documenten, die vorig jaar beschikbaar kwamen, bleek dat Rumsfeld twintig jaar daarvoor heel anders aankeek tegen dit kwaad. Vervolgens wordt er verwezen naar de eerder genoemde uitzending van Netwerk, waaruit een geluidsfragment wordt uitgezonden. Rumsfeld was dus een afgezant van de regering Reagan, die de banden met Irak weer kwam herstellen en het Iraakse regime zelfs een lucratief contract aanbood voor samenwerking op het gebied van civiele technologie, al ging het hier om ‘dual use technology’. Technologie die voor civiele doeleinden bestemd is, maar ook militair kan worden toegepast.

Wat mij betreft is hier het meest opmerkelijk, dat van Anraat, weliswaar illegaal, precies hetzelfde te werk ging. In het boek van Karskens kunnen wij voortdurend lezen hoe hij ‘civiel materieel’ leverde, maar dat deze ook ‘militair’ (zij het tegen het oorlogsrecht in, want het ging om gifgas) kon worden toegepast. Maar Rumsfelds contract leverde ook de mogelijkheid tot het aanschaffen van nucleair basismateriaal en spullen voor het bouwen van een rakettenfabriek.

Vervolgens passeert het eerder genoemde passage van Bolkestein uit NOS Laat (Nova). Argos vermeldt dat net voordat Rumsfeld Irak aandeed in oktober 1983 Frits Bolkestein Bagdad bezocht met een soortgelijke missie. Argos gaat nu terug naar en eerdere uitzending (hun eerste over dit onderwerp, niet meer online te beluisteren, alleen in deze herhaling) van 21 november 1997. Deze begint met een passage van Jacques de Milliano, toen voorzitter van Artsen Zonder Grenzen, die net Halabja had bezocht, kort na de beruchte chemische aanval. De Milliano: ‘Meer dan vijfduizend lijken, vrouwen, mannen en kinderen, in Pompeji-achtige houdingen lagen verspreid door de stad en waren vergast. Hier was mosterdgas, zenuwgas en blauwzuurgas gebruikt. De wereld zweeg echter’.

Dan volgt een citaat van Bolkesteins wetsvoorstel aan de Tweede Kamer, voor de speciale handelsovereenkomst met Irak. Uit de brief van Bolkestein: ‘De onderhavige, op 31 oktober te Bagdad overeengekomen overeenkomst is tot stand gekomen op voorstel van Nederland. Zij beoogt de mogelijke economische en technische samenwerking met Irak te vergroten’, aldus Bolkestein aan de Tweede kamer.

Bolkestein was op 23 oktober, toen de oorlog met Iran op zijn hoogtepunt was, op bezoek geweest in Bagdad, onder de titel ‘minister van buitenlandse handel’ (het klopt dus precies met wat hij op de opening in Jaski Art Gallery vertelde). Hij had een ontmoeting met Saddam Hoessein gehad en had een samenwerkingsverdrag met zijn regime gesloten. Bolkestein: ‘Irak behoort met haar ruim dertien miljoen inwoners tot de grote Arabische landen en is dankzij de grote olierijkdom financieel in staat om de economische opbouw in versneld tempo door te voeren. Het Iraakse streven is om op zowel industrieel als op landbouwgebied  te komen tot een zo hoogst mogelijke graad van zelfvoorziening, waarbij de nadruk thans ligt op de zware en basis industrie, zoals staal, petrochemie, kunstmest en plastics. Op technologisch terrein streeft Irak naar de meest geavanceerde producten, hetgeen mede de reden is dat Irak zich meer en meer op het westen oriënteert’. Omdat de Iraakse overheid de belangrijkste opdrachtgever is, zo licht Bolkestein toe, is het zo belangrijk om nauwer samen te werken met die overheid, dus het regime van de Ba’thpartij en Saddam Hoessein. Bolkestein vervolgt: ‘Wij achten nauwe samenwerking met Irak van belang, niet alleen ter ondersteuning van de exportbelangen van het Koninkrijk, doch tevens omdat een goede relatie met landen die zijn aangesloten bij de OPEC, waarvan Irak een vooraanstaand lid is, in het belang lijkt te zijn van evenwichtige internationale verhoudingen, zowel op politiek (! FS) als op economisch gebied’. Over de oorlog met Iran, of de grootschalige mensenrechtenschendingen, rept Bolkestein met geen woord.

De volgende passages zijn het betere rode oortjeswerk, zeker als je deze in het licht ziet van de geschiedenis van de vuile handen in de kwestie Irak. Bolkestein: ‘Irak wil niet volstaan met de toezegging dat op dit gebied voornamelijk samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven zou kunnen worden bevorderd, doch verlangde dat in de beoogde overeenkomst zou worden bevestigd dat Irak ook mag rekenen op faciliteiten op technisch gebied, buiten het verband met transacties met het bedrijfsleven. Aan deze wens is van Nederlandse zijde tegemoetgekomen. Indien van de zijde van Irak bij de Nederlandse autoriteiten zou worden verzocht om eraan mede te werken dat ondernemingen of instellingen, die erover beschikken, ook technologische gegevens ter beschikking zullen komen, zal van geval tot geval beoordeeld worden, of deze medewerking kan worden gegeven.’

 

 

Kamervragen

 

Bolkestein wilde, aldus Argos, deze overeenkomst stilletjes door de Tweede Kamer laten ratificeren. Maar dat lukt niet probleemloos. Ria Beckers, toen fractievoorzitter van de PPR, later opgegaan in Groen Links, waarvan zij ook de eerste fractievoorzitter was (zij is in 2006  overleden), steekt daar een stokje voor en roept Bolkestein naar de kamer. In Argos legt zij telefonisch uit waarom. Ria Beckers: ‘Waar het om ging was dat er al een jaar of vier/vijf een verschrikkelijke oorlog aan de gang was tussen Iran en Irak, waar intussen meer dan een miljoen mensen waren omgekomen en wat echt een hele smerige oorlog was. Het is dan natuurlijk wel een heel vreemd politiek signaal, als de hele wereld en de Veiligheidsraad bezig is om ze te proberen van elkaar af te krijgen en die oorlog te beëindigen, dat je dan zo’n overeenkomst tot economische samenwerking gaat ratificeren. Dat had Bolkestein dus stilzwijgend willen doen. Dat gaat meestal met dat soort verdragen, tenzij de kamer vijftig handtekeningen verzamelt en het dan alsnog op de agenda plaatst. Dat hebben we toen gedaan (…) De grote kloof tussen Bolkestein en een deel van de kamer was toen: hoe kun je, terwijl er zo’n oorlog aan de gang is, die niemand wil en waar iedereen van vindt dat die beëindigd moet worden, waarvan we dagelijks in de kranten lezen wat er allemaal gebeurt en de mensenrechten op grove wijze geschonden worden, hoe kun je doen alsof er niets aan de hand is en gewoon gaan samenwerken met Irak?’

Beckers wijst er verder op dat het ook nog ging om samenwerking op het gebied van economische steun en technologie die eventueel voor Irak interessant zou kunnen zijn, juist vanwege die oorlog. Het belangrijkste punt van Beckers is vooral het volgende. Beckers: ‘Door de discussie heen speelde ook dat het weliswaar uitgesloten was om zg strategische goederen te leveren, dus zaken waarvan je direct kunt aannemen dat die in de oorlog gebruikt kunnen gaan worden. Maar er zijn, en dat geldt vooral voor Irak, allerlei ondefinieerbare gifstoffen, of bestanddelen, die mogelijk gebruikt kunnen worden voor chemische wapens. Die staan niet op die strategische goederenlijst. Landbouwgif bijvoorbeeld valt niet onder strategische goederen, maar daar kun je wel een heleboel mee doen’. Achteraf is gebleken dat Beckers gelijk heeft gekregen, want landbouwgif is vaak door het Iraakse regime als dekmantel gebruikt om aan grondstoffen voor chemische wapens te komen, daar zijn Said Aburish, maar ook Arnold Karskens heel duidelijk over (Said Aburish heeft gesteld dat Irak wel door de meest extreme sprinkhanenplagen moest zijn geteisterd, zoveel pesticiden had het nodig).

Op initiatief van Ria Beckers wordt het verdrag met Irak op 16 november 1984 besproken in de Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken. De discussie loopt door tot in 1985 en mondt uiteindelijk in april 1986 uit in een plenair debat. Al die tijd houdt Bolkestein voet bij stuk en staat hij achter zijn verdrag met het regime van Saddam Hoessein en verwerpt hij alle kritische kanttekeningen vanuit de kamer. Bolkestein: ‘Dat Nederland, door de levering van bepaalde diensten of goederen, betrokken zou raken bij de oorlog, komt ons niet waarschijnlijk voor. Het bestaan van een overeenkomst als de onderhavige, doet dit ons inziens niets anders zijn. Door de leden van de PvdA fractie is gewezen op het belang dat Irak hecht aan de overdracht van technologische kennis op het gebied van de zware industrie. Zij verbonden hieraan de vraag of de vergroting van het militaire potentieel van Irak, die als gevolg daarvan naar hun mening voor de hand zou liggen, te rijmen is met de Nederlandse politiek van volstrekte neutraliteit. In antwoord op deze vraag zouden wij erop willen wijzen dat, indien men iedere bijdrage aan de economie van een land te beschouwen als tevens te zijn een bijdrage aan het militaire potentieel, deze consequentie slechts door middel van een totaal embargo zou kunnen worden ontgaan. Een politiek van volstrekte neutraliteit brengt daarentegen ons inziens met zich mede dat zoveel mogelijk normale betrekkingen met alle betrokkenen worden onderhouden. Een overeenkomst als de onderhavige is daarom daarmee alleszins te rijmen’.

Los van het vreselijke ambtelijke jargon (maar goed, Bolkestein vervulde hier een bestuurlijke rol), is dit een bijna profetische tekst. Een paar jaar later was het inderdaad zover en kreeg Irak te maken met een wurgend embargo. Ook dit embargo heeft ontegenzeggelijk veel leed veroorzaakt, maar dan nog lijkt mij het sluiten van een lucratief handelscontract weer het andere uiterste. Net alsof er geen tussenweg mogelijk zou zijn, denk ik dan.

Maar verder met Bolkestein, die de verschillende vragenstellers van repliek bedient: ‘Strikt logisch redenerend kan men juistheid ontlenen aan de redenering van de heer van der Spek (kamerlid van de PSP, later opgegaan in Groen Links, FS), dat alle handelingen met de buitenwereld een oorlogsbevestigend karakter hebben  niet ontkennen. Het is echter weinig realistisch om dat standpunt in de praktijk te brengen. Meneer de Voorzitter, mevrouw Beckers verwijt de regering dat zij haar ogen sluit voor het conflict met Irak en Iran. Dat is niet waar. We hebben ons, zo actief als dat maar kon, met dat conflict bemoeid. We hebben getracht te bemiddelen, maar zijn daar niet in geslaagd. Het is moeilijk in te zien wat Nederland verder kan doen. Evenmin is duidelijk dat uitstel van dit verdrag kan bijdragen aan een beëindiging van deze oorlog’.

Als je deze uitsmijter weer in het licht van de geschiedenis plaatst is deze wel buitengewoon cynisch en misplaatst. De Amerikaanse interventie van 2003, die bijna enthousiast door de VVD gesteund werd (alhoewel, niet door Bolkestein, dat moet gezegd worden), vond voor veel minder plaats en dat lijkt me toch iets drastischer dan het eventueel ontzeggen van een lucratief handelscontract.

Maar het wordt steeds interessanter. De vraag komt namelijk op hoeveel Nederland op dat moment eigenlijk wist van de Iraakse oorlogsmisdaden, die ook toen in die oorlog werden gepleegd (de grote gifgasaanvallen op de Koerden, gedurende de zg Anfal Campagne, zouden later plaatsvinden). Argos laat hierover Robert Soeterik aan het woord, Irak deskundige en verbonden aan MERA (Middle East Research Associates).  Op de vraag van Argos, of dit verdrag het Iraakse regime in het idee heeft versterkt om door te kunnen gaan op de ingeslagen weg, geeft Robert Soeterik de volgende reactie: ‘Het afsluiten van het handelsakkoord vond plaats ten tijde van de Iraake-Iraanse oorlog. Irak was in 1980 Iran binnengevallen, maar werd daar in het voorjaar van 1982 door de Iraanse strijdkrachten weer uit verdreven. Er ontstond een grote schrik in het westen. Men vreesde dat een overwinning van Iran de politieke islam, die toen in alle hevigheid was opgekomen, een grote overwinning zou bezorgen. Er ontstond een sfeer, vooral in het westen, dat men Irak te hulp moest komen’.

Argos: ‘De overeenkomst die Nederland met Irak had gesloten paste dus erg in dat beeld?’ Soeterik: ‘Ja, en het kon natuurlijk ook door het regime in Irak niet anders geïnterpreteerd worden als een vorm van steun. Als je in een oorlogssituatie zegt: wij zijn niet voor het voortzetten van die oorlog en er moet een politieke regeling worden getroffen, dan zou je dat onder andere kunnen uitdrukken door te zeggen ‘Een land in oorlog, daar sluiten we geen verdrag mee tot economische samenwerking’. Dus dat dit wel gebeurde en dan vooral in die belangrijke fase van de oorlog, kan niet anders geïnterpreteerd worden dan politieke steun in de rug van het Iraakse regime. Overigens, in een latere fase van de oorlog is men nog veel verder gegaan. Toen is het niet alleen bij economische steun gebleven, maar is er ook nog militair geïntervenieerd ten gunste van Irak door mijnenjagers en ander marine materiaal naar de golf te sturen’.

Argos: ‘Door welke landen gebeurde dat?’ Soeterik: ‘Naast Nederland was naar ik meen Frankrijk, de Verenigde Staten en ook België bij betrokken en eigenlijk was het in de praktijk zo dat die vlooteenheden, die daar uit het westen naartoe gestuurd werden, de taak kregen om het zuidelijke gedeelte van de golf te beschermen tegen Iraanse luchtaanvallen, terwijl omgekeerd de Iraakse luchtmacht geen strobreed in de weg werd gelegd, om het noordelijke gedeelte, wat de Iraanse territoriale wateren zijn, waar ook veel oliefaciliteiten zijn, waar veel scheepvaartverkeer is, om dat straffeloos te kunnen aanvallen. Verder, deze economische steun ging gepaard met veel kredieten, want Irak zat tegen het eind van de oorlog heel diep in de schulden aan het westen, ik meen iets van tachtig miljard dollar. Dus dit en die militaire hulp waren allemaal zaken die het regime op dat moment een steun in de rug gegeven hebben’. Argos: ‘En dus net als die moeilijke periode voor Irak begonnen is komt, minister Bolkestein naar Bagdad?’ Soeterik: ‘Ja, ten tijde van het afsluiten van het akkoord tussen Nederland en Irak, dat handels-technische akkoord, was natuurlijk ook in politieke kringen in Nederland bekend wat de situatie in het land zelf was. Amnesty International en later Human Rights Watch hebben zeer uitgebreid de zeer slechte mensenrechtensituatie in Irak gedocumenteerd’. 

Argos citeert uit het jaarverslag van Amnesty International van 1983: ‘In 1983 bezocht een officiële missie van Amnesty Irak. Ze spraken er over het vastzetten van oppositieleden, de vele executies van politieke gevangenen, de wijdverspreide praktijk van martelen en het niet nakomen van rechten van gevangenen. Tussen 1978 en 1981  zijn 520 executies bij Amnesty bekend, waarvan 22 gevallen van mensen die bezweken aan de gevolgen van marteling in de periode 1976-1981. Een permanente bron van zorg was het lot van honderden Iraanse burgers, waaronder kinderen, vrouwen en ouderen, die in gevangenenkampen zitten sinds het begin van de oorlog. In 1983 meldde het Rode Kruis dat honderden van deze gevangenen voor hen verborgen werden gehouden en dat onder degenen die ze konden bezoeken, een slechte behandeling werd geconstateerd’.

Argos: ‘In de discussie met de Tweede Kamer over het verdrag met Irak negeert staatssecretaris Bolkestein de situatie van de mensenrechten totaal. In zijn nota’s gaat hij er gewoonweg niet op in. Pas in zijn nota uit 1986, tijdens het plenaire kamerdebat, moet hij er wel op ingaan, want bijvoorbeeld Ria Beckers blijft erop aandringen dat toch ook de mensenrechten moeten meewegen. Maar veel woorden maakt Bolkestein er niet aan vuil. Bolkestein: ‘De toestand van de mensenrechten is vele malen beschreven in dag- en weekbladen. Wij zijn allen op de hoogte van die toestand. Het heeft weinig zin daarover uit te wijden. Wat ik heb gezegd over het verband tussen deze overeenkomst en oorlog, geldt ook voor het verband tussen deze overeenkomst en de schending van de mensenrechten.  Natuurlijk heeft mevrouw Beckers het grootste gelijk van de wereld, als zij zegt dat bij die oorlog, zoals bij elke oorlog, de mensenrechten  worden geschonden op een wijze die haar gelijke nauwelijks kent. Dat is juist, maar het sluiten van deze overeenkomst kan helaas niets veranderen aan die oorlogstoestand’. Om er dan jolig aan toe te voegen: ‘Meneer de voorzitter, mevrouw Beckers wil dat de Nederlandse regering de brand zal blussen, de slachtoffers uit de brand zal halen. De regering zou dat uiteraard graag doen. Het is echter niet gemakkelijk te verwerkelijken. Als mevrouw Beckers suggesties heeft, zou ik die graag horen. We doen wat we kunnen!’

Dit laatste is wel buitengewoon misplaatst, wat mij betreft van hetzelfde soort als snoeven tegen die gevluchte Iraakse kunstenaar wat voor een verschrikkelijk interessante ontmoeting hij had met Saddam Hoessein (‘en hopelijk kunt u zo snel mogelijk weer naar uw vaderland terugkeren, wanneer de democratie weer hersteld is- nou ja ‘hersteld’, als ie er ooit geweest is’).

Maar verder met het politieke debat van toen. Ria Beckers over deze laatste uitsmijter van Bolkestein: ‘Het gekke was dat de meest recente nota over de mensenrechten, dat was een nota van 1979 en dus ook van een CDA en VVD kabinet. En dat was helemaal niet zo’n slechte nota en daar werd ook ruim aandacht besteed wat je moet doen met economische betrekkingen als de mensenrechten ergens in grove mate geschonden werden. Daar stonden allerlei economische maatregelen in. Daar stond zeker niet tussen dat je economische samenwerkingsovereenkomsten moest afsluiten. Dat was zo’n beetje het tegenovergestelde’. 

Irak-deskundige Robert Soeterik: ‘De Nederlandse regering had het bijvoorbeeld ook nog kunnen weten aan de hand van de stromen vluchtelingen, die vanaf midden jaren zeventig, vooral Iraakse Koerden, die naar Nederland waren gekomen.  Later is er nog zo’n piek geweest rond het uitbreken van de oorlog tussen Irak en Iran in 1980. Men was dus op de hoogte van die slechte situatie’.  Argos: ‘En dat waren ook vluchtelingen, waarvan het vluchtelingenschap erkend was?’  Soeterik: ‘Zeker, dat waren erkende politieke vluchtelingen en het patroon is algemeen geweest dat men de mensenrechtensituatie onderschikt heeft willen maken aan handelsbelangen en politieke steun aan Irak, om het in staat te stellen de oorlog met Iran voort te zetten  om een overwinning van de politieke islam te verhinderen’. Argos: ‘Maar toen Nederland in 1983 dat verdrag tot economische en politieke samenwerking met Irak afsloot, wist men heel goed wat er op het gebied van de mensenrechten aan de hand was?’ Soeterik: ‘Daar kan geen twijfel over bestaan’.

Argos: ‘In april 1985 dient Ria Beckers een motie in die Bolkestein en de regering vraagt om het in werking treden van het verdrag op zijn minst op te schorten. Maar Bolkestein ontraadt de motie en ze wordt uiteindelijk verworpen, omdat de regeringspartijen Bolkestein steunen. Vijf jaar later, in augustus 1990 valt Irak Koeweit binnen en het westen, onder leiding van de Verenigde Staten, keert zich geschrokken tegen Irak. En dan presenteert Bolkestein ineens een heel andere beoordeling van het Irak van Saddam Hoessein. In het televisieprogramma NOS Laat vertelt hij over zijn ontmoeting met Saddam in oktober 1983, de gelegenheid dus, waarbij Bolkestein het verdrag met Irak overeenkwam’.

Bolkestein: ‘Het is een buitengewoon onaangename man. Ik was toen staatssecretaris van Buitenlandse Handel. Toen heb ik dus zowel Saddam Hoessein als een paar van zijn ministers ontmoet. Ik kan niet anders zeggen, het was een lugubere bijeenkomst. Het is een luguber regime’. Charles Groenhuizen: ‘Wat is er luguber aan de man als je van mond tot mond met hem praat?’ Bolkestein: ‘Het absolute gebrek aan medemenselijkheid dat hij uitstraalt. Geen enkele terughoudendheid wat betreft de wijze waarop hij andere mensen behandelt’. Groenhuizen: ‘Want hij was toen nog volop verwikkeld in de oorlog met Iran, waarbij hij ook gifgas heeft gebruikt’. Bolkestein: ‘Zeker, iedereen weet ook wat voor regime het is, hoe ze de Koerden bestrijden met mosterdgas, hoe ze de oorlog tegen Iran zijn begonnen, hoe ze de eigen bevolking onderdrukken’.

Argos: ‘Bolkestein wordt dan in 1990, ondanks al deze op dat moment geëtaleerde kennis over moord, onderdrukking, marteling, het gebruik van gifgas en de gruwelijke oorlog tegen Iran, niet gevraagd hoe het dan kon dat hij enkele jaren eerder, gesteund door de regeringspartijen CDA en VVD, wel een economisch samenwerkingsverdrag afsloot met deze lugubere lieden. Ook de journalistiek is maar kort van memorie’.

Aldus Argos, in deze onthullende en buitengewoon waardevolle en ook nog bloedspannende uitzending, waarvoor wat mij betreft alle hulde  (hier nogmaals de link).

 

En Frits Bolkestein? Die weigerde ieder commentaar. Het interessante is dat deze uitzending gemaakt werd op 21 november 1997. Slechts een krappe drie maanden daarvoor, op 26 augustus 1997, had Bolkestein nog staan pochen over zijn persoonlijke ontmoeting met de lugubere lieden van Saddams regime voor het Spiegelgracht publiek en de Telegraaf, over de rug van een kunstenaar die nu juist voor dat regime gevlucht was. En de kunstenaar zelf? Die toen nogal overdonderd door deze happening. Dit was in ieder geval niet wat hij had verwacht toen hij debuteerde in het land waar hij dacht een vrijhaven te vinden. Dat heb ik zo’n zeven jaar na zijn gedenkwaardige opening in Jaski op een gelegenheid in het Wereldmuseum te  Rotterdam nog van hemzelf mogen vernemen. Bij mijn weten gaat het de kunstenaar overigens goed en heeft hij inmiddels ook hier zijn plek weten te veroveren (al is hij vooral actief in Nederland binnen het Iraakse circuit en nog maar een heel klein beetje daarbuiten, maar dat geldt voor veel van zijn landgenoten).

 

          

 Over mensenrechten en ‘een graantje meepikken’

 

Wie wel hebben gereageerd, nog in dezelfde uitzending (dus in de uitzending van 2004, waarin het bovenstaande behandelde gedeelte uit de uitzending 1997 werd herhaald), zijn partijgenoot Hans van Baalen en de CDAer Camiel Eurlings, beide toen woordvoerder over de kwestie ‘aanval op Irak’ van hun fractie in de Tweede Kamer. Wat je ook van hun reacties mag vinden, zeker alle waardering dat ze het wel hebben aangedurfd, want makkelijk leek me dat niet, zeker voor Hans van Baalen, ooit een leerling van Bolkestein.

Maar Argos vervolgt: ‘Bolkestein is na zijn staatsecretariaat, ook nog minister van defensie geweest in het kabinet Lubbers II. Een van zijn opvolgers, als VVD bewindsman op defensie, is de VVD minister Henk Kamp. Kamp: ‘De afgelopen jaren heeft die Saddam en zijn kliek ervoor gezorgd dat er bijna twee miljoen mensen overleden zijn. De Shiieten in het zuiden, de Koerden in het noorden, een miljoen Iraniërs. Ik denk dat het voor de mensen in Irak heel belangrijk is dat hij weg gaat. Ik vind het heel mooi (!! FS) van Amerika, dat zij het enige land in de wereld zijn, dat ze dit kunnen doen, dat ze dat ook willen doen, dat ze bereid zijn om daarin het voortouw te nemen. Ik moet er niet aan denken dat er een wereld is, waarin er geen land is dat bereid is om dit soort dingen te doen’ (dit alles vanwege massavernietigingswapens die er niet meer waren, terwijl toen er nog wel massavernietigingswapens waren en die ook werden ingezet er een handelscontract werd afgesloten door een bewindsman van diezelfde partij, maar dit terzijde, FS).

 

Argos: ‘Uiteraard hebben we nu en ook al in  1997 Bolkestein om een reactie gevraagd, maar die heeft net als toen, laten weten dat hij ons niet te woord kon staan. Ik praat nu verder met twee leden van de tweede kamer, Camiel Eurlings van het CDA, buitenlandwoordvoerder en het gezicht van het CDA wat Irak betreft, en Hans van Baalen van de VVD, al jaren binnen zijn partij actief op het gebied van buitenlands beleid, defensie en mensenrechten. Uw partijen steunen beiden politiek gezien de coalitie in deze oorlog tegen Irak. Meneer van Baalen , uw partij, de VVD, had dat ook militair willen doen?

Hans van Baalen: ‘Dat klopt. Wij hebben steeds gezegd: politieke steun, dat betekent ook dat je overweegt om een militaire bijdrage te leveren. Niet dat de Amerikanen zullen vragen om ons in de voorste linies op te treden, maar wel om bijvoorbeeld humanitaire steun te bieden in de bevrijde gebieden. Dat zou je per geval moeten bekijken, maar dat was in de Nederlandse situatie zeer helaas niet mogelijk’.

Argos: ‘En voor het CDA geldt hetzelfde, meneer Eurlings?’

Camiel Eurlings: ‘We hebben zelf gezegd, we steunen politiek deze oorlog. Militair is ons geen ander verzoek gedaan dan datgene wat wij nu bijvoorbeeld in Turkije doen en u weet hoe het toetsingskader is, na Srebrenica. We hebben gewoon een afspraak dat als je echt actief in de strijd mee wil doen, dat je een hele grote steun in het parlement nodig hebt. Die ontbreekt, dus kun je dat niet op een verantwoorde manier doen, dus dat was voor ons niet aan de orde’.

Argos: ‘De rol van mensenrechten, het stoppen van de onderdrukking, marteling, etc. Is dat voor u beiden belangrijk in uw opstelling tov. deze oorlog?’ 

Eurlings: ‘Zeer belangrijk. Als ik even heel kort mag reageren, ook op uw reportage, kijk u heeft groot gelijk dat de internationale diplomatie vaak wisselende standpunten heeft en soms ook niet geheel van hypocrisie is gespeend’.

Argos: ‘De Nederlandse regering in dit geval’.

Eurlings: ‘Nee, dat gaat veel verder want u stelt het heel nadrukkelijk op de Nederlandse regering, maar u moet toch weten dat het hele westen in de Irak / Iran oorlog ‘de vijand van je vijand is je vriend’ beschouwde. En de grootste vijand was Iran. Men was heel bang dat dit land het hele Midden Oosten zou gaan beheersen en heeft toen heel lang de Irakese kaart gespeeld. Maar waar u heel makkelijk aan voorbij gaat is dat ons land sinds 1991 er alles aan gedaan heeft om in Irak veranderingen te krijgen. We zijn de grootste donor, ook op het gebied van humanitaire vlak en waar u ook een beetje gemakkelijk aan voorbij gaat, want u maakt zich terecht druk om die mensenrechten, want daar gaat het nu ook om’.

Argos: ‘Daar ging het in de jaren tachtig ook al om’.

Eurlings: ‘Ja, maar dat is al twintig jaar geleden en u gaat heel makkelijk voorbij aan de inspanningen van de laatste twaalf jaar, waar u misschien ook wat meer aandacht aan zou kunnen besteden is, als wij dan zeggen, je mag er niet hypocriet mee omgaan en je mag die mensenrechten niet ondergeschikt maken aan economische belangen. Wat vindt u er dan van, stel ik u als wedervraag, dat het afgelopen najaar, we hebben het dus over 2002, een land als Rusland, door sommige anti-oorlogsmensen in Nederland zo geprezen, dat die nog hebben gepoogd een handelsakkoord  met Saddam te sluiten? Dat een land als Frankrijk, dat zich zo edel voordoet, dik in de Irakese olie zit en daarmee het regime, tot en met deze oorlog, totaal financieel heeft gesteund. Dat is nu juist het punt dat wij hebben willen maken, laat dat zo niet verder doorgaan en ik vind dat daar wel wat meer aandacht voor had mogen zijn’.

Argos: ‘U stelt de vraag aan mij, maar ik ben helemaal geen partij in deze zaak. Ik kijk gewoon naar een stuk geschiedenis van de opstelling van de Nederlandse regering in kwestie Irak. Meneer van Baalen, uw partijgenoot Minister Kamp verwees deze week nog speciaal naar de slachtoffers van de oorlog van Irak tegen Iran, dat inderdaad een gruwelijke oorlog was, al is dat een beetje vergeten. Maar daar zijn meer dan een miljoen doden gevallen in die oorlog, die begonnen was door het regime in Irak. Is dat niet een beetje cynisch als hij juist op dit moment daar naar verwijst als je terugkijkt naar de opstelling ten tijde van die oorlog door bijvoorbeeld uw partijgenoot meneer Bolkestein?’

Van Baalen: ‘Kijk, heel concreet, internationale politiek is helaas cynisch. En u hebt het al heel duidelijk aangegeven in uw programma: mensenrechten hebben geen rol van betekenis gespeeld in de afgelopen vijfentwintig jaar. Camiel Eurlings heeft het er net over dat, ja, ‘de vijand van je vijand is je vriend’. Dat was die periode van de Koude Oorlog, van de islamitische revolutie. Dat praat ik niet goed’.

Argos: ‘Maar is dat nu anders dan?’

Van Baalen: ‘Ik praat niet goed hoe er met de mensenrechten is omgegaan. Absoluut niet. Men wist veel. Maar dat betekent niet dat je dan nu niet voor de mensenrechten moet opkomen. De fouten in het verleden betekenen niet dat je kunt zeggen: Helaas, de mensenrechten spelen dan ook nu geen rol’.

Argos: ‘Maar wat is dan dat argument, laten we zeggen, nu wordt die mensenrechtenkaart dan wel uitgespeeld. Maar hoe lang duurt dat en als de belangen weer anders liggen, gaat dan ook weer de vijand van mijn vijand weer mijn vriend worden?’

van Baalen: ‘Nou, het is nu niet de periode van die machtsblokken en van het kiezen tussen ‘kwaad’ en ‘kwader’. Nogmaals, het is cynisch, maar op dit moment spelen de mensenrechten een grote rol en spelen vooral de massavernietigingswapens van Saddam een grote rol (van Baalen kon toen nog niet weten dat er niets gevonden zou worden, FS) en daarom kunnen wij ook achter de Amerikaanse politiek staan’.

Argos: ‘Vorige week hoorde ik defensiedeskundige Rob de Wijk, bij Nova op de televisie en die  zei: toen ging het ook over het lot van het Iraakse volk en de mensenrechten en die zei van ‘kom, laten we alsjeblieft hierover ophouden. Het gaat helemaal niet om mensenrechten, ook in dit geval niet. Het gaat gewoon om belangen. Om machtspolitieke belangen, om economische belangen’.

Van Baalen: ‘Het gaat om heel veel belangen, het gaat om machtsbelangen, economische belangen, maar het gaat óók om mensenrechten en het gaat óók om massavernietigingswapens. Dus het moet niet zo zijn, omdat er ook andere belangen zijn, dat de mensenrechten dan nu niet tellen’.

Argos: ‘Maar die situatie in de jaren tachtig, toen meneer Bolkestein naar Irak ging, dan zegt u: ja het ging om allerlei machtspolitieke belangen. Je had de strijd van Irak met Iran, maar er speelde ook toen in zijn uitspraken van toen, ook in de kamer, heel duidelijk door dat ook economische belangen belangrijk waren, blijkbaar’.

Van Baalen: ‘Men wilde met Irak banden onderhouden, in ieder geval dat deden de Fransen, dat deden de Amerikanen, dat deden de Russen en dat betekende dat in dat geheel…’

Argos: ‘Dus Nederland deed het ook?’

Van Baalen: ‘Nederland wilde ook een graantje meepikken, om dat cynische woord maar te gebruiken, en Nederland wilde in ieder geval zorgen dat Irak niet zou vallen. En dat laatste is, hoe cynisch ook, je had niet moeten voorstellen dat de islamitische revolutie was overgeslagen naar Irak en andere delen van het Midden Oosten. Nogmaals, het is cynisch, het is pijnlijk, moreel niet goed te praten, maar  het is wel te begrijpen’.

Argos: ‘Meneer Eurlings, is dat niet een probleem dat de mensenrechten, daar is iedereen het wel over eens dat die in dit soort situaties een belangrijke rol moeten spelen, maar dat je toch elke keer weer ziet, als je de geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar en van na de Tweede Wereldoorlog bekijkt, dat in allerlei conflicten de mensenrechten toch heel vaak weer het onderspit delven, als het gaat om de opstelling van allerlei westerse regeringen?

Eurlings: ‘Ja, dat ben ik helemaal met u eens en ik heb net gezegd het is altijd makkelijk om achteraf te spreken, maar je ziet ook in het geval van Afghanistan dat het Westen en ook Amerika de Taliban mede aan de macht heeft geholpen, dus je ziet daar heel veel hypocrisie. Ik heb dat daarnet  niet willen verbloemen, maar wat ik wel zeg is: je kunt twee dingen doen. Je kunt zeggen, omdat er twintig jaar geleden misschien anders mee had moeten worden omgegaan- ik zeg de laatste jaren proberen we het wel- maar omdat het twintig jaar geleden fout is gegaan doen we nu ook maar niks’.

Argos: ‘Maar het gaat mij erom, wat is de waar de van de opstelling van U? Waaruit blijkt dat het zo makkelijk weer kan veranderen?’

Eurlings: ‘De waarde zou moeten zijn, dat we deze oorlog in Irak nu niet alleen gebruiken om alleen in Irak vrede, veiligheid en democratie te brengen, maar dat we dat ook als leidraad houden in alle toekomstige conflicten, die mogelijk zouden kunnen komen. Dat betekent dus dat je , om te beginnen, en dat zal de komende week de diplomatieke strijd worden, en daar komt ook een stuk geloofwaardigheid om de hoek, dat je de VN de lead moet geven op het moment dat Irak bevrijd is en dat er een nieuwe resolutie komt voor wederopbouw op basis van democratie en mensenrechten en dus niet op economische belangen’.

Argos: ‘Maar dan bent u toch helemaal afhankelijk van of de Amerikanen dat toestaan, want zo zijn de verhoudingen toch op dit moment?’

Eurlings: ‘De verhoudingen zijn op dit moment, door het Europese gerommel in eigen huis, wij geen vuist kunnen maken en als wij ons hier nu gaan verenigen- en Tony Blair heeft hierin echt een goede lijn te pakken- die gaat ook tegen Amerika in en die zegt: ‘De VN, de mensenrechten en de Irakezen zelf moeten centraal staan’- als wij ons daarachter verenigen, ben ik ervan overtuigd dat we resultaten zullen bereiken, maar dan moeten we wel ophouden met hier te liggen kibbelen en ook met te veel terug te kijken naar het verleden. We moeten ervan leren, maar we moeten ook vooruit. Als ik nog een ding mag zeggen, ik was eergisterenavond bij een bijeenkomst van Cordaid en Pax Christi en daar liet men Irakezen zelf aan het woord. Koerden uit het noorden, Shiieten uit het zuiden, maar ook Soennieten uit Bagdad. Die mensen zeiden: ‘natuurlijk zijn we bang voor die oorlog en het is verschrikkelijk voor onze familie daar, maar in 1991 hebben jullie het niet afgemaakt en hebben jullie ons met Saddam laten zitten. Dus alsjeblieft, zet nu door en geef ons weer een toekomst en ik denk dat het nu de toekomst van die mensen zelf, dat het daar nu om zou moeten gaan’.

 

Het aardige is dat ik zelf van de vele Iraki’s hetzelfde heb gehoord, maar dan met een verschil: ‘In 1991 is het niet afgemaakt, toen zijn we met Saddam blijven zitten en hebben jullie ons in de steek gelaten. Dus wie zegt dat we jullie nu wel kunnen vertrouwen? Het is iets dat we uiteindelijk zelf moeten doen’. Volgens mij was dit zo’n beetje de communis opinio, met uitzondering van veel Koerden, die wel voor militair ingrijpen waren. Zie daarover ook zeker deze uitzending van Zembla ‘Kanonnenvoer van Saddam’, waarin vel Iraki’s zelf aan het woord komen. Het geluid dat daarin naar voren komt, klopt precies met mijn eigen waarneming bij de Iraki’s die ik ken (waarvan er een paar overigens ook in die uitzending van Zembla aan het woord kwamen, zoals de dichter Naji Rahim en de schrijver en dichter Mowaffk al-Sawad, die de opstand van 1991 van heel nabij hebben meegemaakt en er zelfs in hebben geparticipeerd). Onder de Iraki’s die ik ken en zoals ik het heb meegemaakt gedurende de Amerikaanse inval en de periode daarna, zijn er wel momenten geweest van grote uitgelatenheid, bijvoorbeeld toen het regime op 9 april 2004 daadwerkelijk viel en met de arrestatie van Saddam Hoessein, al werd die stemming weer snel overschaduwd door de mindere kanten van de Amerikaanse bezetting. In het algemeen is het leven van de familieleden van de Iraki’s die ik ken er niet makkelijker op geworden en het is vooral die zorg die nu overheerst. Maar dit terzijde. Verder met de discussie:

 

Argos: ‘Meneer van Baalen, zou het niet veel realistischer zijn om te zeggen: ‘Mensenrechten spelen soms een rol, maar andere belangen spelen ook een rol’, zoals meneer Bolkestein eigenlijk ook zei in de kamer. Dat is toch eigenlijk veel eerlijker?’

Hans van Baalen: ‘Je moet eerlijk zijn en dus de toetssteen nu is dus nu: met wie zaken wordt gedaan in het post-Saddam tijdperk , als we nu, na die oorlog, zaken gaan doen met mensen met vuile handen, met een heel kwalijk verleden, dan maken we ons ongeloofwaardig, dus we worden nu getest. Maar je moet wel eerlijk zijn. In de periode van de Koude Oorlog waren de mensenrechten het slachtoffer, aan beide zijden. Alleen de keuze ‘tegen Rusland’ , ‘tegen Iran’, was een eerlijke keuze’.

Argos: ‘Dat was een eerlijke keuze, ondanks dat er op dat moment  miljoenen mensen het slachtoffer waren van het regime in Irak?’

van Baalen: ‘Het was een vreselijke keuze, maar wat had het westen dan moeten doen?’ Argos: ‘En ook dat het regime in Irak met spullen werd ondersteund waar nu dan die vernietigingswapens gemaakt zouden zijn?’

van Baalen: ‘Dat is een afschuwelijke keuze geweest, maar…’

Argos: ‘Dat was toch niet nodig?’

van Baalen: ‘Maar het was west tegen oost, het was Rusland en China tegen de rest van de wereld en in die keuze zijn er moreel hele vervelende dingen gebeurd, die ik betreur, maar die niet anders konden’.

Argos: ‘Maar om in de discussie over de oorlog met morele argumenten te komen- mensen die tegen de oorlog zijn worden althans vaak met morele argumenten terecht gewezen- dus misschien is het wel zo slim om dat morele gehalte er een beetje uit te halen?’

Van Baalen: ‘U heeft net in het gesprek, noch met de heer Eurlings, noch met mij, een soort ‘moral highground’ gehoord, dat wij ons allerlei morele zaken toe-eigenen. Dat moeten anderen ook niet doen. We moeten ons nu richten op de wederopbouw van dit land’

 

Tot zover dit gesprek met deze twee Kamerleden en ook de uitzending van Argos van 4 april 2003. Erg verheffend is het allemaal niet, al moet ik zeggen dat ik wel enige waardering heb voor sommige bijdragen van Hans van Baalen (al ben ik het meestal niet eens met zijn analyse van de huidige situatie). Maar van Baalen is wel eerlijk over de rol van Bolkestein en het siert hem dat hij Argos hierover gewoon te woord heeft gestaan, itt Bolkestein zelf. Bolkestein was op dat moment weliswaar Europees Commissaris, maar Bolkestein heeft ook niet willen reageren in 1997, toen hij fractievoorzitter van de VVD was (en toen in dezelfde tijd ook die tentoonstelling opende, waar hij geen last had van enige terughoudendheid).  Maar van Baalen is niet zo stuitend hypocriet als bijvoorbeeld Henk Kamp. Nog eenmaal: ‘De afgelopen jaren heeft die Saddam en zijn kliek ervoor gezorgd dat er bijna twee miljoen mensen overleden zijn. De Shiieten in het zuiden, de Koerden in het noorden, een miljoen Iraniërs. Ik denk dat het voor de mensen in Irak heel belangrijk is dat hij weg gaat. Ik vind het heel mooi van Amerika, dat zij het enige land in de wereld zijn, dat ze dit kunnen doen, dat ze dat ook willen doen, dat ze bereid zijn om daarin het voortouw te nemen. Ik moet er niet aan denken dat er een wereld is, waarin er geen land is dat bereid is om dit soort dingen te doen’.

