Mijn hersenspinsels en gedachtekronkels

October 26, 2009

Drie tot nadenken stemmende artikelen over de kwestie Israël/Palestina

ook geplaatst op ‘Stop de Bezetting’

Hoewel ik er zelf wel mijn eigen ideeën over heb, heb ik er nooit echt mijn vingers aan durven branden: de kwestie Palestina/Israël. Het schrijven van een goed stuk over deze materie is lastig en kent zoveel dilemma’s en gevoeligheden, dat het risico groot is dat je op allerlei tenen trapt, ook als je het niet zo bedoelt.
Ik ben van plan het toch te doen; in ieder geval een grondige historische