In tegenstelling tot Kamp (en ook Eurlings, die wel gelijk heeft wat betreft Rusland en Frankrijk, maar dat doet niets af aan de Amerikaanse bijbedoelingen) geeft van Baalen wel eerlijk toe dat het ‘ook om belangen gaat’. Deden maar meer VVDers dat maar. Ik ben het verder natuurlijk volledig met van Baalen eens dat er geen reden is om nu niet voor de mensenrechten op te komen, omdat dit de afgelopen twintig jaar te weinig of niet is gebeurd. Vanzelfsprekend. Alleen, worden mensenrechten nu niet ingezet om andere motieven te verhullen? Ik vrees dat ik iets sceptischer ben dan Hans van Baalen en is inmiddels ook wel gebleken dat daar enige grond voor is (zie bijvoorbeeld het Abu Ghraib schandaal, om er maar een kwestie uit te lichten).

Dit is overigens niet het enige wat er over de rol van Bolkestein te zeggen valt. Want ook het ministerie van Buitenlandse Zaken had bedenkingen bij het door Bolkestein voorgestane Irak beleid. Hans van den Broek had fundamentele problemen met de ingeslagen weg van Bolkestein. Toch moest hier nog een flinke machtstrijd voor worden gevoerd, die grotendeels achter de schermen plaatsvond. Er was dus ook een meningsverschil binnen de regering, waarin de positie van Bolkestein wederom niet bepaald een schoonheidsprijs verdient.

Maar eerst de een andere urgente kwestie. Wat wisten we toen over de misdaden van Saddam in het algemeen en zijn chemische wapens in het bijzonder?

 

         

Hebben we het geweten?  de oud-ambassadeur vertelt

 

Argos heeft meer afleveringen aan deze zaak gewijd, waarbij ook andere aspecten van deze schimmige relatie met Irak zijn belicht. Ik wil hier nog ingaan op twee afleveringen uit het voorjaar van 2007. Een aflevering wil ik hier nog in zijn geheel behandelen. Er zit wat herhaling in, maar ik zal de belangrijkste punten eruit lichten en soms voluit citeren. Via de links kunnen uiteraard de volledige afleveringen worden teruggeluisterd. Hier volgt de uitzending van 21 april 2006 (http://www.ochtenden.nl/themasites/mediaplayer/index.jsp?media=28051413&refernr=26677680&portalnr=22641901&hostname=ochtenden&mediatype=audio&portalid=ochtenden):

 

Aan het begin volgen er een paar fragmenten. Eerst van Nova (Clairy Polak): ‘Saddam Hoessein stond vandaag terecht voor de moord op meer dan 140 mensen in het stadje Dujail, in 1982. Er zal nog een reeks van aanklachten volgen voor misdaden tegen de menselijkheid, genocide,  de gifgasaanval op de Koerden in Halabja’.

 

Dan Frank Slijper, onderzoeker naar de geschiedenis van de Nederlandse wapenhandel: ‘Het is Economische Zaken die voortdurend probeert op de rem te trappen, voortdurend blijkt te bagatelliseren wat de risico’s zijn en voortdurend  de belangen van de handel van het bedrijfsleven in het oog heeft. Dat moet vooral niet te veel geschaad worden’.

 

Oud-Ambassadeur Jhr. David Schorer: ‘Saddam is al in 1982 begonnen met het inzetten van strijdgassen. De vijand wordt vernietigd als insecten, zoiets dergelijks werd er dan gezegd. Daaruit kon je afleiden dat er strijdgassen werden gebruikt’.

 

Argos: ‘In het proces tegen Saddam Hoessein staat sinds deze maand de aanklacht van genocide centraal. Met name het inzetten van gifgas in de jaren tachtig. In Nederland was er vorig jaar al volop aandacht voor de gifgaspraktijken van het Saddam-regime. Op 23 december veroordeelde de Haagse rechtbank de Nederlandse chemicaliënhandelaar Frans van Anraat voor vijftien jaar cel, wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden, omdat hij Irak had voorzien van grondstoffen voor chemische wapens.

 

Geluidsfragment van het vonnis van de rechtbank: ‘Vast is komen te staan dat verdachte bewust en op louter winstbejag een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het chemische wapenprogramma van Irak in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Zijn bijdrage heeft een groot aantal met mosterdgas uitgevoerde aanvallen op weerloze burgers mogelijk gemaakt, althans vergemakkelijkt. Deze aanvallen vormen zeer ernstige oorlogsmisdrijven’.

 

Argos: ‘Bewust en uit louter winstbejag’, aldus de rechtbank. Maar gaat de Nederlandse betrokkenheid niet veel verder dan de winstbelustheid van één zakenman?  Is ook de Nederlandse overheid verantwoordelijk?  Hoe was het handelsklimaat met Irak? Wie wist wat en wanneer? Werd er jarenlang bewust niets ondernomen? En wat is de rol van Frits Bolkestein, die in de eerste helft van de jaren tachtig als Staatsecretaris van Economische Zaken verantwoordelijk was voor de handel met het buitenland? In Argos: Nederland en het gifgas voor Saddam Hoessein. Met onder andere vertrouwelijke documenten uit het Ministerie van Economische Zaken en een ex-diplomaat die heel openhartig vertelt over zijn periode als ambassadeur van Nederland in Bagdad’.

 

Oud Ambassadeur Schorer: ‘Met export kun je ontzettend rommelen. Je exporteert naar een willekeurig ander land en ondertussen gaat het toch door naar het land waar die vergunning niet voor was afgegeven. Wij hadden er natuurlijk geen zicht op wat er allemaal in Irak binnenkwam’.

 

Vervolgens komt er een korte reportage. ‘Het kantoor van de Dienst In en Uitvoer vergunningen is gevestigd aan de Engelse Kamp in Groningen. Dat is aan de rand van de Zuidelijke Ringweg. Het zijn drie grote kantoorkolossen en in een van hen, nr. 6, daar is deze Centrale Dienst In en Uitvoer gehuisvest. Ik ben op zoek naar de uitvoervergunningen die afgegeven zijn in de periode 1980-1989  voor de handel in chemicaliën aan een land als Irak’.  

Argos-verslaggever Leo Siepe is bij de Centrale Dienst In en Uitvoer, een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken, op zoek naar exportvergunningen en andere documenten naar Irak over de eerste helft uit de jaren tachtig. Maar hij krijgt nul op het rekest. De stukken zijn niet meer aanwezig. Noch bij de centrale dienst in Groningen, noch bij het ministerie in  Den Haag, zo luidt het opmerkelijke antwoord van een woordvoerder.

We willen die stukken inzien, omdat ze het begin beslaan van de oorlog tussen Irak en Iran. Dat was een zeer bloedig conflict, dat begon toen het Irak van Saddam Hoessein op 22 september 1980 het buurland Iran binnenviel. In Iran was een jaar eerder het islamitische bewind van Ayatollah Khomeiny  aan de macht gekomen. Na meer dan een miljoen doden en een nog veel groter aantal gewonden en grote verwoestingen, zou de oorlog pas eindigen in augustus 1988.  Tijdens de oorlog zette Irak, al vanaf het begin, op grote schaal chemische wapens in, waaronder mosterdgas, sarin en VX gas. Officier van justitie Teeven refereerde daaraan, tijdens het proces tegen van Anraat.

 

Fred Teeven: ‘De gemaakte mosterdgas en zenuwgassen hebben tenminste vele tienduizenden slachtoffers gemaakt in Irak en Iran en bij die slachtoffers een hevig lijden veroorzaakt, dat op de dag van vandaag nog voortduurt’.

 

Argos: ‘We nemen geen genoegen met het antwoord van Economische Zaken dat al die stukken uit die periode er niet meer zijn en doen een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur en dan blijkt dat toch een groot aantal documenten uit die bewuste periode boven water komen. Vertrouwelijke codeberichten, geheime verslagen en interne briefwisselingen tussen bewindslieden. Ook gaan we op zoek naar betrokken overheidsfunctionarissen uit die periode en we komen terecht bij ex-diplomaat David Schorer, die van 1980 tot 1984 Nederlands ambassadeur in Bagdad was.

 

Oud ambassadeur Schorer: ‘Irak was toen net in oorlog, een oorlog die ze zelf min of meer hadden geprovoceerd, met Iran. Om politieke steun te krijgen, in het buitenland, in het westen, maar ook in het eigen land, zette Saddam een enorm ambitieus economisch programma op, waarvoor natuurlijk alles moest worden geïmporteerd’.

 

Argos: ‘U zegt Irak had vanwege die oorlog enorm veel potentieel, er moest veel worden ingevoerd. Vandaar dat er ook veel vraag was naar producten uit het westen, waaronder uit Nederland. Er kwamen dus ook heel veel Nederlandse bedrijven in Bagdad langs?’

 

Oud ambassadeur Schorer: ‘Ja, inderdaad. In het begin niet, maar naarmate de situatie in Bagdad wat rustiger en voorspelbaarder werd, kwamen er steeds meer bedrijven langs, die graag wilden weten of ze wat konden doen in Irak.

 

Argos: ‘Wat voor bedrijven waren dat?’

 

Schorer: ‘Van alles. Er werd een keer per jaar een jaarbeurs gehouden en als je daar een stand had, dan kon je vrijwel zeker zijn dat je een grote order kreeg. En ook bedrijven die al een grote order hadden, werd ook gevraagd om daar een stand te hebben, alleen al voor de goodwill’.

 

Argos: ‘De door oud-ambassadeur Schorer genoemde jaarbeurs is de ‘Baghdad International Fair’. Deze beurs komt ook terug in en verslag dat twee hoge ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken hebben opgesteld nav hun bezoek aan Bagdad van 2 t/m 12 februari 1980:

 

‘De Baghdad International Fair is een troetelkind van Hassan Ali, Minister van Handel, en daardoor een belangrijk evenement’.

Argos: ‘Hassan Ali is een van de machtige mensen binnen het Saddam-bewind en daarom laten de Nederlandse ambtenaren erop volgen:

‘Het verdient dan ook aanbeveling dat Nederland zich sterk manifesteert op deze tentoonstelling’.

Argos: ‘Aldus deze ambtenaren van Economische Zaken in februari 1980′.

 

‘In een confidentieel codebericht, dat de Nederlandse ambassade in juli van dat jaar naar Den Haag stuurt, staat te lezen: ‘Op het spel staat, naast de olievoorzieningen van Shell, de Nederlandse export naar Irak en Nederlandse deelneming aan irrigatie, bouw en landbouwprojecten, waarvoor aan Iraakse kant belangstelling bestaat. Hierbij dient bedacht dat Nederland Irak economisch meer nodig heeft dan omgekeerd’.

 

Later dat jaar begint Irak de oorlog tegen Iran. Maar ook dan blijft de toon van de stukken van het ministerie van Economische Zaken juichend over het Irak van Saddam Hoessein. Over het jaar 1981 bijvoorbeeld, valt er te lezen onder het kopje ‘Irak, de grote sprong voorwaarts’ (hoe toepasselijk, werp zeker nog een blik op dit   eerder getoonde propaganda filmpje van de Ba’thpartij, FS):

 

‘1981 is voor Irak een jaar van ongekende economische expansie geweest. Het regime heeft zich onder meer ten doel gesteld, ondanks de oorlog met Iran, aan de internationale  gemeenschap te tonen dat deze oorlog ’s lands ontwikkeling niet heeft afgeremd, maar integendeel, juist een geweldige impuls heeft gegeven. De situatie is te vergelijken met de boomjaren van de golfstaten’.

 

Argos: ‘Er wordt op aangedrongen om met Irak een verdrag te sluiten inzake economische en technische samenwerking. Dat kan een bijdrage leveren aan de versteviging van de positie van het Nederlandse bedrijfsleven op de Iraakse markt’, aldus het interne stuk over de Iraakse markt. In de jaren tachtig namen de activiteiten van het Nederlandse bedrijfsleven in Irak inderdaad snel toe. Dat vertelt oud-ambassadeur Schorer. Op wat voor terreinen?

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Steeds meer verschillende bedrijven. Echt van alles’.

 

Argos: ‘Maar nu kan ik me voorstellen, toen die oorlog van Irak met Iran al aan de gang was (in 1980 begonnen en duurde tot 1988), dat er ook Nederlandse bedrijven geïnteresseerd waren om militaire goederen te leveren?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Ja, maar dat kon natuurlijk niet. En als dat het geval was, dan ging dat buiten de ambassade om’.

 

Argos: ‘Daar kwam u niet mee in aanraking?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Nee, want daar moesten we natuurlijk buiten blijven, omdat de officiële lijn was, dat Nederland neutraal was in die oorlog en dat we noch aan Iran, noch aan Irak, militaire goederen leverden.

 

Argos: ‘Maar dat was officieel zegt u. Maar officieus?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Tja, we vermoedden soms weleens wat’.

 

Argos: ‘Wat vermoedde u dan?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Nou, dat er wel nachtkijkers naar Irak zijn gegaan, bijvoorbeeld’.

 

Argos: ‘Oud-ambassadeur Schorer doelt hier op de illegale levering van nachtzichtkijkers aan het Iraakse leger, door het Nederlandse bedrijf Old Delft. Dit soort leveranties aan Irak, met een militair karakter, vanuit Nederland, kwam in de jaren tachtig wel meer voor, vertelt Paul Rusman. Hij is universitair hoofddocent rechtstheorie aan de Universiteit Groningen. Samen met onderzoeker Ko Colijn (oa. van Vrij Nederland, FS), publiceerde hij Het Nederlandse wapenexportbeleid van 1963 tot 1983.

 

Paul Rusman: ‘De oorlog van Irak tegen Iran heeft natuurlijk veel ongewenste exporten veroorzaakt naar dat gebied, want het was echt een grote oorlog, met miljoenen soldaten, bijna een soort ‘Tweede Wereldoorlogje’. Dat betekende dat er geweldige hoeveelheden materiaal naartoe ging. Er kwam veel uit Europa, dus ook uit Nederland. In principe is Nederland een handelsland, alles wat niet verboden is mag, dat is zo’n beetje het uitgangspunt’.

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Met export kun je ontzettend rommelen. Je exporteert naar een willekeurig ander land en ondertussen gaat het toch door naar het land waar die vergunning niet voor was afgegeven (dezelfde methode die van Anraat met zijn inmiddels door de rechter bekrachtigde illegale activiteiten toepaste, FS). Wij hadden er natuurlijk geen zicht op wat er allemaal in Irak binnenkwam’.

 

Argos: ‘Schorer erkent dus dat er op het gebied van export veel mogelijk was, ook als het militaire spullen betrof, die officieel niet aan Irak geleverd mochten worden. Maar hoe zat dat dan met grondstoffen die voor zowel civiele als militaire doeleinden gebruikt konden worden? (ook hier was van Anraat handig in, zie het boek van Arnold Karskens, FS), de zogeheten ‘dual use’ goederen, zo stellen we in het gesprek aan de orde. Zoals bijvoorbeeld verschillende chemicaliën’.

 

Argos: ‘Werden er ook door Nederlandse bedrijven chemicaliën geleverd aan Irak?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Ja’

 

Argos: ‘En welke bedrijven waren dat?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Nou, er waren er wel een of twee. Maar ik wilde hier eigenlijk niet de namen noemen. Maar dat weet men wel‘.

 

Argos: ‘Melchemie en KBS dat waren twee bedrijven die in die tijd…?

 

 Oud-ambassadeur Schorer: ‘Ja,….van Melchemie heb ik wel gehoord, ja’

 

Argos: ‘En had Melchemie ook een dochteronderneming in Bagdad?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Nee, voor zover ik weet kwam daar alleen een vertegenwoordiger. Wij hebben hem een of twee keer gezien.’

 

Argos: ‘Kwam van Frans van Anraat ook regelmatig bij u langs?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Dat durf ik niet met zekerheid te zeggen. Ze kwamen ook weleens langs voor verlenging van hun paspoort en dan zag ik ze niet. Maar ik heb begrepen dat hij pas later kwam, waarschijnlijk toen die eerder genoemden waren afgehaakt. Toen moest Irak nog ergens anders zaken mee doen en toen zijn ze misschien met van Anraat begonnen’.      

Argos: ‘Wat was dan de rol van de ambassade in deze?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Die mensen kwamen bij ons langs en dan vertelden ze dat ze goede zaken deden en verder lieten ze zich niet uit over de precieze inhoud van die contracten, maar ze wilden graag even laten zien dat ze er waren’.

 

Hierna volgt een passage die in de hiervoor besproken aflevering  aan de orde is geweest: Het verslag van Staatsecretaris Bolkestein van Economische Zaken:

 

‘Irak behoort met haar ruim dertien miljoen inwoners tot de grote Arabische landen en is dankzij de grote olierijkdom financieel in staat om de economische opbouw in versneld tempo door te voeren. Het Iraakse streven is om op zowel industrieel als op landbouwgebied  te komen tot een zo hoogst mogelijke graad van zelfvoorziening, waarbij de nadruk thans ligt op de zware en basis industrie, zoals staal, petrochemie, kunstmest en plastics. Op technologisch terrein streeft Irak naar de meest geavanceerde producten, hetgeen mede de reden is dat Irak zich meer en meer op het westen oriënteert. Wij achten nauwe samenwerking met Irak van belang, niet alleen ter ondersteuning van de exportbelangen van het Koninkrijk, doch tevens omdat een goede relatie met landen die zijn aangesloten bij de OPEC, waarvan Irak een vooraanstaand lid is, in het belang lijkt te zijn van evenwichtige internationale verhoudingen, zowel op politiek als op economisch gebied’. 

 

Argos: De Iraakse overheid was de belangrijkste opdrachtgever. Daarom was zo’n verdrag met de Iraakse staat van cruciaal belang, legt oud ambassadeur David Schorer uit, die bij het afsluiten van de overeenkomst in 1983 aanwezig was:

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Alles verliep via de staat en voor ieder product bestond zo wat een eigen staatsorganisatie. En die staatsorganisaties werden weer van bovenaf geleid en aangestuurd’.

 

Argos: ‘Daarom vindt Bolkestein het in 1983 geen probleem om zo nauw samen te werken met die Iraakse overheid, dat wil zeggen, met het regime van Saddam Hoessein. De reis van Bolkestein naar Bagdad speelt zich af van eind oktober tot begin november 1983. Terwijl de staatssecretaris uitgebreide contacten legt met de hoogste Iraakse industriële en politieke autoriteiten, weet men in Den Haag al lang dat diezelfde Iraakse machthebbers op grote schaal chemische wapens gebruiken, in de oorlog met Iran. Dat krijgen we te horen van oud-diplomaat Schorer, toen onze man in Bagdad.

 

Oud-ambassadeur Schorer: Saddam is in 1982 al begonnen met het inzetten van strijdgassen en dat werd ook min of meer aangekondigd in de kranten. Als er werd gezegd: ‘De vijand wordt vernietigd als insecten’, of iets dergelijks, daar kon je uit afleiden dat er strijdgassen werden gebruikt. Dat bleek ook achteraf het geval.

 

Argos: ‘Dat rapporteerde U ook aan uw superieuren in Den Haag?’

 

 Oud-ambassadeur Schorer: ‘Ja, uiteraard’.

 

Argos: ‘In zogenaamde codeberichten?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Ja, het meeste ging toch allemaal via de code’.

 

Argos: ‘En in die codeberichten werd dan vermeld dat Irak bezig was om strijdgassen in te zetten tegen bevolkingsgroepen?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Ja, maar dat werd ook al op de nieuwsbureaus verspreid’.

 

Argos: ‘En wanneer gebeurde dat dan? Dat gebeurde dus al in de tijd dat u ambassadeur was, 1980-1984?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Ja, al in 1982′

 

Argos: ‘Dus in 1982 heeft u al codeberichten gestuurd naar Nederland met de mededeling dat er gifgas werd ingezet tegen bevolkingsgroepen?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Ja, maar in de strijd tegen Iran’.

 

Argos: ‘En hoe reageerde men hier bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Er werd goed nota van genomen’.

 

Argos: ‘Deze lezing van de oud-ambassadeur Schorer maakt korte metten met de voorstelling van zaken die in het westen nog steeds wordt uitgedragen dat men hier in het westen het gifgas gebruik in de oorlog van Irak met Iran nog niet zo in de gaten zou hebben gehad. Schorer ondervond overigens in 1982 dat Den Haag niet zoveel deed met de verontrustende informatie, die hij vanuit Bagdad opstuurde.

 

 Oud-ambassadeur Schorer: ‘Om nou te zeggen, dat kwam met grote letters in de pers, nee. Daar sliep men niet minder goed van’.

 

Argos: ‘Maar als u zegt: daar werd goede nota van genomen bij Buitenlandse Zaken. Betekende dat dan ook dat men bedrijven op de hoogte bracht over het gebruik van die gassen?’

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘Dat zou ik niet kunnen zeggen. In ieder geval is dat de taak van Economische Zaken geweest en hoe die daarmee om zijn gegaan, daar weet ik niks van. Daar heb ik geen hoogte van, wat er in Den Haag met onze informatie werd gedaan. Dat werd ons ook niet verteld’.

 

Argos: ‘Er was in de jaren tachtig alle reden voor de Nederlandse autoriteiten, om de Nederlandse leveranciers van chemicaliën aan Irak te benaderen. Want al tijdens het bezoek van twee hoge ambtenaren van het ministerie van Economische Zaken in februari 1980 aan Bagdad brachten, kregen zij te horen dat een aantal Nederlandse leveranciers contacten had met het staatsbedrijf dat in Irak de import van chemicaliën regelde. Dat valt te lezen in het uitgebreide verslag dat de twee ambtenaren van hun reis hebben gemaakt. Volgens ambassadeur Schorer waren er in die jaren nog wel meer signalen, waardoor Den Haag volop op de hoogte moest zijn van het gifgasgebruik door Irak.

 

Oud-ambassadeur Schorer: ‘In 1983 is er een soort luchtbrug geweest tussen Teheran en plaatsen in Londen en Gent onder andere, Antwerpen, waar gifgasslachtoffers met brandwonden werden behandeld’. 

 

 

Een strijd tussen ministeries en een overijverige staatssecretaris die handel wil drijven ten koste van alles

 

Argos: ‘Ook al waarschuwt ambassadeur Schorer al in 1982 uitgebreid dat chemicaliën worden gebruikt voor de aanmaak van chemische wapens, niet eerder dan april 1984 onderneemt Nederland maatregelen. En overigens gebeurt dit pas nadat de Verenigde Staten en Engeland Nederland zwaar onder druk hebben gezet. Frank Slijper vertelt waaruit die druk bestond. Slijper is onderzoeker van de internationale wapenhandel en co-auteur van het boek Explosieve materie, over de Nederlandse wapenexport:

 

Frank Slijper: ‘Dat gebeurde eigenlijk alleen maar omdat er op dat moment door de Amerikanen een KLM toestel in Amerika wordt tegengehouden, met allerlei chemicaliën aan boord voor Irak. Vanuit Nederland was niet de beslissing gekomen om die chemicaliën opeens vergunningsplichtig  te maken, dat kwam onder Amerikaanse druk. Ik denk dat dit toch tekenend is voor de mentaliteit hier in Nederland gedurende de jaren tachtig van als er maar handel gedreven kon worden, dan was dat eigenlijk prima’.

 

Argos: ‘De actie van de Amerikanen heeft wel onmiddellijk effect. Op 3 april 1984 krijgt Staatssecretaris van Economische zaken, Frits Bolkestein, met spoed een interne nota van de directeur generaal van Buitenlandse Economische Betrekkingen van zijn ministerie:

 

‘De Amerikaanse regering heeft enige chemische producten, waarvan het gebruik in Irak voor gifgas wordt aangenomen, onder vergunning gesteld en heeft haar bondgenoten gevraagd om ook maatregelen te treffen. Tegelijk is zowel van Engelse, als van Amerikaanse zijde, onder de aandacht van de Nederlandse regering gebracht, dat enige Nederlandse bedrijven eveneens contracten hebben afgesloten. Het gaat om de levering van een van de bedoelde producten aan Irak, waar zij voor vervaardiging en gebruik van gifgas zou worden aangewend’.

 

De hoge ambtenaar voegt er nog aan toe: ‘De zaak is politiek urgent. Ook de Minister President lijkt zeer geporteerd voor een onmiddellijk ingrijpen’, om er onmiddellijk op te laten volgen: ‘de betreffende producten zijn gedeeltelijk te beschouwen als ‘multi-purpose’, met andere woorden er kunnen ook andere goederen dan gifgassen van worden gemaakt. Voorts bestaan er vermoedelijk nog vele andere producten, waarvan deze productie mogelijk is. Het lijstje is derhalve tamelijk willekeurig. Het schept rechtsongelijkheid om de uitvoer van de ene grondstof te verbieden en de andere niet’.

 

Argos: ‘Het Ministerie van Economische Zaken ligt dus vanaf het begin af aan dwars. EZ probeert de pogingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken om een controlesysteem op te zetten, zoveel mogelijk af te remmen. Buitenlandse Zaken wil voorkomen dat Irak grondstoffen blijft aangeleverd krijgen, om chemische wapens te produceren. Maar EZ ziet niets in het opstellen van een uitgebreide lijst van chemische stoffen die pas mogen worden uitgevoerd als er een vergunning is verleend. Toch weet men bij het Ministerie van Economische Zaken maar al te goed dat Nederlandse bedrijven vermoedelijk een rol spelen bij de Iraakse gifgasproductie, zo blijkt uit een interne notitie van 6 april 1984. Die dient ter voorbereiding van de Minister van EZ op de ministerraad, die op die dag met de hoogste spoed over de heikele kwestie vergadert:

 

‘Irak heeft in Nederland orders geplaatst voor chemicaliën, die gebruikt kunnen worden voor de productie van chemische wapens. Het betreft zeven stoffen, waarvan er drie in Nederland geproduceerd worden. Buitenlandse Zaken spreekt over ‘bedrijven’. Dit moet zijn ‘handelaren’. De chemische industrie pleit voor een systeem dat zich beperkt tot de strijdende partijen’.

 

Ágos: ‘Ook in een geheim rapport over ‘Gebruik chemische strijdmiddelen in het conflict Iran-Irak’, dat een werkgroep van ambtenaren van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken al eerder heeft opgesteld, praat men onomwonden over aanwijzingen dat Nederlandse bedrijven betrokken zouden zijn bij de levering van chemische strijdmiddelen. Tijdens dat overleg, in die ambtelijke werkgroep, komen stoffen ter sprake die voor de productie van chemische wapens kunnen worden gebruikt, maar ook in meer of minder ruime mate voor een civiele toepassing. In het geheime rapport wordt daarover gezegd:

 

‘Voor deze laatste vijf stoffen, zijn bij Nederlandse bedrijven door Irak orders geplaatst voor zulke grote hoeveelheden (! FS), dat civiele toepassing is uitgesloten’.

 

Argos: ‘Het is dus overduidelijk dat deze stoffen bestemd zijn voor de productie van gifgassen. Desondanks voelen de ambtenaren van Economische Zaken er niets voor om de uitvoer van deze stoffen naar Irak, aan banden te leggen. Zij stellen in de werkgroep, aldus het rapport:

 

‘Gezien de civiele toepassingen, lijkt een exportverbod van deze stoffen niet gewenst. Voorts is, gezien de wereldwijde productiecapaciteit en de wijze van vervaardiging, zulks ook zeker niet effectief’.

 

Argos: ‘Dit standpunt wordt ook door de minister van Economische Zaken naar voren gebracht in de ministerraad, maar Buitenlandse Zaken wil hier niets van weten. Daar wil men dat er veel meer stoffen op de lijst komen, waarvoor een uitvoervergunning verplicht wordt:

 

‘De ‘Multi-purpose goederen’, dat wil zeggen ‘op zichzelf onschuldig en voor vele doeleinden bruikbaar’,  die tevens kunnen dienen voor de fabricage van gifgas en waar Nederlandse ondernemingen contracten hebben voor de levering aan Irak, of op het punt staan orders te verkrijgen’.

 

Argos: ‘Ondanks de druk van Economische Zaken wordt er door de Amerikanen halsoverkop een voorlopige voorziening getroffen. Op 18 april 1984 wordt de wijziging van het uitvoerbeleid van kracht, waarbij 11 chemische stoffen vergunningplichtig worden. Maar ook daarna blijft Economische Zaken dwarsliggen en zint men op mogelijkheden om de lijst terug te draaien van 11 naar 5 stoffen. Staatssecretaris Bolkestein krijgt een week later van zijn ambtenaren te horen dat de uitkomsten van overleg in Europees verband nieuwe kansen biedt. Ze schrijven: ‘De uitgebreide lijst van Nederlandse verboden stoffen bleek niet aanvaardbaar voor de meeste landen. Uiteindelijk bleek overeenstemming te bestaan over vijf stoffen, die reeds op onze nationale lijst staan’.

Ook in daarop volgend Europees overleg blijft die situatie zo. Bolkestein grijpt dit onmiddellijk aan en schrijft op 17 juli 1984 aan Minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek:

 

‘Nu er een duidelijke consensus in EG verband is ontstaan over het controleren van de uitvoer van een vijftal chemische stoffen welke geschikt zijn voor de uitvoer van chemische wapens, lijkt het mij gewenst om de uitvoercontroles van de eerder genoemde elf producten, terug te brengen naar vijf stoffen’.    

 

Argos: ‘Zelfs de Benelux wordt er door Bolkestein bijgesleept om zijn zin te krijgen’.    

 

Bolkestein: ‘Onze Benelux partners hanteren eveneens de beperkte lijst van vijf stoffen, zodat uit het oogpunt van het Benelux verdrag, aanpassing onzerzijds noodzakelijk is. België en Luxemburg zijn niet genegen om van deze EG consensuslijst af te stappen’.

 

Argos: ‘Maar Minister van den Broek van Buitenlandse Zaken geeft geen duimbreed toe. Hij blijft bij de lijst van elf stoffen ‘Uiteraard’, zo schrijft van den Broek, ‘hecht ook hij aan overeenstemming in Europees verband. Maar het alternatief van de vijf stoffen beschouw ik als onwenselijk, omdat inmiddels, zoals verwacht kon worden, aanwijzingen zijn verkregen dat Irak sleutelvoorlopers voor chemische wapens probeert te bestellen, die niet op de lijst van vijf voorkomen, maar wel op de Nederlandse lijst van elf’.

Ook al blijft Bolkestein ook daarna nieuwe brieven schrijven (?! Waarom zo gebrand op het leveren van chemicaliën aan Irak? FS), van den Broek houdt voet bij stuk. Op 15 november 1984 verschijnt in het Staatsblad het definitieve besluit om elf chemische stoffen te onderwerpen aan controle door exportvergunningen. Het besluit is mede ondertekend door Bolkestein, die ondanks alle oppositie, bakzeil heeft moeten halen. Over de slachtoffers van de gifgasaanvallen wordt op Economische Zaken in geen enkele van de nota’s en de interne stukken gerept’.

 

Wat mij nog het meest verbaast is waarom Bolkestein en zijn ambtenaren zo blijven drammen om zoveel mogelijk chemicaliën naar Irak te kunnen blijven exporteren. Met de kennis van nu is het helemaal te bizar voor woorden, maar ook in het licht van toen, terwijl het om de productie van chemische wapens ging, niet een kleinigheidje dus, is het wat mij betreft volstrekt onbegrijpelijk. Had die reis en de ontmoeting met Saddams functionarissen dan zo de handelslust in Bolkestein aangewakkerd?  Interessant is het allemaal wel. Maar verder met Argos:

 

Frank Slijper: ‘Ik denk dat het meest opmerkelijke is, is de verschillende houding en aanpak van aan de ene kant het Ministerie van Economische Zaken en aan de andere kant het Ministerie van Buitenlandse Zaken’

 

Argos: ‘Onderzoeker van de wapenhandel Frank Slijper. We hebben alle interne stukken en brieven aan hem ter beoordeling voorgelegd. Achter die papieren gaat een fikse strijd schuil, die tot nu toe altijd verborgen is gebleven achter de muren van de ministeries en de ministerraad. Slijper verbaast zich erover hoe ver Economische Zaken in sommige gevallen ging in pogingen om handelsbeperkingen tegen te gaan (ik verbaas me er als volslagen leek ook over, FS).

 

Frank Slijper: ‘Dat komt in een van die stukken ook aan de orde. Men heeft uitgevonden dat Irak in Nederland een zevental soorten chemicaliën bestelt, die een toepassing hebben in chemische wapenprogramma’s. Als je dat constateert, dan kan de conclusie toch niet anders zijn van ‘die handel moeten we stoppen, want wij hebben geen enkele garantie dat deze chemicaliën civiel gebruikt worden’. Economische Zaken stelt zich heel erg op het standpunt van ‘dit zijn multi-purpose chemicaliën, met vooral een civiele toepassing. Het is absoluut niet bewezen dat deze chemicaliën militair gebruikt gaan worden. Eigenlijk, we moeten niet gekke Henkie zijn en alles heel voorzichtig gaan verbieden, terwijl andere landen diezelfde chemicaliën wel toestaan om te exporteren naar Irak.’

 

Argos: ‘Frank Slijper houdt speciaal toenmalig staatssecretaris Bolkestein verantwoordelijk voor die harde opstelling van Economische Zaken.  

 

Frank Slijper: ‘Buitenlandse economische betrekkingen, dat was de portefeuille die Bolkestein als staatssecretaris van buitenlandse Handel had. Juist dat deel van Economische Zaken, dat van de buitenlandse betrekkingen, die is het meest terughoudend in de uitbreiding van de vergunningsplicht van chemicaliën’.

 

Argos: ‘Terwijl Bolkestein in maart 1984 achter de schermen in de ministerraad bakzeil haalt, blijft hij in de Tweede Kamer uitdragen dat handel drijven met het Irak van Saddam Hoessein geen enkel probleem is. Dat blijkt als de overeenkomst tot economische en politieke samenwerking met Irak, die Bolkestein in november 1983 in Bagdad overeen is gekomen, eerst in de kamer moet worden besproken.  In het parlementaire debat dat daar later op volgt, zegt Bolkestein:

 

‘Dat Nederland, door de levering van bepaalde diensten of goederen, betrokken zou raken bij de oorlog, komt ons niet waarschijnlijk voor. Het bestaan van een overeenkomst als de onderhavige, doet dit ons inziens niets anders zijn. De toestand van de mensenrechten is vele malen beschreven in dag en weekbladen. Het heeft weinig zin om daarover verder uit te wijden. Wat ik heb gezegd over het verband tussen deze overeenkomst en oorlog, geldt ook voor het verband tussen deze overeenkomst en de schending van de mensenrechten’

 

Dit laatste stukje was al gepasseerd bij de bespreking van de eerste aflevering, maar het wordt steeds gekker als je bedenkt dat hij inmiddels al in de ministerraad was teruggefloten door Hans van den Broek. Wat bezielde Bolkestein om zo door te blijven drammen op zijn mooie handelsovereenkomst met Saddam Hoessein? En die totale overijverigheid om een zo lang mogelijke lijst met chemicaliën te kunnen blijven exporteren naar het regime in Bagdad? Het antwoord is natuurlijk dat poen de allesbepalende factor was en dat oorlogsmisdaden en mensenrechten gewoon niet van belang waren. En Bolkestein schildert zichzelf graag af als ‘koopman’, zoals Ria Beckers al opmerkte. De vraag is alleen of je dan geloofwaardig bent als je ethische praatjes gaat verkopen, waar Bolkestein tegenwoordig kampioen in is.

  

Tot zover deze aflevering van Argos. Hierna wordt weer opnieuw zijn latere conversatie uit 1990 met Charles Groenhuizen in NOS Laat herhaald, over

zijn ontmoeting met Saddam Hoessein:

 

Bolkestein: ‘Het is een buitengewoon onaangename man. Ik was toen staatssecretaris van Buitenlandse Handel. Toen heb ik dus zowel Saddam Hoessein als een paar van zijn ministers ontmoet. Ik kan niet anders zeggen, het was een lugubere bijeenkomst. Het is een luguber regime’.

 

Charles Groenhuizen: ‘Wat is er luguber aan de man als je van mond tot mond met hem praat?’

 

Bolkestein: ‘Het absolute gebrek aan medemenselijkheid dat hij uitstraalt. Geen enkele terughoudendheid wat betreft de wijze waarop hij andere mensen behandelt’.

 

Groenhuizen: ‘Want hij was toen nog volop verwikkeld in de oorlog met Iran, waarbij hij ook gifgas heeft gebruikt’.

 

Bolkestein: ‘Zeker, iedereen weet ook wat voor regime het is, hoe ze de Koerden bestrijden met mosterdgas, hoe ze de oorlog tegen Iran zijn begonnen, hoe ze de eigen bevolking onderdrukken’.

 

 

 De hele uitzending is hier te raadplegen: http://www.ochtenden.nl/themasites/mediaplayer/index.jsp?media=28051413&refernr=26677680&portalnr=22641901&hostname=ochtenden&mediatype=audio&portalid=ochtenden#

 

 

 

Verdere ontwikkelingen gedurende de jaren tachtig en een wrange samenloop van omstandigheden

 

 

Hierna volgt nog een paar fragmenten uit de derde aflevering van Argos, die aan deze kwestie is gewijd. Het gaat hier om de uitzending van 28 april 2006 (voor een groot deel bestaat deze uitzending uit een samenvatting van de vorige uitzendingen). http://www.ochtenden.nl/themasites/mediaplayer/index.jsp?media=28147921&refernr=27321958&portalnr=22641901&hostname=ochtenden&mediatype=audio&portalid=ochtenden#

 

 

De uitzending begint met een aantal terugblikken, op de eerdere twee afleveringen. Ik zal dat hier overslaan, maar ik kan ze op zich wel aanraden om die nog een keer terug te luisteren. De eerste en de tweede afleveringen zijn daarin geïntegreerd en geven een samenhangend beeld. Ook de motie van Ria Bekkers in de Tweede kamer komt weer ter sprake. Ik geef het laatste stukje weer (op  24.19 minuten):

 

In 1985 diende Ria Beckers een motie in die staatsecretaris Bolkestein en de regering vroeg het in werking treden van het verdrag op zijn minst op te schorten. Maar Bolkestein ontraadde de motie en ze werd uiteindelijk verworpen, omdat de regeringspartijen Bolkestein steunden. Ria Beckers trok daaruit de volgende conclusie:

 

Ria Beckers:  ‘Ik moet zeggen dat…Nederland is altijd koopman geweest en Bolkestein is ook een koopman en als je met dit soort zaken geld kunt verdienen, dan vindt hij dat niet erg’.

 

Hierna gaat Argos door op hoe het verder ging gedurende de jaren tachtig:

 

Argos: ‘Na 1985 kwamen de handelsbetrekkingen tussen Nederland en Irak op een laag pitje te staan. Niet omdat Nederland principiële bezwaren had gekregen om met het regime van Saddam Hoessein zaken te doen, maar omdat Irak steeds minder aan zijn betalingsverplichtingen voldeed. De oorlog met Iran duurde nog steeds voort, de verwoestingen werden steeds groter en Irak was daardoor in grote financiële problemen gekomen. Voor Nederlandse bedrijven was dat land daarom niet aantrekkelijk. Toch hield Nederland op regeringsniveau de contacten met Irak in stand en dat leidde in 1988 tot een wel heel cynische samenloop van gebeurtenissen’.

 

Jacques de Milliano: ‘Meer dan vijfduizend lijken, vrouwen, kinderen en mannen, in Pompeji-achtige houdingen, lagen verspreid door de stad en waren vergast. Hier was mosterdgas, zenuwgas en blauwzuurgas gebruikt. De wereld zweeg echter’.

 

Argos: ‘Jacques de Milliano van Artsen Zonder Grenzen. Hij doet verslag van de gruwelen die hij heeft aangetroffen in maart 1988 in Noord Irak. Op 15 maart is het Iraakse leger daar in opdracht van Saddam Hoessein begonnen met de beruchte gifgasaanval op de Koerdische stad Halabja, dichtbij de grens met Iran.

Op diezelfde dag, 15 maart 1988, begint in Den Haag de Iraakse onderminister voor handel, Dr. Kubais S. Abdul Fatah, aan een driedaags bezoek aan Nederland. Hij heeft ontmoetingen met Nederlandse financiële experts, topambtenaren van Economische Zaken en met CDA politica Yvonne van Rooij, de opvolger van Frits Bolkestein als Staatssecretaris van Economische Zaken. Wij beschikken over het uitgebreide verslag dat het Ministerie van Economische Zaken van deze bespreking heeft gemaakt. Daaruit blijkt dat er wel met de Iraakse onderminister wordt gesproken over de achterstallige betalingen van Irak, maar niet over de mensenrechten en de gruwelijkheden in de oorlog met Iran, laat staan over de Iraakse gifgasaanval, die op dat moment gaande is in Halabja. In een intern memorandum van 17 maart 1988, ter voorbereiding van een van de besprekingen met onderminister Kubais later die dag, staat te lezen:

 

‘Het door Irak gepropageerde motto luidt: ‘De landen, die in een moeilijke periode de vrienden van Irak blijken te zijn, zullen hier in een later stadium de vruchten van kunnen plukken, wanneer de oorlog eenmaal voorbij is en de economie van het olierijke Irak weer zal kunnen opbloeien. Irak zal dan immers, bij het verlenen van opdrachten, immers weten wie haar ware vrienden zijn geweest’. De Directeur Generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen, heeft tijdens zijn besprekingen met Dr. Kubais, op 16 dezer, begrip getoond voor deze stelling’.   

 

Argos: ‘Op de dag van dit memorandum, 17 maart 1988, gaat de gifgasaanval op Halabja zijn derde dag in. Het is vanwege deze gifgasaanval, dat meer dan zeventien jaar later, op 17 december 2005, de Nederlandse chemicaliënhandelaar Frans van Anraat door de Haagse rechtbank tot vijftien jaar gevangenisstraf wordt veroordeeld, voor medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden.

 

Vonnis van de rechter: ‘Vast is komen te staan dat verdachte, uit louter winstbejag, essentiële bijgedragen heeft geleverd aan het chemische wapenprogramma van Irak, in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Zijn bijdrage heeft grote met mosterdgas uitgevoerde aanvallen op weerloze burgers mogelijk gemaakt, althans vergemakkelijkt. Deze aanvallen vormen zeer ernstige oorlogsmisdrijven’.   

 

 

Wie draagt welke verantwoordelijkheid?

 

Argos: ‘De zaak van Anraat wordt nauwgezet gevolgd door Herman van der Wilt, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Gisteren spraken wij met van der Wilt. Wij legden hem de situatie voor dat deze individuele handelaar is veroordeeld, maar we vroegen hem: hoe zit het met de positie van de Nederlandse overheid, gezien onze bevindingen van vorige week? Hij vertelde toen dat de Staat zelf moeilijk strafrechtelijk te vervolgen is, dat heeft te maken met allerlei jurisprudentie, maar vervolgens was de vraag: hoe zit het dan met mensen binnen dat overheidsapparaat, die een belangrijke rol hebben gespeeld, bijvoorbeeld , zoals in deze zaak, Staatssecretaris Bolkestein?’

 

Herman van der Wilt: ‘Je zou kunnen zeggen dat hij faciliterend bezig is geweest, want hij heeft destijds, zoals ik heb begrepen uit de stukken, dat er wel een conflict was tussen Buitenlandse Zaken, die  wat dat betreft een veel strakkere en zuiverder koers wilden varen en Economische Zaken, die het vooral ging om de pegels en zich verder wat minder bekommerden om de internationale humanitaire gevolgen daarvan. En dan zou je kunnen zeggen, ja goed, als een departement dat faciliteert, is dat wel dubieus, dat is het minste wat je ervan kunt zeggen. Of hij nu echt strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden, dan moet je wel zeggen  wat precies de bijdrage geweest is, want het leveren van grondstoffen voor gifgassen, dat is al eventueel te kwalificeren als medeplichtigheid. Maar je krijgt dan een soort constructie als ‘medeplichtig aan medeplichtigheid’ en dan wordt de band tussen het eigenlijke delict en wat men als het ware faciliterend heeft gedaan, die wordt dan wel wat breekbaar’.    

 

Argos: ‘Maar zoiets komt toch wel voor, medeplichtigheid aan medeplichtigheid?’

 

Herman van der Wilt: ‘Jawel, dat is inderdaad wel mogelijk, het is ook wel strafrechtelijk te construeren, maar je zit dan op het breukvlak van strafrechtelijke, morele en politieke verantwoordelijkheid en dat zijn weliswaar verwante, maar toch ook te onderscheiden vraagstukken’.

 

Argos: ‘Nou citeren wij uit een intern geheim stuk. Daarin hebben ambtenaren van Buitenlandse Zaken overleg met ambtenaren van Economische Zaken. Dan constateert men gezamenlijk dat er zoveel bestellingen uit  zijn voor bepaalde grondstoffen, dat die nooit alleen voor civiele doeleinden zouden kunnen worden gebruikt. De conclusie is dan: dat moet dan duidelijk een andere bedoeling hebben, als je ziet wat voor grote hoeveelheden dat zijn. Vervolgens trekken de ambtenaren van EZ in dat overleg de conclusie, dat het toch niet zo moet zijn dat je de uitvoer van die stoffen aan banden moet leggen. Dat klinkt dan ook door in de manier waarop ze een vergunningensysteem proberen te dwarsbomen. Dat bedoelt u dan met dat faciliterend bezig zijn?

 

Herman van der Wilt: ‘Ja’.

 

Argos: ‘Dat gaat wel ver, als je aan de ene kant constateert dat dit geen zuivere koffie is, maar toch zegt: het moet uitgevoerd worden’.

 

Herman van der Wilt: ‘Ja, dat duidt op kwade wetenschap, zou je kunnen zeggen. Want het is niet eens meer van ‘het zou weleens zo kunnen zijn’. Je hebt duidelijke aanwijzingen. Dat het inderdaad de bijdragen van bedrijven zijn die onder jouw verantwoordelijkheid vallen, dat die bepalend kan zijn voor de uitkomst van zo’n conflict en voor heel veel menselijk leed. Daar komt het in feite wel op neer’.

 

Argos: ‘Stel nu dat u nu de juridisch adviseur zou zijn van die Iraniër, waarvan de naasten zijn omgekomen door gifgasaanvallen, en die persoon zegt: ‘Ik wil meneer Bolkestein aanklagen’. Wat zou u zo’n nabestaande adviseren?’

 

Herman van der Wilt: ‘Het zou weleens interessant kunnen zijn om te kijken hoe de mogelijkheden zouden zijn voor een civielrechtelijke actie. Er is een claim geweest van de slachtoffers in de van Anraat zaak en die hebben ook compensatie gekregen, schadevergoeding gekregen,  en dat is natuurlijk ook voor de bevrediging van het rechtsgevoel heel erg belangrijk. Dat zou best eens kunnen zijn dat de rechter dat aanvaardt. Ik denk dat daar wel mogelijkheden zijn’.

 

Argos: ‘Dus ook als zo’n nabestaande zou zeggen: ‘Ik wil die Staatssecretaris Bolkestein aanklagen’?

 

Herman van der Wilt: ‘Dat kun je proberen en dat gaat dan via het gerechtshof en als die genoeg redenen zien om zo’n klacht ontvankelijk te verklaren, die kan dan via het OM opdracht geven om zo’n vervolging te starten. Dus dat kan altijd’.

 

Argos: ‘Maar U zou dus zo’n nabestaande adviseren tot het starten van zo’n civiele procedure?’

 

Herman van der Wilt: ‘Ja, dat vind ik wel een interessante … Kijk dan moet je wel schade kunnen aantonen, je moet onrechtmatige daden aantonen, je moet causaal verband aantonen. Dat is in principe, op grond van wat er nu boven water komt, wel aannemelijk, dat dit er is’.

 

Argos: ‘Als je nu aan de ene kant ziet, die chemicaliënhandelaar Frans van Anraat, die is aangeklaagd en die is nu ook veroordeeld, in de eerste aanleg tot vijftien jaar. Nu is er dit feitenmateriaal over de rol van de Nederlandse overheid. Is het dan niet wrang dat zo’n man wel wordt aangeklaagd en dat de Nederlandse overheid met rust wordt gelaten?  

 

Herman van der Wilt: ‘Ja, dat is vind ik wel. Je hebt een sterk idee van ‘Barbertje moet hangen’, we pikken er een uit en in de hele cultuur die er toen heerste, blijkbaar, op de departementen, nou goed, er waren in die tijd heel veel mensen die vuile handen maakten, of in ieder geval, waarvan je nu kunt zeggen: dat deugde niet. Je kunt op je klompen aanvoelen dat dit op de een of andere manier niet helemaal zuivere koffie is geweest. Dat men kennis had van het verwerpelijke regime van Saddam Hoessein, het gebruik van strijdgassen.

Ik heb begrepen uit die vorige uitzending dat er wat dat betreft hele sterke aanwijzingen waren dat dit hele zaakje niet deugde’.

 

Argos: ‘Zeker die oud-ambassadeur die zei: ‘Maar ik heb dit in 1982 al heel uitvoerig gemeld’. Dat is toch raar dat dit totaal genegeerd werd?’

 

Herman van der Wilt: ‘Ja, dat is schandalig’.

 

 

Argos: ‘Herman van der Wilt, hoogleraar internationaal strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Aan de telefoon is nu Krista van Velzen, Kamerlid  voor de SP.

U heeft naar aanleiding van onze uitzending van vorige week Kamervragen gesteld aan de minister van Buitenlandse Zaken, van Economische Zaken, van Justitie en aan de staatsecretaris van Economische Zaken. Wat is nu eigenlijk het belangrijkste wat u van die bewindslieden wilt weten?’

 

Krista van Velzen: ‘Je verwacht van een kabinet van ministers dat ze verantwoorde besluiten nemen en wat ik uit jullie uitzending begrijp is dat de toenmalige ambassadeur die toen in Bagdad zat namens Nederland, de heer Schorer, dat die gewoon aangaf dat er gifgassen werden ingezet in Irak en je kunt constateren dat de Nederlandse regering met die kennis eigenlijk niets gedaan heeft en daar twee jaar op heeft gezeten. Wat ik dus gevraagd heb is: Wat waren de redenen om twee jaar lang niets te doen, niks tastbaars te doen met de feiten waar de ambassadeur mee kwam en in het verlengde daarvan: als je twee jaar lang weet dat het regime van Saddam Hoessein chemicaliën gebruikt om gifgassen te produceren, dat die grootscheeps ingezet worden tegen de eigen bevolking, tegen de Iraanse bevolking dan komt de vervolgvraag: ligt er een verantwoordelijkheid bij een kabinet als ze iets wel weten, maar er niet naar handelen? Hoeveel bedrijven hebben er, in ieder geval in die periode van twee jaar, gewoon nog kunnen handelen met Irak en bestanddelen van gifgassen kunnen leveren, zonder dat ze daarvoor vervolgbaar zijn?

Wat je ziet in die zaak tegen Frans van Anraat is dat in eerste instantie, toen ik aan de bel trok, de man is uit Irak gevlucht vlak voor de laatste oorlog’.

 

Argos: ‘Die zaak heeft u toch ook heel actief gevolgd?’

 

Krista van Velzen: ‘Ja, dat klopt. Ik zou zelfs durven stellen dat die zaak er nooit was geweest als ik was blijven aanhouden om dit geval goed juridisch door te lichten (dat is waar, al zijn het ook de inspanningen geweest van oorlogscorrespondent Arnold Karskens, die van Anraat al jaren volgde. Van Anraat trad in de openbaarheid, toen hij kort na de val van Bagdad in 2004 een interview aan Netwerk gaf, FS). In eerste instantie zei justitie tegen mij, in antwoord op Kamervragen, dat deze man niet te vervolgen was, juist omdat Bolkestein, destijds Staatsecretaris van Economische Zaken, pas in 1984 die elf chemicaliën had verboden. Ofwel, het stofje waarvoor van Anraat veroordeeld is, thiodiglycol,  een van de bestanddelen voor mosterdgas, dat is pas in 1984 verboden geworden om te exporteren, omdat Bolkestein daar klaarblijkelijk zo laat op gehandeld heeft. En je komt dan op het punt of deze producten wel verhandeld waren, als Bolkestein eerder had ingegrepen’.

 

Ik wil hier zelf een kanttekening bij maken. Van Anraat heeft natuurlijk de Nederlandse nationaliteit, maar hij opereerde grotendeels niet uit Nederland. In het boek van Arnold Karskens staat uitvoerig beschreven dat hij in die periode kantoor hield in Lugano en zijn stoffen importeerde uit verschillende delen van de wereld, vooral Japan. Het is dus de vraag of een eerder verbod van de Nederlandse regering (Bolkestein) wel van invloed zou zijn geweest op dit specifieke geval. Bovendien sjoemelde van Anraat, volgens de methode die oud-ambassadeur Schorer noemde, ook met de eindbestemming van zijn producten. Ook de betalingen aan van Anraat door het Iraakse regime, geschiedden tamelijk schimmig, met allerlei omwegen via Italië (de Banco Ambrosiano en de Vaticaanse Bank, een berucht duo uit vele andere zaken, speelde hierbij nog een rol!). Dus in die zin was van Anraat al illegaal bezig en bovendien vanuit het buitenland. Het lijkt mij dus zeer de vraag of de Nederlandse wetgeving veel invloed zou hebben gehad op zijn activiteiten. De zaak van Anraat was wat dat betreft niet eens zo’n ‘Nederlandse Zaak’, het ging vooral om internationale smokkel. Waarschijnlijk gaat dit weer wel op voor de handel van Melchemie en KBS. Maar dat moeten specialisten maar uitmaken, FS. Verder met Argos.

 

Argos: ‘Als men adequaat had gereageerd op de waarschuwingen van de ambassadeur had het natuurlijk anders kunnen zijn.

 

Krista van Velzen: ‘Het had natuurlijk heel anders kunnen lopen. Ik wil in ieder geval weten waarom die keuzes zo gemaakt zijn, waarom er niet geluisterd is naar wat de ambassadeur in die tijd meldde en wat, met de kennis en de feiten achteraf, nu de waarheid is. Maar ik wil ook weten wat er nu precies verhandeld is, welke bedrijven dat zijn. Daar is tot nu toe nogal geheimzinnig over gedaan, ik heb zelfs een WOB verzoek moeten indienen (Wet Openbaarheid van Bestuur, FS), om te zien hoe justitie die dossiers heeft doorgelicht, om te zien wie er nou illegaal gehandeld heeft, welke chemicaliën er nu naar Irak zijn gegaan vanuit Nederlandse bedrijven. Ik heb nog lang niet de onderste steen boven. Wat misschien nog wel het meest interessant is, is dat onder druk van de oorlog die de Verenigde Staten wilden beginnen tegen Irak…

 

Argos: ‘De oorlog nu?’

 

Krista van Velzen: ‘De oorlog van 2003, die nu een burgeroorlog is geworden, dat er toen een rapportage is geweest van de Verenigde Naties, waarin zij eigenlijk vrij gedetailleerd aangeven welke bedrijven, niet alleen Nederlandse bedrijven, maar ook internationaal, delen van massavernietigingswapens hebben verhandeld richting Irak. Dat rapport mag ik nog steeds niet inzien. Er zijn delen uitgelekt en daar staan gewoon een aantal Nederlandse bedrijven in en ik wil graag weten of, met de kennis van achteraf, die bedrijven gehandeld hebben en of dat had kunnen worden voorkomen als bolkestein wat meer voortvarend was opgetreden’. 

 

Argos: ‘U moet dus nu weer wachten tot deze Kamervragen beantwoord worden. Hoe lang duurt dat?’

 

Krista van Velzen: ‘Ik hoop dat ze vandaag nog beantwoord worden. In regel duurt dat een maand á anderhalve maand’.

 

Argos: ‘Ik denk dat als ze beantwoord zijn wij weer met u moeten spreken’.

 

Krista van Velzen: ‘Ik hoop dat meneer Bolkestein zelf ook reageert, want dit zijn natuurlijk nogal aanklachten dat hij iets wist en niet gehandeld heeft’.

 

Argos; ‘Nou we hebben, en dat is dan het slot van deze uitzending, we hebben meneer Bolkestein om een reactie gevraagd, ook in het verleden al, omdat we al eens eerder hebben bericht over zijn bezoek, al wisten we toen nog niet van al die tegenwerking en strijd achter de schermen, maar toen heeft hij ons nooit te woord willen staan. Vorige week hebben we hem ook benaderd, maar toen zat hij in het buitenland. Deze week hebben we hem opnieuw benaderd, maar nu heeft hij via zijn secretaresse laten weten dat hij geen tijd had om ons te woord te staan. Hij voelde zich ook erg overvallen. Maar we willen wel iets laten horen, want toen we in het verleden hebben bericht over Bolkesteins bezoek aan Irak, hebben we wel reacties gevraagd van andere VVD politici. Dat was in april 2003, toen was de huidige oorlog in Irak net begonnen en als eerste vroegen we toen een reactie aan Hans van Baalen over dat bezoek van Bolkestein aan Irak in 1983. Want op- dat moment vond natuurlijk iedereen dat Saddam Hoessein een hele grote schurk was (wat mij betreft nog steeds terecht, FS).

 

Hans van Baalen: ‘Internationale politiek is helaas cynisch. Mensenrechten hebben geen rol van betekenis gespeeld in de afgelopen vijfentwintig jaar. Men wilde met Irak in ieder geval banden onderhouden. Dat deden de Fransen, dat deden de Amerikanen, dat deden de Russen’.

 

Argos: ‘Dus Nederland deed het ook?’

 

Hans van Baalen: ‘Nederland wilde ook een graantje meepikken, om dat cynische woord maar te gebruiken. Nogmaals het is cynisch, het is pijnlijk, het is moreel niet goed te praten, maar het is wel te begrijpen. De keuze tegen Rusland, tegen China, tegen Iran, was een eerlijke keuze’.

 

Argos: ‘Dat was een eerlijke keuze? Ondanks dat er op dat moment miljoenen mensen slachtoffer waren van het regime in Irak?’

 

Hans van Baalen: ‘Het was een vreselijke keuze, maar wat had het westen dan moeten doen?’

 

Argos: ‘En ook dat het regime in Irak werd ondersteund met allerlei spullen?’

 

Hans van Baalen: ‘Dat was een afschuwelijke keuze geweest..’

 

Argos: ‘Nee, dat was toch geen keuze? Dat was toch niet nodig?’

 

Hans van Baalen: ‘…en in die keuzes zijn er hele vervelende dingen gebeurd, die ik betreur, maar die niet anders konden’. 

 

Argos: ‘En op diezelfde 4e april 2003 kwam het bezoek van Bolkestein aan Irak in 1983 ook ter sprake in het TV programma Barend & van Dorp (RTL4), waar die avond VVD leider Gerrit Zalm te gast was’.

 

Frits Barend: ‘Vanochtend, meneer Zalm, luisterde ik naar de VPRO radio, het programma Argos en toen hoorde ik dat de toenmalige Staatsecretaris van Economische Zaken, Frits Bolkestein in 1983 bij Saddam Hoessein op bezoek was en daar een handelsovereenkomst heeft getekend. Amnesty International had toen al rapporten gemaakt over de schending van de mensenrechten en Bolkestein zei: ‘Handelsovereenkomsten hebben nog nooit bijgedragen aan de verbetering van de mensenrechten’, of het niet laten doorgaan van handelsovereenkomsten. Schrikt u als u hoort dat uw voorganger Bolkestein hem de hand heeft geschud en daar met hem onderhandeld heeft?’

 

Gerrit Zalm: ‘Maar negentien jaar geleden wisten we ook niet alles van de man wat we nu weten’.

 

Frits Barend: ‘Nee, maar het was toen ook bekend dat…’

 

Gerrit Zalm: ‘Nee, maar ik denk ook niet dat Frits Bolkestein daar met plezier op terugkijkt’.

 

Frits Barend: ‘Is dat toch niet een beetje de politiek van de VVD geweest: Handel voor Mensenrechten?’

 

Gerrit Zalm: ‘Dat zal ongetwijfeld waar zijn, maar dit was toen ook geen grote happening en ik denk dat ook Frits Bolkestein er met enige…eh, er zijn ook mensen die Hitler ooit een hand hebben gegeven in de jaren twintig en daar waarschijnlijk ook spijt van hebben’.

 

Tot zover de uitzendingen van Argos. Om iets over de laatste opmerking van Zalm te zeggen: iets voordat de eerste uitzending van Argos werd gemaakt en Bolkestein zich in stilzwijgen hulde, stond hij in een galerie aan de Spiegelgracht te Amsterdam, waar hij een tentoonstelling opende van een uit Irak gevluchte kunstenaar. Ik durf met grote zekerheid te zeggen dat deze kunstenaar op dat moment nog nooit van Frits Bolkestein had gehoord en ook niet precies wist in wat voor soort galerie hij was beland; de man was simpelweg nog te kort in Nederland en had waarschijnlijk alleen nog een asielzoekerscentrum in de polder gezien. Wellicht was hij voor het eerst in Amsterdam.

En deze in Irak gerenommeerde kunstenaar, maar die in Nederland nog de weg moest vinden, werd door een politicus, die bovendien kort daarvoor had geklaagd over het feit dat er teveel asielzoekers uit Irak in Nederland waren, getrakteerd op het volgende. De grote intellectueel Bolkestein, aldus de Telegraaf van 26-8-1997 (p. 4):

 

‘Ik heb geen verstand van kunst en matig mij dan ook geen oordeel aan over het werk van… [de kunstenaar]‘, zei de fractievoorzitter van de VVD. Bolkestein haalde nogal vaak het nieuws met heel verstandige uitspraken over allochtonen en asielzoekers en de kunstenaar behoort tot deze categorie.

‘Ik ben blij dat u hier de vrijheid en de rust hebt gevonden om uw kunst te beoefenen’, zo zei Bolkestein, maar hij voegde daar later aan toe dat hij hoopte dat de kunstenaar als in Irak de vrijheid en democratie ‘hersteld’ zijn- nou ja, hersteld, je vraagt je af of die er ooit geweest zijn- hij weer naar zijn geboorteland terug kan keren.

Bolkestein liet dus een beschouwing over kunst achterwege. ‘Maar ik wil u wel vertellen hoe ik voor het eerst Saddam Hoessein ontmoette…’.

 

Van die ontmoeting hebben we inmiddels een heleboel vernomen. Maar spijt? Niet echt, zo te merken.

 

Bolkestein heeft slechts een keer gereageerd. Niet op Argos, maar op een column van Marjolein Februari in de Volkskrant. Bij mijn weten is dit de enige keer dat hij er iets over heeft gezegd, op zijn opmerking in Nova en zijn tamelijk schandelijke praatje aan de Spiegelgracht. Hieronder zijn verklaring:

 

 

Waarom was ik in Bagdad?

OPINIE, Frits Bolkestein op 10 mei ‘06

 

Marjolijn Februari meent dat het ministerie van Economische Zaken oorlogsmisdaden heeft gefaciliteerd (het Betoog, 6 mei), omdat ‘met medeweten van de overheid chemicaliën (zijn) verhandeld die gemakkelijk kunnen worden gebruikt als grondstof voor gifgassen’. Zij insinueert dat ik als staatssecretaris van Economische Zaken (EZ) daarover een afspraak zou hebben gemaakt bij mijn bezoek aan Bagdad in oktober of november 1983.

Helaas vermeldt Februari niet over welke grondstoffen zij het heeft. Er zijn namelijk grondstoffen die onontbeerlijk zijn voor de vervaardiging van gifgassen en daarnaast niet of nauwelijks worden toegepast. Zij dienen met andere woorden specifiek dat doel. Zulke grondstoffen staan op een lijst waarvoor een exportverbod geldt. In mijn herinnering waren dat er vijf, maar ik kan mij daarin vergissen want het is 23 jaar geleden. Uitvoer daarvan is strijdig met de wet. Wil Februari beweren dat EZ heeft bewilligd in de uitvoer van zulke producten, dus dat EZ de wet overtrad? En zou ik dan als politiek verantwoordelijke een oogje toe hebben gedaan? Dat is uitgesloten.

Anders is het met een veel grotere categorie van chemische stoffen die bij tal van processen een rol spelen. Laten wij eens aannemen dat benzeen te pas komt bij de fabricage van gifgassen. Benzeen is een belangrijk maar doodgewone stof die bij duizenden chemische processen wordt gebruikt. Laten wij verder aannemen dat iemand benzeen zou hebben willen exporteren naar Irak. Voor benzeen geldt geen exportverbod, dat is duidelijk. Moest de uitvoer daarvan toch worden verhinderd? Waarom? Omdat Irak in oorlog met Iran was? Dat zou neerkomen op een (gedeeltelijke) boycot, die dus ook voor Iran had moeten gelden. Kortom, het is iets ingewikkelder dan Februari schijnt te denken en haar aanklacht houdt geen steek.

Waarom was ik in Bagdad? Omdat daar een handelsbeurs werd gehouden waar een aantal Nederlandse bedrijven aanwezig was. Ik was op die reis in Abu Dhabi, Bahrein en Kuwait geweest en er was geen reden die jaarbeurs over te slaan. Ik heb ook een normale handelsovereenkomst in Bagdad getekend zoals Nederland die met tal van landen heeft gesloten. Daarin staat zo ongeveer dat de regering zal toezien op een fatsoenlijke behandeling van investeringen en dat soort zaken. Het was een ongemakkelijk bezoek. Destijds was Nederland lid van de Veiligheidsraad. Onze vertegenwoordiger daar was Max van der Stoel. Samen met de Fransen had hij een resolutie geformuleerd die beoogde het conflict tussen Irak en Iran te beëindigen. De resolutie streefde naar een compromis. Daarom kon zij ook geen partij kiezen. Dus werd zij in Bagdad als kritisch jegens Irak beschouwd. Of ik wilde uitleggen, zo vroeg de eerste vice-premier (de Slager van Bagdad) mij bij een bezoek, waarom Nederland tot deze onvriendelijke daad was overgegaan?

Inderdaad heb ik tezamen met zo’n dertig andere ministers en ambassadeurs een ontmoeting met Saddam Hussein gehad. Maar dat was om een monoloog aan te horen. Het was een lugubere bijeenkomst die ik niet licht zal vergeten.

 

Frits Bolkestein

 

Meteen daarna schreef hoogleraar en inmiddels oud-minister Ronal Plasterk een buitengewoon relevante column in de Volkskrant (12 mei 2006), die ik alleen maar kan onderschrijven. Ik geef hem hier weer:

Moreel goed te praten?

Het programma Argos (Radio1) rapporteerde op 21 april dat Frits Bolkestein bewust de andere kant zou hebben opgekeken toen Saddam Hussein zijn oorlogsmisdaden pleegde. Elsbeth Etty vroeg in NRC Handelsblad: ‘Hoe zit dit precies Frits?’, en Marjolijn Februari schreef erover in de Volkskrant van 6 mei. Bolkestein reageert op Forum van 10 mei.

 

Argos wilde weten wat de Nederlandse regering wist van de levering van grondstoffen voor gifgassen die Saddam inzette tegen Iran en later tegen de Koerden. Voor leveranties van grondstoffen heeft de zakenman Frans van Anraat van de Haagse rechtbank vorig jaar 15 jaar cel gekregen, waarbij het vonnis sprak van ‘zeer ernstige oorlogsmisdaden’.

Argos vroeg stukken op, maar kreeg te horen dat die ‘helaas niet aanwezig zijn’. Na een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur bleken ze er opeens wél te zijn. Ook interviewt men David Schorer, van 1980 tot 1984 ambassadeur van Nederland in Bagdad.

In oktober 1983 bezoekt staatssecretaris van Buitenlandse Handel Bolkestein, die zich in het buitenland minister mag noemen, de Bagdad International Fair, en ontmoet Saddam. Het ambtelijk verslag: Bolkestein vraagt ‘om pleitbezorging voor concrete Nederlandse belangen te vatten in een setting van sympathie voor het door drie jaar oorlog beproefde Iraakse volk. Van Iraakse zijde werd hierop positief gereageerd. Vermeld werd dat Irak nu zijn vrienden telde en dat hieruit na beëindiging van de oorlog voor de aldus geïdentificeerde landen consequenties zouden voortvloeien’.

Frans van Anraat was bekend op de ambassade. Ambassadeur Schorer: ‘Ze deden goede zaken, en lieten zich niet uit over de inhoud van de contacten.’ In 1983 wordt een overeenkomst getekend tussen Nederland en Irak. Doel: ‘mogelijkheden economische en technische samenwerking vergroten’. Dit terwijl de oorlog woedt, inclusief gifaanvallen. De overeenkomst is getekend door Frits Bolkestein.

Schorer zegt dat Bolkestein op dat moment wist van de oorlogsmisdaden. Ambassadeur Schorer (sprekend over 1982): ‘In de Irakese kranten stond dat “de vijand werd vernietigd als insecten”, en dan kon je afleiden dat er strijdgassen waren gebruikt. Dit rapporteerde ik aan de regering in Den Haag. Maar dat werd ook al op de persbureaus verspreid hoor! In 1982 rapporteerde ik dat er gifgassen werden gebruikt in de oorlog. Men nam daar nota van. Om nou te zeggen dat dat met grote letters in de pers kwam, nee, daar sliep men niet minder goed van.’

In 1983 werden, via een luchtbrug, slachtoffers van gifgas in Europa behandeld. In april 1984 stopt Nederland, onder grote druk van de VS, de uitvoer. Eerst ontspint zich een bizar gevecht tussen twee ministeries: Buitenlandse Zaken (Hans van den Broek) wil elf stoffen verbieden, Bolkestein (EZ) slechts vijf, omdat de rest ook voor andere doelen gebruikt kan worden (multi-purpose). Bolkestein beschikt over een notitie van zijn eigen ministerie over die vijf stoffen (6 april 1984): ‘Voor zulke grote hoeveelheden is civiele toepassing uitgesloten’. Maar hij schrijft de ministerraad over de andere stoffen: ‘gezien de civiele toepassing is beperking uitvoer niet gewenst’, en (18 april 1984): ‘Nu er consensus in EG-verband is, lijkt het me gewenst onze uitvoercontroles te beperken tot vijf.’ Van den Broek geeft niet toe: ‘… niet acceptabel, omdat Irak probeert sleutelvoorlopers van chemische wapens te bestellen die niet op de lijst van vijf staan, maar wel op de lijst van elf’. Buitenlandse Zaken wint en de export wordt gestopt.

Veel later, 1990, is Frits Bolkestein omgedraaid in zijn sympathie voor Irak, en zegt hij bij NOS-Laat: ‘Saddam is een buitengewoon onaangenaam mens. Als staatssecretaris heb ik hem en zijn ministers ontmoet. Het was een luguber gezelschap. Iedereen weet ook hoe ze de Koerden bestreden met mosterdgas.’ Hans van Baa-len zegt nu tegen Argos: ‘Nederland wilde een graantje meepikken. Het is moreel niet goed te praten, maar het is wel te begrijpen.’

Frits Bolkestein woensdag in de Volkskrant: ‘In mijn herinnering waren dat vijf stoffen, maar ik kan me daarin vergissen want het is 23 jaar geleden. Uitvoer daarvan is strijdig met de wet. Ik zou als politiek verantwoordelijke een oogje toe hebben gedaan? Dat is uitgesloten. (*) Voor benzeen geldt geen exportverbod. Moest de uitvoer daarvan dan toch worden verhinderd? Het is iets ingewikkelder dan Februari schijnt te denken en haar aanklacht houdt geen steek. Ik heb een normale handelsovereenkomst gesloten met Irak.’

Maar beantwoordt dit de morele vraag? Is het waar dat Bolkestein wist dat Saddam oorlogsmisdaden pleegde met gifgassen, de andere kant opkeek en toeliet dat voorlopers van gifgassen door Nederlandse bedrijven werden geleverd? Is het waar dat hij bij discussies over leveranties de rekkelijken aanvoerde? Dit was vóór het verbod van 1984, dus Bolkestein heeft gelijk dat leverantie toen niet in strijd met de wet was (later wel, daar is Van Anraat voor veroordeeld), maar is Bolkestein het eens met Van Baalen dat het achteraf moreel niet goed was? Of zou hij in een vergelijkbare situatie hetzelfde doen?

Dat zijn toch wel redelijke en relevante vragen?

 

Tot zover Ronald Plasterk. Daarna werd het stil. Tot heel recent. In een bericht van 17 februari 2010 op de website van de Groene Amsterdammer wist Paul Aarts, docent Interntionale betrekkingen en Midden Oosten Studes aan de Universiteit van Amsterdam, het volgende te melden:

 

Ali Chemicali en Frits Bolkestein

Xandra Schutte berichtte in een informatief stuk over ‘het einde’ van Ali Hassan al-Majid (De Groene Amsterdammer, 28 januari).

Een ingezonden brief maakte melding van het feit dat na Frans van Anraat, inmiddels tot zeventien jaar cel veroordeeld vanwege chemicaliënleveranties aan het regime van Saddam Hoessein, ook Frits Bolkestein alsnog ter verantwoording zou moeten worden geroepen. Hij was daar immers als staatssecretaris voor Buitenlandse Handel toentertijd medeverantwoordelijk voor. In dat verband is er goed nieuws: ik was onlangs in Sulaymania (en Halabja) en sprak daar met Goram Adham, het hoofd van het advocatenteam ter ondersteuning van de slachtoffers van de gifgasaanvallen. Hij had net de zaak tegen Ali Chemicali succesvol afgerond. Desgevraagd gaf hij te kennen dat Frits Bolkestein zich inmiddels ook wel ‘zenuwachtig’ zou moeten gaan maken. Waarvan akte.
PAUL AARTS, Amsterdam

 

Lijkt me bijzonder interessant. Verder wil ik ook verwijzen naar een ander, iets ouder artikel uit de Groene, Na van Anraat de Staat, van 24-5-2007, waarin advocate Liesbeth Zegveld een paar interessante mededelingen doet. De zaak is dus nog volop in beweging.

 

Zeer geachte heer Bolkestein,

U heeft nogal wat uit te leggen. De bovenstaande verklaring is echt niet voldoende. Want zo triviaal was uw bezoek niet, zie al het voorgaande, inclusief uw verklaringen in de kamer en uw monomane fixatie op het blijven kunnen exporteren naar Irak van allerlei dubieuze chemicaliën. Minister van den Broek moest u tot de orde roepen, voordat u deze koers verliet. Wat mij betreft bent u in deze kwestie, laat ik het maar ronduit zeggen, ‘fout’ geweest (naar die Iraakse kunstenaar, maar ook in uw woorden en daden die door Argos boven tafel zijn gehaald). Misschien niet naar de letter van de wet maar wel moreel. Een klassiek gevalletje van Hollanditis lijkt mij. Ethische babbels, maar er niet naar handelen zodra er wat ‘pegels’ te halen zijn. In mijn oordeel weeg ik ook uw houding ten opzichte van Iraakse vluchtelingen mee. Dus het toelaten van Iraakse vluchtelingen is niet goed, maar een handelsovereenkomst sluiten met Saddam Hoessein is volkomen gerechtvaardigd? Een beetje vreemd, maar dat lijkt me zo’n beetje uw lijn. En waarom heeft u zich zo in stilzwijgen gehuld sinds Argos zich met deze zaak ging bemoeien? Ik vind het allemaal niet zo dapper van u.

Dus wellicht is het tijd voor een echt antwoord. Ik snap best dat het niet makkelijk is, maar het lijkt me uiteindelijk voor iedereen de beste optie. Bovendien heeft u het al een keer gedaan op de meest misplaatste manier die je maar kunt bedenken, namelijk over de rug van een gevluchte Iraakse kunstenaar, die part noch deel had aan uw duistere zaakjes met het door u geheel terecht omschreven ‘lugubere regime’. Zie hier mijn eigen drive om dit allemaal op te schrijven, want die kunstenaar was wel de laatste die dit verdiend had.  Toen durfde u dus wel.

Maar het wordt langzamerhand wel een keer tijd voor een uitgebreide verklaring, of op zijn minst een spijtbetuiging. Na uw minder gelukkige praatje in Jaski aan de Spiegelgracht, zou ik van een man van uw standing toch een reactie op niveau verwachten. 

Het lijkt me tijd voor een geste van uw kant. Niet naar mij natuurlijk, maar het lijkt me dat u zo langzamerhand wel echt een keer verantwoording zou moeten afleggen. Ik hoop dat u de grootheid hebt om dat op te brengen,

 

Hoogachtend,

 

Floris Schreve

 

 

 

 

De drie uitzendingen van Argos, die hier gedetailleerd zijn besproken zijn terug te luisteren onder de volgende links:

 

De uitzending van 4 april 2003:

 

http://www.ochtenden.nl/themasites/mediaplayer/index.jsp?referer=10442372&portalnr=22641901&hostname=ochtenden&portalid=ochtenden&media=13664044&mediatype=audio, na 16 minuten

 

De uitzending van 21 april 2006:

 

http://www.ochtenden.nl/themasites/mediaplayer/index.jsp?media=28051413&refernr=26677680&portalnr=22641901&hostname=ochtenden&mediatype=audio&portalid=ochtenden#

 

 

De uitzending van  28 april 2006:

 

http://www.ochtenden.nl/themasites/mediaplayer/index.jsp?media=28051413&refernr=26677680&portalnr=22641901&hostname=ochtenden&mediatype=audio&portalid=ochtenden#

January 6, 2010

Een repliek aan Ratna Pelle, beroepspropagandiste, hysterische Zioniste en Palestijnenbasher

Filed under: Ami Isseroff, Amira Hass, Amos Oz, Anja Meulenbelt, Arabische Liga, Arabische wereld, Avi Schlaim, Avigdor Lieberman, Benny Morris, Bezette Gebieden, Breaking the Silence, Conny Mus, Dries van Agt, Edward Said, Fatah, Gaza, Goldstone Rapport, Gretta Duisenberg, Groen Links, Haj Amin al-Husayni, Hajo Meijer, Hamas, Hanan Ashrawi, Hasbara, Hasbara Handbook (J. Blume & A. Benjamin), IDF (Israeli Defense Forces), Ilan Pappé, Ironcomb (Ron en Rosa van der Wieken), Israel, Israel Lobby, Israël/Palestina, John J. Mearsheimer & Stephen M. Walt, Joris Luyendijk, Mahmoud Abbas, Mohammed Said al-Sahaf, Nakba, Nakba-negationisme, New Historians, Noam Chomsky, Oslo accoorden, PLO, Palestijnse kwestie, Palestina, Palestinian Authority, Peace Propaganda & the Holy Land, Robert Fisk, Stan van Houcke, Stichting W.A.A.R., Stop de Bezetting, Tantura (massaslachting), Teddy Katz, The enthnic cleansing of Palestine, Tom Segev, Tony Judt, Westbank, Westelijke Jordaanoever, Yasser Arafat, Yochanan Visser, Zionisme, antisemitisme, cidi, een ander Joods Geluid (EAJG), filosemitisme, propaganda, repliek (Ratna Pelle), vredesproces — Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , — Floris Schreve @ 10:35 pm

‘De ‘aldoor zegevierende staat Israël’ kan niet eeuwig steunen op de sympathie voor slachtoffers’ (Wiesenthal). Wiesenthal lijkt te bedoelen dat het voor de staat Israël, nu het ‘aldoor zegeviert’, niet meer nodig is om zich als slachtoffer op te stellen, maar zijn kracht ten volle kan laten gelden. Dat mag waar zijn, mits je daaraan toevoegt dat die nieuwe positie nieuwe verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Het probleem op dit moment is dat de staat Israël, hoewel het ‘permanent zegeviert’, nog steeds steunt op het beeld van de Joden als slachtoffers om zowel zijn machtspositie te legitimeren, als om zijn critici te hekelen als verhulde Holocaustsympathisanten’.

Slavoj Žižek (filosoof, verbonden aan de universiteit van Ljubljana, Slovenië, en gasthoogleraar aan vele andere universiteiten in Europa en de VS), in Geweld; zes zijdelingse bespiegelingen, Boom, Haarlem, 2008, p. 119

‘One must admit, however, that all liberals and even most ‘radicals’ have been unable to overcome the Zionist habit of equating anti-Zionism with anti-Semitism. Any well-meaning person can thus oppose South African or American racism and the same time tacitly support Zionist racial discrimination against non-Jews in Palestine. The almost total absence of any handily available historical knowledge from non-Zionist sources, the dissemination by the media of malicious simplifications (e.g. Jews vs. Arabs), the cynical opportunism of various Zionist pressure groups, the tendency endemic to university intellectuals uncritically repeat cant phrases and political clichés (this role of Gramsci assigned to traditional intellectuals, that being ‘experts in legitimation’), the fear of treading upon highly sensitive terrain of what the Jews did to their victims, in an age of genocidal extermination of Jews-all this contributes to the dulling, regulated enforcement of almost unanimous support for Israel. But, as I.F. Stone recently noted, this unanimity exceeds even the Zionism of most Israelis’

Edward Said (hoogleraar literatuurwetenschappen aan de Columbia University en prominent Palestijns intellectueel, overleden in 2004, zie ook dit eerdere artikel op dit blog), in The Question of Palestine, 1978 (geciteerd uit Moustafa Bayoumi & Andrew Rubin, The Edward Said Reader, Vintage, New York, 2000, p. 118). Inmiddels is er wel het een en ander veranderd, in Europa en ook in Amerika, maar voor hetgeen wat er hier besproken gaat worden is deze passage van Edward Said nog altijd schokkend actueel, zoals snel zal blijken.

 

Hasbara of hysterische soliste?

Een repliek aan Ratna Pelle, beroepspropagandiste, dolgedraaide Zionistische veelblogster en Palestijnenbasher

 

Elders op het web schreef de eerder ter sprake gekomen radicale pro-Israël activiste Ratna Pelle (zie mijn vorige bijdrage over het Israëlische Palestijnse conflict) op een van haar vele blogs ( http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000413.html ):

De methoden van de anti-Israellobby (1)
IMO Blog, 11 december 2009

‘Een van de dingen die me opviel toen ik me in discussies met felle tegenstanders van Israël begaf, is hoezeer men op de man speelt. Jaap Hamburger (van ‘Een Ander Joods Geluid’, FS) is hier een kei in, en kleineert zijn tegenstanders continu. De minachting spat er vanaf. Je zou zeggen dat de voorzitter van een in zijn ogen respectabele club die geregeld in de media verschijnt dergelijke methoden niet nodig heeft. Het blijkt echter nog erger te kunnen, en radikale antiziosemieten zoals ene Sonja (of Janneke), Stan van Houcke en het groentje Floris Schreve (hij wil graag carrière maken in de antizionistische blogosfeer), proberen hun tegenstanders te intimideren. Stan van Houcke, die zelfs officieel journalist is, spant de kroon. Honderden blogs wijdt hij aan zijn opponenten, waarbij alles wat zij ooit hebben geschreven tegen hen wordt gebruikt, al heeft het helemaal niks met Israël of de Palestijnen te maken’.

Ratna Pelle, in haar woorden: ‘Ik ben Ratna Pelle, een academica uit Nederland, en ben actief geweest in diverse linkse bewegingen voor vrede, milieu en derde wereld. Ik ben noch Joods noch Palestijns noch Israëlisch noch Arabisch’, vindt mij, waarschijnlijk op grond van dit ene blogitem, een ‘anti-ziosemiet’ (alhoewel, ik moet nog carrière maken). Tja, wat moet je hiermee? ‘Antiziosemitisme’ is een neologisme, wellicht afkomstig van Ratna zelf, althans het is de eerste keer dat ik heb kennis genomen van deze Orwelliaanse kwalificatie. Maar als ik het goed begrijp zou het dus een soort antisemitisme zijn. Interessant om dat van de niet-Joodse (maar misschien wannabe Joodse, in ieder geval hysterische Zionistische) Ratna te mogen vernemen. Is kritiek op Ratna Pelle al een vorm van antisemitisme? Zoiets als kritiek op Stalin een schoffering van het proletariaat betekende? Boeiend. Bovendien, wat weet ze verder van mij, of van mijn achtergrond? Kan nog heel interessant gaan worden.
Je zou verder natuurlijk boos kunnen worden om zo’n kwalificatie (en dat zou volkomen terecht zijn), maar als je ziet wat ze in een bericht daaronder schrijft, denk ik niet dat ze erg overtuigend is. Ik kan iedereen aanraden om het verder te lezen. Ze valt vanzelf door de mand. Bovendien bevind ik me in goed gezelschap, gezien de anderen die ze noemt.
Maar wat moet je ermee? Want wat je er ook van mag vinden, er valt genoeg over te zeggen. Wat wel fascinerend is dat zij over Stan van Houcke schrijft: ‘Honderden blogs wijdt hij aan zijn opponenten, waarbij alles wat zij ooit hebben geschreven tegen hen wordt gebruikt, al heeft het helemaal niks met Israël of de Palestijnen te maken’. Interessant om dat van Mevrouw Pelle te mogen vernemen. Ratna Pelle schrijft namelijk duizenden blogitems (niet overdreven, vandaag waren het maar liefst 6.860 hits), waarin zij de halve wereld voor antisemiet uitmaakt. Als je haar naam googlet zal dat in een oogopslag duidelijk worden.

Haar mooiste quote vind ik nog altijd:

‘Pr werkt sowieso vooral wanneer zij zelf onzichtbaar is, en het lijkt alsof authentieke mensen spontaan hun verhaal vertellen, onderzoekers en wetenschappers met nieuwe ‘onthullende feiten’ naar buiten komen, er spontaan opeens allerlei artikelen verschijnen en reportages worden gemaakt die jouw kant van de zaak naar voren brengen,’

aldus Ratna Pelle, in haar recensie van Het zijn net mensen van Joris Luyendijk, in een zeldzame vlaag van (onbewuste?) openhartigheid, http://www.israel-palestina.info/hetzijnnetmensen.html. Haar spelling van de afkorting ‘P.R.’ (als ‘Pr’) lijkt hier (alweer onbewust?) eerder een afkorting te zijn van ‘Propaganda’ dan van ‘Public Relations’. Bovenstaande ‘ontboezeming’ geeft mijns inziens de kern van haar doelstellingen en strategieën weer, althans haar vele pogingen daartoe. De overstelpende kwantiteit van haar bijdragen op het internet is daar het resultaat van.

Het ‘probleem’ Ratna Pelle is niet zo zeer haar radicale opvattingen (er zijn in het Nederlandse taalgebied genoeg van dit soort bloggers te vinden met soortgelijke extreme standpunten), maar het zit hem er vooral in hoe zij zich manifesteert.
In de eerste plaats probeert zij zich als ‘neutraal’ of ‘onafhankelijk’ te presenteren. Haar website Israël-Palestina info heeft bijvoorbeeld als logo een Israëlisch en Palestijns vlaggetje. Op het eerste gezicht staan er allerlei ‘neutrale’ (of ‘objectieve’) achtergrondartikelen op. Maar als je deze nader bekijkt dan blijken deze er vooral op te zijn gericht dat Palestijnen geen aanspraken kunnen maken op het gebied ten westen van de Jordaan en dat de Palestijnen eigenlijk helemaal geen volk zijn, maar Arabieren, die al genoeg nationale staten hebben. Sinds wanneer is dat een argument? Is net zoiets als alle Nederlanders kunnen best verhuizen als er hier Chinezen moeten worden gehuisvest, want er zijn al genoeg Europese landen voor ‘Europeanen’. En bovendien, je zou dan net zo goed kunnen stellen dat ‘de Joden’ eigenlijk geen volk zijn, maar een religie, met diverse nationale achtergronden. Hadden zij daarom het recht om de Palestijnen te verdrijven? Pardon, in de ogen van Ratna zijn dat de ‘Arabieren’ (Palestijnen bestaan niet), die trouwens niet verdreven zijn, maar zelf het land hebben verlaten, omdat hun leiders daartoe zouden hebben opgeroepen. Deze ietwat nationalistische mythe van de Staat Israël, die nog steeds door Ratna wordt uitgedragen, is inmiddels allang ontkracht, niet in de laatste plaats door diverse Israëlische historici zelf (de ‘New Historians’ als Ilan Pappé, Benny Morris, Avi Schlaim, Tom Segev ea), zij het dat deze historici over de ’beoordeling’ van deze etnische zuivering sterk van mening verschillen (vooral Pappé en Morris, die tegenwoordig weer het ultra-zionistische standpunt uitdraagt, zie dit recente interview met de Groene Amsterdammer, al ontkent hij deze gebeurtenissen niet, hij ‘rechtvaardigt’ ze slechts). Wellicht is het aardig om nog een keer de parabel van Joris Luyendijk aan te halen (waar Ratna overigens woedend over is):

‘Stel: in de Verenigde Staten wordt een gek de baas die alle mensen met een Friese grootvader laat oppakken en afmaken. Het wordt een moordpartij van ongekende omvang en als het Anti-Friese bewind eindelijk ten val komt, is duidelijk dat de Friese overlevenden niet meer in Amerika willen wonen. Dus komt er een plan: de Friezen krijgen een eigen staat. En wat is een logischer plek dan het land dat volgens de oude teksten Fries is? Ondanks Nederlands verzet stemmen de Verenigde Naties met het plan in en uit de hele wereld trekken mensen met een Friese grootouder richting de nieuwe Friese staat, royaal gesubsidieerd door Amerika. De overige Nederlanders protesteren: ”Wij hadden toch nooit problemen met de Friezen?’ Maar in de internationale opinie overheerst het medelijden met de Friezen. Er komt een voorstel: de helft van Nederland wordt Frisia, en in de andere helft kunnen de Nederlanders blijven wonen.
De Nederlanders pikken dit niet en er komt een oorlog die de Friezen, met Amerikaanse hulp, winnen en een nog groter deel van Nederland valt in Friese handen. Miljoenen niet-Friese vluchtelingen overstromen de grote Nederlandse steden en de spanningen lopen op, vooral omdat kleine groepjes Nederlanders een guerrilla zijn begonnen tegen de Friezen. ‘Terrorisme!’, roepen Friese voorlichters op CNN: ‘They are killing innocent Frisians!’ Intussen vraagt het Nederlandse volk: ‘Wat hebben wij voor leiders?’
Er volgt een militaire coup en wanneer Nederland probeert in het buitenland wapens te kopen, verovert de jonge Friese staat met een ‘preventieve aanval’ de rest van Nederland, plus stukken van Duitsland en België. Drommen niet-Friese Nederlanders vluchten de grens over naar Duitsland en België, waar ook coups volgen: we moeten voorkomen dat de Friezen ons pakken! Intussen regeert het Friese leger met harde hand over de bezette Nederlandse provincies, wurgt de economie en confisqueert de mooiste stukjes voor nederzettingen en speciale wegen van die nederzettingen naar Frisia.
Dan komt er een vredesproces en krijgt Nederland Limburg, een stukje Brabant en een Zeeuws eiland aangeboden. Die brokjes mogen geen Nederland heten, Nederland mag geen leger hebben en alle grenzen worden bewaakt door Friese troepen’. (Joris Luyendijk, Het zijn net mensen; beelden uit het Midden Oosten, Uitgeverij Podium, 2006, p. 145-146)

Ratna hierover: ‘Welke twintig zaken kloppen er niet in deze vergelijking? Het is overigens niet de eerste keer dat ik hem tegenkom. Ik kom hem vaker tegen in discussies en ik moet altijd erg mijn best doen niet boos te worden en vriendelijk uit te leggen waarom hij totaal niet opgaat. Het begint al  met de aanname dat er dus, voor Israëls stichting, een Palestijnse staat was waar pas na de Holocaust opeens een hoop Joden naartoe kwamen en de VN hun dit gebied toewees ‘op grond van oude teksten’. Niet omdat zij er altijd hadden gewoond, zoals in Jeruzalem, Safed, Tiberias en Hebron, er voor de Holocaust al een Joodse staat in wording was in Palestina die praktisch alle zaken zelf regelde, niet omdat Joden altijd een fysieke, religieuze en spirituele band met het land hebben gehad, en dit centraal staat in zowel religie als nationale identiteit. Vervolgens wordt alle Arabische vijandigheid tegenover de Joden ontkend, pas toen zij het land praktisch wilden overnemen kwam er verzet. In de praktijk waren er figuren als de moefti, die Hitlers oplossing van het Joodse probleem in Palestina wilde toepassen en vanaf de jaren ‘20 de Arabische bevolking tegen de Joden opzette, werden de Joden geregeld aangevallen en wezen de Arabieren ieder compromis en iedere samenwerking met de Joodse gemeenschap af. Deze en talloze andere zaken laat niet alleen Luyendijk weg, maar de media überhaupt en dat is waarom we deze vergelijking zo dikwijls te horen krijgen’. (http://www.israel-palestina.info/hetzijnnetmensen.html)

Wat klopt er niet aan Ratna’s ‘weerlegging’? Natuurlijk dekt deze analogie niet de hele situatie, maar in Friesland hebben er toch altijd Friezen gewoond? Lijkt me duidelijk. En dat er veel wrijvingen zijn geweest gedurende het interbellum tussen de Palestijnse bevolking en de Joodse nieuwkomers, ook waar. Maar er waren ook Joodse terreur organisaties die vele bloedige aanslagen pleegden, zowel op Palestijnse als Britse doelen. Het opblazen van het King David Hotel door de Irgun militie in 1946, waarbij 91 doden vielen, is hier een goed voorbeeld van. Dat ook de Palestijnen (pardon Arabieren) zich aan soortgelijke zaken schuldig maakten, ook waar. Maar mochten ze daarom massaal hun land uit gedreven worden? Elders in dit artikel zegt ze dat er nooit een Palestijnse staat was. Nee, want het hele gebied was een onderdeel van het Osmaanse Rijk. Er was dus ook geen Joodse staat. Maar rechtvaardigt dit de exclusieve claim (want daar gaat het hier om) van de Joden op het gebied Palestina, waar voor Palestijnen, pardon Arabieren, geen plaats meer was? Enz. enz.

Maar het ‘probleem Ratna Pelle’ is naast de ‘kwaliteit’, vooral de kwantiteit. Er is op dit onderwerp niemand zo actief in het Nederlandse taalgebied op internet als zij. Haar productie is werkelijk van een maniakale omvang. Psychologisch ongetwijfeld bijzonder interessant, maar wat hier belangrijker is, is dat het er bijna de schijn van heeft dat zij probeert het digitale Nederlandse taalgebied dicht te slibben met haar soms verhulde, soms openlijke propaganda (want dat is het). Wie de woordcombinaties ‘Israëlisch Palestijns conflict’, of ‘Israël Palestina’ googlet stuit vrijwel zeker op een of meer van de vele sites van Ratna Pelle en haar kleine entourage (voornamelijk Wouter/Wil Brassé en heel af en toe een zekere Abby). Daarom lijkt het mij niet verkeerd om een keertje het licht te laten schijnen op dit ‘fenomeen’ en een keer goed zichtbaar te maken wie of wat zij eigenlijk is en vooral hoe zij te werk gaat.

 

‘Wouter’

Een paar van haar hoogtepunten, met wat kanttekeningen van mijn hand. Deze zijn eerder gepasseerd in mijn korte discussie met haar ‘rechterhand’ Wouter/ Wil Brassé, overigens net zo’n wannabe en dan niet alleen in dit opzicht, zie zijn ietwat bizarre homepage en dan vooral op het sub itempje ‘Wie ben ik?’. Ik weet het wel. Het lelijke eendje dat graag een zwaan wil zijn. Of de hulp-Sinterklaas, zie op de homepage, iets naar beneden scrollen  dan de vierde foto van links. Maar los van zijn wat aandoenlijke liefhebberij (hij vindt zichzelf in opgepimpte staat ‘om te zoenen’, al kunnen zijn drag creaties moeilijk als erg geslaagd gekenschetst worden, maar misschien bekijk ik het iets te hoofdstedelijk en leg ik de lat wat hoog), is ook Wouter een doorgedraaide Israël aanbidder en Palestijnenbasher, met een zelfde productiviteit als Ratna. Met hem zet Ratna overigens ook ’spontane ingezonden brievenacties’ op, zoals dit bijna lachwekkende bericht van het CIDI duidelijk laat zien. Daarin staat oa vermeld: ‘De Nijmeegse GroenLinks-publiciste Ratna Pelle schreef op 16 september onderstaand opinieartikel in De Gelderlander waarin zij Van Agt in felle bewoordingen beschuldigde van misleiding en het creëren van vijandbeelden. Een vergelijkbaar artikel van GroenLinks-lid Wouter Brassé verscheen in De Limburger van 17 september’. Hoe spontaan. Zie wederom Ratna’s uiteenzetting over  PR/ propaganda: ‘Pr werkt sowieso vooral wanneer zij zelf onzichtbaar is, en het lijkt alsof authentieke mensen spontaan hun verhaal vertellen, onderzoekers en wetenschappers met nieuwe ‘onthullende feiten’ naar buiten komen, er spontaan opeens allerlei artikelen verschijnen en reportages worden gemaakt die jouw kant van de zaak naar voren brengen’. De vraag is alleen of dit ook zo effectief is wanneer dit soort operaties gerund worden door het tweemansbedrijf Ratna en Wouter. Lijkt me iets te doorzichtig. Dat mag best wat professioneler. Overigens schijnt niemand bij Groen Links Ratna en Wouter te kennen, zie http://stanvanhoucke.blogspot.com/2009/01/de-raciste-ratna-pelle.html, of http://empire.blogsome.com/2008/03/07/karel-van-broekhoven-reageert. Aangetekend moet worden dat Ratna, naar eigen zeggen althans, kennelijk wel in het Groen Links Magazine zou hebben gepubliceerd over het Midden Oosten conflict, zie dit artikel van maart 2005, opnieuw geplaatst op een van haar vele blogs, Ratna.nl. Hoewel zij in dat artikel het Groen Links standpunt hekelt als te eenzijdig, is ze in dit stuk aanzienlijk gematigder. Maar het is wel opmerkelijk dat er zo’n radicale, of zelfs extremistische Zionistische roeptoeter bij een partij als Groen Links rondloopt, die haar minachting voor de rechten van de Palestijnen zo luidkeels naar buiten brengt. Netjes van Groen Links dat ze zoveel diversiteit de ruimte geven, maar ik zou er wel iets kritischer op zijn, zeker in dit geval. Zie overigens ook deze merkwaardige bijdrage van haar en Wouter over de positie van Groen Links, waarin ze opeens een beetje beginnen te draaien. Een erg komische reactie daaronder overigens, waarschijnlijk van een Christen-Zionist.

Maar hier nogmaals de kleine bloemlezing, oorspronkelijk uit mijn korte discussie met ‘Wouter’. Eerst wat passages van Ratna, dan mijn commentaar:

‘De campagne heeft in totaal tot aan het unilaterale staakt-het-vuren op 17-18 januari 3 weken geduurd, waarbij naar verluid zo’n 1.300 Palestijnen zijn omgekomen en 13 Israëli’s. Over het aantal burgerslachtoffers en strijders verschillen beide partijen sterk van mening. Volgens sommige bronnen is eenderde van de Palestijnse doden kind, volgens andere is dat aantal veel lager. Het maakt ook uit of je 16- en 17-jarigen die soms al volwaardig meedoen in de strijd als kind definieert, en we moeten niet vergeten dat de gemiddelde leeftijd in Gaza 17 jaar is’.(http://www.israel-palestina.info/gaza_oorlog.html)

Mijn commentaar:

‘…en we moeten niet vergeten dat de gemiddelde leeftijd in Gaza 17 jaar is’ Erg hé, van die Palestijnen, dat ze zoveel kinderen krijgen althans. Ook onverantwoordelijk, want dat levert vervelende statistieken op als er weer eens op dichtbevolkt gebied moet worden geschoten. Natuurlijk is het vooral niet goed voor de beeldvorming, want dit soort zaken maken het er niet makkelijker op om het product Israël op de markt te zetten. Alhoewel, je kunt het ook als een kans zien. Want het is in die omstandigheden wel een uitdaging om het dan op te nemen tegen ‘Gretta’, ‘EAJG’(Een Ander Joods Geluid, FS) en een ‘pro-Palestijnse’ krant als NRC Handelsblad (Ratna is dus boos op alledrie, zoals elders in mijn stuk zal worden uitgelegd). Zie hier de logica en de ethiek van mevrouw Pelle, samengebald in een bijzin.

Nog een stukje. Eerst een passage van Ratna:

‘Mensen wonen om verschillende redenen over de Groene Lijn, uit (religieuze) verbondenheid met het land, of omdat het er rustig en mooi is en bovendien goedkoop wonen, of omdat men vindt dat Israël dit gebied moet houden, of omdat men denkt dat de nederzettingen een geschikt drukmiddel zijn om de Palestijnen zover te krijgen om Israël echt te erkennen en de daarvoor noodzakelijke concessies te doen’.
http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000403.html

Mijn commentaar:

‘Omdat het er rustig en mooi is en bovendien goedkoop wonen’. Ratna, mag ik je herinneren aan je summiere statement over jezelf: ‘Ik ben Ratna Pelle, een academica uit Nederland, en ben actief geweest in diverse linkse bewegingen voor vrede, milieu en derde wereld’. Als je ook zo over hulp aan de derde wereld denkt, denk ik dat het goed is dat er geen ontwikkelingshulp volgens het recept Ratna wordt gegeven. Hoe kun je dit dan in overeenstemming brengen met die idealen waar je zelf voor zegt te staan? Bovendien, wat is er mooi aan de muur? Maar los daarvan, ook zo mooi wonen op die heuveltoppen, met die opeengepakte verpauperde Palestijnen aan je voeten, waarvan zelfs het water wordt weggepompt om aan een eerste levensbehoefte te voldoen als bijvoorbeeld het vullen van een zwembad. Lang leve de vrede, het milieu en de derde wereld! Lijkt me ook heerlijk wonen op gestolen land, terwijl de rechtmatige eigenaren als bedelaars aan je voeten leven, vooral voor je eigen gemoedsrust. Heel rustig en mooi! Lijkt me dat je geen ‘academica’ hoeft te zijn om te snappen dat dit niet helemaal spoort’.
En wat bedoel je met concessies? Dat het Palestijnse geweld stopt? Dan zou je juist die nederzettingen moeten ontmantelen. Als je andere concessies zou bedoelen, hoeveel concessies moeten de Palestijnen nog doen? Nog meer land opgeven? Ik vrees dat de bodem wel is bereikt.

 

‘links’

Nu het communisme (Stalin) toch ter sprake is gekomen, neem zeker kennis van deze passage. Het is zo’n beetje het enige statement van Ratna over zichzelf, waarin ze iets vertelt over haar eigen achtergrond:

‘Veel mensen ter linkerzijde vragen zich tegenwoordig af hoe ze indertijd zo lang sympathie konden blijven houden voor de Sovjet Unie en voor China. In een discussie hierover meende ik onlangs dat de CPN zich rond 1980 officieel distantieerde van de Sovjet-Unie. “Toen al?”, vroeg mijn gesprekspartner. “Al?”, zei ik, “ik noem dat pas, want voor een ieder die het wilde zien was toen toch allang duidelijk dat het systeem niet deugde, en dissidenten en een ieder die ook maar enige kritiek durfden te uiten werden opgesloten of naar een werkkamp gestuurd?”
Ik was toen nog erg jong, maar ik liep enthousiast mee in de grote vredesdemonstraties van begin jaren ‘80 en scandeerde de leus: “liever een Rus in de keuken dan een raket in de tuin”. In feite betekent dat dat je liever in een dictatuur wilde leven dan je te bewapenen. Een absurd idee. Als 15 jarige mag je dat roepen, maar als 25 of 36 jarige zou je beter moeten weten. Voor de duidelijkheid: dit was niet de algemene opvatting van de vredesbeweging, en de vragen die men stelde bij de wapenwedloop waren volkomen legitiem. Het geeft echter wel een bepaald sentiment weer van een deel van de beweging, en de kritiekloze houding van velen jegens de Sovjet Unie. Het feit dat ze tegen Amerika zijn en haar macht en moraal ter discussie stellen, is toen en nu de rechtvaardiging gewelddadige duistere ondemocratische bewegingen of regimes te steunen.
Het zijn helaas niet alleen tieners die koketteren met Hamas en Hezbollah, en Israël een racistische Apartheidsstaat noemen. Collectieve blindheid komt in alle lagen van de bevolking voor en onder alle leeftijden.
Het is tijd voor een paradigma switch’. (http://www.zionism-israel.com/blog/)

Wat mij betreft een zeldzaam obligaat (truttig) verhaal en ook nog een manke vergelijking. Ik denk dat dit verhaal meer hout zou snijden als: ‘Tot in de jaren tachtig stond vrijwel heel Nederland onvoorwaardelijk achter Israël, niet geheel los te zien van onze terechte schaamte dat wij wel erg veel Joodse landgenoten hadden verloren in de periode 40-45, zeker als je het vergelijkt met Denemarken, België en Frankrijk. Na de slachting van Sabra en Shatila in 1982, gedurende de Libanonoorlog, begon dit heel langzaam te veranderen. ‘Toen al?’ ‘Al?’ Ik noem dat pas, want iedereen kon toen al zien dat de bezetting van de Palestijnse gebieden….’ etc. Lijkt me duidelijk. Die paradigma switch heeft ze overigens gepikt van Anja Meulenbelt, zie http://anjameulenbelt.sp.nl/weblog/2004/07/28/de-paradigmastrijd-1/ . Al met al een wat kreupele poging om het verhaal van Meulenbelt om te draaien (met wie ze overigens een paar heftige confrontaties heeft gehad, zie http://anjameulenbelt.sp.nl/weblog/2008/07/27/geen-apartheid/ of op een van Ratna’s blogs: http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000226.html). 

In de wereld van Ratna Pelle ligt de vijand altijd en overal op de loer. Haar visie op Israël druipt van de Asterix en Obelix romantiek, waarin een klein dorpje dapper weerstand bood tegen de omringende agressors. Iedereen die haar getroubleerde blik op de werkelijkheid niet deelt is zo’n beetje een antisemiet, die met alle middelen bestreden dient te worden. Palestijnen zijn voor haar volkomen ontmenselijkt, zie haar uitspraken over het grote percentage minderjarige slachtoffers in Gaza. Dan hebben we het nog niet over de Nakba, die volgens Ratna nooit heeft plaatsgevonden, zie deze bijdrage, of een artikel dat ze een keer in Trouw geplaatst heeft weten te krijgen, waarin ze de prominente Israëlische historicus Ilan Pappé tracht aan te vechten, die een standaardwerk over de Nakba schreef (The ethnic cleansing of Palestine, 2006). In die zin is ze ook een ‘Nakba-negationist’. ‘Er was geen sprake van etnische zuivering’, aldus mevrouw Pelle. Toch is in deze recensie in Trouw haar toon aanmerkelijk gematigder dan wanneer ze in haar eigen territorium opereert, waar zij alle remmen los gooit en zich lekker laat gaan. Over Pappé schrijft zij op een van haar eigen sites, www.zionism-israel.com:

‘Pappé minacht feiten niet alleen zelf, hij draagt dit ook over op zijn leerlingen. In 2005 was een leerling van hem, Teddy Katz, door oud-soldaten aangeklaagd nadat deze in zijn proefschrift had beweerd dat zij massaslachtingen hadden aangericht in het Palestijnse dorp Tantura. Het bleek dat hij de tekst van de opgenomen interviews met de soldaten op essentiele punten had veranderd in zijn proefschrift. Katz zag zich gedwongen delen van zijn proefschrift aan te passen, maar Pappe bleef hem verdedigen, en beweerde dat zowel hij als Katz werden vervolgd om politieke redenen en de universiteit hem wilde ontslaan. Vervolgens riep hij academici van over de hele wereld op om zijn universiteit - de universtiteit van Haifa - te boycotten.
Onnodig te zeggen dat dit alles voor een aanzienlijke publiciteit heeft gezorgd en hem beroemd gemaakt tot ver buiten Israël. Vooral initiatiefnemers van boycot-acties tegen Israël vonden in hem een dankbare bondgenoot - wie kan ze nu nog van antisemitisme beschuldigen?
Zijn gesjoemel met feiten, en zijn rancuneuze en kinderachtige gedrag jegens zijn eigen universiteit schijnt er voor deze groeperingen niet toe te doen. Iedereen die hen helpt in hun kruistocht tegen Israël is welkom. EAJG en UCP zijn geen vredesorganisaties (????? Dit zijn dus ‘Een Ander Joods Geluid’ en ‘United Civilians for Peace’, FS); zij dragen niet bij aan vrede en verzoening tussen Israël en de Palestijnen. Zij praten aanslagen tegen Israël goed als ‘legitiem verzet’ en hebben meermaals sprekers op door hen georganiseerde bijeenkomsten of demonstraties uitgenodigd die Hezbollah en Hamas verdedigen, zoals Abu Jahjah van de Arabisch Europese Liga. Ook hebben woordvoerders van beide organisaties meermaals een vergelijking gemaakt tussen de bezetting van de Palestijnse gebieden en de bezetting van Nederland door de Nazi’s, en Israël vergeleken met de Nazi’s, zoals bijvoorbeeld tijdens de recente toespraak van EAJG-lid Max Wieselman bij kamp Westerbork. Zulke vergelijkingen zijn onjuist, kwetsend en dragen slechts bij tot polarisatie (gelukkig predikt Ratna Pelle louter verzoening, en is het ‘bijdragen aan polarisatie’ wel het laatste dat je haar in de schoenen kunt schuiven, FS). Dat weten deze organisaties ook wel, net als dat zij de ideeën van Jahjah kennen, en kiezen dus bewust voor deze aanpak. Daarom vind ik het nogal vreemd dat zij door velen nog steeds als vredesorganisaties worden gezien. Een Ander Joods Geluid betekent allerminst een beter Joods geluid, en je hoeft geen groter-Israël aanhanger te zijn om je tegen hen te keren’. (http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000116.html)

 
Een paar kanttekeningen. Eerst de kwestie Katz. Over de zaak Teddy Katz is veel geschreven. Katz studeerde bij Pappé af aan de Universiteit van Haifa met een scriptie over de massaslachting van het Palestijnse dorp Tantura, in de nacht van 22 op 23 mei 1947 (volgens enkele bronnen is het overigens een misverstand dat Pappé zijn eerste begeleider was, dit zou Kais Firro geweest zijn, zie http://www.counterpunch.org/amit05112005.html). Aanvankelijk waren Pappé en een aantal coreferenten zeer lovend over het onderzoek van deze afstuderende historicus, dat hij had gedaan op basis van interviews met ooggetuigen. Ook de pers had er belangstelling voor: de krant Ma’ariv publiceerde een interview met Katz over zijn scriptie-onderzoek. Academica Ratna Pelle blijkt overigens het verschil tussen een scriptie (MA) en een proefschrift (PhD) niet te kennen, maar dat terzijde. Of ze kent de details van deze zaak niet zo goed en gaat alleen maar af op een artikeltje, vermoedelijk afkomstig uit betrouwbare Zionistische bron, dat zou natuurlijk ook kunnen. Maar hoe dan ook, na dit interview begonnen de problemen; Katz werd aangeklaagd door veteranen die aan militaire acties hadden deelgenomen. Pappé heeft zijn student altijd verdedigd, maar de enorme druk werd Katz uiteindelijk teveel en hij gaf in het openbaar toe dat hij ‘fouten’ zou hebben gemaakt. De zaak werd geschikt toen Katz een advertentie plaatste met de verklaring: ‘Vandaag verklaar ik dat er in Tantura geen slachting heeft plaatsgevonden. Ik geloof de Alexandroni (zo heette de desbetreffende brigade) veteranen die elke betrokkenheid bij een dergelijke slachting uitdrukkelijk ontkennen. En ik herroep de in mijn scriptie impliciet verpakte conclusie dat er onder ongewapende of weerloze mensen een bloedbad is aangericht’ (geciteerd uit Chris van der Heijden, Israël, een onherstelbare vergissing, uitgeverij Contact, 2008, p. 15). Kort na deze verklaring kreeg Katz spijt en verklaarde alsnog achter zijn eigen onderzoek te staan. Hij poogde de zaak te heropenen, maar deze werd ook door het Israëlische Hooggerechtshof niet ontvankelijk verklaard. Pappé, die altijd achter de eerdere versie van Katz had gestaan, was diep verontwaardigd door het gebrek aan steun van zijn eigen universiteit voor deze student en verliet Israël om hoogleraar te worden in Exeter. Zijn oproep tot boycot van zijn vroegere universiteit moet ook in dat licht worden gezien. Pappé legt het zelf overigens duidelijk uit in zijn artikel Academic Freedom under assault, zie http://ilanpappe.com/?p=23#more-23 . Duidelijk wordt dan ook dat de zaak Katz niet het enige was dat er speelde, uit het artikel blijkt ook dat er meer aan de hand was op de Universiteit van Haifa. Verder vermeldt wikipedia het volgende over de kwestie Katz (http://en.wikipedia.org/wiki/Ilan_Papp%C3%A9):
Pappé publicly supported an M.A. thesis by Haifa University student Teddy Katz, which was approved with highest honors, that claimed Israel had committed a massacre in the Palestinian village of Al-Tantura during the war in 1948, based upon interviews Arab residents of the village and Israeli veteran of the operation.[20] Neither Israeli nor Palestinian historians had previously recorded any such incident. Meyrav Wurmser describes it as a “made-up massacre,”[21] but according to Pappe “In fact the story of Tantura had already been told before, as early as 1950 . . . It appears in the memoirs of a Haifa notable, Muhammad Nimr al-Khatib, who, a few days after the battle, recorded the testimony of a Palestinian.”[22] In December 2000, Katz was sued for libel by veterans of the Alexandroni Brigade and after the testimony was heard, he retracted his allegations about the massacre. Twelve hours later, he retracted his retraction.
Following the trial the university appointed a committee to reexamine the thesis, which decided to overturn the original decision and fail it.[23][24] Pappé continues to defend both Katz and his thesis.[25][26] Tom Segev and others[25] argued that there is merit or some truth in what Katz described.[24] According to the Israeli new historian Benny Morris, although war crimes were committed, there’s “no unequivocal proof of a large-scale massacre.”[27]

Los van of Katz nu wel of niet gelijk had in de kwestie Tantura, dit is het volledige verhaal. Het lijkt mij vooral een bijzonder tragische geschiedenis voor Teddy Katz en ik zou niet graag in zijn schoenen hebben gestaan. Als ik er toen van had geweten zou ik met liefde een handtekeningenactie of een steuncomité voor hem zijn begonnen, want los of zijn beweringen klopten, dit had in de academische arena moeten worden uitgevochten en niet voor de rechter door belanghebbende veteranen die zelf onderwerp van onderzoek waren. Is net zoiets als een scriptie onderzoek over de politionele acties in Indonesië laten beoordelen door de veteranen van de speciale commando troepen van de missie op Celebes, die onder bevel stonden van ene kapitein Raymond P.P. Westerling. Maar als we zien wat Ratna van dit verhaal heeft gemaakt, in het midden latend of het onderzoek van Katz correct was of niet, dan is het wel stuitend hoe academica Ratna lak heeft aan de academische vrijheid en kiest voor botte propaganda en militaire intimidatie. We zullen hier nog een paar krasse staaltjes van zien.
En dan de bewering dat Een Ander Joods Geluid en United Civilians for Peace geen vredesorganisaties zijn. Wat betreft de ‘Holocaust-vergelijkingen’, waarschijnlijk doelt Ratna op het boek van Hajo Meijer, oprichter van Een Ander Joods Geluid en overlevende van Auschwitz. Hajo Meijer heeft in zijn boek ‘Het einde van het Jodendom’ (hij bedoelt hier overigens mee: het einde van de grote humanistische traditie van het Jodendom, waar hij mee vertrouwd is) wel een soort vergelijking gemaakt met de politiek van de Nazi’s. Hij heeft de situatie in Israël en de houding naar de Palestijnen vergeleken met de situatie van de Duitse Joden aan het begin van de Nazi tijd, voordat er sprake was van massale vervolging, deportatie en uitroeiing. Hij stelt dat de manier waarop de Israëlische politiek omgaat met de Arabieren hem doet denken (is dus iets anders dan ‘gelijk aan’) aan de situatie in Duitsland in de jaren dertig, zoals hij die zelf heeft ervaren. Dat is voor hem ook een belangrijke persoonlijke drijfveer om de Israëlische politiek af te keuren. Maar hij zegt expliciet dat er geen vergelijking is met de ‘Endlösung’. Je kan erover twisten of deze vergelijking legitiem is (mijns inziens overigens wel en Meijer weet deze vergelijking, puttend uit zijn persoonlijke ervaringen, goed te beargumenteren), maar Meijer gaat hier zeker buitengewoon gewetensvol mee om. Over het uitnodigen van Abu Jahjah kun je twisten (Jahjah zegt overigens een felle antizionist te zijn, geen antisemiet), maar dat de eem rechtse politicus en voormalig uitsmijter in een nachtclub maar nu minister en vice premier Avigdor Lieberman door het CIDI vriendelijk wordt onthaald vind ik wellicht nog iets ernstiger. En dat wordt weer door Ratna met vuur verdedigd. Een kleine greep uit de verschillende uitspraken van de voorman Israëlisch extreem rechts (bron):

“It would be better to drown these prisoners in the Dead Sea if possible, since that’s the lowest point in the world.” (Deputy PM Avigdor Lieberman on a potential amnesty to be offered to 350 Palestinian prisoners, 7 July 2003)

“We must continue to fight Hamas just like the United States did with the Japanese in World War II. Then, too, the occupation of the country was unnecessary.” (Foreign Minister Avigdor Lieberman, January 2009)

“They have no place here. They can take their bundles and get lost” (Foreign Minister Avigdor Lieberman on Arab Israelis, May 2004)

Maar dat deze man met alle égards wordt behandeld vindt Ratna de normaalste zaak van de wereld, waarna ze nog een paar ontstellende mededelingen doet:

‘Lieberman wordt ook zwaar aangerekend dat hij in een nederzetting woont. Dit zou zijn ware intenties tonen en laten zien hoe extreem hij is. Niet alleen actiegroepen gebruiken dat tegen hem, ook de NRC gebruikt dit in een bijzonder suggestief artikel over hem, waarin hij wordt neergezet als de grote voorman van de kolonisten, die voor het behoud van ‘Judea en Samaria’ zal strijden en dan niet alleen met vreedzame middelen. In werkelijkheid heeft hij gezegd met de evacuatie van zijn nederzetting, Nokdim, te zullen instemmen in het kader van een vredesverdrag. Je kunt natuurlijk twijfelen aan de oprechtheid daarvan, maar uitspraken van medebewoners van Nokdim gebruiken om aan te tonen dat Lieberman geen vrede wil, is niet minder onbetrouwbaar.
Ik vind deze ‘kritiek’ dan ook niet geheel terecht. Wonen in een nederzetting is geen misdaad, al laat het, zeker buiten de grote blokken en Jeruzalem, wel zien dat hij niet staat te springen om een Palestijnse staat. Mensen wonen om verschillende redenen over de Groene Lijn, uit (religieuze) verbondenheid met het land, of omdat het er rustig en mooi is en bovendien goedkoop wonen, of omdat men vindt dat Israël dit gebied moet houden, of omdat men denkt dat de nederzettingen een geschikt drukmiddel zijn om de Palestijnen zover te krijgen om Israël echt te erkennen en de daarvoor noodzakelijke concessies te doen’.
(http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000403.html, het laatste stukje was al gepasseerd in mijn eerdere discussie met Wouter)

Ratna laat hier een wel zeer reactionaire kant van het Zionisme zien, zoals het ook in Israël door velen niet gepruimd wordt. Ik zal iets verderop haar bijdragen over de Gaza oorlog bespreken, maar vergelijk het geloei van haar eens met deze oproep van in Nederland wonende Israëli’s? Met hen heb ik het echt te doen. Zij keuren de politiek van hun land onomwonden af. Maar misschien zijn dat in Ratna’s ogen ook ‘antiziosemieten’. In die zin is Ratna eerder extreem rechts dan de progressieve Zioniste waarvoor zij zich tracht uit te geven. Heerlijk die vrede en het millieu en het creëren van een utopisch paradijs, zolang die Palestijnen maar en enkeltje Jordanië krijgen. Een zoetsappige Kibboetz idylle, waar ook meer Nederlanders lange tijd in geloofden. Alleen is dat kitscherige beeld gelukkig aan het veranderen en dat zit Ratna dwars, vandaar haar tirades. Zo komt ze in ieder geval op me over. Naar haar motieven kan ik slechts gissen, maar het lijkt op de pure dweepzucht van een wannabe of een fanatieke bekeerling. Verder is wonen in een nederzetting is voor de Israëlische wet niet illegaal, maar die nederzettingen zijn natuurlijk wel illegaal naar het internationale recht, dat door de staat Israël met voeten getreden wordt.

Wie ook ‘links’ is, is Wouter, al uit hij zich op een andere manier dan Ratna (zijn pennenvruchten zijn in regel iets minder geraffineerd). Een kleine passage uit een statement over zichzelf:

‘Gek op Israël en Joden”, zo werd ik al snel omschreven door een Jood die ik een eindje verder had geholpen met zijn Joodse voorouders. Moet je gek zijn om het in deze tijd als linkse jongen voor Israël op te nemen, of je te interesseren voor het lot van de Joodse gemeenschappen die in hedendaags Limburg zo pijnlijk afwezig zijn?
Ik maak me vooral kwaad om al die linksen en pseudo-linksen die menen dat het om tegen Israël en het aan te trappen. Ik kots van al die mensen die verontwaardigd roepen dat Hamas toch democratisch gekozen was - Nou, dat was Hitler ook! En ik walg al helemaal van de boycot Israël aktivisten.
Goede, eerlijke en progressieve mensen in Israël en hier, die hun tijd en aandacht liever zouden geven aan het weer op gang krijgen van het vredesproces in het Midden-Oosten, moeten nu hun tijd verdoen met het verdedigen van het bestaansrecht van Israël tegen de leugens en haatzaaierij van die achterlijke anti-Zionisten’ (http://sittard.blogspot.com/2007/08/gek-op-isral-en-joden.html).

Dit is ongeveer de huisstijl van Wouter (hij is in regel wat directer dan Ratna). ‘Gek op Joden…’ Over ‘filosemitisme’ gesproken. Ik zou er bijna een beetje bang voor worden. We zullen hier later nog wat meer van dit soort statements zien. Overigens wil ik in deze Wouter wel een serieuze reactie geven. Ik ben het wel met Wouter eens dat de verkiezing van Hamas problematisch is (het lijkt me overigens niet hetzelfde als de NSDAP, al was dat in het begin ook nog niet zo zichtbaar, tenminste het definitieve besluit tot de ‘Endlösung’ kwam pas in begin 1942, op de Wannsee Konferenz, al had Hitler ruim daarvoor al genoeg toespelingen gemaakt, zelfs al in Mein Kampf). Maar als je een voorzichtige historische parallel kunt trekken dan lijkt me deze meer toepasselijk: dat de NSDAP groot kon worden in de Weimar Republiek was natuurlijk een gevolg van het systematisch afknijpen van de Duitsers na de Eerste Wereldoorlog. Ik vergoelijk het daarmee niet, maar het was wel de oorzaak. Maar als je nu ziet onder wat voor omstandigheden de inwoners van Gaza leven (over afknijpen gesproken), dan lijkt het mij de beste manier om Hamas te bestrijden vooral het geven van enig perspectief aan de Palestijnen. Tot op heden heeft Israël dat nog nooit gedaan. Zie hier de kern van het probleem Hamas, al heeft het ook te maken met falend Palestijns leiderschap. Maar het hoofdprobleem is de onderdrukking door Israël. En dat is nu juist hetgeen waar Wouter en Ratna niets van willen weten. Misschien heb ik wat betreft Gaza een goede literatuurtip. Lees zeker Drinkend uit de Zee van Gaza (in Nederland uitgegeven door de Balie, 2002), van de Israëlische journaliste Amira Hass, correspondente van de Ha’aretz. Om meteen de aanprijzing van de grote Israëlische schrijver David Grossman erbij te halen: ‘In deze donkere tijden heb ik regelmatig het gevoel dat het werk van Amira Hass een van de zeldzame tekenen van gezond verstand, moed en menselijke waardigheid is’. Of willen Ratna en Wouter soms beweren dat Amira Hass en David Grossman ook anti…(vul zelf maar in) zijn?
Ik ben het wel weer met Wouter eens dat er ook goede en progressieve mensen in Israël zijn (zoals bijvoorbeeld Amira Hass). Alleen hebben die in regel niet dezelfde extremistische of wat mij betreft zelfs gestoorde standpunten over de rechten van de Palestijnen als Ratna en Wouter. Want die lijken meer op die van Avigdor Lieberman.

‘gekleurd’

Echt bont maakt Ratna Pelle het met haar agitatie-campagne tegen het rapport van de Commissie Goldstone, de commissie die namens de VN eventuele mensenrechtenschendingen gedurende de laatste Gaza Oorlog onderzocht. Israël weigerde overigens vantevoren om mee te werken aan dit onderzoek en wilde de commissie zelfs Gaza niet binnenlaten (de commissie kwam uiteindelijk Gaza binnen via Egypte).  De conclusies van dit rapport waren vernietigend. Israël schreeuwde achteraf moord en brand en Ratna leent zich graag uit om de rol van Mohammed Said al-Sahaf op zich te nemen, de vroegere Iraakse minister van Informatie onder wijlen Saddam Hoessein (’There were no warcrimes and human rights violations in Ghaza!’). Voorbeeld, Ratna in Trouw (20 mei 2009):

‘Het pas verschenen VN-rapport over het Israëlische militaire optreden in de Gaza-strook liegt er niet om. De onderzoekscommissie verwijt het Israëlische leger ’roekeloze onachtzaamheid’ jegens VN-personeel en de Palestijnse burgerbevolking. Hierdoor zijn veel slachtoffers gevallen. Het beeld dat Israël buitensporig geweld heeft gebruikt, zonder veel bereikt te hebben, wordt door dit VN-rapport nog eens bevestigd. Toch is dat beeld niet juist. De drastische Israëlische interventie heeft inderdaad burgerslachtoffers geëist, maar dat was bijna onvermijdelijk gezien de stedelijke omgeving waarin de Palestijnse strijders zich moedwillig verschansten met hun raketwerpers (daar gaan we weer , FS). Operatie Cast Lead heeft echter ook tot een ernstige verzwakking van Hamas geleid. Dankzij superieur inlichtingenwerk, een uitstekende samenwerking tussen de krijgsmachtdelen, en zeer geavanceerde doelgeleidingsmethoden, werd het gevechtsvermogen van Hamas een enorme klap toegediend. En dit zonder noemenswaardige verliezen aan Israëlische zijde’ (en burgerslachtoffers aan Palestijnse zijn dus niet noemenswaardig? Het is maar wat je voorbeeldig noemt, FS) .

Elders heeft ze het volgende te melden:

In een opiniestuk in NRC Handelsblad op 3 november hekelde Dries van Agt het feit dat Nederland in de VN Mensenrechtenraad op 16 oktober tegen een resolutie stemde die de conclusies van het Goldstone rapport over de Gaza Oorlog onderschreef. Volgens de Nederlandse stemverklaring is de resolutie ‘niet bevorderlijk met het oog op de inspanningen om het vredesproces nieuw leven in te blazen’, waarmee Nederland volgens Van Agt een ‘onzalige tegenstelling tussen recht en vrede’ suggereert. De Nederlandse tegenstem tegen de resolutie over het Goldstone rapport zou indruisen tegen Nederlands eigen beleid om straffeloosheid van oorlogsmisdaden tegen te gaan, en tegen Verhagens eigen uitspraak dat er geen vrede mogelijk is zonder gerechtigheid. Het rapport van de commissie Goldstone is volgens hem gedegen, accuraat, en uitgevoerd op basis van een evenwichtig mandaat en “onder leiding van één van ’s werelds meest gezaghebbende juristen wiens integriteit boven iedere twijfel is verheven.”

Op de gedegenheid en objectiviteit van de commissie Goldstone en haar rapport valt wel wat af te dingen. Eén van de commissieleden sprak al voor het onderzoek begon een oordeel uit over de ‘Israëlische agressie’ in Gaza. De commissie kreeg haar mandaat van de VN Mensenrechtenraad, die zelfs door Ban Ki-Moon is gehekeld voor haar sterke focus op Israël in vergelijking met andere landen en misstanden. Terwijl Israël ritueel op iedere zitting wordt veroordeeld, en er voor de bezette gebieden een speciale mensenrechtenrapporteur is, worden notoire mensenrechtenschenders als Soedan, Zimbabwe en Wit-Rusland doorgaans ontzien, en tot een veroordeling van een Arabisch of islamitisch land komt het sowieso nooit. Met Libië als voorzitter en leden als Iran en Saoedi-Arabië is natuurlijk ook geen recht te verwachten. De opdracht van de Mensenrechtenraad hield in om alleen Israëlische oorlogsmisdaden te onderzoeken, en Goldstone heeft zijn opdracht zelf verruimd om ook oorlogsmisdaden van Hamas mee te nemen.

Ondanks deze uitbreiding is het rapport zeer gekleurd (je meent het, net als NRC Handelsblad, kom ik later op terug. Gelukkig maar dat jij dat niet bent, FS). Het is voor een groot deel op Palestijnse bronnen gebaseerd, zoals het Palestinian Center for Human Rights (PCHR) en TWATHEQ, een organisatie die door Hamas is gecreëerd en direct onder haar toezicht staat. Uit vergelijkingen van de lijsten van omgekomen Palestijnen die het Goldstone rapport als burgers classificeert, met de dodenlijsten van strijders op de websites van Hamas en Islamitische Jihad, blijkt dat honderden namen op beide lijsten voorkomen. Op de weblog Elder of Ziyon is een lijst gepubliceerd van liefst 349 namen van Palestijnen die als ‘burgers’ op de lijst van slachtoffers staan van het PCHR, maar die ook voorkomen op diverse lijsten van Palestijnse gewapende groeperingen. Zo wordt de politiemacht, die op de eerste dag zwaar was getroffen, als civiel beschouwd, ondanks duidelijke bewijzen dat minstens driekwart van hen ook bij een van de gewapende groeperingen, meestal de Al Qassam Brigades, was aangesloten. Volgens de definitie die sommige organisaties geven van een strijder en een burger is een ieder een onschuldige burger die niet op het moment dat hij door Israël wordt getroffen oorlogshandelingen verricht. Dat maakt het welhaast onmogelijk voor Israël (en voor ieder ander land) om tegen een guerrillaleger of terroristen te vechten, omdat zij de vijand niet openlijk tegemoet treden en vaak geen uniformen dragen.

Lees verder op http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000400.html

Het aardige is dat Ratna een cruciaal detail niet vertelt. Uit alles wat ze opsomt laat ze een ding weg, wat doorslaggevend is (dit soort omissies behoren standaard tot Ratna’s repertoire, zoals we langzamerhand wel gezien hebben). Dat is dat Israël bij voorbaat niet aan het Goldstone rapport wilde meewerken. De commissie werd zelfs de toegang tot Israël ontzegd (de commissie kon Gaza binnenkomen via Egypte). Dat is vreemd: van tevoren proberen zoveel mogelijk een onderzoek te saboteren, in plaats van de gelegenheid gebruik te maken om de eigen kant van het verhaal te doen en achteraf de commissie van van alles en nog wat te beschuldigen. En daar zat nu juist de cruciale fout: Israël wilde geen onderzoek naar Gaza. Je kunt je afvragen waarom. Omdat het teveel te verbergen had? Daarna is er veel ingezet om de commissie zwart te maken en Ratna, hijgerig als ze is, biedt zich graag aan om de Israëlische informatiepolitiek welwillende lippendienst te bewijzen. Maar de kern was dat Israël van tevoren iedere medewerking weigerde, terwijl er alle reden toe was om tenminste een onderzoek in te stellen. Het enige wat Ratna daarover heeft te zeggen is: ‘Ondanks deze uitbreiding is het rapport zeer gekleurd. Het is voor een groot deel op Palestijnse bronnen gebaseerd’. Heel goed Ratna, maar zoiets noemen we gewoon sjoemelen, oftewel propaganda. Israëlische bronnen werden door namelijk door Israël zelf achtergehouden. Eerst medewerking weigeren en dan roepen dat je niet gehoord bent. Dat is precies wat Israël gedaan heeft en Ratna hoereert graag met het Israëlische spel mee. Overdrachtelijk, want nee, Ratna, ik ben nog steeds niet geïnteresseerd in je bedpartners, zoals je suggereerde in onze eerdere kleine woordenwisseling (op http://www.standejong.nl/2009/10/02/nrc-verloochent-principes-bij-berichtgeving-israel/, bericht 66 en 67, helemaal onderaan, maar kom er later nog uitgebreider op terug). Waarom zou ik? Hoe kwam je op het idee?
Maar wat heeft Ratna zelf over de Gaza oorlog te melden? Als je dit hebt gelezen begrijp je ook meteen waarom ze zo op dat rapport is gebrand. Op een van haar andere blogs gooit ze het over een andere boeg en probeert ze de door Goldstone bekritiseerde daden van Israël niet te ontkennen maar recht te praten. Want zie de eerder aangehaalde smaakvolle passage over de Palestijnse kinderslachtoffers:

‘De campagne heeft in totaal tot aan het unilaterale staakt-het-vuren op 17-18 januari 3 weken geduurd, waarbij naar verluid zo’n 1.300 Palestijnen zijn omgekomen en 13 Israëli’s. Over het aantal burgerslachtoffers en strijders verschillen beide partijen sterk van mening. Volgens sommige bronnen is eenderde van de Palestijnse doden kind, volgens andere is dat aantal veel lager. Het maakt ook uit of je 16- en 17-jarigen die soms al volwaardig meedoen in de strijd als kind definieert, en we moeten niet vergeten dat de gemiddelde leeftijd in Gaza 17 jaar is (curs. FS). http://www.israel-palestina.info/gaza_oorlog.html

Eerder heb ik er al op gewezen dat dit niet bepaald de manier is om deze misdaden recht te praten. Het blijven oorlogsmisdaden. En het Goldstone rapport heeft nu net deze zaken aan de kaak gesteld. Is het daarom dat ze zo op dat rapport is gebrand?
Het lijkt me duidelijk dat Ratna echt de meest betrouwbare persoon is om een verhaal over de Goldstone commissie te houden, zoals ze op haar andere blog doet, waar ze de schijn van degelijkheid probeert op te houden. Maar met deze al eerder besproken passage valt ze wel lelijk door de mand. Als tegenwicht haal ik hier Conny Mus aan, correspondent van het RTL nieuws. Op de website van RTL nieuws schreef hij een uitstekende column over deze kwestie. Bij deze de complete tekst (bron):

ISRAEL PLEEGT OORLOGSMISDADEN

De joodse rechter Richard Goldstone neemt geen blad voor zijn mond: Israёl heeft zich schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden en heeft mensenrechten geschonden. Het VN rapport , dat onder Goldstone tot stand kwam, is het meest vernietigende wat Israёl ooit heeft moeten slikken sinds de oprichting van de joodse staat.

Mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International en het Internationale Rode Kruis kwamen eerder al tot dezelfde conclusie. En ook de 100 procent Israёlische club Breaking the Silence concludeerde dat Israёl oorlogsmisdaden heeft begaan. Met Nederlands overheidsgeld interviewden zij 26 Israёlische militairen die tijdens de Gaza oorlog dienden. En ook zij beaamden wat eerdere rapporten, en nu ook het vernietigende VN rapport weer duidelijk maakt.

Goldstone: Jood, zionist en VN rechter
Ondanks het feit dat het VN rapport onder leiding van een jood en zionist tot stand kwam weigerde Israёl alle medewerking. Sterker nog, er werd van alles aan gedaan om Goldstone en zijn medewerkers buiten Gaza te houden. Maar uiteindelijk kwamen ze via Egypte toch binnen om hun gedegen onderzoek uit te voeren.

Vernietigend
Nu het rapport op tafel ligt, is het dan ook als een bom ingeslagen. Israёl wist dat er een kritisch rapport zou komen - uiteindelijk weten zij als geen ander wat er zich afgespeeld tijdens hun militaire offensief in Gaza - maar dat het zo vernietigend zou zijn, daar hadden ze niet op gerekend. Nooit eerder werd Israёl keihard en duidelijk aangeklaagd voor oorlogsmisdaden.

Israёl’s antwoord op het rapport - net als op al die andere rapporten - is vrij simpel; Het rapport is eenzijdig, het klopt niet en het is allemaal politiek gekleurd door mensen die Israёl in een slecht daglicht willen zetten. Dat is min of meer het antwoord dat Israёl altijd kant en klaar heeft liggen als er kritiek is op het beleid en of militair optreden van het land.

Diplomatiek offensief
Nu wordt er een diplomatiek offensief, eentje zonder wapens natuurlijk, geopend door Israёl om de mogelijke gevolgen van het rapport te ondermijnen. Want die gevolgen kunnen grote problemen gaan opleveren. Als de Verenigde Naties het rapport gaat bespreken tijdens haar algemene vergadering, dan zou het kunnen gebeuren, dat ze het Internationaal Gerechtshof in Den Haag opdracht geven Israёl aan te klagen. Dat betekent dat Israёlische officieren, generaals, maar ook Israёl’s premier en andere ministers verantwoordelijk voor deze oorlog, zich moeten verantwoorden voor het Internationaal Gerechtshof in onze regeringsstad Den Haag. Zo niet, dan lopen zij het risico gearresteerd te worden zodra zij buiten Israёl op reis gaan.

Minister Verhagen

Minister Verhagen in Sderot
Israёl doet er dus alles aan om dit rapport zo snel mogelijk te laten verdwijnen. Wat Nederland betreft hebben ze geen problemen. Onze minister Verhagen staat bekend als een vriend van Israёl. Hier wordt hij de pro-Israёl minister uit Nederland genoemd. Minster Verhagen was het niet eens met de commissie Goldstone toen deze haar opdracht kreeg en antwoordt nu dat hij het jammer vindt, dat het rapport over de oorlog gericht is op Israёl en niet op Hamas. Jammer, oke dit is ook het Israёlische standpunt. Maar dan heeft minister Verhagen het rapport niet gelezen, want ook Hamas heeft volgens het rapport zich schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden en moet zich ook verantwoorden. Ja, minister Verhagen, dat staat erin.

Hebben we iets verkeerd gedaan?
De Israёlische media is eensgezind, maar toch zie je verrassende artikelen. Natuurlijk vraagt iedereen zich af, hoe het kan dat een joodse rechter, nota bene een zionist, wiens dochter elf jaar uit joods idealistische overtuiging in Israёl woonde, met zo’n harde conclusie komt. Niemand vraagt zich af: was er iets mis met ons militaire optreden? Eerder in de geschiedenis heeft Israёl zelf onderzoek gedaan naar misstanden. Zowel in Libanon als in de Palestijnse gebieden. De conclusies van die onderzoeken waren ook vaak vernietigend. De Libanonoorlog in 2006, heeft Israёl zelf onderzocht en de Israёlische rechter die aan het hoofd van dat onderzoek stond, was net zo vernietigend in zijn eindconclusie als Goldstone met zijn VN onderzoek. Overigens traden Israёl’s minister van defensie en de opperbevelhebber van het leger af, naar aanleiding van Israёl’s eigen onderzoek naar de Libanonoorlog.

Het verschil is echter, dat dit een internationaal onderzoek is. De gevolgen daarvan kunnen verschrikkelijk zijn voor Israёl. Niet in Nederland hoor, daar kunnen de verdachten uit Israёl rustig met vakantie blijven gaan. Ze hebben uiteindelijk minister Verhagen als vriend en reisleider. Maar verder in de wereld zullen ze zeker in de problemen komen.

Nieuw jaar – Shana tova
De rechtse Israelische krant, hier ook wel de spreekbuis van de joodse kolonisten genoemd, verraste mij volledig met een artikel van Larry Derfner. Hij maakt gehakt van Israёl´s reactie op het rapport . Dit schreef hij over Israёl’s opdracht aan alle ministers en ambassades in de wereld om een diplomatiek informatie offensief te openen:

“ Het heeft geen zin. We kunnen de informatie oorlog niet winnen, en de reden is dat wij geblinddoekt zijn. We hebben die blinddoek zelf opgedaan. We deden dat, omdat we niet willen zien wat we in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever doen.

Maar verder ziet iedereen het.

Onze vriend, de Obama regering, probeert het ons te vertellen en we willen niet luisteren. Nu heeft onze vriend rechter Goldstone het ons verteld, alleen wat minder voorzichtig. Zal dit helpen? Zal deze waarschuwing ons wakker schudden. Zal dit het keerpunt zijn. Ik weet het niet. Maar ik weet wel, dat deze man voor ons een mitzva (goede daad) heeft gedaan, en een dappere. Uit de naam van in ieder geval enkele Israeliёrs, wil ik zeggen, Dank rechter, Shana Tova (gelukkig joods nieuw jaar) ook voor U.”

Joden vieren nu het begin van het nieuwe jaar 5770. De traditie volgens het joodse geloof is, dat je God dan vraagt je zonden te vergeven en zo met een schoon geweten het nieuwe jaar in te gaan. Maar ook volgens de joodse traditie neemt God nooit overhaaste beslissingen. En ook hij zal wel enige tijd nodig hebben om al die rapporten over de Gaza oorlog te bestuderen.

Conny Mus
Correspondent RTL Nieuws Jeruzalem

Ik denk dat ik hier niets aan heb toe te voegen. 100% mee eens! Rest mij nog om Ratna’s meest bizarre opmerking over het Goldstone Rapport aan te halen. Zeer onlangs schreef ze het volgende:

‘Ter vergelijking: er is de laatste tijd veel kritiek op het klimaatrapport van het IPCC, het klimaatpanel van de VN. Ook zij zou haar bronnen niet goed checken, en bijvoorbeeld de onjuiste claim hebben overgenomen dat de gletsjers van de Himalaya binnen 25 jaar gesmolten zullen zijn. Deze kritiek haalt de media en de TV wel, en de IPCC zelf zit hierdoor duidelijk met een probleem. Waarom dringt de kritiek op het Goldstone rapport niet en deze kritiek wel door? Waarom hoeft de commissie Goldstone zich niet te rechtvaardigen en wordt hen niet verweten vooringenomen te zijn geweest, waardoor men niet meer objectief de feiten kon onderzoeken en aan een tunnelvisie leed? Ligt dat aan het feit dat Israël een merendeels rechtse regering heeft of is er iets anders aan de hand?’ (http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000431.html).

Antwoord: Israël wilde niet eens meewerken en maakte de commissie al bij voorbaat verdacht. Verder commentaar is denk ik niet nodig.

Verder wil ik wijzen op Breaking the Silence, een initiatief van gewetensbezwaarde Israëlische (oud) militairen die op een moedige en niets ontziende manier getuigenis doen over operatie ‘Cast Lead’ in Gaza, in de ogen van Ratna ‘een geslaagde campagne’. Deze veteranen denken daar toch een beetje anders over dan de ‘Groen Linkse’ activiste Ratna Pelle. Het aardige is dat Ratna ook aan Breaking Silence weliswaar een lang blogartikel heeft gewijd (ze had het ook kunnen doodzwijgen, dus dat valt me nog mee van haar), maar dat ze er niet goed raad mee weet. Ze orakelt wat over misdragingen van jonge militairen (er waren dus toch misdragingen? Zou Goldstone dan toch ergens niet een klein beetje gelijk hebben?). Ook doet ze het IDF een paar ‘aanbevelingen’ en kakelt ze over ‘hormonen van jonge militairen’ en lijkt het haar beter dat er ‘oudere en meer ervaren miliairen’ worden ingezet. Ze kabbelt verder met: ‘Enerzijds moet men om tegen een vijand te strijden, diens menselijkheid soms vergeten, anders kan men een terrorist, die ook ouders heeft en wellicht kinderen, niet doden, en anderzijds moet men zich zijn menselijkheid steeds bewust zijn, om onnodig geweld en excessen te voorkomen’ en meer van dat soort retorisch behang, als: ‘Een oplossing van het conflict zonder vuile handen is niet mogelijk. Iedere oplossing is onrechtvaardig, ieder compromis brengt risico’s met zich mee. Voor de zoveelste keer laten zien wat fout gaat is makkelijker dan je in het wespennest te begeven van mogelijke oplossingen, verbeteringen, en alle implicaties van dien’. Bovendien verwijt ze Breaking the Silence ’niet bij te dragen tot een oplossing’. Interessant. Wat dacht je van stoppen met de bezetting en vooral de Palestijnen een vooruitzicht te bieden op een levensvatbare staat? (Gaza is natuurlijk officieel niet meer ‘bezet’, maar wel omsingeld en geïsoleerd). Maar zoiets past simpelweg niet in Ratna’s denkkader. Ze concludeert met: ‘Breaking the Silence’ doorbrak geen taboe, maar vertelde een vertrouwd verhaal. Men verbreekt niet de stilte, maar voegt een stem toe aan het koor van criticasters van Israël’. Valt me nog mee. Meestal is ze wat ‘pittiger’, om het voorzichtig uit te drukken.

Om dit stukje over het Goldstone Rapport af te sluiten, plaats ik hier met volledige instemming een oproep van de Britse/Joodse historicus Tony Judt, die Joden wereldwijd vraagt het Goldstone rapport te steunen, als een principiële stem tegen het schrille geluid van de Israëlische overheid en haar fanatiekste supporters, waar Ratna zonder meer toe gerekend kan worden:

By Tony Judt, The Huffington Post – 29 Oct 2009
www.huffingtonpost.com/tony-judt/justice-goldstone-and-the_b_339077.html

We Jews should be very proud of Richard Goldstone. In an ancient tradition of Jewish self-questioning and uncomfortable truth-telling, the author of the recent report from the UN Fact Finding Mission on the Gaza Conflict has braved personal vilification and institutional mendacity to describe the crimes committed by Israeli forces in the course of their invasion of Gaza in December 2008.

To be sure, the Goldstone Report also itemizes the crimes of Hamas, notably in its campaign of rocket-firing into Israel. But the scale of human rights abuses by Israel vastly outdoes anything Hamas could hope to have achieved: Israeli civilian victims of Hamas rocket attacks numbered less than ten. The attack on Gaza by the IDF resulted in at least 1,100 Palestinian civilian deaths. The major perpetrator of human rights abuses in this conflict is without question the State of Israel, and Justice Goldstone records as much.

That the Israel of Benjamin Netanyahu has chosen to conduct an international campaign against Justice Goldstone and his report need not surprise us. Israel refused to cooperate with the UN investigation; long before its conclusions were published, Netanyahu had set in motion a campaign to deny and denigrate them. More dispiriting, and of greater political consequence, is the pitiful and humiliating response of the Obama Administration. The “fierce urgency of now” apparently required that Washington join Tel Aviv in discrediting the Goldstone Report, and with it the UN inquiry.

This response is of course in keeping with America’s long-standing determination to protect Israel against the consequences of its actions at home and abroad; but the universal international condemnation of the destruction of Gaza renders the Obama Administration’s response peculiarly self-defeating — everyone knows what happened in Gaza, so Washington’s collusion in covering it up merely draws further attention to the discrediting of U.S. foreign policy and moral standing brought about by our unhealthy relationship with Israel.

There is a special irony to the public slandering of Justice Goldstone now under way. In the first place he is not only Jewish but has close family links to Israel and the Zionist ideal. Secondly, Richard Goldstone has an impeccable resumé as a critic of racism, prejudice and repression — most notably as an active opponent for many years of the apartheid regime in his native South Africa. During the ’90s he served as Chief Prosecutor at the United Nations International Criminal Tribunals dealing with human rights abuses, crimes and genocide in the former Yugoslavia and for Rwanda. It would be hard to fictionalize a more convincing biography for an engaged and ethically uncompromising jurist in the great tradition of Jewish political activism. Goldstone’s standing in the world will only rise as a consequence of Israel’s short-sighted attempts to discredit the man, the report and the facts. That our own government has chosen to join in this unworthy exercise should be a source of deep embarrassment and shame.

Please join me and Jews from all over the world in signing the Jewish Appeal Letter in Support of the Goldstone Report written by Jews Say No an organization in NY.  Go to: http://www.petitiononline.com/UNreport/petition.html

Nogmaals, al was dit allang duidelijk: ‘That the Israel of Benjamin Netanyahu has chosen to conduct an international campaign against Justice Goldstone and his report need not surprise us. Israel refused to cooperate with the UN investigation; long before its conclusions were published, Netanyahu had set in motion a campaign to deny and denigrate them’.

Ratna Pelle is met haar vele blogs over het Goldstone rapport niets anders dan een (wellicht vrijwillige) uitvoerdster van Netanyahu’s campagne, tenminste, daar heeft het alle schijn van. Hoezo ‘linkse Zioniste’?

‘Waar’

Uit een bericht op de site van het CIDI zou blijken dat Ratna ‘onderzoek’ zou hebben gedaan naar de handel en wandel van NRC Handelsblad. Zij zou hebben aangetoond dat NRC Handelsblad een eenzijdige positie zou hebben ingenomen gedurende de laatste Gaza Oorlog. Hier overigens de link naar dit ‘onderzoeksverslag’ zelf. Dat onderzoek is alweer een klucht op zich, waar je een heel nieuw artikel over zou kunnen schrijven. Dat zal ik hier achterwege laten. Ik geef hier een stukje van Ratna zelf weer over haar ‘onderzoek’:

‘Het idee was simpel: nadat mijn tigste ingezonden brief aan de NRC (! dat zal wel een bombardement geweest zijn, FS) was afgewezen en nadat ik de zoveelste fout ten nadele van Israël zag staan, besloot ik dat een systematisch onderzoek op zijn plaats zou zijn. Ik wilde weleens weten of mijn indruk klopte, dat mensen met een pro-Israël visie en pro-Israëlische bronnen geen ruimte krijgen in deze krant, terwijl er wel om de haverklap een domme brief van Gretta of EAJG (Een Ander Joods Geluid, FS) of iemand anders in stond met een uitgekauwde gemeenplaats of zelfs regelrechte leugen over Israël. Immers, de keren dat je je aan een brief ergert onthoud je wellicht beter dan de brieven die je wel goed vind, en de keren dat er een onjuistheid ten nadele van Israël in de krant staat blijven je beter bij dan de keren dat men wat kort door de bocht was over de Palestijnen. Ik meen dat psychologen hebben onderzocht dat mensen negatieve ervaringen beter onthouden dan positieve ervaringen of dingen die ze normaal vinden (dus een ingezonden brief van Gretta Duisenberg onthouden we omdat we dan een stoot adrenaline te verwerken krijgen, maar een ingezonden brief van Ronnie Nafthaniël weer niet, want dat vinden we normaal. Dat is psychologisch best wel interessant : ) Overigens ben ik wel benieuwd hoe jij de krant leest, FS ).

Nou is het in de wetenschap (! FS) niet de bedoeling dat mensen voor ze aan een onderzoek beginnen al een duidelijke visie op de zaak hebben, of een bepaalde uitkomst prefereren of daar belang bij hebben, want dat zou de resultaten kunnen beïnvloeden (je meent het??? FS). Maar ik hoopte ergens juist dat mijn idee erover onjuist zou blijken te zijn (dat jok je, FS). Ik had graag gezien dat nader onderzoek uitwees, dat ook mensen die het voor Israël opnemen ruimte kregen, en dat in artikelen aan beide kanten evenveel aandacht werd besteed, en alle bronnen met gepast wantrouwen werden bejegend. Ik had ook gehoopt dat het vertrek van correspondent Oscar Garschagen een reële verbetering zou inhouden. Hem vond ik altijd bijzonder eenzijdig en suggestief. Hij schetste consequent een beeld van Hamas als redelijk en Israëlische politici als haviken. Het lag alleen aan Israël dat er nog geen vrede was, en Palestijns geweld werd altijd van context voorzien zodat het begrijpelijk werd, een reactie was, waar het slinkse Israël vervolgens handig gebruik van maakte. Het werd niet of nauwelijks beter toen hij wegging. Salomon Bouman, die het tijdelijk min of meer van hem overnam, was niet beter, al had ik van tevoren wel die hoop. Ook Bouman bagatelliseerde het geweld en de extremistische ideologie van Hamas, ook hij maakte steeds suggestieve opmerkingen, en legde Palestijns geweld en compromisloosheid altijd uit als logische of begrijpelijke reactie op wat Israël deed. Guus Valk die daarna kwam paste naadloos in deze traditie. Het ligt dus niet aan de verslaggever, maar aan de krant’ (http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000394.html ).

Haar bevindingen vatte ze als volgt samen:

‘De in totaal 83 artikelen in NRC zijn aan een aantal criteria getoetst. Dit waren: hoor en wederhoor, het geven van context, suggestief woord- en taalgebruik, de gebruikte illustraties en koppen, de gebruikte bronnen, wie er werden geciteerd en geïnterviewd, feitelijke onjuistheden en het algehele perspectief dat uit een artikel spreekt. De totaalscore werd uitgedrukt in licht gekleurd, gekleurd en sterk gekleurd ten nadele van Israël dan wel de Palestijnen of neutraal. De uitkomsten hiervan zijn vergeleken met de eigen journalistieke principes van NRC Handelsblad, waarin diversiteit van meningen en ideeën en de scheiding van feiten en de visie van de krant centrale elementen vormen. Daarnaast onderschrijft NRC uiteraard algemene journalistieke principes als hoor en wederhoor en gebruik van alle relevante beschikbare bronnen.

Meer dan de helft van de artikelen in de onderzochte periode, namelijk 45, bleken (sterk) gekleurd ten nadele van Israël en/of ten voordele van de Palestijnen. Nog eens 18 artikelen zijn enigszins gekleurd ten nadele van Israël of ten voordele van de Palestijnen, en 16 artikelen zijn neutraal te noemen. Terwijl in verschillende artikelen, vooral de achtergrondartikelen en reportages, duidelijk een Palestijns perspectief naar voren komt, en hun problemen, wanhoop en frustraties centraal staan, geeft geen enkel artikel vooral de Israëlische visie weer.
Op alle criteria bleek de berichtgeving in NRC gekleurd te zijn ten nadele van Israël, het meest op context (51 artikelen), suggestieve en ongefundeerde beweringen (47 artikelen) en perspectief (ook 47 artikelen); 28 artikelen bevatten in totaal 56 feitelijke onjuistheden, allemaal ten nadele van Israël’
(http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000394.html ).

Wat ik bij dit soort ‘beeldvorming/media onderzoeken’ overigens altijd interessant vind hoe je vaststelt of iets ‘gekleurd’ kan zijn qua ‘context’ en qua ‘perspectief’. Dat laatste snap ik nog wel, maar dan ga je ervan uit dat de verslaggever vanuit een gekleurd perspectief de waargenomen gebeurtenissen registreert. Maar is dan het ene artikel meer gekleurd qua perspectief dan een ander van dezelfde auteur? Lijkt me een beetje vreemd. En dan vooral dat je daar vervolgens een precieze kwantitatieve bewering over kunt doen, maar dat terzijde. Wat mij betreft regelrechte kul, maar misschien ben ik een beetje conservatief in dat opzicht. Maar los van hoe ik tegen (sommige) van dit soort onderzoeken aankijk, is dit eigenlijk wel een onderzoek? Wat mij betreft is het al op een geestige manier afgedaan door een zekere Ozymandias, in het forum van de weblog ‘loorschrijft’ van een zekere Loor, een geestverwante van Ratna (Ratna’s bijdragen worden daar regelmatig instemmend aangehaald). In een bericht in het forum schreef deze Ozymandias:

Persbericht voor o.n.m.i.d.d.e.l.i.j.k.e. publicatie:

Vervolgstudie stichting J.O.P.I.E. bewijst antisemitische karakter van NRC!

Lutjebroek – Naar aanleidingen van de bevindingen van stichting W.A.A.R. heeft Prof Dr. De Vries van de volledig objectieve stichting J.O.P.I.E. een vervolgstudie gedaan. Stichting J.O.P.I.E. heeft 5 krantenberichten van het NRC Handelsblad vergeleken met de informatie op wikipedia.nl en het ook volledig objectieve cidi.nl.
In de berichtgeving van het NRC waren maar liefst 5 meldingen gemaakt van mishandeling van Palestijnse burgers door Israëlische soldaten, 2 meldingen van vernieling van Palestijnse roerende zaken door Israëlische soldaten, en 3 gevallen van intimidatie van Palestijnen door Israëlische kolonisten. ln al die gevallen was daarvan niets terug te lezen op wikipedia.nl of cidi.nl.
De Vries concludeert daaruit dat het NRC een anti-Israëlische krant is.
Stichting J.O.P.I.E. heeft deze bevindingen gewogen aan de hand van objectieve en wetenschappelijke criteria voor het herkennen van antisemitisme.
De stichting J.O.P.I.E. objectieve en wetenschappelijke kenmerken van antisemitisme:
- De krant vermeldt mishandeling van Palestijnse burgers door Israël
- De krant vermeldt vernieling van Palestijnse roerende zaken door Israël
- De krant vermeldt intimidatie van Palestijnen door Israël
Aan de hand van deze criteria heeft stichting J.O.P.I.E. met grote zekerheid weten vast te stellen dat het NRC een antisemitische krant is.
Op de vraag hoe het mogelijk is dat stichting W.A.A.R. niet eerder het antisemitische karakter van het NRC niet heeft weten bloot te leggen, reageert de Vries twijfelend. ‘Het is mogelijk dat de blik van stichting W.A.A.R. vertroebeld is omdat die zelf ook zelf lichtelijk geïnfecteerd is met antisemitische sentimenten. Maar dat durf ik niet met grote zekerheid te zeggen. Voor je het weet heb je namelijk een proces aan je broek vanwege beweringen die je niet hard kunt maken.’
Het onderzoeksverslag is na te lezen op het gloednieuwe home.hetnet.nl/~stichtingjopie

http://loorschrijft.web-log.nl/verwondering_is_het_begin/2009/10/nrc-komt-eigen.html#comment-25741259

Hiermee zou je dat ‘onderzoek’ van Ratna wel kunnen afdoen (ook op www.pimfortuyn.nl wordt dit werkje aangeprezen, http://www.pim-fortuyn.nl/pfforum/topic.asp?TOPIC_ID=64540, waarschijnlijk met het motief ‘zie je wel, ze blijven demoniseren en dat doen ze ook nog samen met de moslims’. Moet je vooral een fake onderzoek aanhalen om Professor Pim te eren, goed zo jongens). Zoveel interessants bevat dat onderzoek namelijk niet. De bovenstaande parodie van Ozymandias volstaat wel. De enige echt belangrijke vraag die je kunt stellen is waarom de onderzoekers en hun opdrachtgevers zelf zo mysterieus zijn over hun uitgangspunten en uitblinken in hun totale gebrek aan transparantie. Als je het gelijk aan je kant hebt, leg dan alle kaarten op tafel. Maar dat schijnt dan weer niet mogelijk te zijn. Niet erg geloofwaardig als je NRC Handelsblad dit soort verwijten maakt. Alleen dat al maakt dit hele rapport onwetenschappelijk en wekt de schijn dat het om een niet al te elegante vorm van propaganda gaat. Dat NRC Handelsblad, tot Ratna’s woede en teleurstelling, geen zin had om op dit ‘onderzoek’ in te gaan, begrijp ik wel. Lijkt mij het meest verstandige wat je in zo’n geval kunt doen.
Over de Stichting W.A.A.R. (‘Waarheidsvinding, Accuratesse en Authenticiteit in Reportages’) is op internet nauwelijks iets te vinden, of het is op de vele blogs van Ratna zelf. Toch meen ik te weten dat deze club bestaat of in ieder geval bestaan heeft.
Alweer meer dan zes jaar geleden  zond het Vara programma Zembla een aflevering uit getiteld ‘Zwijgen over Israël’ (23 oktober 2003). Hierin werd onderzocht hoe het kwam dat Nederland zo lang zo eenzijdig Israël steunde (o.m. interviews met de oud-ministers Vredeling, Stemerdink, van den Broek en van Mierlo) en hoe de pro-Israëlische lobby in Nederland werkt. Uitgebreid aan het woord kwamen de toenmalige ambassadeur van Israël in Nederland Eitan Margalith, Rabbijn Evers, Ronnie Naftaniel van het CIDI, (oud) Midden Oosten correspondenten Maarten Jan Hijmans en Conny Mus, classicus Anton van Hooff van de Universiteit van Nijmegen (die zich in zijn column in de Gelderlander weleens kritisch heeft uitgelaten over Israël, kom ik later nog op terug) en een groepje jongeren van de Stichting W.A.A.R. Kees Schaap, redacteur van Zembla, herinnerde zich dit clubje als volgt: ‘De “Stichting Waar” (indertijd “Waarnet”) heb ik van dichtbij leren kennen toen ik de Zembla uitzending “Zwijgen over Israel” maakte. Het is helemaal geen objectieve “factchecker” maar een lobby-club die van te voren strategieën bedenkt om critici van Israel monddood te maken. Tijdens deze opnames maakte ik kennis met een joodse bekeerling die in de redactie van “Stichting Waar” zat. Deze man liet zich zonder schroom uit over hoe hij dacht over Palestijnen. “Palezwijnen” noemde hij ze, zelfs nog op ons Zembla-forum’
(http://zembla.vara.nl/fileadmin/uploads/VARA/be_users/documents/tv/pip/zembla/2009/Reactie_zembla_op_kritiek_gaza.doc ). Uit de uitzending bleek ook dat de Israëlische ambassade deze club, net als het CIDI, uitgebreid steunde, zoals ambassadeur Eitan Margalith het openhartig vertelde.
Over de Stichting W.A.A.R. heb ik een keer een kleine wat onvriendelijke woordenwisseling met Ratna gehad. Ik geef onze wat bitse woordenwisseling hier integraal weer (op http://www.standejong.nl/2009/10/02/nrc-verloochent-principes-bij-berichtgeving-israel/comment-page-2/):

Gepost door:
Floris Schreve
op:
19 november , 2009 om 6:36 pm

‘Zie voor wat die Stichting W.A.A.R. is deze uitzending van Zembla http://redir.vara.nl/tv/zembla/welcome2.html?20031023/zembla
Zoals blijkt is WAAR niets meer dan een PR bureautje dat lippendienst probeert te bewijzen aan de Israëlische zaak, daarbij gesteund door de ambassade.
Verder is dat ‘onderzoek’ van deze Ratna flinterdun. En inderdaad, waarom zo geheimzinnig doen over je eigen achtergrond? ‘Ik ben Ratna Pelle, academica en publiciste’. O ja, waarin dan? Overigens vraag ik me zelfs af of deze Ratna een echt rapport heeft geschreven voor de Stichting W.A.A.R. Over W.A.A.R. is verder niets meer terug te vinden, behalve in die uitzending van Zembla en verder op de talloze blogs van Ratna zelf.
En google voor de grap “Ratna Pelle” maar eens een keer (paar duizend hits). Maar ik ben benieuwd of iemand daar wijzer van wordt. Dat er iets niet helemaal deugt lijkt me duidelijk. Ondanks de verpletterende kwantiteit van haar bijdragen is er niets te vinden over wie deze mevrouw is. Er zijn een paar aanwijzingen, maar die worden al snel heel erg vreemd.
Maar goed, zelf zal ik nog wat aandacht aan dit ultra zionistische en Palestijnen hatende fantoom besteden.

Floris Schreve

Gepost door:
Ratna Pelle
op:
20 november , 2009 om 12:37 am

Wat een ondermaats ad hominem commentaartje van ene Floris Schreve. Ik doe nergens geheimzinnig over, en schrijf altijd met naam en toenaam of minstens mijn initialen. Vandaar dat je zoveel hits krijgt als je mijn naam opgoogelt. Of bedoel je dat je wilt weten welke maat schoenen ik heb, wie mijn kleuterjuffrouw was, hoeveel exen ik heb en wie ik in een vorig leven was?
Het hele rapport staat op de website Israel-Palestina Info ( http://www.israel-palestina.info/krantenonderzoek_nrc.html ) en is bepaald niet flinterdun te noemen. De beide delen en de artikelenlijst zijn bij elkaar ruim over de 100 pagina’s, waarin meer dan 200 artikelen tegen het licht worden gehouden en aan 10 verschillende criteria getoetst. Kun je nog eens precies uitleggen wat je met ‘flinterdun’ bedoelt? Of bedoel je dat de uitkomsten je niet aanstaan en je daarom maar wat tegen mij en Stichting WAAR (ingeschreven bij de Kamer van Koophandel) gaat lopen trappen?
En waar komt eigenlijk je haat tegen mij vandaan? Je hebt natuurlijk alle recht met mij van mening te verschillen, maar waar slaat ‘dit ultra zionistische en Palestijnen hatende fantoom’ op? Zou je je misschien niet eens laten nakijken?
Even voor de duidelijkheid: de huidige stichting WAAR is iets anders dan het oude WAARnet, waarvan enkele mensen in die Zembla uitzending aan het woord kwamen, waarbij de boel naar goed Zembla gebruik waarschijnlijk flink werd verdraaid (zie over Zembla ook: http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000359.html ) Niemand van de huidige leden was daar bij. En nee, stichting WAAR wordt niet gesteund door de Israelische ambassade en ook niet door andere vage duistere en o zo machtige geheime zionistische netwerken’.

Tot zover de enige ‘conversatie’ die ik tot nu toe met Ratna gevoerd heb. Ik was zelf ook niet erg vriendelijk, om eerlijk te zijn, dus het zij haar in dit geval enigszins vergeven. Ik verwacht ook niet dat dit zal veranderen na dit artikel. Dat ze wat mij betreft nog steeds een soort fantoom is, lijkt me duidelijk. Overigens was het niet eens een echt ad hominem, want ik zou niet weten hoe ik tegen het fantoom Ratna zou moeten ‘ad hominemen’. Dat is ook mijn punt. Buiten de duizenden bijdragen op internet ter meerdere glorie van de Staat Israël en haar ethische politiek naar de Palestijnen, is ieder spoor van Ratna Pelle onzichtbaar. Dus ‘ad hominem’, wellicht, maar het blijft een oppositie tegen opvattingen, niet tegen de mens daarachter, waar ik oprecht niets zinnigs zou weten te zeggen, zelfs niet als ik het zou willen. En of ze grote, kleine, of platvoeten heeft, of met wie ze het allemaal wel of niet gedaan heeft vind ik niet zo interessant. Waarom zou ik? Wat ik vreemd vind dat er achter deze bak propaganda slechts iemand zit die zich ‘academica, actief in de linkse beweging voor vrede en het millieu’ noemt en zegt op te komen voor ‘zowel het Joodse als het Palestijnse recht op zelfbeschikking’, maar in de praktijk alleen maar het meest extreem rechtse standpunt inneemt vanuit Israëlisch perspectief. Ze is dus niet helemaal recht door zee, vandaar mijn vraagtekens. Lijkt me wederom een open deur. De uitzending van Zembla, Geen geld voor Gaza, waar Ratna het over heeft en waar ze een link naar haar commentaar plaatste, kan ik overigens ook van harte aanbevelen, hier te bekijken. Wederom ontluisterend. Bekijk hem zeker en weeg het af tegen Ratna’s commentaar. Is zeker interessant. En voor alle duidelijkheid, de Stichting W.A.A.R. die in Zembla figureerde werd gesteund door de ambassade. De Israëlische ambassadeur zegt het zelfs expliciet (’We are in permanent interaction’, in zijn woorden). Hoe duidelijk moet je het dan hebben? Lijkt me dus moeilijk te ontkennen.
Hoewel Ratna dus zelf ontkent dat het dezelfde club was die in in 2003 in een uitzending van Zembla aan het woord kwam (bij deze ter kennisgeving aangenomen, al is het natuurlijk puur toeval dat haar clubje dezelfde naam heeft ;), lijkt het erop dat er weinig verschillen zijn tussen de Stichting W.A.A.R. die aan het woord komt in Zembla en de club waarmee Ratna een onderzoek zou hebben verricht. Uit berichten, gepubliceerd op de site van Zembla, blijkt dat deze stichting zou zijn gevestigd in Eemnes (!) en gerund wordt door een zekere mevrouw MS Slager-Sijs (zie hier en zeker ook hier). Zij zou nauw samenwerken met de organisatie Israel Facts, die gerund wordt door Yochanan Visser (Jan Visser), een tot het Jodendom bekeerde Nederlandse aannemer die zich op de Westbank heeft gevestigd (voornamelijk actief in de illegale nederzettingenbouw en hij woont in de eveneens illegale nederzetting Efrat), die vanaf daar de Nederlandse media monitort op ‘onzorgvuldige’ (lees ‘kritische’) geluiden naar Israël (zie ook dit bericht op de site van Stan van Houcke). Is iets waar je even over moet nadenken: je woont in een illegale nederzetting en draagt substantieel bij aan illegale activiteiten en gaat vervolgens de Nederlandse pers inspecteren op eventuele kritische opmerkingen. Dan heb je dus, neem me niet kwalijk, of een plaat voor je hoofd, of je bent een superproleet, of beide, om het maar een keer diplomatiek te zeggen. Dat lijkt mij dus geen nette meneer, al zal hij dit ongetwijfeld uit oprechte overtuiging doen. Dit bedoel ik dus met dolgedraaide fanatici.
Wie op dit gebied ook hun steentje bijdragen zijn Ron en Rosa van der Wieken, de vroegere boze buren van Gretta Duisenberg in Amsterdam Zuid. Ook zij houden een site bij die de Nederlandse media monitort op anti-Israëlische tendenzen, die zij, waar nodig, kloek aan de schandpaal nagelen. Hun stekje ‘Ironcomb’ (wel een heftige naam trouwens, maar ja, Amsterdam Zuid is ook heftig) is hier te vinden. Daar valt een heleboel interessants te lezen, zoals: ‘Israel zou -binnen de grenzen van de realiteit- niets liever willen dan een bevriende vreedzame Palestijnse buurstaat waarmee zaken gedaan kunnen worden. De Palestijnse macho-heroische mentaliteit, de clanstructuur, de vermeende voordelen van het slachtofferschap en de irreële onderhandelingseisen maken het tot stand komen van een eigen staat schier onmogelijk’ (http://www.ironcomb.nl/?pageAlias=Artikelen&curId=16). Dus de Palestijnse ‘volksaard’ leent zich niet voor een onafhankelijke staat? Een stukje culturele antropologie van de koude grond met een vies koloniaal smetje, lijkt mij tenminste. Zo werd er vroeger ook over ‘de Javaan’  in ‘ons Indië’ gesproken. Wel een beetje stigmatiserend, nietwaar? Dat zouden meneer en zeker mevrouw van der Wieken, die met een vergrootglas een profielensite als hyves onderzoekt op antisemitische uitlatingen van scholieren (zie hier, overigens in samenwerking met de club van de eerder genoemde Yochanan Visser), zich wel enigszins mogen aantrekken. Edward Said, op dit blog vaak ter sprake gekomen, had in bepaalde opzichten toch wel ergens gelijk, om het maar voorzichtig uit te drukken. En bovendien, sinds wanneer zou Israël ‘niets liever willen dan een bevriende vreedzame Palestijnse buurstaat waarmee zaken gedaan kunnen worden’? Als Israël een ding heeft gedaan in de afgelopen decennia, is het wel het met man en macht voorkomen van zo’n levensvatbare Palestijnse staat. Kortom, een beetje schaamteloos om dat zo monter te beweren. Met dit soort verhaaltjes staat die site vol. Een optreden van Ron van der Wieken in Buitenhof is hier te bewonderen, samen met Jessica Durlacher en Milo Anstadt, in de uitzending van 9 juni 2002 (met een bijzonder verstandige en wat mij betreft bewonderenswaardige bijdrage van Milo Anstadt, al geldt dat helaas niet voor die andere twee).
De uitzending van Zembla van 23 oktober 2003, oa over de Stichting W.A.A.R., is overigens nog steeds erg de moeite waard, hier terug te zien. Ook het fenomeen ’spontane ingezonden brieven’, zo’n beetje de core business van Ratna en Wouter, komt hierin uitgebreid aan de orde. Onder hen aantal critici van Israël dat ons overijverige duo herhaaldelijk in de pen doet vliegen om weer de zoveelste ’spontane reactie’ te produceren, zoals de Nijmeegse classicus Anton van Hooff, zie overigens hier zijn correspondentie met Wouter op de site van Wouter. Vooral lachwekkend. Van Hooff legt heel precies uit wat er hier aan de hand is (waarom stuurt iemand uit Sittard een brief nav een stuk uit de Gelderlander?), waarop Wouter niets meer kan uitbrengen dan wat brallerige stoplappen. En dan toch op zijn site geplaatst. Je kunt Wouter veel verwijten, maar niet dat hij last van enige gêne heeft. En verder legt ook dit akkevietje weer genadeloos het blinde fanatisme bloot van het bizarre tweetal Ratna & Wouter (Wil).

‘antisemitisme’

En dan Ratna’s antisemitisme beschuldigingen. Mij is het nu een keer overkomen, maar anderen nog wel iets vaker.  Zie ook hoe zij Dries van Agt ’subtiel’ in die hoek probeert weg te zetten. In haar recensie van zijn boek Een schreeuw om recht,  in Trouw, stelt ze: ‘Van Agt is niet voor vrede op basis van twee staten voor twee volken. Tekenend is zijn afwijzing van onderhandelingen tussen beide partijen om tot vrede te komen, en het feit dat hij in het comité van aanbeveling zit van Stop de Bezetting. Dat pleit voor ‘Palestina en Israel voor de Palestijnen’, en bagatelliseert de Holocaust’ (citaat triomfantelijk aangehaald op de site van het Cidi, http://www.cidi.nl/index.php?option=com_content&task=view&id=522&Itemid=55, de recensie in zijn geheel te lezen op een van de vele sites van Ratna, http://www.israel-palestina.info/modules.php?name=News&file=article&sid=1059 ). Echt achterbaks is deze bespreking van het werk van van Agt (op http://www.israel-palestina.info/driesvanagt_israel_palestijnen.html), overigens niet ondertekend, dus het is niet duidelijk of het van Ratna of Wouter is:

‘Dries van Agt studeerde aan het Gymnasium Augustinianum, een rooms-katholieke middelbare school in Eindhoven, die bekend stond om haar conservatieve opvattingen. Zo hield zij lange tijd vast aan het antisemitische gebed over de Judaei Perfides, de ‘valse joden’, dat formeel werd afgeschaft door het Tweede Vaticaanse Concilie van 1962-65. Sommigen brengen deze achtergrond in verband met Van Agts huidige felle anti-Israël retoriek, evenals een aantal incidenten tijdens zijn ministerschap en premierschap, waaronder zijn beruchte ‘ariër opmerking’ rond de discussie over de vrijlating van de Drie van Breda (tot levenslang veroordeelde oorlogsmisdadigers), en zijn weifelende optreden wat betreft de oorlogsmisdadiger Pieter Menten’. 

Bijna hilarisch is deze passage van Ratna (gaat weer over iemand anders, die ze van antisemitisme heeft beschuldigd, voor die persoon vind ik het overigens niet hilarisch): ‘Ik drukte mij in eerste instantie nog voorzichtig uit, omdat ik weet dat je met het a-woord voorzichtig moet zijn, en legde uit hoe dicht bij elkaar antizionisme en antisemitisme vaak liggen, en dat als iemand de hele week van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat achter de computer zit om Israël, de enige Joodse staat, zwart te maken, dat toch wel te denken geeft’ (http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000295.html). Gelukkig zit Ratna Pelle niet van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat achter de computer. Het idee al. Dit laatste voorbeeld lijkt mij een aardig staaltje projectie. En dat je ‘voorzichtig met het a-woord moet zijn’, dat meent ze niet. Lijkt mij wat haar betreft een gevalletje van ‘een beetje jokken’.
Maar wat ze over de journalist Stan van Houcke schrijft slaat alles (vooral bekend van de VPRO). Ratna heeft een hele serie aan hem gewijd, waarin zij hem voor antisemiet uitmaakt. Nu is Stan van Houcke verre van kinderachtig naar Israël, maar is dat antisemitisch? In zijn boek De Oneindige oorlog (Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2009) heeft hij verschillende Israëli’s geïnterviewd over het voortdurende conflict met de Palestijnen, waaronder de prominente schrijver Amos Oz, overigens iemand die ook vrij kritisch naar zijn eigen land kijkt. Ik ben het niet altijd helemaal met van Houcke eens, maar dit boek wil ik bij deze warm aanbevelen (het zijn vaak prachtige interviews, ondanks de akeligheid van het onderwerp). Maar, is het erg waarschijnlijk dat iemand van de statuur van Amos Oz zich (meerdere keren!) zou laten interviewen door een structurele antisemiet, maw door iemand die een racistische haat tegen Joden koestert (de werkelijke betekenis van het begrip ‘antisemitisme’)? Het lijkt me zelfs buitengewoon onwaarschijnlijk, zoniet uitgesloten, tenzij Oz totaal niet op de hoogte zou zijn van wat van Houcke allemaal verder schrijft. Maar daar schat ik Amos Oz en al die anderen die hij heeft geïnterviewd, zoals Abraham Yehoshua, Eitan Bronstein, of Idith Zertal, toch iets te hoog voor in. Dus laten we het er op houden dat de veel gebruikte en daardoor nogal aan inflatie onderhevige antisemitisme riedel van Ratna Pelle vooral iets over haar zelf zegt en haar aangenomen rol van ‘frontsoldaat in een vuile propaganda-oorlog’. Ik denk dat ze daarmee wel afdoende is getypeerd.
Wie het helemaal bont maakt is Wouter, zoals blijkt uit deze potsierlijke pagina op de ‘neutrale website’ Israël-Palestina Info. Werp hier zeker een blik op. Zomaar een passage:

‘Critici van het Israëlische regeringsbeleid roepen al jaren op om Israël te boycotten. Het Nederlandse en het nog radikalere Vlaamse Palestina Komitee hebben er zelfs een aparte website voor opgericht,
waarin ad absurdum eenzijdige eisen aan Israël worden gesteld.
Temidden van alle wrede dictaturen die nog steeds bestaan op de wereld, menen zij juist de enige Joodse staat te moeten boycotten,
terwijl haar dictatoriale buurlanden ongehinderd het geweld tegen Israël blijven steunen. Hierbij past maar 1 vergelijking:

(foto van een bruinhemd die een plakkaat ‘Kauft nicht bei Juden’ tegen een winkelruit plakt. Bekijk maar via de link, want ik heb geen zin om dat soort plaatjes open en bloot op mijn blog te plaatsen)
Duitsland, 1933

Dit is dus ongeveer Wouter. Je vraagt je af welke eisen er aan Israël worden gesteld (‘ad absurdum’!). Het probleem is dat Israël juist overal mee weg kan komen, zie de onvoorwaardelijke rugdekking van de VS en een paar Europese landen, vooral Nederland. Hooguit begint hierdoor, ook in Nederland, de publieke opinie enigszins te schuiven.
Dit is niet enige wat er niet klopt aan Wouters ‘statement’, om het maar voorzichtig te zeggen. Maar waar moet je beginnen? Staat kritiek op Israël gelijk aan het woord en het handelen van ene meneer AH? Wat moet Israël nog meer doen, voordat er van Wouter en Ratna kritiek mag worden geleverd? Kernwapens inzetten tegen de Palestijnen, zoals de extreem rechtse leider Avigdor Lieberman heeft geopperd? Maar dat zou ook het einde zijn van Israël zijn, dus misschien dat dit zelfs voor Ratna en Wouter een brug te ver is. Alhoewel, niet voor het CIDI, want die nodigen Lieberman zelfs uit om een lezing te komen geven in Amsterdam.
Dat de houding naar verschillende Arabische dictaturen ‘pragmatisch’, opportunistisch, inconsequent en cynisch is geweest, of nog steeds is, helemaal waar. In die zin eens met Wouter. Heeft alles te maken met Realpolitik. Tijdens de Koude Oorlog was het al erg en nu, tijdens de ‘strijd tegen het terrorisme’ eveneens, misschien nog wel erger. Volledig juist. En ook naar deze regimes zou je een zo gepast mogelijke politiek moeten voeren, al is het hoe een niet zo simpele kwestie, net als hoe om te gaan met Israëls politiek naar de Palestijnen. Maar als de boycot tegen de apartheid legitiem was, dan zou ik een boycot van Israël nog niet een zo gek vinden (al ben ik meer voor de kritische dialoog, desnoods onder voorwaarden, met evt het inzetten van sancties als drukmiddel). Maar om dit met de politiek van de Nazi’s te vergelijken is regelrecht belachelijk. Wouter zou gelijk hebben als er zou worden opgeroepen om ‘Joden’ wereldwijd, vanwege hun afkomst te boycotten. Maar dat is hier geenszins het geval. Dit is geen oproep tot een boycot van Joden, ook niet een boycot van ‘Joden’, die uit Israël komen, dit is de boycot van een staat, zolang deze vasthoudt aan een bezettingspolitiek. Dit heeft niets met antisemitisme of racisme te maken.
Bovenstaande reactie op Wouters stelling is natuurlijk een open deur van jewelste, maar laat ik het maar heel duidelijk uitleggen. Voor je het weet worden er weer allerlei zaken verward, zoals antisemitisme met kritiek of zelfs afwijzing van de politiek van de staat Israël. Je kan het dus maar beter uitleggen op een manier dat iedere simpele ziel het kan begrijpen. Misschien snapt Wouter het nu ook.

Rest mij nog om op het onderschrift van Wouter te wijzen: ‘© Dit artikel is copyright Wouter Brassé 2005 (afgezien van de foto).’ Goh Wouter, je meent het?

Toch zijn de wonderen de wereld nog niet uit. Hoewel ik eerder heb gesteld dat Ratna’s meeste uitlatingen eerder bij extreem rechts thuishoren dan bij links, heeft ze zich, zeer onlangs, verrassend anders geuit:

‘In de generaliserende manier waarop de PVV zich uitlaat over de islam en de moslimgemeenschap herkennen velen van de Joodse gemeenschap zich niet. Integendeel. De grootste vijanden van de Joodse gemeenschap zijn altijd die stromingen geweest die geen onderscheid wensten te maken tussen mogelijke misstanden die individuen veroorzaken, net zoals binnen iedere gemeenschap van mensen, en de grote groepering daarom heen. Het klassieke antisemitisme is daar een voorbeeld van. De Joodse gemeenschap weet maar al te goed waartoe dat kan leiden’. (http://israel-palestijnen.blogspot.com/2010/01/wilders-geen-bondgenoot-joodse.html)

Dit is echt Een Ander Ratna Geluid. Ze neemt hier zelfs het anti-essentialistisch standpunt in. Verrassend positief. Als ze mijn blog goed had bestudeerd of gezien zou hebben wat ik verder heb geschreven (ook over antisemitisme) had ze kunnen weten dat ik precies dezelfde opvatting heb. Ik heb niet de illusie dat we ooit qua standpunten nader tot elkaar zullen komen, maar in dit geval geheel eens. Nu nog iets minder stigmatiserend over de Palestijnen (hou je deze zeldzame zinnige quote in je achterhoofd als je bijvoorbeeld weer het verhaal van de Groot Mufti van stal haalt). Voor een enkele keer zijn we het toch eens.

Lobby

Volgens Ratna is er geen sprake van een Israël-lobby. In een artikel dat haar lukte om geplaatst te krijgen in De Gelderlander (vast een betere krant dan de NRC, alhoewel, Anton van Hooff is daar columnist), getiteld Machtige Israël lobby is een mythe (de titel heeft wederom een hoog Mohammed Said al-Sahaf gehalte), stelt ze:

‘Complottheorieën zijn nog steeds populair in sommige kringen. Zo meent Jan Wijenberg (oud-ambassadeur in oa Saoedi-Arabië en prominent lid van Stop de Bezetting van Gretta Duisenberg, FS) in De Gelderlander van 12 februari, dat hij continu over zijn schouder moet kijken, en durven zijn kennissen hun mening niet te uiten over het recente Israëlische geweld in Gaza. Allemaal de mond gesnoerd door de almachtige Israël-lobby (…) Wijenberg draagt met zijn complottheorieën bij aan een sfeer van angst en verdachtmakingen. Dergelijke opruiing tegen de zogenaamd zo machtige Israël-lobby vergiftigt het gepolariseerde debat over Israël en de Palestijnse kwestie nog verder. Veelvuldig zijn ik en anderen die zich puur op persoonlijke titel in dit debat mengen, ervan beschuldigd deel uit te maken van deze duistere lobby, die erop uit zou zijn met alle middelen anderen de mond te snoeren. Niet alleen Jan Wijenberg of Gretta Duisenberg, maar ook mensen die het voor Israël opnemen ontvangen geregeld haat mail en bedreigingen. Heimelijk zouden wij betrokken zijn bij het Internationale Zionistische Complot, dat tot doel heeft de wereld te overheersen door media, financiële en politieke instellingen in handen te krijgen, en dat mensen tegen elkaar opzet en oorlogen veroorzaakt om daar de winsten van op te strijken. Waren niet ook de Eerste en Tweede Wereldoorlog door dit Complot veroorzaakt, de VN erdoor gecreëerd, en de Russische Revolutie erdoor ontketend? Ook de kredietcrisis staat nu op haar conto. Uit een recent onderzoek van de Amerikaanse Anti Defamation League blijkt dat ruim 30% van de Europeanen meent dat Joden in de financiële wereld achter de kredietcrisis zitten, en 40% vindt dat Joden teveel macht in de zakenwereld hebben (dat lijkt mij sterk, maar misschien vergis ik me. De Anti-Defamation League is overigens meer een club met een politieke agenda dan een betrouwbare ‘onderzoeksinstelling’, FS). Ook is er een forse toename in het aantal antisemitische incidenten. De vele antisemitische reacties op internetfora, ook van gerenommeerde kranten, liegen er niet om. Joden worden daarin geregeld bedreigd en gesommeerd onmiddellijk en publiekelijk afstand te nemen van Israëls (vermeende) daden. Vergelijkingen van Israël met de nazi’s zijn bon ton geworden. De antisemitisme beschuldiging draagt inderdaad een zware lading, maar het toenemende antisemitisme moet juist vanwege het verleden zeer serieus worden genomen’.

Dat het antisemitisme serieus moet worden genomen, daarmee ben ik het eens. Waar ik het niet mee eens ben is dat de machtige Israël lobby een mythe is. Zie bijvoorbeeld eea van het voorgaande dat hier al ter sprake is gekomen.  Ook de door Ratna aangehaalde Amerikaanse Anti Defamation League maakt deel uit van die zelfde Israël Lobby. Dit alles heeft niets te maken met antisemitische complottheorieën over de Protocollen van de Wijzen van Zion en meer van dat soort onzin, maar met hele concrete zaken, zoals Israël bijvoorbeeld haar PR heeft georganiseerd. En een aantal Joodse organisaties, in Nederland maar ook elders, zeker in Amerika, zijn daar bijzonder goed in, zo goed, dat ze ook veel macht hebben verworven. Wellicht zijn ook Ratna en Wouter bekend met het boek The Israel Lobby, van John J. Mearsheimer en Stephen M. Walt, twee gerenommeerde Amerikaanse politicologen. Hun boek wordt in brede kring als baanbrekend gezien, behalve wellicht in de kring van de Israël Lobby zelf. Ik zal hier niet op dit omvangrijke werk in gaan. Hier volstaat het wel om te verwijzen naar een documentaire van VPRO’s Tegenlicht, waarin de auteurs, medestanders (waaronder Tony Judt) en critici (waaronder Richard Pearle) werden geïnterviewd. Absolute aanrader, meer dan het kijken waard, zie hier de link (engelstalige versie).

En verder bestaat er ook de zogenaamde Hasbara Fellowship, een organisatie die vooral studenten recruteerd om Israël op campusses te promoten (’hasbara’ zou ‘uitleggen’, of ‘voorlicchting’ in het Hebreeuws betekenen). Ik moet zeggen dat ik in eerste instantie aan de Hasbara dacht toen ik kennis nam van Ratna’s blogs. Alleen als je het handboek (gewoon op internet beschikbaar, zie hier of hier) leest dan is er een schokkend verschil met Ratna. In het handboek wordt voordurend benadrukt dat er niet een Israëlisch standpunt is en dat er een pluralistische kijk bestaat. Wat je ook van zo’n Hasbara handboek mag denken (het is bedoeld om de publieke opinie te beïnvloeden en Israëls verdedigers argumenten te geven waarmee zij hun tegenspelers zouden kunnen aftroeven), zo genuanceerd en gedifferentieerd als de Hasbara instructies zijn, zo schril en eendimensionaal zijn Ratna’s tirades. Als Ratna een Hasbara fellow zou zijn is ze zeker geen goeie. Een echte Hasbara fellow zou, volgens de instructies althans, nooit Israëlische mensenrechtenorganisaties zo koeioneren en zo’n beetje voor landverraders uitmaken, zoals Ratna regelmatig doet (Uri Avnery, B’thselem, maar ook Ilan Pappé).
Het Hasbara handboek is op het eerste gezicht meer een moderne PR instructie dan een duistere handleiding voor het produceren van propaganda. Het heeft een erg hoog ‘laten we blij zijn met elkaar gehalte’ en probeert ook nog politiek correct uit de hoek te komen. Voorbeeld:
‘Jewish students in the Diaspora are not unconditional supporters of Israel, just as Israelis have different political preferences. Unfortunately, many Jewish students express their dissatisfaction with some government action or other by ignoring Israel, giving up on her just when she needs the most help and support. In our Hasbara Handbook we have rejected the old-fashioned position which states that every Jewish student must support everything that Israel does. Rather, we believe, Israel is an imperfect country, invariably run by imperfect governments. Mistakes are made, approaches are taken that are hard to understand, but one thing remains constant – the Jewish state has a right to exist, and her citizens have a right to safety’Voor veel mensen zal het misschien aanslaan, persoonlijk krijg ik altijd een beetje jeuk van voorschriften hoe je zou moeten reageren als er een complex vraagstuk aan de orde komt. Het is allemaal vrij sjablonerig en heeft bijna iets truttigs, zoals: ‘Practically speaking, this Hasbara Handbook has attempted to show that different positions exist on issues, and that the pro-Israel banner is very wide indeed. In general we have presented a fairly centrist line, in an attempt not to offend anybody, but we have included other opinions too, and attempted to remain aware of the subtleties of the debates. We have also explicitly tackled some of the dilemmas facing Jewish activists, and talked about when it’s legitimate to criticize Israel, what to do about policies one doesn’t agree with… and so on. We hope that the product is something that Jewish students feel comfortable with’.  Maar dan, Ratna en Wouter let goed op:

‘Not everybody who attacks Israel is antisemitic. It is legitimate for those who oppose Israeli policies to express this opposition in public, just as it is legitimate for Israel activists to defend Israel. It is important to defend the right of those who disagree with Israeli policies to express their opinions, and to be clear that this is a legitimate part of public debate’.
En vooral deze:’Where an act might have been motivated by antisemitism, but this is unclear, it is often worth expressing some form of disapproval, but refraining from leveling public charges of Antisemitism. Depending upon the local situation, it is often worth expressing personal upset, saying that one was “hurt, as a Jew” by the controversial act. Wrongly accusing people of Antisemitism can cheapen the charge, as well as being quite unfair. Expressing public disapproval helps to let people know that Jews care about what is said in pubic, and serves to maintain a red line of clear Antisemitism that respectable public figures know not to cross’. Knoop dat goed in je oren, Wouter en Ratna.

Het Hasbara handboek is over de gehele linie tamelijk politiek correct. Heel anders dan Ratna’s blogs, die vaak uitmunten in hysterische toonzetting en waar alles en iedereen die het niet met haar eens is wordt beschuldigd van antisemitisme. Het zelfde geldt voor Wouter, al is die in regel iets minder geraffineerd. Dus of het hier besproken duo nu echt de meest fantastische Hasbara leerlingen zijn? Ik heb zo mijn twijfels, al is de website http://www.hasbara.us/ weer wel een stukje vuiler, met banners als: ‘Tell Children the Truth’, waar de beeltenis van de Groot Mufti Haj Amin al-Husseini prijkt (die inderdaad korstondig met de Nazi’s heeft geflirt, zal ik in een nog te verschijnen artikel uitgebreid op in gaan maar zie ook mijn eerdere historisch overzicht van Irak. Maar zijn daarom alle Palestijnen fout en hebben ze daarom minder recht op hun land? Dezelfde redenering van Saddam Hoessein was een Iraki dus zijn alle Iraki’s fout. Het verhaal van de Groot Mufti wordt ook vaak door Ratna ingezet om de Palestijnen zwart te maken). Zie verder ook deze site, dit zou de ‘officiële’ Hasbara site zijn.
Overigens zijn er vaak fragmenten van het Hasbara Handboek op internet terug te vinden, maar dan veelal zonder bronvermelding. Een passage, overigens met bronvermelding, maar met weglating van het beladen woord ‘Hasbara’ staat op de site van Rosa van der Wieken ‘No Antisemitism’, zie http://www.noantisemitism.org/?pageAlias=argumenten&curId=15. Je kunt je afvragen of dit bezwaarlijk is. Mijns inziens is dit wel degelijk problematisch. De strijd tegen antisemitisme lijkt me een serieuze zaak. Wat er dus wat mij betreft niet aan deugt is dat deze op zich goede zaak wordt vermengd met ’sluikreclame’, of propaganda voor de Staat Israël. Deze site is natuurlijk een privé initiatief, maar het zou erg problematisch zijn als bijvoorbeeld de Anne Frank Stichting hetzelfde zou doen.
Een grote aanrader is verder de documentaire Peace, Propaganda & the Promised Land (BBC, 2004), hier te bekijken. De geschiedenis en het systeem van de Hasbara worden hier uitgebreid doorgelicht. Met bijdragen van een aantal interessante experts, waaronder de beroemde Midden-Oosten correspondent Robert Fisk. Maar ook met Hanan Ashrawi en Noam Chomsky. Verder ook veel kritische Israeli’s, geluiden die je op Ratna’s blogs niet snel zult aantreffen. Ook een organisatie als Camera, vaak door Ratna aangeprezen, komt hier uitgebreid aan de orde en wordt kritisch tegen het licht gehouden.
Maar itt in ieder geval het Hasbara Handbook druipen Ratna’s sites van de pathos. Voorbeeld, wat moet je met Ratna’s jankerige nieuwjaarswens?:

‘Wat zal 2010 brengen? Meer gemiste kansen, meer oorlogen, meer antizionistische leugens en meer ad hominem aanvallen op mensen die het voor Israël opnemen? (gelukkig doe jij niet aan ad hominem aanvallen, jij beschuldigt slechts iedereen die het niet met je eens is van antisemitisme, FS) Het zit er dik in (…) In Nederland stond in 2009 Dries van Agt wederom herhaaldelijk in de schijnwerpers, hoewel hij absoluut niks nieuws te melden had. Met een boek en een nieuwe organisatie kwam hij weer in alle kranten met uitgebreide en kritiekloze interviews, en natuurlijk kon hij ook bij Pauw en Witteman niet ontbreken, waar antizionisten een geliefd podium hebben. Hopelijk raken mensen en media in 2010 eindelijk eens uitgekeken op Van Agt, Von der Dunk, Van den Broek, Van Hooff en al die andere antizionisten met hun grote en kleine leugens over een klein land dat ze nooit wat heeft aangedaan. Het wordt hopelijk een jaar waarin kranten- en journaalredacties zich realiseren dat het boeiend is tegenover een pro-Palestijnse visie een stuk van Israëls kant te plaatsen, en dat na een reportage vanuit Gaza of een interview met een Palestijnse cameraman of een lid van de Goldstone commissie (dat is wel heel erg benedenmaats, je zou ze eigenlijk moeten weren, FS), een interview met iemand van het Sderot Media Centrum of iemand van Camera (zie je wel, FS) op zijn plaats zou zijn. Het wordt hopelijk ook een jaar waarin aansprekende publieke figuren zich eens voor Israël of in ieder geval tegen de huidige hetze gaan uitspreken’ (http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000421.html).

Tsja, wat moet je hier nu op zeggen? Verder roept ze links op om toch vooral ook naar de Israëlische kant van de zaak te kijken, zodat Wilders en co niet het monopolie hebben op het pro-Israëlische geluid. Maar ik vrees dat daar nu juist het probleem zit. De bezettingspolitiek van Israël valt niet meer te verdedigen, dus ook de mainstream begint zich heel langzaam een andere richting uit te bewegen (al is het natuurlijk nog lang niet zo ‘dramatisch’ als Ratna het voorstelt). Het probleem is meer dat Ratna zelf een extremist is geworden (en Wouter natuurlijk). En al kan ze nog zoveel dreigende antisemitisme beschuldigingen uiten, de geloofwaardigheid van het voor Israël zijn ten koste van alles (en vooral ten koste van de burgerrechten van de Palestijnen) is steeds meer op zijn retour. Gelukkig maar, al valt er nog veel te doen.
Wat er niet deugt aan Ratna Pelle is dat ze niet recht door zee is en met haar blogs op een beetje een smoezelige manier probeert het internet in het Nederlandse taalgebied te vervuilen. Natuurlijk is het haar goed recht om het web vol te plempen; het internet is daar immers een fantastische vrijplaats voor. Een grote charmante anarchie, hoewel het ook verschrikkelijk veel bagger oplevert. Vroeger colporteerden de Jehova’s langs de deuren, nu slibben ze de google zoekmachines dicht. Israël Palestina info, met een Israëlisch en Palestijns vlaggetje. Zal wel een neutrale website zijn. Zowel recht op zelfbeschikking voor de Joden als de Palestijnen. Nee hoor, een bak propaganda. Om een laatste voorbeeld te geven; op de homepage van Israël-Palestina Info staat linkerkant een serie links, waaronder naar ‘United Civilians for Peace’. Wie echter achter die link kijkt, komt niet op de site van de vredesorganisatie zelf maar wordt getrakteerd op een serie verdachtmakingen tegen United Civilians for Peace, zie hier, waar wij oa kunnen lezen: ‘Het geld wordt verder besteed aan dure advertenties tegen Israël in landelijke dagbladen, opinie-onderzoeken onder de Nederlandse bevolking, glossy brochures, manifestaties met buitenlandse gasten zoals de antizionistische en zeer omstreden historicus Ilan Pappe (O ja, is dat zo? FS) en een rondreis door Nederland met een replica-muur’. Als je dit allemaal zo ziet, rijst toch de vraag of dit bizarre duo werkelijk denkt dat hun lezers zo dom zijn dat ze echt geloven dat het hier om een ‘info-blog’ gaat. Want het bovenstaande voorbeeld is wel een beetje van het niveau Mohammed Said al-Sahaf. Maar blijkbaar wel, want Ratna Pelle, ‘academica en publiciste en medewerkster van de website Israël-Palestina Info’ kan nog steeds publiceren in serieuze kranten als Trouw en de Volkskrant, of een fatsoenlijke regionale krant als de Gelderlander. Wat zij produceert is echter niets meer dan platte propaganda. Het kan dus geen kwaad om daar een keer stevig tegenin te gaan. Vandaar deze noodzakelijke dosis tegengif.

Verder rijst toch weer de vraag: Wat bezielt haar (en Wouter)? Door anderen (zoals Jaap Hamburger van Een Ander Joods Geluid, in een surrealistische discussie met Ratna en Wouter en een zekere mevrouw Sijs  (wellicht dezelfde als mevrouw Sijs van de Stichting W.A.A.R., blijkens de correspondentie met Zembla, zie hier en hier?), is al eerder geopperd dat Ratna Pelle vooral een epigoon zou zijn van Ami Isseroff, van www.mideastweb.org. Zij haalt Isseroff  inderdaad regelmatig aan. In een bijdrage, met de veelzeggende titel De Hasbara Paradox, geeft zij deze lange passage weer:

‘But every Israeli and every Zionist and every Israel advocate must recognize that we are, and have been engaged in a media war for several years, that we are losing that war, and that the decline in Israel’s image is not a side issue to be handled only by some talking heads. The decline in Israel’s image is a strategic threat, perhaps as serious as, or more serious than, the Iranian nuclear threat, the Hamas and the Hezbollah. Those who do not yet understand that this issue is a strategic threat should consider for example, that a single mistake by the IDF or even the rumor of a mistake spread by the enemy, like the UNRWA school shelling that never was, can stop a war much more effectively than an armored division. Or consider that the effect of the constant barrage of demonization, left unanswered and uncorrected, may be to bring to power the supporters of Jimmy Carter, Lyndon Larouche and Professors Walt and Mearsheimer in the USA, and their even more vicious counterparts in Europe.
The threat is not limited to “war crimes” allegations and distortions of human rights, nor is it confined to the UN or to political media. We are faced with everything from attempts to write the Jews out of history, to expressions of outrage about harmless Israeli tourism advertisements. And if you say anything about it, you are a neocon hardline Jew Zionist member of the Israel lobby. The propaganda appears in travel guides and travel magazines, literary reviews and just about everywhere you can imagine. Israel-Bashing has become embedded in world culture, just as anti-Semitism was once a cultural staple’.
( Israeli war crimes allegations: Doing our patriotic duty )

Dit is de kern van wat zij gelooft, althans als ik af moet gaan op haar enkele duizenden bijdragen op internet. De vraag of Israël misschien echt oorlogsmisdaden zou plegen, om maar een voorbeeld van Isseroff te noemen, komt niet in haar hoofd op. Het is allemaal maar ‘beeldvorming’, al kan ik me nauwelijks iemand bedenken die meer lijdt aan ‘beeldvorming’ dan Ratna Pelle zelf. Een plaat voor haar hoofd met een slechts een kijkgaatje met een bijzonder gekleurde lens, lijkt me het meest in de buurt komen. Haar ‘beeld’ van Israël is het beeld dat tot ruim in de jaren tachtig in Nederland bestond, dat van David en Goliath. Dat dit beeld is veranderd ziet zij niet als een correctie van de realiteit, maar als morele zwakte, waarin twijfel de boventoon voert. Vandaar haar agressieve stellingname en wat mij betreft haar griezelige blikvernauwing. En iedereen die niet met haar mee strijdt is al snel een verdachte ‘antizionist’, een ‘antiziosemiet’ of een ‘antisemiet’.

Ratna en Wouter, als jullie antisemitisme willen bestrijden, mijn zegen hebben jullie. Maar richt je dan wel op echte antisemieten. Misschien sta ik dan nog wel aan jullie kant. Heb daar een tijdje terug ook het nodige aan bijgedragen zie hier, maar ook hier (en ook op dit blog zie hier).  En nogmaals, wat weten jullie van mijn eigen achtergrond ;). Het zou voor mij wel heel vreemd zijn als ik antisemitische denkbeelden zou koesteren (daarmee bedoel ik dus een racistische haat tegen Joden). Dus net zo goed tegen antisemitisme als jullie. Maar als het jullie meer gaat om een bezetting en wat mij betreft een apartheidspolitiek in stand te houden, dan sta ik lijnrecht tegenover jullie. Maar dat hadden jullie neem ik aan zelf al wel gemerkt,

verder vriendelijke groet,
Floris Schreve

October 14, 2008

HISTORISCH OVERZICHT IRAK (tot 2003)

 Victory Arch

Saddam Hoessein (uitvoering Khalid al-Rahal en Mohammed Ghani Hikmat), The Victory Arch, Bagdad, 1989.

Saddams triomfboog voor zijn ‘overwinning’ op Iran. Hoewel uitgevoerd door twee van Iraks prominentste beeldhouwers (die zich hiermee sterk hebben gecompromitteerd aan het regime van Saddam, zeker in de ogen van mijn gevluchte Iraakse vrienden) is het ontwerp van Saddam zelf. Hij maakte hier zelfs een schetsje voor en verraste hiermee iedereen met zijn artistieke ambities (zie afb. hieronder).
De kolossale armen in de uiteindelijke uitvoering zijn uitvergrotingen op reusachtige schaal van afgietsels van de armen van de dictator zelf. De vreemde ‘pindanetten’ die aan de handvatten van de zwaarden zijn bevestigd, bevatten elk duizenden echte Iraanse oorlogshelmen, meegenomen van het front, veelal voorzien van kogelgat, met de bloedspatten er nog op.

De boog werd overigens in duplicaat gebouwd. Beide bogen staan aan de uiteinden van een reusachtig paradeterrein, midden in Bagdad. ‘Neurenberg and Las Vegas melted into one’, zo omschreef de dissidente schrijver Kanan Makiya deze bizarre creatie, in buitenissigheid slechts te vergelijken met het paleis van Ceausescu in Boekarest of met de postzegel van Idi Amin, die een drol draait op de kaart van Europa. Zie verder het volgende youtube filmpje. Let vooral op de vele invaliden die als een verplicht nummertje onder de triomfboog (hoger dan de Arc de triomphe in Prijs) van de grote leider, ‘paraderen’. Dit alles voor een overwinning die nooit heeft plaatsgehad, de oorlog eindigde immers in een patstelling. Ik ken veel veteranen uit deze oorlog, maar deze was bij niemand populair. Dat maakt het allemaal nog grotesker. Te zien onder de volgende link:

http://www.youtube.com/v/NlupjwnoOTo&amp;hl=nl”></param><param

de schets van Saddam, op de uitnodiging voor de officiële opening van het monument

Net zo onthullend is de documentaire ‘Uncle Saddam’, waarvan een fragment hieronder. Naast wederom de overwinningsboog ook een blik in zijn paleizen. Te bekijken onder deze link:

http://www.youtube.com/v/BOmTDNd8vtE&amp;hl=nl”></param><param

Over hoe het zover heeft kunnen komen, wat nu eigenlijk de ideologie van Saddam was en de Ba’thpartij (hoor je zelden iets over), welke positie Irak in nam in de Koude oorlog en hoe het zat met de steun van de CIA voor de Ba’thpartij, of de verhoudingen tussen Saddam en het westen altijd zo slecht zijn geweest, hoe het land Irak is ontstaan na de Eerste Wereldoorlog en welke (belangen)afwegingen daarbij een rol hebben gespeeld en hoe het nu precies zit met ‘oliebelangen’ (wel of geen motief voor inavsie), zie het door mij geschreven historisch overzicht, via link naar mijn blog buiten hyves:

http://florisschreve.blog-s.nl/2008/10/14/historisch-overzicht-irak-tot-2003/

De afbeeldingen van het monument zijn afkomstig uit Samir al-Khalil (pseudoniem van Kanan Makiya), ‘The Monument; art, vulgarity and responsibillity in Iraq’, Londen, 1991

Als er nog misverstanden bestaan over in welke ideologische hoek het Ba’thisme is te plaatsen, bekijk dan zeker deze onthullende Belgische neo-Nazi website. Met veel sympathie voor deze stroming weten ze het daar verrassend goed uit te leggen. Interessant om te zien hoe de betrekkelijk onbekende geestelijke vader van de Ba’th en Saddams ideologische leermeester, de Christelijke Syrier Michel Aflaq, in deze kringen als een held vereerd wordt:

http://nsalternatief.wordpress.com/2007/11/21/de-pan-arabische-baathpartij-en-het-nationalistisch-verzet-in-irak/

Michel Aflaq (Damascus 1910-Parijs 1989), de in het westen betrekkelijk onbekende, maar zeker niet onbelangrijke stichter van de Pan Arabische Ba’thpartij (de Socialistische Leiderspartij van de Arabische Herrijzenis, oftewel al-Hizb al-Ba’th al-Wadah al-Arabi al-Ishtiraqiyyat, Arabic Ba’thist Socialist Leadersparty, ABSLP). In Irak werd hij onder Saddam als een belangrijk persoon geëerd, zie het in Italië geproduceerde monument voor de geestelijke vader van het Ba’thisme (afb. hieronder), door de eveneens in Italië wonende maar voor het het regime werkende kunstenaar Ali al-Jaberi (in de jaren tachtig, toen Saddams Irak nog ‘pro-westers’ was). Citaat: ‘“Nationalism is love before anything else. He who loves doesn’t ask for reasons. And if he were to ask, he would not find them. He who cannot love except for a clear reason, has already had this love wither away in himself and die”. Hoezeer Michel Aflaq was geïnspireerd door het Europese fascisme blijkt uit twee andere citaten: “The Leader, in times of weakness of the ‘Idea’ and its constriction, is not one to substitute numbers for the ‘Idea’, but to translate. numbers into the ‘Idea’; he is not the ingatherer but the unifier. In other words he is the master of the singular ‘Idea’, from which he separates and casts aside all those who contradict it”, en “In this struggle we retain our love for all. When we are cruel to others, we know that our cruelty is in order to bring them back to their true selves, of which they are ignorant. Their potential will, which has not been clarified yet, is with us, even when their swords are drawn against us” (’Fi sabil al-Ba’th’, Damascus, 1941, bron: Kanan Makiya, ‘Republic of Fear’ University of California Press, 1989, p. 234)

 

 

Monument voor Michel Aflaq, door de in Italie wonende, maar regime-gezinde Iraakse kunstenaar Ali al-Jaberi, geplaatst in Bagdad

Saddam met speciaal gezant van de regering Reagan Donald Rumsfeld in 1983, ten tijde van de Irak Iran oorlog. Later beweerde Rumsfeld zich deze reis naar Bagdad niet meer te kunnen herinneren. Zie ook deze uitzending van Netwerk.

De leiders van de eerste republiek na de staatsgreep van 1958, die een einde aan de monarchie maakte. Rechts Generaal Abdul Karim Qasim (president 1958-1963) en links generaal Abdul Rahman Arif (president 1963-1966).

Koning Faisal I, het eerste staatshoofd van Irak, van 1920 tot 1933 (bekend uit Lawrence of Arabia)

De jonge Koning Faisal II (geb. 1935), de laatste koning van Irak, die in 1958 samen met de rest van de koninklijke familie standrechtelijk werd geëxecuteerd, tijdens de staatsgreep van het Iraakse leger.

Saddam (als vice-president) met Generaal Ahmed Hasan al-Bakr, de eerste Ba’th president van Irak (van 1968 tot 1979)

Levensloop Saddam Hoessein (al-Awya, 28 april 1937 - Bagdad, 30 december 2006), president van Irak van 1979 tot 2003
HISTORISCH OVERZICHT IRAK (tot 2003)

Detailkaart_shatt_alarab_en_grensge

Detailkaart Shatt al-Arab (de samensmelting en monding van de Eufraat en de Tigris) en grensgebied Iran en Koeweit. Duidelijk is te zien dat de vaargeulen van de Shatt al-Arab en Umm Qasr (door de eilanden Warba en Bubiyyan toe te wijzen aan Koeweit) door de respectievelijk Iraanse en Koeweitse territoriale wateren lopen. Deze constructie was het bewuste resultaat van een Brits verdrag en de stichting van Koeweit in 1871, om de uitvoer naar de Perzische golf te controleren. De Osmaanse Mesopotamische provincies werden de pas afgesneden van vrije toegang tot de zee  door de Shatt al-Arab klem te zetten tussen het nieuwe emiraat en het toenmalige Perzische Rijk. Later zou dit de belangrijkste reden voor Saddam (net als President Qasim en zijn poging tot annexatie van Koeweit in 1961) zijn om eerst Iran aan te vallen en daarna Koeweit, om Irak een vrije toegang tot de zee te verschaffen. De vrije afvoer van of de toegang tot olie is de belangrijkste rode draad uit de Iraakse geschiedenis, waar vele oorlogen om zijn gevoerd en talloze slachtoffers zijn gevallen. Bron: Google Earth

  • 1920- Val van het Osmaanse Rijk en stichting van de staat Irak onder Brits mandaat. Drie Osmaanse provincies, Mosul (overwegend Koerdisch, Turkomaans en Assyrisch), Bagdad (overwegend Arabisch Soennitisch) en Basra (Arabisch Shiietisch), worden nogal geforceerd bij elkaar gevoegd. Wel omvatten deze gebieden min of meer het historische Mesopotamië (het Arabische woord ‘iraq betekent rivierenland , of eigenlijk tussen oevers wat uiteindelijk op hetzelfde neerkomt als het Griekse meso-potamos, wat tussen rivieren betekent). Irak wordt een monarchie onder de Hashemitische koning Faisal I, de zoon van de Sharif van Mekka en een van de leiders van de Arabische strijd tegen de Turken, maar als koning in feite een zetbaas van de Britten. Hoewel de Britten en de Fransen de steun van de Arabieren min of meer hadden ‘gekocht’  met de belofte van zelfbeschikking voor na hun strijd tegen het Osmaanse Rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog, wordt de Arabische wereld ‘verdeeld’ tussen Frankrijk en Engeland, middels het geheime Sykes/Picot akkoord uit 1916. Hierin wordt beklonken dat Syrië en Libanon naar Frankrijk gaan, terwijl Palestina, Trans-Jordanië en Irak onder Britse invloed komen te staan (de provincie Basra zou, volgens het oorspronkelijke plan, koloniaal bestuurd worden als bijvoorbeeld India, terwijl de rest van de mandaatgebieden onder sterke Britse invloedsfeer zou komen te staan). Voor de Iraqi’s is dit een vreemde ervaring. Bagdad bijvoorbeeld had van oudsher immers meer contacten met het Syrische Aleppo, dan met het Shiietische Basra en het Koerdische noorden. De gewone Iraqi’s in Bagdad, maar ook elders in het land, begrijpen hier dus helemaal niets van en komen meteen in opstand tegen de Britse hegemonie. In 1920 is er sprake van massale betogingen en gewapende acties tegen de Britse bezetters, in de zogenaamde ‘Eerste Intifadah’. Deze opstand wordt met veel geweld door de Engelsen onderdrukt, o.m. door terreurbombardementen uit de lucht en het inzetten van gifgas. Het is voor het eerst in de wereldgeschiedenis dat er gifgas wordt ingezet tegen een burgerbevolking. Een sterk supporter van deze nieuwe methodes is de pas aangetreden Britse minister van koloniën, Sir Winston Churchill. Hoe de Britten dachten over het bestuur van Irak blijkt uit de memoires van Getrude Bell (1868-1926), de Britse gezant voor Arabische aangelegenheden (die zich overigens wel, voor zover mogelijk, heeft ingezet voor de werkelijke belangen van de Arabieren, samen met T.E. Lawrence, beter bekend als ‘Lawrence of Arabia’). Zij beschrijft een conversatie tussen drie niet bij naam genoemde Britse diplomaten, op de vredesconferentie van Cairo in 1921, als volgt: “This country will be badly governed”, “Why should it not be badly governed?”, “It ought to be badly governed”. Volgens de kritische Saddam-biograaf Said Aburish vormde deze schandelijk neerbuigende houding (Aburish spreekt zelfs van ‘this criminal attitude’) het begin van een historische kettingreactie die de grote tragedies van het Irak van de twintigste eeuw heeft mogelijk gemaakt, tot en met de Ba’thdictatuur van Saddam Hoessein. Desalniettemin was koning Faisal I (aan de macht gekomen door de grote inzet van Getrude Bell en T.E. Lawrence), itt. zijn twee opvolgers, zeker geen onbekwame leider. Hij had uiteindelijk het beste voor met het Iraakse volk (de kroon accepteerde hij zelfs met tegenzin, zeker omdat hij geen geboren Iraqi was, maar hij vond dat hij uiteindelijk zijn verantwoordelijkheid moest nemen, om nog iets te kunnen betekenen), maar hij had alleen, achteraf gezien, te weinig manoeuvreerruimte voor een eigen politieke koers. Wat hij wel voor elkaar heeft gekregen is dat Irak een sterk leger ontwikkelde, omdat hij oprecht vond dat Irak zichzelf zou moeten kunnen verdedigen, nu het zo’n speelbal was geworden van allerlei buitenlandse belangen. Naderhand beschouwd heeft dit leger voor vele grote rampen gezorgd, maar dat kon de in 1933 overleden Faisal op dat moment natuurlijk niet  weten.

 

  • 1932-‘Officiele onafhankelijkheid’ van Irak en toetreding tot de Volkenbond. Ondanks de nationalistische maar vrijblijvende retoriek van de in 1933 aangetreden half analfabete, zeer impulsieve en daardoor volstrekt onbekwame koning Ghazi, blijft Irak door ‘vriendschapsverdragen’ sterk aan de Britse belangen gebonden. Zo kan het geen zelfstandige buitenlandse politiek voeren, bezetten de Britten een aantal cruciale legerbases en blijft de olie-industrie in Britse handen, middels de Iraqi Petrolium Company, waarin het Britse Shell het meerderheidsaandeel bezit. Van een werkelijke onafhankelijkheid is dus geen sprake.

 

  • 1936- In samenspraak met koning Ghazi pleegt de nationalistische generaal Bakr Sidqi een staatsgreep. Doel is om de Britten te verdrijven. Hikmet Suleiman wordt de premier van de nieuwe nationalistische regering. In 1937 wordt Bakr Sidqi echter vermoord door pro-Britse krachten in het Irakese leger en wordt Hikmet Suleiman afgezet.·

 

  • Omstreeks 1937- 1939 Geboorte van Saddam Hoessein in het bedoeienen gehucht Al Awya (awya(t) betekent in het Arabisch ‘kronkelig’ of ‘niet recht door zee’, maar al-awya kan als plaatsnaam zeker vertaald worden als boevengehucht, ‘Crooktown’ volgens Said Aburish), vlakbij de stad Tikrit. Hoewel Soennitisch, vertegenwoordigt Saddam, vanwege zijn afkomst uit de Abdu Nassir clan (geconcentreerd rond Tikrit en Ramadi), de absolute onderklasse van de toen nog sterk tribale en aristocratische Irakese samenleving, in die dagen gedomineerd door een aantal vooraanstaande Soennitische families.Over zijn exacte geboortejaar bestaat onzekerheid, omdat er in die tijd geen ordentelijke burgerlijke stand bestond voor deze ‘achtergebleven’ tribale gehuchten. Waarschijnlijk is de latere dictator van Irak in 1939 geboren, al heeft hij zelf zijn geboortejaar veranderd in 1937. Dit, omdat hij getrouwd was met zijn waarschijnlijk oudere nicht Sayyida Tulfah al-Tikriti (zijn eerste vrouw en moeder van o.m Uday en Qusay), geboren in 1938, en volgens de locale tribale tradities zou het immers buitengewoon vernederend zijn om met een oudere vrouw in het huwelijk te stappen. Saddam heeft later overigens zijn achternaam laten veranderen in ‘al-Tikriti’. Zijn oorspronkelijke en volledige naam: ‘Saddam (Ystidam, Sadmah of as-Siddam in het standaard-Arabisch. Saddam is locaal dialect uit de omgeving van Tikrit) Husayn al-Majid al-Awyat’ betekent letterlijk (naar mijn eigen vertaling, maar met wat hulp van anderen): ‘Hij die verplettert (of  ‘de verpulveraar’), zoon van Hoessein al-Majid uit Boevenoord’, een weinig flatteuze en ietwat ‘Don Corleone-achtige’ naam voor een president, al typeert het de persoon wel.·

 

  • 1939- Koning Ghazi overlijdt bij een auto-ongeluk. Deze doodsoorzaak is nog altijd omstreden. Volgens verschillende anti-koloniale Iraakse krachten (de latere Ba’thi’s, de nationalisten en de communisten) zat de Britse geheime dienst hierachter, vanwege zijn toegenomen populistische nationalisme, waardoor Ghazi een grote populariteit genoot bij de bevolking (zie de affaire Bakr Sidqi). Ghazi wordt opgevolgd door de minderjarige koning Faisal II. De zeer impopulaire maar uitgesproken pro-Britse prins Abd al-Ilah wordt als regent aangesteld.

 

  • 1941- Pro-Nazistische staatsgreep van generaal Rashid Ali Al Kailani, en de ‘Gouden vierhoek’, zoals de nazistisch georiënteerde officieren zichzelf omschrijven. Hun belangrijkste steunpilaar is de voor de Britten naar Bagdad uitgeweken Groot-moefti van Jeruzalem Haj Amin al-Husayni, die warme persoonlijke relaties onderhield met Hitler en verschillende Nazi kopstukken als Hermann Goerring en Baldur von Shirach. De monarchie wordt afgeschaft, maar in hetzelfde jaar door de Britten weer hersteld, middels een groot militair offensief. Luchtsteun van Nazi Duitsland blijft uit, waardoor Rashid Ali zonder al te veel moeite verdreven wordt. De Britten bezetten het land. Een klein, maar niet onbelangrijk detail is dat een van de betrokken onderofficieren, Khairallah Tulfah, na een jaar gevangenisstraf oneervol wordt ontslagen uit het leger. Hij wordt onderwijzer in Tikrit en schrijft het nazistisch geïnspireerde pamflet: ‘De drie dingen die door God nooit geschapen hadden mogen worden; Perzen, Joden en vliegen’. Deze marginale randfiguur was de oom, voogd en latere schoonvader van Saddam Hoessein en wellicht de meest vormende persoon uit de jeugd van de latere dictator.

 

  • In 1947 wordt in Damascus de Pan-Arabische Socialistische Ba’thpartij opgericht (Ba’th betekent in het Arabisch herrijzenis of Renaissance), in eerste instantie een clandestiene beweging. Hoewel aanvankelijk zeker geen Iraakse aangelegenheid is de coup van Rashid Ali en de Gouden Vierhoek de voornaamste inspiratiebron en heeft deze beweging vanaf het begin een Iraakse tak. Belangrijkste ideoloog is de Syrische christen Michel Aflaq (1910-1989). Aflaq, die in de jaren dertig aan de Sorbonne Universiteit in Parijs studeerde, raakte zeer onder de indruk van Adolf Hitler en Benito Mussolini (zo liet hij zichzelf weleens ‘Il Duce’ noemen), waarop hij zijn latere ideeën baseerde, die hij uiteenzette in Fi Sabil al-Ba’th, Damascus, 1941, het ‘oergeschrift’ van het Ba’thisme. Hierin omschreef hij de kern van zijn ideologie onder meer als volgt: “Nationalism is love before anything else. He who loves doesn’t ask for reasons. And if he were to ask, he would not find them. He who cannot love except for a clear reason, has already had this love wither away in himself and die”. Hoezeer Michel Aflaq was geïnspireerd door het  Europese fascisme blijkt uit twee andere citaten: “The Leader, in times of weakness of the ‘Idea’ and its constriction, is not one to substitute numbers for the ‘Idea’, but to translate. numbers into the ‘Idea’; he is not the ingatherer but the unifier. In other words he is the master of the singular ‘Idea’, from which he separates and casts aside all those who contradict it”, en “In this struggle we retain our love for all. When we are cruel to others, we know that our cruelty is in order to bring them back to their true selves, of which they are ignorant. Their potential will, which has not been clarified yet, is with us, even when their swords are drawn against us”. Hoewel er zelfs nu nauwelijks aandacht is besteed, in ieder geval de Nederlandstalige media, aan de ideologische wortels van de Ba’thpartij, laat staan aan een weliswaar intellectuele maar obscurantistische denker als Michel Aflaq (behalve in een recente uitvoerige publicatie van de Vlaamse VRT journalist Jef Lambrecht, De zwarte wieg; Irak, nazi’s en neoconservatieven, uit 2003), blijkt uit vrijwel alle toespraken van Saddam Hoessein hoezeer hij door zijn ideologische leermeester beïnvloed was. “It was Mr. Aflaq who created the party, not I”, zei hij bijvoorbeeld in een van zijn laatste speeches, vlak voor zijn val op 9 april 2003. Veel Irakese ballingen spreken immers niet voor niets van de ‘Aflaqite Republic’ wanneer zij de ‘Saddamistische staat’ bedoelen. Verder spreken de vele in Bagdad opgerichte groteske monumenten ter ere van Michel Aflaq voor zich.·

 

  • 1948 en 1952- In 1948 wordt in het Engelse Portsmouth door de Irakese regering, in de persoon van premier Nuri al Sa’id (de machtigste Iraakse politicus onder de monarchie), een overeenkomst met de Britten gesloten over de olie-industrie. Feitelijk komt het er op neer dat de Britse belangen veilig worden gesteld (en natuurlijk de belangen van de toenmalige heersende elite van Irak). Een grote meerderheid van de Irakese bevolking accepteert dit niet en komt in opstand, in de zogenaamde al-Wathbah Intifadah. Deze opstand wordt bloedig neergeslagen. Wanneer in 1952 deze overeenkomst wordt verlengd volgt er een nog veel grotere Intifadah (voor de Iraqi’s bekend als De Intifadah). Een jaar lang ligt het hele land plat door algemene stakingen, met name in de olie-industrie en de spoorwegen. De drijvende kracht achter de onlusten is de Irakese Communistische Partij (ICP), die een sterke machtsbasis heeft in het olierijke Shiietische zuiden, vooral in Basra, de tweede stad van Irak. Hoewel officieel verboden (zo werd de oprichter Fahd in 1948 door de Britse geheime dienst vermoord) was deze in 1934 opgerichte partij, ooit de oudste en meest invloedrijke Marxistische beweging van het hele Midden-Oosten. Ook had de ICP een grote aanhang onder de toen nog talrijke Irakese joden, die echter na 1948 en na de latere Ba’threvolutie van 1968 grotendeels naar Israël zijn gevlucht (de van oorsprong Irakese Israëlische filmmaker Samir heeft een indrukwekkende documentaire gemaakt over de vergeten geschiedenis van de Irakese Joodse communisten, Forget Baghdad, een van de winnaars van het IDFA 2002, Amsterdam).

 

  • 1953- Koning Faisal II bestijgt op achttienjarige leeftijd de Irakese troon. Hoewel hij weinig de kans heeft gehad  tot zijn zonder meer tragische dood in de revolutie van 1958, blijkt dat hij zich niet weet te ontpoppen tot een goede en verstandige leider van Irak (wat zijn grootvader Faisal I zeker wel was, ondanks de door de Britten opgelegde beperkingen). De machtigste personen van Irak blijven de door het volk gehate prins Abd al-Ilah, de ‘meesterintrigant’ Nuri al-Sa’id en op de achtergrond natuurlijk de Britten.

 

  • 1955- Premier Nuri al-Sa’id sluit het zogenaamde ‘Bagdadpact’ met Turkije en Pakistan, onder auspiciën van de Britten en met sterke steun van de VS. Doel is om de invloed van de Sovjet Unie in het Midden Oosten tegen te gaan. De ‘Pan-Arabische’ nationalistische Egyptische president, Gamal Abd an-Nasser (die een sterke steun genoot van de Sovjet Unie), begint een agitatiecampagne tegen het Bagdadpact. Het Iraakse leger en verschillende oppositiekrachten, zowel de ‘rechtse nationalisten’ (waaronder de marginale maar militante Pan-Arabische Ba’thpartij’ van de Syriërs Michel Aflaq, Salah Eddine al-Bitar en Sati Husri), als de ‘linkse’ Irakese Communistische Partij, kunnen zich goed vinden in de retoriek van Nasser. Zij zien hun eigen regeringsleiders als stromannen van de westerse belangen en vijandig tegenover het ideaal van de ‘Pan-Arabische eenheid’, al dan niet volgens socialistisch model (daarover waren de meningen zeer verdeeld). Voorts wil de Irakese oppositie, zowel ‘links’ als ‘rechts’, een eventuele interventie als de coup van 1953 in buurland Iran vermijden. De eerste democratisch gekozen premier van Iran, de liberaal nationalistische Dr. Mohammed Musaddiq, wilde in 1951de olie-industrie nationaliseren, maar  werd door een CIA gesteunde staatsgreep in 1953 afgezet. De Shah kon vanuit zijn ballingschap in Londen terugkeren, om zijn autoritaire, antidemocratische, maar pro-westerse bewind weer te herstellen.

 

  • 1958- De Iraakse onafhankelijkheidsrevolutie die leidt tot de invoering van de Republiek Irak. Het leger grijpt de macht, middels de groep van de ‘Vrije officieren’, naar voorbeeld van Nasser, die onder de noemer ‘Vrije officieren’ koning Farouk in 1952 van de troon stootte en de Britse invloed eveneens wist uit te bannen. Koning Faisal II, de voormalige regent prins Abd al-Ilah en de pro-Britse premier Nuri al-Sa’id worden op een gruwelijke wijze vermoord. Praktisch de hele koninklijke familie wordt uitgeroeid, op een paar in het buitenland wonende telgen na. De prins en Londense bankier Sharif Ali Bin al-Hoessein, nu actief in het overkoepelende oppositieorgaan INC en aanvoerder van de Irakese ‘Constitutional Monarchy Party’, is bijvoorbeeld een van de weinige overlevenden.  De Britten worden verdreven en raken hierdoor Irak voor goed kwijt. Onder leiding van brigadegeneraal Abdul Karim Qasim wordt er een militaire junta geïnstalleerd die sterk op de Sovjet Unie is gericht. Irak treedt uit het Bagdadpact, waardoor dit pact betekenisloos wordt en daarna wordt opgeheven. De toen nog machtige maar clandestiene Irakese Communistische Partij krijgt beperkte politieke vrijheden. De olie-industrie wordt genationaliseerd. Hierdoor bloeit de economie van Irak op. De belangrijkste doelstelling van president Qasim is om Irak te moderniseren, een programma dat hij met keiharde hand uitvoert. Politieke tegenstanders van het regime worden vervolgd, gemarteld en geëxecuteerd. Uit Qasims regeringsperiode dateren ook de eerste gewapende acties tegen de Koerdische separatisten van Mullah Mustafa Barzani. De Irakese intellectuele elite begint, vanwege de toegenomen repressie, geleidelijk aan het land te verlaten. President Qasim is de belangrijkste initiatiefnemer tot de oprichting van de OPEC, iets wat door de westerse mogendheden met lede ogen wordt aangezien. Hoewel Qasim een harde dictator was is hij achteraf gezien wellicht het meest populaire staatshoofd van Irak geweest gedurende de twintigste eeuw. Verder doet  Qasim in 1961 een poging om het Emiraat Koeweit op te eisen, toen net onafhankelijk geworden van Engeland. Koeweit was ooit door de Britten als een aparte entiteit gevestigd (al in 1871), om het toen nog Osmaanse Irak de toegang tot de Perzische Golf te belemmeren (de monding van Eufraat en de Tigris, de Shatt al-Arab, werd immers gedeeld met Iran, in 1871 nog het Perzische Keizerrijk van de Kadjaren (niet te verwarren met de latere Pahlavi’s, van de laatste Shah. Na het ontstaan van de moderne staat Irak is over de Shatt al-Arab een voortdurende strijd gevoerd, tussen het ‘revolutionaire Perzië’ van de Pahlavi’s en de achtereenvolgende regimes in Bagdad). Door de Britse politiek, inzake Koeweit, werd voorkomen dat het olierijke gebied van Irak, ook als hier in de toekomst een nationale staat zou ontstaan, een regionale economische ‘supermacht’ zou worden, vanwege de olie-export. Hoewel, kijkend naar de kaart ( zie bovenstaande afb.) Irak een vrije toegang tot de Perzische golf lijkt te hebben, behoren alle territoriale wateren en vaargeulen aan Koeweit of Iran (de cruciale eilanden, Warba en Bubiyyan, vlak voor de kust van de Irakese havenstad Umm Qasr, zijn toentertijd welbewust toebedeeld aan Koeweit). Qasim doet een poging om deze blokkade op te heffen maar faalt. De vestiging van een grote Britse troepenmacht in Koeweit (later vervangen door troepen van de Arabische Liga) laten de Irakese president van zijn claim afzien.

 

  • 1959- Mislukte moordaanslag op president Qasim. Een van de plegers is de jonge Saddam Hoessein, op dat moment een huurmoordenaar in dienst van de toen nog steeds marginale, maar radicaal nationalistische en vooral zeer anticommunistische Ba’th militie. Hij vlucht achtereenvolgens naar Syrië en Egypte. In deze tijd wordt hij  ‘ontdekt’ door de ideologische leider van de Ba’th Michel Aflaq (waarvan hij het een en ander krijgt aan politieke scholing), wat het begin is van zijn weg naar de top van de Pan-Arabische Ba’thbeweging. In Cairo leggen Irakese Ba’thi’s contact met de CIA. De Amerikanen staan hier welwillend tegenover, omdat zij vrezen voor de vorming van een communistische staat in het olierijke hart van het Midden-Oosten. Saddam Hoessein is in die tijd een graag geziene gast op de Amerikaanse ambassade van Cairo.

 

  • 1963- Staatsgreep van de Irakese tak van de Ba’thpartij (‘Arabic Ba’thist Socialist Leadersparty’, ABSLP, die toen nog niet meer dan driehonderd leden kende), met behulp van de CIA. President Qasim wordt geëxecuteerd.  Met name de communisten worden massaal afgeslacht. In Bagdad worden er vele politieke moorden gepleegd zoals nog nooit tevoren in Irak gezien was, niet in de laatste plaats opgedragen door Saddam Hoessein, toen leider van de Nationale Garde (Haras al-Qawmi), de paramilitaire tak van de Ba’thpartij. Het vroegere koninklijke paleis wordt ingericht als gevangenis. In dit zogenaamde ‘al-Qasr an-Nihayyah’ (het ‘Paleis van het Einde’) sterven vele Iraki’s de marteldood. De terreur van de rechts-radicale Ba’thi’s is echter zo extreem dat het leger, waarin vooral ‘conservatieve’ krachten een rol spelen en dus tegenstander van het radicalisme van de Ba’thpartij, hetzelfde jaar ingrijpt en hen de macht ontzegt. De nieuwe president van Irak wordt de ‘Nasseristische’ generaal Abd Al-Rahman Arif. Prominente Ba’thi’s, zoals Saddam Hoessein, worden gevangen gezet. Arif begint voorzichtige democratische politieke hervormingen. De modernisering van Irak, begonnen onder Qasim, wordt met harde hand voortgezet. In 1966 komt Abd Al-Rahman Arif om bij een helikopterongeluk en wordt opgevolgd door zijn broer Abd as-Salam Arif. Hij ontslaat de liberale premier Abdul Al Bazzaz, waardoor er een einde komt aan het geleidelijke democratiseringsproces.

 

  • 1967-Nederlaag tegen Israël. Overal in de Arabische wereld laaien hevige gevoelens van frustratie en nationalisme op. Irak maakt hierop geen uitzondering. Onder druk van de publieke opinie laat president Arif vele radicale Arabische nationalisten vrij, waaronder kaderleden van de Ba’thpartij.

 

  • 1968- De tweede Ba’th-coup, de zogenaamde ‘Bloedeloze Revolutie’, of  ‘Glorieuze 17 juli Revolutie’, wederom met steun van de CIA (de contactman tussen de Ba’thi’s en de Amerikanen was een zekere Lloyd Anderson, gevierd CIA agent). Zonder al te veel geweld veroveren de Ba’thi’s het presidentiele paleis en wordt Abd as-Salam Arif op een vliegtuig naar het buitenland gezet. Generaal Ahmed Hasan Al Bakr wordt de eerste Ba’th president van Irak. Saddam Hoessein wordt vice-president van de ‘Revolutionaire Commando Raad’ van de Ba’thpartij, maar al snel ook vice-president van het land. Saddams eerste politieke daad in deze functie is de publieke ophanging van dertig Irakese joden in 1969, op grond van vermeende spionage voor Israël. Overigens laten de Ba’thi’s, direct na de coup, hun pro-Amerikaanse koers varen en oriënteren ze zich op de Sovjet Unie. De communisten krijgen een regeringspost aangeboden in het zogenaamde ‘Progressief Nationaal Front’, samen met de Marxistische ‘Popular Union of Kurdistan’ (de Koerdische Volksunie, oftewel PUK). Een aanzienlijk deel van de Communistische Partij weigert echter om met de Ba’th samen te werken. Zij gaan ondergronds en plegen in de loop van de jaren zeventig veel aanslagen op Ba’thistische doelen (voornamelijk de volgelingen van de in 1970 geëxecuteerde dissidente communist Aziz al Hajj, die onder ballingen in Nederland nog steeds een grote aanhang heeft). De coalitie met de ‘pro-Russische’ factie van de communistische partij levert Irak een goede relatie met de Sovjet Unie op, hoewel er in die tijd ook hechte banden zijn met Frankrijk (zo leverde Frankrijk de Mirage vliegtuigen, essentieel voor de Irakese luchtmacht en verschafte het de onderdelen voor de Iraake kerncentrale van Osirak, in 1981 door Israël gebombardeerd). De toenmalige Franse premier Jacques Chirac omschreef in de jaren zeventig Saddam Hoessein overigens als en ‘Arabische de Gaulle’. Dit ingewikkelde gegoochel met koude oorlogsmachten kan voor een buitenstaander vreemd overkomen, maar begrepen moet worden dat Irak in die tijd, samen met Indonesië en India, de voorzitter was van de zogenaamde ‘Unie van Ongebonden Landen’ (gezien in de context van de koude oorlog). Bovendien bestaat er in de Irakese politieke traditie de gewoonte om gelegenheidscoalities te sluiten. Zo sloten bijvoorbeeld de twee belangrijkste Koerdische partijen, de  PUK en de KDP, bij tijd en wijle een pact met de Ba’thpartij, om de concurrent dwars te zitten. Verder waren verschillende mogendheden natuurlijk buitengewoon gretig naar goede betrekkingen met Irak vanwege de grote oliereserves, iets wat in de hele geschiedenis van Irak in de twintigste eeuw altijd een belangrijke rol heeft gespeeld.De vice-president Saddam Hoessein krijgt in de loop van de jaren zeventig echter steeds meer macht, ten koste van president Hasan Al Bakr. Met name de veiligheidsdiensten staan volledig onder zijn controle, zoals de ‘Mukhabarat’, de beruchte Irakese geheime dienst  (vooral opgeleid door de Russische KGB, de Oost-Duitse Stasi en de Roemeense Securitate). Het  ‘Paleis van het Einde’ wordt weer in ere hersteld. Overigens begint Saddam in deze tijd al aan zijn gewoonte om binnen een veiligheidsdienst weer een nieuwe op te bouwen, om de bestaande organisatie te controleren. Zo wordt er binnen de Mukhabarat de ‘Amm al-Khass’ opgericht, om naar verloop van tijd weer gecontroleerd te worden door de ‘Amm al-Amm’. De tijdens de afgelopen Irakoorlog veelbesproken ‘Fedayyeen Saddam’ is hier in feite het laatste uitvloeisel van. Uiteindelijk worden de ICP en de PUK uit het Progressief Front gezet. Op last van Saddam Hoessein worden de communisten massaal vervolgd, zelfs tot in het buitenland, waarbij vele kopstukken van de vroegere ICP worden geliquideerd (bijv. in een beruchte moordaanslag in een Londens ziekenhuis). Ook wordt de top van de radicaal Shiietische islamitische ‘Dawa-partij’ (de ‘moeder aller Hizbollahs’) volledig uitgeroeid. De leider van de Dawa, Ayatollah Mohammed Bakr as-Sadr, de oom van de geestelijk leider Muqtada as-Sadr die tegenwoordig veel van zich doet spreken, wordt vermoord middels het inslaan van een spijker in zijn schedel. Vele Shiieten worden de grens over gezet naar Iran, vanwege hun gebrekkige ‘loyaliteit’ aan de ‘Arabische zaak’. Het zouden immers geen ‘pure Arabieren’  zijn, maar ‘Perzische verraders’. Aangetekend moet worden dat de meeste Iraakse Shiieten volstrekt seculier zijn, tot op de dag van vandaag, althans dat persoonlijke religieuze overtuigingen niet politiek gebruikt mogen worden (de overgrote meerderheid van de Irakese Shiietische clerus deelt deze mening. De in 1991 overleden en waarschijnlijk door Saddam vermoorde Groot Ayatollah Abdel Kassem Al Khoey van Najaf, voorganger van de huidige Groot Ayatollah Ali Seyyed Sistani, stond immers bekend als een zeer verlicht en liberaal denker). Zo hadden de communisten bijvoorbeeld de grootste aanhang onder de Shiietische bevolkingsgroep. Irak verandert in de jaren zeventig echter in een politiestaat, waarin niets anders meer getolereerd wordt dan de ideologie van de Ba’th.  Dictatoriaal bestuurde buurlanden, zoals het Saoedi-Arabië van het Wahabitische koningshuis, het Iran van de Shah en het Syrië van president Hafez al-Assad (waar N.B. de Ba’thpartij ook aan de macht is), vallen hierbij in het niet. Kanan Makiya, Iraks belangrijkste dissidente schrijver, heeft al in de jaren tachtig overtuigend aangetoond, in zijn indrukwekkende relaas Republic of Fear (vooralsnog het grote standaardwerk over het Irak van de Ba’thpartij), dat de Irakese Ba’thistische staat veel meer overeenkomsten had met het Duitsland van Adolf Hitler en de Sovjet Unie van Josef Stalin dan met een doorsnee ‘derdewereld dictatuur’.Wel maakt Irak in de loop van de jaren zeventig een grote economische bloei door en geldt het als een van de meest ontwikkelde landen van de regio. Verschillende ontwikkelingsprogramma’s zijn buitengewoon succesvol, vooral het grootschalige onderwijsproject. In 1977 ontvangt Saddam Hoessein zelfs een onderscheiding van de UNESCO (de zogenaamde ‘Kropeska Award’) voor zijn strijd tegen het analfabetisme, met name met dat van vrouwen. Er moet echter worden aangetekend dat dit een feitelijke voortzetting is van het beleid van de presidenten Qasim en de gebroeders Arif (de politiek van modernisering middels de ‘ijzeren vuist’).

 

  • 1971-1975 Conflict met Iran en de Koerden. De pro-westerse Iraanse Shah, Mohammed Reza Pahlavi, ziet zijn kans schoon en eist van het door de vele revoluties verzwakte Irak de strategische waterweg naar de Perzische Golf op, de Shatt Al Arab, de gedeelde grens met Iran. Voorheen werd deze strategische uitvoerroute van olie min of meer gedeeld. Tegelijkertijd beginnen de Koerden in het noorden, met steun van de Shah en de Verenigde Staten, een guerrillaoorlog tegen het onderdrukkende Ba’thbewind in Bagdad (hoewel de CIA uitgebreide steun had geleverd aan de machtsgreep van de Ba’th waren zij op dat moment weer een beetje uitgekeken op deze beweging, vanwege de steeds betere betrekkingen met de Russen). De Iraakse regering slaagt er niet in om zonder meer de strijd te winnen van de KDP (Koerdistan Democratische Partij, dus niet ‘Koerdische’ omdat er ook veel christelijke groeperingen bij betrokken zijn) van Mullah Mustafa Barzani  en zijn ‘Peshmerga’s’ (de Koerdische partizanen). Uiteindelijk weet vice-president Saddam Hoessein een compromis met de Shah te sluiten. Dit wordt beklonken in het ‘Verdrag van Algiers’ in 1975. De rechten over de Shatt al-Arab gaan naar Iran, terwijl Iran en Amerika de Koerdische opstand laten vallen. Vertegenwoordiger van Amerika is Henry Kissinger, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken.  De Koerden noemen het Verdrag van Algiers nog altijd het  ‘Eerste Verraad van Amerika’. Grote delen van de Koerdische bevolking worden gedwongen hun dorpen te verlaten en naar kampen in Zuid Irak gedeporteerd, in de beruchte ‘herhuisvesting programma’s’. Dit  ter bevordering  van de ‘Revolutionaire Arabiserings-campagne’ van het noorden, waarbij vele Arabische Soennieten (waaronder vooral veel Ba’th loyalisten) op grote schaal gedwongen worden te verhuizen naar overwegend Koerdische steden, als Mosul en Kirkuk.

 

  • 1979- Saddam Hoessein wordt president van Irak. Ahmed Hasan Al Bakr wordt, vanwege zijn ‘zwakke gezondheid’, rigoureus met pensioen gestuurd. Er volgt een zuivering binnen de top van de Ba’thpartij, waarbij zo’n  driehonderd prominente partijleden het leven laten. De ‘Pan-Arabische’ en ‘linkse’ krachten binnen de Ba’thpartij worden volledig geëlimineerd. Op het voor deze gelegenheid speciaal bijeengeroepen partijcongres, spreekt Saddam Hoessein de historische woorden: “Wij hebben geen Stalinistische methodes nodig om ons van verraders te ontdoen; wij hebben onze eigen Ba’thmethodes”. Videobeelden van dit congres worden, naast uitgezonden op de Irakese staatstelevisie, naar de verschillende Ba’thorganisaties in Arabische landen gestuurd (Syrië, Jordanië, Libanon en Egypte), zodat er geen twijfel meer kan bestaan wie nu de leider van de beweging is. Saddam eist van de zijn getrouwe partijleden dat ze persoonlijk de executies uitvoeren, zodat zij zich geheel aan hem binden en dus medeschuldig zijn. Onder hen bevinden zich o.m. Saddams halfbroers Barazan, Watban en Sabawi, zijn neef en broer van zijn vrouw Adnan Khairallah Tulfah (op last van Saddam in 1989 uiteindelijk vermoord), zijn achterneef Ali Hassan al-Majid (‘Ali Chemicali’), Taha Yassin Ramadan, Izzat Ibrahim al-Dhoury, Mohammed Said as-Sahaf (de laatste Iraakse minister van Informatie) en Tariq Aziz. Rond Saddam Hoessein ontstaat er een persoonlijkheidscultus die in de tweede helft van de twintigste eeuw slechts haar equivalenten kent in het China van Mao Zedong, het Noord Korea van Kim Il Sung en het Roemenië van Nicolae Ceaucescu.

 

  • 1980-1988 Irak/Iran oorlog, de eerste golfoorlog. Irak valt Iran binnen. Saddam Hoessein grijpt zijn kans om van het door de Islamitische Revolutie verzwakte Iran de rechten over de Shatt Al Arab weer op te eisen (die Irak was kwijtgeraakt door het verdrag van Algiers in 1975). Voorts wil hij de etnisch Arabische en olierijke provincie Khuzestan ‘bevrijden’ (‘Arabistan’, volgens de Ba’th retoriek). De nieuwe Iraanse ‘islamistische’ revolutionaire leider, de Ayatollah Ruhollah Khomeiny, roept echter een Heilige Oorlog uit tegen het ‘Goddeloze Socialistische Ba’thregime in Bagdad’, waardoor hij de oorlog onnodig lang heeft gerekt. Als legitimatie van zijn kant roept hij op tot de ‘bevrijding’ van de onderdrukte Shiietische bevolking van Zuid-Irak. Aanvankelijk voert Saddam Hoessein zelf het opperbevel over de strijdkrachten uit. Toch blijkt hij zijn strategische gaven sterk te overschatten. Uiteindelijk is Iran steeds meer aan de winnende hand en dwingt een aantal Iraakse generaals Saddam om de strategische beslissingen aan hen over te laten, om nog te redden wat er te redden valt. Saddam geeft hier noodgedwongen aan gehoor, hoewel na de oorlog al deze generaals om het leven worden gebracht. Een van de grote helden uit dit conflict is generaal Maher Abdul al-Rashid geweest. Hij dwong Saddam, met getrokken revolver, om het opperbevel naast zich neer te leggen, en de leiding aan hem over te dragen. Dankzij hem hebben er minder grote excessen plaatsgevonden tijdens deze oorlog dan Saddam wellicht van plan was. Generaal al-Rashid is na de oorlog echter vermoord door de Mukhabarat. Zijn positie is in veel opzichten vergelijkbaar met die van Maarschalk Zjoekov van het Rode Leger onder Stalin tijdens WO II, die aanvankelijk ten koste van Stalin het opperbevel voerde, maar later eveneens werd weggezuiverd.Overigens waren de meeste van deze generaals afkomstig uit de traditionele officierenklasse van de Irakese samenleving, die ook in de tijd van het Osmaanse Rijk de bestuurlijke elite van Irak vormden (onder de Sultan kwam het ambtelijke apparaat traditioneel uit deze in regel ‘conservatieve’ aristocratische klasse voort). Hoewel Soennitisch Arabisch, had deze maatschappelijke bovenlaag het weinig op met de ‘riool-elite’ (deze term is ontleend aan de Britse historicus Allan Bullock, uit zijn beroemde dubbelbiografie van Hitler en Stalin, maar zeker ook toepasbaar voor het Irak van die tijd) van de Ba’thpartij en de kliek rond Saddam Hoessein, vooral afkomstig uit de ‘achtergebleven’ gebieden van Tikrit, Fallujah, Baquba en Ramadi, in het gebied van de nu veelbesproken ‘Soennitische driehoek’. Er bestond dus nogal een verschil tussen het reguliere leger en gewapende partij activisten, als de ‘Republikeinse Garde,’ de ‘Speciale Republikeinse Garde’ en de latere ‘Fedayyeen Saddam’ (de vergelijking met bijvoorbeeld de aan de Nazi partij gebonden Waffen SS enerzijds en de reguliere Wehrmacht anderzijds gaat  in dit geval zeker op).Irak wordt , vanwege de steeds groter wordende verliezen, uitgebreid gesteund door Amerika. De VS willen wraak nemen op Iran na de dramatisch verlopen gijzelingsactie van de Amerikaanse ambassade in Teheran, tijdens de islamitische revolutie. Naast het verstrekken van satellietfoto’s van de Iraanse stellingen, ontvangt Irak preparaten voor biologische wapens (bijv. anthrax, hoewel  zeventig procent van de basismaterialen van de chemische wapens, zoals de gifgassen tabun en sarin, afkomstig waren uit Duitsland en zelfs voor een klein deel uit Nederland, geleverd door de toenmalige staatssecretaris van buitenlandse handel Frits Bolkestein, die in 1983 namens het kabinet Lubbers I een lucratieve handelsdeal sloot met het Irakese Ba’th regime), met goedkeuring van de Amerikaanse regering, in een tijd dat Irak al chemische wapens had ingezet op Iraanse troepen (overigens op expliciet bevel van Saddam Hoessein; de Irakese legertop was hier immers uitgesproken tegen). De speciale gezant van de regering Reagan voor Saddam Hoessein is Donald Rumsfeld, de huidige Amerikaanse minister van defensie. De Irak/Iran oorlog kost een miljoen slachtoffers aan beide kanten. Uiteindelijk leidt deze oorlog slechts tot een patstelling, zonder dat een van beide partijen iets heeft bereikt.Wel roept Saddam na afloop de overwinning uit. Hij laat hiervoor zelfs een kolossaal monument oprichten, de zogenaamde Victory Arch, het monument van de gekruiste zwaarden, uitgevoerd door twee van Iraks beroemdste beeldhouwers (Khalid al-Rahal en Mohammed Ghani Hikmet), maar  ontworpen door Saddam Hoessein zelf. Een veelzeggend detail is dat er in dit ‘kunstwerk’ echte helmen zijn verwerkt van gesneuvelde Iraanse soldaten, meegenomen van het front en allen voorzien van een kogelgat.

 

  • 1988- Het jaar van de ‘Anfal operaties’, de genocide campagne op de Koerden. Saddam Hoessein neemt wraak op de Koerden op ongekende schaal, omdat zij zich de afgelopen jaren grotendeels achter Iran hadden opgesteld. Door de Koerden van Noord Irak wordt de ‘Anfal’ (oorspronkelijk een Soera uit de Koran, door de Ba’thi’s als codenaam gebruikt voor deze genocide) gezien als de ‘Holocaust’ op het Koerdische volk. 180.000 Koerden komen om, de meerderheid door massa-executies, maar een groot gedeelte ook door gifgasaanvallen, waarvan de getroffen stad Halabdja het meest berucht is geworden, omdat dit uitgebreid is geregistreerd door de internationale pers. Dit geschiedde overigens met gas dat uit Duitsland afkomstig was. Hoe belangrijk Halabdja en de minder bekende vergaste stad Goeptapa (waar geen beelden van bestaan, maar slechts enkele getuigenverklaringen) en vele dorpen die ook een gifgasaanval over zich heen hebben gehad ook geweest zijn, blijft de kern van de Anfal toch de massale liquidatie van hele Koerdische gemeenschappen, die de dood vonden in massagraven in het zuiden van Irak. Nadat de inwoners van complete dorpen werden geconcentreerd in militaire forten langs de Iraanse grens (zoals in het beruchte Fort Koratoe, dat als ‘doorgangskamp’ functioneerde), werden deze vervolgens naar de zuidelijke woestijn afgevoerd, vlakbij de Saoedische grens, waar zij de dood vonden in massagraven, met name in de afgelegen woestijngebieden van de provincie al-Muthanna, waar overigens nu Nederlandse militairen zijn gestationeerd. Vreemd genoeg horen wij hier niets over in de Nederlandse media, terwijl juist hier Saddams grootste massagraven liggen. Getuigen zijn er namelijk genoeg. Saoedische grensbewoners hebben inmiddels vele verklaringen afgelegd over het geknal van deze massa-executies. Ook is een Irakese Bedoeienen familie (Arabisch dus) erin geslaagd om een nog levend Koerdisch slachtoffer uit een massagraf te halen, bij wie hij kon onderduiken. Het betrof de toenmalige twaalf jaar oude Koerdische jongen ‘Taimoer’ (pseudoniem), nu een van de belangrijkste getuigen in de kwestie ‘Anfal’.Saddam Hoessein benoemt zijn achterneef, ‘Generaal’ Ali Hassan al-Majid (‘Ali Chemicali’, vandaar deze bijnaam, overigens oorspronkelijk slechts een locale politieagent uit Tikrit) tot  gouverneur van Koerdistan, om deze volkerenmoord te voltrekken. Een grote tragedie is dat vele Koerden zelf hebben meegewerkt aan deze genocide. Zij vormen de beruchte ‘Djash milities’, loyaal aan de Ba’th, en assisteren in de massamoord op hun eigen volksgenoten (‘Djash’ betekent ‘ezelsveulen’ in het Koerdisch). In het Amerikaanse congres gaan veel stemmen op om Irak, na ‘Halabdja’ (de totale impact van de Anfal was toen nog in het Westen onbekend), te boycotten. Bush senior spreekt echter zijn presidentiele veto uit. Irak is immers een begunstigde handelspartner. Verder schrijft in 1989 het Army War College in Washington een ‘analyse’, waarin getracht wordt aan te tonen dat de vergassing van Halabdja het werk van Iran was.

 

  • 1990-1991 De Koeweitcrisis en de tweede golfoorlog. Irak valt Koeweit binnen. Hoofdreden van deze invasie is de Irakese beschuldiging aan Koeweit dat het de olieprijzen zou devalueren, tegen de OPEC afspraken in. Verder zit Irak met een enorme schuldenlast na de desastreuze oorlog met Iran. Ook speelt de oude claim op Koeweit een rol, althans voor de legitimatie van deze inval (zoals die van president Qasim uit 1961, maar ook al eerder door de Hashemitische koningen, om de eilanden Warba en Bubiyyan, die de Irakese kust blokkeren, inzake de vrije afvoer van olie. Saddam stelt Ali Hassan al-Majid aan als gouverneur van Koeweit. Onder zijn leiding wordt het steenrijke oliestaatje binnen een half jaar volkomen leeggeplunderd. Honderden Koeweiti’s worden vermoord. Hoewel Amerika willens en wetens het verhaal de wereld in stuurt dat de Irakezen op grote schaal couveuse baby’s zouden hebben vermoord (dit verhaal bleek achteraf een propagandistisch verzinsel), verklaart een niet onbelangrijke ooggetuige (de Koeweitse mensenrechtenactivist en verzetsstrijder Khalid Nasir as-Sabah, een lid van de koninklijke familie, maar die zich altijd heeft verzet tegen de dictatuur van zijn eigen verwanten en meermalen is opgekomen voor de rechten van bijvoorbeeld de zwaar gediscrimineerde Palestijnse minderheid in zijn land) dat Koeweit binnen de kortste keren was veranderd in een soort bizarre kruising van een ‘slachthuis en een schijthuis’. Internationaal onderzoek heeft aangetoond dat de helft van de Koeweitse bevolking nog steeds lijdt aan ernstige psychologische aandoeningen, veroorzaakt door de trauma’s van de invasie van 1990.Hoewel het Ba’thbewind voor die tijd de mensenrechten niet minder schond, is de wereld opeens te klein om Saddam Hoessein scherp te veroordelen. President Bush en de Britse premier Margaret Thatcher staan aan de voorste linies. Onder leiding van Amerika wordt er een mondiale coalitie gevormd ter ‘bevrijding van Koeweit’, hoewel Koeweit voor die tijd zuchtte onder de dictatuur van de Emirdynastie as-Sabah. Saillant is bijvoorbeeld dat de Koeweitse vrouwenbeweging na de golfoorlog hoopvol steun zocht bij de Amerikaanse regering. Zij kregen echter nul op het rekest, omdat de Koeweitse vrouwen simpelweg niet meer interessant waren.  Met een groot militair offensief verdrijft Amerika Irak weer uit Koeweit. Hoewel Saddam Hoessein de overwinning uitroept in de ‘Umm al-Marik’ (de ‘Moeder aller Veldslagen’), wordt binnen twee maanden het Iraakse leger verpletterend verslagen. Ondanks de suggestie van generaal Norman Schwarzkopf op zijn  beroemde persconferenties dat het om een ‘schone oorlog’ gaat, is de gehele infrastructuur van Irak kapotgebombardeerd (ziekenhuizen, elektriciteitscentrales, bruggen over de grote rivieren en waterzuiveringsinstallaties), met rampzalige gevolgen voor de bevolking. Verder is er door de Amerikanen, willens en wetens, verarmd uranium gebruikt. Naast dat vele Amerikaanse golfoorlogveteranen hier nog grote problemen van ondervinden (het zogenaamde ‘golfoorlogsyndroom’), worden er tot op de dag van vandaag in de regio van Basra opvallend veel zwaar gehandicapte kinderen geboren.  Ook vindt er, na de militaire nederlaag, de zogenaamde ‘Grote Intifadah’ plaats. Deze begint in Basra, op initiatief van het Irakese leger, dat halsoverkop Koeweit is ontvlucht. Het startsein van deze Intifada wordt gegeven door de legendarische tankcommandant Abu Haidar, die zijn mannen de opdracht geeft om het portret van Saddam op het centrale Sa’ad plein in Basra aan puin te schieten. Abu Haidar is waarschijnlijk gevallen tijdens de Intifadah. Het Iraakse volk komt massaal in opstand tegen het gehate Ba’thbewind van Saddam Hoessein, aangemoedigd door George Bush sr: “But there is another way to stop the bloodshed. The Iraqi military forces and the civilians have now the chance to get rid of their brutal dictator and force him to step aside. This is the day of the Iraqi people”. De Irakese bevolking van vooral het noorden en het zuiden, maar zelfs ook in Bagdad, geeft gehoor aan deze oproep, in de veronderstelling dat de Amerikaanse troepen steun zullen bieden. Vijftien van de achttien provincies vallen in handen van de rebellen. Op het laatste moment besluit Amerika echter om zich buiten het conflict te houden. De regering in Bagdad slaat de Intifadah in het zuiden neer, wederom onder leiding van Ali Hassan al-Majid, en onder toeziend oog van de Amerikaanse troepen, die geen vinger uitsteken om de wanhopige bevolking te hulp te schieten. Cruciaal in de onderdrukking van de Intifadah is dat Norman Schwarzkopf de Iraakse autoriteiten toestemming geeft gevechtshelikopters in te zetten. Hiermee geeft hij de helpende hand aan Saddam om zijn eigen burgerbevolking af te slachten. Tienduizenden Iraakse burgers (volgens sommige schattingen zelfs meer dan honderdduizend) worden vermoord. De rottende lijken blijven willens en wetens in de straten liggen van de grote Shiietische steden als Karbala, Najaf, Hilla, Babylon, Amara, Diwanniyyah, Sammawah, Nassariyah en Basra, als afschrikkingseffect. Een gruwelijk detail is dat de Irakese staatstelevisie na afloop video-opnames uitzendt, waarop te zien is hoe Ali Hassan al-Majid in Basra persoonlijk gevangenen martelt en executeert (zo laat hij hen een glas benzine leegdrinken om vervolgens een explosieve kogel af te vuren, waardoor zijn gevangenen levend in brand vliegen en hun lichamen exploderen). Dit ter waarschuwing aan de hele Iraakse bevolking.Een groot aantal Shiieten slaat op de vlucht en wordt door de Amerikanen naar Saoedie Arabië afgevoerd. Daar worden zij overgedragen aan de Saoedische autoriteiten die hen in gevangenenkampen in de woestijn opsluit (de kampen Rafha en ath-Thawira), onder een gruwelijk regime. Marteling, dwangarbeid, willekeur en hongersnood zijn aan de orde van de dag. Vrouwen worden regelmatig als prostituees verkocht en de Saoedische kampbewakers zien er geen probleem in om voor flessen whisky gevangenen te verkopen aan de Irakese Mukhabarat. Jarenlang verblijven zij daar, vergeten door de rest van de wereld (voor de VS had deze groep geen prioriteit meer, terwijl zij, samen met de Saoedische regering, als enige op de hoogte waren van het bestaan van deze kampen, alsmede van wat zich daar werkelijk afspeelde). Uiteindelijk weet een van deze ‘gevangenen’ in 1995 te ontsnappen en via het kantoor van BBC World in Riyadh de VN in te schakelen en worden deze 60.000 ‘vluchtelinggevangenen’ bevrijd door de UNHCR en toegewezen aan verschillende westerse landen, hoewel er tot op de dag van vandaag nog altijd mensen in deze kampen worden vastgehouden die daar als slaven worden behandeld. Een aantal van deze vluchtelingen verblijft tegenwoordig in Nederland. Overigens is, sinds een paar jaar, een aantal veteranen van Rafha en ath-Thawira, die verspreid over de hele wereld wonen, bezig met het voorbereiden van een internationale aanklacht tegen, naast natuurlijk de kopstukken van de Ba’thpartij, de regeringsfunctionarissen van zowel Saoedie Arabië als de Verenigde Staten die verantwoordelijk waren voor deze politiek.Ook de Koerden in het noorden worden tijdens de opstand in de steek gelaten. Er volgt een exodus van twee miljoen Koerden uit de grote steden.  Beelden van naar de bergen gevluchte uitgehongerde Koerden aan de Turkse grens gaan de hele wereld over en wekken vooral een mondiaal afgrijzen op. In dit verband wordt er door de Koerden vaak gesproken van het ‘Tweede Verraad van Amerika’ (het  ‘Eerste Verraad’ vond plaats in 1975, na het verdrag van Algiers). Wel slagen de Koerden erin om overvolle vrachtwagens, gevuld met documenten uit de kantoren van de Ba’thpartij en de Mukhabarat van Koerdische steden als Mosul, Kirkuk, Irbil, Suleimanya, Zakho en Dohuk, naar het buitenland te smokkelen, waardoor voor het eerst  het ‘bureaucratische bewijs’ aan de wereld wordt getoond dat de Anfal als centraal georganiseerde genocide campagne wel degelijk heeft plaatsgevonden (achttien ton gewicht aan papier volgens Human Right Watch). In het westen bestonden er nog altijd twijfels, afgezien van ‘Halabdja’ (waar televisiebeelden van bestaan), hoewel met name in Amerika vaak is gesuggereerd dat dit het werk van Iran was, zie het rapport van het Army War College uit 1989. Nadat Irak Koeweit was binnengevallen zijn de twijfelachtige argumenten van dit rapport overigens klakkeloos overgenomen door linkse oorlogstegenstanders als Edward Said  (hoewel hij hier later op is teruggekomen en zijn spijt heeft betuigd), Ramsey Clarke en zelfs zeer recent door oud CIA man Stephen Pelletiere (in voorjaar 2003 en zelfs verschenen op de opiniepagina van de NRC). Ook de propagandamachine van de Ba’thpartij heeft zich, ironisch genoeg, vaak bediend van deze ‘Amerikaanse argumenten’, hoewel ‘Ali Chemicali’ zelf op band heeft toegegeven dat er wel ‘iets’ is gebeurd. “180.000 is een leugen, het zijn er hooguit 100.000 geweest”, riep ‘Saddams bloedhond’ Ali Hassan al-Majid zeer  geagiteerd, maar gelukkig wel geregistreerd, aan een onderzoekscommissie van de VN. Nog een andere op band geregistreerde uitspraak van Ali Chemicali uit 1987, binnen de Revolutionaire Commando Raad die onder strikte controle van Saddam Hoessein staat, is: “We pakken die Koerden met gifgas. De hele wereld zal wel protest voeren maar dat kan ons niets schelen”. Human Right Watch houdt nog altijd vast aan het cijfer 180.000 vermoorde Koerden , wat ook is vastgesteld door de Koerdische oppositie partijen, de PUK en de KDP, gebaseerd op lijsten van verdwenen personen. Recente opgravingen van massagraven lijken dit aantal bevestigen. De belastende documenten zijn door het Iraq Research and Documentation Project van de Harvard Universiteit, dat onder leiding staat van Kanan Makiya, voor een belangrijk deel op internet gezet, waardoor er eigenlijk geen discussie meer mogelijk is over deze kwestie. De Anfal heeft gewoon plaatsgevonden, hoezeer  zowel ‘links’ als ‘rechts’ hebben getracht om dit historische drama te ontkennen, ten behoeve van de eigen politieke agenda.

 

  • 1991-2003 Irak is getroffen door sancties van de VN. Hoewel de bevolking er sterk onder te lijden heeft, blijft het regime stevig in het zadel zitten. Het profiteert zelfs van de sancties, vanwege de hoge inkomsten uit de oliesmokkel (gecoördineerd door Saddams oudste zoon Uday), terwijl de bevolking verhongert, en daardoor te verzwakt is om een nieuwe opstand te beginnen. In Irak voltrekt zich een humanitaire ramp. Volgens UNICEF en de VN functionarissen die verantwoordelijk waren voor het ‘Oil for Food Programm’ (achtereenvolgens de Ier Dennis Halliday, de vroegere plaatsvervangend secretaris generaal van de VN, en de Duitse topdiplomaat Hans von Sponeck), sterven er een miljoen kinderen aan de directe gevolgen van het embargo. Tot 1998 worden er wapeninspecties gehouden, totdat de wapeninspecteurs het land worden uitgezet. Of Irak na die tijd nog massavernietigingswapens bezit of heeft kunnen verkrijgen, is onder de voormalige inspecteurs een omstreden kwestie.In de loop van de jaren negentig pleegt Saddam Hoessein nog een daad van genocide. Deze keer betreft het de zogenaamde ‘moeras-Arabieren’. Dit volk leeft al millennia lang in de moerasdelta van de Eufraat en de Tigris (tot voor kort een internationaal beschermd natuurgebied), met behoud van eigen tradities, taal en cultuur, en wordt door veel taalkundigen, archeologen en historici zelfs gezien als een laatste restant van de oude Mesopotamische culturen. Naast de Islam kent deze bevolkingsgroep nog altijd pre-islamitische en zelfs pre-christelijke religies, zoals de ‘Manday’ (de volgelingen van Johannes de Doper, met een geheel eigen Heilig Boek, opgesteld in het oud-Aramees) en aanhangers van de oud-Perzische Zoroaster-cultus. Saddam besluit de moerassen droog te leggen en hele dorpen uit te moorden, of te deporteren. In dit geval is er sprake van een humanitair drama, maar ook van een unieke ecologische en culturele ramp.In ballingschap verenigen een aantal Irakese oppositiepartijen zich in het Iraqi National Congress (INC) dat onder leiding staat van de in Engeland en Amerika opgegroeide wiskundige en bankier Ahmed Chelaby.  Deze organisatie wordt in 1993 opgericht in Salahuddin (Koerdistan), maar heeft haar hoofdkwartier eerst in Wenen, later in Londen. Belangrijkste tegenhanger wordt in de loop van de jaren negentig het zogenaamde Al Wifaq Al Watani (Iraqi National Accord, INA) van Ayad Allawi, dat vooral uit ex-generaals, Arabische nationalisten en afvallige Ba’thi’s bestaat. Beide groepen worden om beurten door Amerika gesteund. Het INA tracht in 1996, met behulp van de CIA , zelfs een staatsgreep te plegen. Het complot wordt echter voortijdig ontdekt door Saddams Mukhabarat en alle agenten van INA binnen Irak worden om het leven gebracht. Een andere belangrijke oppositiekracht is de ‘Supreme Councel for Islamic Revolution in Iraq’ (SCIRI) van  de recent vermoorde Ayatollah  Sayyid Mohammed Bakr al-Hakim, die tot voor kort in Iran zetelde. Deze groepering beschikt ook over een eigen legermacht, de zogenaamde Badr Brigade, die herhaaldelijk de grens oversteekt om aanvallen te plegen op Ba’thistische doelen. De eens zo invloedrijke Irakese Communistische Partij blijkt in de jaren negentig nauwelijks meer een factor van betekenis te zijn, al heeft deze, bijvoorbeeld onder ballingen in Nederland, een opvallend grote aanhang, vooral onder kunstenaars.In Koerdistan krijgt een smalle strook zelfbestuur, geregeerd door de ‘nationalistische’ KDP (westelijke gedeelte) van Massoud Barzani  (de zoon van Mullah Mustafa Barzani) en de ‘Marxistische’ PUK (oostelijke gedeelte) van Jalal Talabani, onafhankelijk van het regime in Bagdad, hoewel zij tot 1994 afwisselend om hulp hebben gevraagd aan Saddam Hoesseins Republikeinse Garde om de tegenpartij uit te schakelen. Tot 1996 is er zelfs sprake van een Koerdische burgeroorlog. Andere partijen in dit conflict zijn de oude pro-Ba’thistische Djash milities, de Shiietische ‘Faili-Koerden’, die een kleine minderheid vormen en de Soennitische islamistische Koerdische IMIK (Koerdische Islamitische Eenheidsbeweging), waarvan de radicale afsplitsing al-Ansar al-Islam van Mullah Krekar het meest bekend is geworden.  Na die tijd heeft Koerdistan zich echter kunnen ontwikkelen tot een min of meer functionerende democratische staat, met een betrekkelijke economische groei, ondanks de sancties. Aangetekend moet worden dat het vooral om een ‘zwarte economie’ gaat, omdat ook Koerdistan onder het embargo valt.

 

  • 2003 - De derde golfoorlog. Binnen drie weken is er afgerekend met het Ba’thregime. Hoofdoorzaak van deze snelle overwinning is dat de meerderheid van de Iraakse soldaten niet wilde vechten voor het zichzelf gediskwalificeerde regime van Saddam Hoessein. Net voor de eerste aanval was al eenderde van het reguliere leger gedeserteerd, maar tijdens de oorlog moeten het er veel meer geweest zijn, ondanks het buitensporige geweld van de Amerikanen. Het verzet dat gepleegd gedurende de oorlogsweken werd was voornamelijk het werk van partijgebonden organisaties als de Republikeinse Garde, de Mukhabarat en de Fedayyeen, als van buitenlandse Arabische vrijwilligers. De meeste Iraqi’s lieten de coalitietroepen passeren en wachtten gelaten af. Van een absolutistische dictatuur is Irak veranderd in een totale anarchie. Aanvankelijk bestond er een grote euforie onder de overgrote meerderheid van de bevolking, maar men weet nog steeds niet wat men van de nieuwe overheersers moet vinden. De eerste tekenen zijn ongunstig. Veel Iraakse ballingen die weer hun land hebben bezocht, maar ook westerse hulpverleners, wijzen bijvoorbeeld op de strenge censuur van de nieuwe Iraakse pers door de Amerikanen. Van de beloofde nieuwe vrijheid komt, voorlopig althans, weinig terecht. Massavernietigingswapens zijn er niet gevonden, maar des te meer massagraven. Voor het eerst zijn een aantal graven van de Anfal geopend (de grootste nog niet). Organisaties als Amnesty International en Human Right Watch zijn, samen met vele Iraake vrijwilligers, bezig om de menselijke schade van vijfendertig jaar Ba’thoverheersing op te nemen. Irak blijft voorlopig bezet door de Amerikanen, met de onduidelijke toezegging dat het land op termijn  weer haar autonomie zal verkrijgen. Wel is er een Regeringsraad aangesteld die verrassend representatief is. Zo zijn bijvoorbeeld de communisten en de Shiietische islamisten vertegenwoordigd, niet bepaald de natuurlijke bondgenoten van Amerika.  Aangetekend moet worden dat dit niet op het conto van Paul Bremer kan worden geschreven, maar dat dit dankzij de inzet van de inmiddels vermoorde VN gezant Sergio Vieira de Mello tot stand is gekomen. Eerder ondanks de Amerikanen dan dankzij de Amerikanen. De Regeringsraad heeft overigens weinig bevoegdheden, hoewel er een trend is waar te nemen zij steeds meer een onafhankelijke koers tracht te varen en haar macht probeert uit te breiden, ten koste van de Amerikaanse bezettingsautoriteit.  Een goed voorbeeld is een conflict tussen de Raad en Paul Bremer over de bombardementen van Israël op Syrië, najaar  2003. De Regeringsraad veroordeelde deze bombardementen unaniem, terwijl Amerika achter Israël bleef staan. Paul Bremer (wellicht na instructies uit Washington)bestond het zelfs om de inmiddels alom geprezen voorlopige minister van Buitenlandse Zaken van Irak, Hoshyar Zebari (in de Raad vertegenwoordiger van de Koerdische KDP, maar die er verder in zijn eentje voor heeft gezorgd dat de top van de Arabische Liga de voorlopige regering van Irak erkent, wat gezien mag worden als een  uitzonderlijk grote diplomatieke prestatie) op het matje te roepen. Zebari heeft echter namens de hele Raad voet bij stuk gehouden. Ironisch gezien heeft deze kwestie het gezag van de verder zo verdeelde Regeringsraad versterkt en is het respect voor deze Raad, zowel bij de Iraake bevolking als bij de niet onbelangrijke Arabische Liga, aanzienlijk toegenomen. Verder zegt dit conflict veel over de Amerikaanse neoconservatieve illusies dat een ‘democratisch Irak’ plotseling ‘pro-Israël’ zou worden.Hoewel Bremer verder de naam heeft van iemand die in regel veel overlegt en goed luistert naar zijn Irakese adviseurs (al bestaat er onder de Iraqi’s ook zeer zware kritiek), dreigen de Amerikaanse autoriteiten de goodwill te verliezen van zelfs de meest welwillende en pro-democratische Iraakse krachten (zelfs van degenen die positief tegenover de oorlog stonden, omdat zij simpelweg van de Ba’th bevrijd wilden worden). Hoewel dit aspect vrijwel geen aandacht krijgt in de westerse pers, kan mijns inziens dit probleem niet genoeg onderschat worden. De oorzaak hiervan is dat het onduidelijk is hoeveel werkelijke macht Paul Bremer eigenlijk heeft. Volgens de mij bekende tijdelijk teruggekeerde Iraakse ballingen ligt de feitelijke macht vooral in handen van consultants en Amerikaanse bedrijven, die de herverkiezing van George W. Bush financieren, zoals Halliburton, Bechtel, Vinell en de Carlyle Group. Een mij bevriende Iraakse journalist, Ismael Zayer, nu hoofdredacteur van ‘as-Sabah’ (‘de Morgen’), een van de eerste ‘vrije kranten’ van Irak, maar met enige ondersteuning van de Amerikanen, werd het zelfs door Amerikaanse functionarissen verboden om computers aan te schaffen voor zijn redactie, waardoor het werk van een kritische en onafhankelijke krant willens en wetens werd gesaboteerd. Uiteindelijk heeft hij twintig computers uit eigen zak clandestien aangeschaft op de zwarte markt in Bagdad, om toch zijn werk te kunnen doen. Mijn verdere bronnen vertellen mij dat er in feite een grote uitverkoop wordt georganiseerd van de potentiële rijkdommen van Irak, over de rug van de werkelijke belangen van de Iraakse bevolking heen. Voor zover ik het kan inschatten, en met mij zowel vele Irakezen zelf als zeer terzake kundige westerse hulpverleners (dit is ook de mening van de Britse historicus Charles Tripp, die een standaardwerk over de geschiedenis van Irak schreef), vormt dit een precedent voor nog grotere rampen in de nabije toekomst, dan het zogenaamde terrorisme probleem dat we nu kennen. Uiteindelijk zal het Irakese volk dit immers niet accepteren en zou het tot een opstand kunnen leiden, waarbij de huidige problemen in het niet vallen. Extreme politiek (zie de memoires van Getrude Bell, van de conferentie van Cairo uit 1921) lokken nu eenmaal  nog veel extremere reacties uit, zoals bijvoorbeeld een Ba’thpartij of een Saddam Hoessein. De Amerikanen zouden er goed aan doen om lering te trekken uit de ervaringen van de Britten uit de periode 1920-1958, zoals Charles Tripp dit onlangs op een lezing in Amsterdam betoogde. Een herhaling van bijvoorbeeld de al-Wathbah Intifadah uit 1948, lijkt mij niet echt handig (en dan druk ik mij heel eufemistisch uit).Overigens blijft het huidige probleem van terrorisme nog altijd een groot gevaar. De Ba’thpartij is ontbonden, maar waar onvoldoende rekening mee is gehouden, is dat de Ba’thistische organisatie altijd haar zogenaamde ‘cellenstructuur’ heeft behouden, in precies dezelfde vorm zoals deze ooit bedacht was door Michel Aflaq en Salah Eddine al-Bitar in 1947 (naar voorbeeld van Lenins Bolsjevistische partij, van voor de Russische Revolutie). De bewering van Donald Rumsfeld dat Saddam wel snel gepakt zou kunnen worden, omdat hij, in tegenstelling tot  Osama Bin Laden, niet gewend zou zijn aan een leven als guerrilla-strijder, kan als volslagen onzinnig terzijde worden geschoven. Enige kennis van zijn levensloop leert dat Saddam Hoessein vanaf zijn tienerjaren vooral een revolutionair strijder was, die heel goed weet hoe men in de illegaliteit moet opereren (zie de periode 1959-1968). Saddam is zijn hele leven een beroepsrevolutionair geweest, zelfs toen hij aan de macht was. BBC journalist en ervaren Irak bezoeker John Simpson haalt de woorden aan van Wafiq as-Sammarai, het inmiddels gevluchte hoofd van de Irakese militaire inlichtingendienst, over Saddams positie in oa. de oorlog van 1991: “He enjoyed it, even when he was on the top of his power. He knows what it is to be hunted”. Hoewel het grootste deel van de top van de Ba’thpartij inmiddels gearresteerd of dood is (bijvoorbeeld Saddams zonen Uday en Qusay), blijft het grote gevaar bestaan dat de Ba’th als organisatie vitaal genoeg is om vernietigend terug te slaan, al dan niet onder leiding van de voortvluchtige Saddam Hoessein of de eveneens voortvluchtige beruchte vice-president, partij activist en revolutionair van het eerste uur, Izzat Ibrahim al-Dhoury. Voeg hierbij het onzalige besluit van Paul Bremer om het complete reguliere Irakese leger te ontslaan (dat voor het grootste deel niet uit partij activisten bestond, sterker nog veel generaals hebben Saddam gewetensvol voor bepaalde misdaden enigszins kunnen afremmen, zowel in Iran als Koeweit en zelfs wat betreft de Koerden, zie bijv. de kwestie generaal Maher Abdul al-Rashid uit de Irak/Iran oorlog), zodat  een van de machtigste legers van het Midden Oosten ooit nu werkeloos thuis zit, goed  en wel getraind maar zonder enig uitzicht op een nieuw perspectief. Een recept voor nieuwe ongelukken is geboren. Verder bestaat er ook het risico van een soort ‘Afghanistan-scenerio’ (qua vechtende tribale groeperingen), hoewel er direct kan worden tegengeworpen dat Irak en Afghanistan weinig op elkaar lijken. Afghanistan is immers het nog meest rurale land ter wereld, terwijl Irak juist een sterke geürbaniseerde samenleving kent.De wrange ironie is dat Irak mede is aangevallen in het kader van de oorlog tegen het terrorisme. Nu hield Saddam, met zijn Ba’thistische schrikbewind, de islamistische terreurgroepen juist met ijzeren vuist onder de duim. Hoewel er vaak is gesuggereerd dat Saddam contacten onderhield met Al Qaida, is dit nooit bewezen en historisch gezien zelfs zeer onwaarschijnlijk. De ideologie van de Ba’th en die van Al Qaida staan, in de Arabische context, zelfs lijnrecht tegenover elkaar. De ideologen van Saddam waren immers Sati Husri, Michel Aflaq en Salah Eddine al-Bitar, rechts-radicale nationalistische secularisten, terwijl de leer van Osama Bin Laden vooral gebaseerd is op het gedachtegoed van Jamal ad-Dine al-Afghani, Rashid Rida, Hassan al-Banna en Sayyid Qutb, die de filosofische grondslag leverden van het Soennitische fundamentalisme (eigenlijk ‘islamisme’). Al Qaida is in Saoedie Arabië zelfs oorspronkelijk opgericht uit vrees voor een Ba’thistische overheersing van het Arabische schiereiland, na de Irakese invasie van Koeweit in 1990. Nu Irak in een grote anarchie is veranderd is het juist een broedplaats geworden van vele islamistische terreurbewegingen. Het resultaat hiervan zien wij bijna dagelijks op het nieuws.De toekomst is uiterst onzeker. Wat de geschiedenis ons in ieder geval kan leren is dat buitenlandse bezetting of inmenging in Irak meestal hoogst ongelukkig heeft uitgepakt. Toch zou de vrede in Irak gewonnen moeten worden, het liefst met brede internationale steun, zonder allerlei deelbelangen, gemanipuleer, uitbuiting of verborgen agenda’s. In dit moeizame proces dienen in de eerste plaats de belangen van de Iraqi’s zelf centraal te staan.  Het Irakese volk heeft in de twintigste eeuw immers genoeg geleden en verdient zo langzamerhand een rechtvaardige orde.

Floris Schreve

 

  • Said K. Aburrish, Saddam Hussain; the politics of revenge, Bloomsbury Publishing, Londen, 2000.
  • Hanna Batatu, The old social classes and revolutionary movements in Iraq; a study of Iraq’s old landed and commercial classes and of its communists, Ba’thists and Free Officers, Princeton University Press, New Jersey, 1978.
  • Bert Cornillie, Hans Declerq (ed.), In de schaduw van Saddam; het Koerdische experiment in Irak, Bulaaq/van Halewyck, Amsterdam, Leuven, 2003
  • Con Coughlin, Saddam; biografie van een dictator, het Spectrum, Utrecht, 2002 (oorspr. titel Saddam; the secret world, Macmillan,  Londen, 2002).
  • Fran Hazelton (ed.), Iraq since the Gulf War; prospects for democracy, Zed Books, Londen, 1994
  • Samir Al Khalil (pseudoniem van Kanan Makiya), Republic of Fear; the politics of modern Iraq, University of California Press, 1989 (repr. 1998).
  • Samir Al Khalil, The Monument; art, vulgarity and responsibility in Iraq, Andre Deutch, Londen, 1991.
  • Jef Lambrecht, De zwarte wieg; Irak, nazi’s en neoconservatieven, Houtekiet, Antwerpen, Amsterdam, 2003.
  • Kanan Makiya, Verzwegen wreedheid; nationalisme, dictatuur, opstand en het Midden-Oosten (oorspr. titel Cruelty and Silence, W.W. Norton & Company, New York, 1993), Bulaaq/Kritak, Amsterdam, Leuven, 1994.
  • John Simpson, The wars against Saddam; taking the hard road to Baghdad, Macmillan, Londen, 2003.
  • Charles Tripp, A history of Iraq, Cambridge University Press, 2000 (in 2002 in het Nederlands verschenen onder de titel Irak; een geschiedenis, Bulaaq, Amsterdam).
  • Wat betreft de documentatie over de Anfal-operaties, begane oorlogsmisdaden in Koeweit en de onderdrukking van de Intifadah van 1991kan ik verwijzen naar de website van het Iraq Research and Documentation Project (IRDP), van Kanan Makiya en de bekende Irakese hoogleraar sociologie Faleh Abdul Jaber, van de Harvard Universiteit:: http://fas-www.harvard.edu/~irdp/
  • De in Nederland wonende Irakese schrijver Mowaffk al-Sawad (Basra, 1971) schreef een indrukwekkend relaas over zijn ervaringen in het Saoedische kamp ath-Thawira, waarin hij met medewerking van de Amerikanen terechtkwam na de Intifadah van 1991, Stemmen onder de zon, de Passage, Groningen, 2002. Foto’s van hongerstakingen en andere acties van de gevangenen van Rafha en ath-Thawira zijn te vinden op de website van de Iraakse Communistische Partij: http://www.iraqcp.org/rafha/index.htm
  • Over de gevolgen van het embargo, zie het beroemde artikel van Edward Said, Apocalyse now, al-Ahram Weekly, Cairo, 28-1-1997. Dit artikel is terug te lezen op: http://www.hartford-hwp.com/archives/27c/1.16.html
  • Buitengewoon boeiend is het VPRO radio-interview met VRT journalist Jef Lambrecht nav zijn boek De zwarte wieg; Irak, nazi’s en neoconservatieven, over de ideologische wortels van de Ba’thpartij. Terug te luisteren op:  http://www.vpro.nl/programma/ochtenden/afleveringen/13914808/
  • Dat de Nederlandse zakenman Frans van Anraat grondstoffen voor gifgas aan het regime van Saddam leverde is bekend. Minder bekend is de wat twijfelachtige rol van de Nederlandse regering toentertijd en vooral die van Frits Bolkestein, toen staatsecreatris van Buitenlandse handel. Argos heeft er een keer een boeiende uitzending over gemaakt, op 21 april 2006, hier te beluisteren. De eerste uitzending van 4 april 2003 is hier te beluisteren. 
  • Een goede televisie-uitzending over de relatie tussen Amerika en de landen rond de Perzische Golf is een aflevering van het geschiedenisprogramma Andere Tijden (NPS/VPRO) van 7-1-2003, Nederland 3: http://www.vpro.nl/geschiedenis/anderetijden/index.shtml?4158511+2899536+8106725+9842819
  • Een andere buitengewoon verhelderende televisie uitzending  is een documentaire van Zembla (Vara/NPS), aflevering Kanonnenvoer van Saddam (5-12-2002, Nederland 3). Het betreft uitgebreide interviews met nauw betrokken functionarissen bij het internationale Irakbeleid van de afgelopen twaalf jaar, zoals Peter van Walsum, Scott Ritter, Dennis Halliday en Hans von Sponeck. Ook blikken veel in Nederland wonende Irakezen terug op hun belevenissen van tijdens de onderdrukking van de Intifadah van 1991 en geven zij hun visie op de aanloop tot de oorlog van 2003. Aan het woord komen oa. de Koerdische journalist en politicoloog Mariwan Kani, de schrijver Mowaffk al-Sawad, de dichter Naji Rahim en de hoogleraar economie Isam al-Khafaji.  In deze documentaire worden een paar zeer interessante dingen gezegd. Peter van Walsum poneert het eigenlijk enige goede argument ‘voor oorlog’ (‘er zijn uitzonderlijke situaties denkbaar dat oorlog humaner is dan sancties’), terwijl Isam al Khafaji (hoewel zelf zeker geen medestander van de Amerikaanse neoconservatieven, toch vaak door het Pentagon is geraadpleegd als prominente intellectuele Iraakse adviseur) de naar mijn mening enige juiste analyse geeft van de werkelijke motieven van Amerika om Irak aan te vallen, iets wat ik verder in de Nederlandse media zo node heb gemist. Terug te zien op: http://zembla.vara.nl/Dossier-Irak.2062.0.html?&tx_ttnews%5Btt_news%5D=6590&tx_ttnews%5BbackPid%5D=2061&cHash=a033279067
  • Zeer aanbevelenswaardig is de uitzending van VPRO’s Tegenlicht, aflevering Wat moet ik weten om de oorlog te begrijpen?  (Nederland 3, 30-3-2003). Het betreft een debat tussen de wetenschappers Erik-Jan Zurcher (hoogleraar Turkse taal en cultuur, UL), H.W. von der Dunk (emeritus hoogleraar westerse cultuurgeschiedenis, UU) en Paul Aarts (docent internationale betrekkingen van het Midden-Oosten, UvA) over de laatste Irakoorlog. Online is deze aflevering terug te zien op: http://www.hollanddoc.nl/themasites/mediaplayer/index.jsp?media=13719686&refernr=34437446&portalnr=30852812&hostname=hollanddoc&mediatype=video&category=holland_doc&portalid=hollanddoc
  • Om met een kleine aardigheid af te sluiten; het is inmiddels bewezen dat Saddam Hoessein gebruik maakte van dubbelgangers. Dit is aangetoond door de Duitse forensische arts, Dr. Dieter Buhmann. BBC journalist John Simpson heeft hem voor in zijn boek uitgebreid geraadpleegd. Wie dit op televisiebeelden wil zien, kan ik een reportage van Nova aanraden (gekocht van de Duitse ZDF) van 27-9-2002. Online te zien op: http://www.novatv.nl/index.cfm?cfid=13897380&cftoken=76391653&ln=nl&fuseaction=videoaudio.details&reportage_id=1118
  • Powered by WordPress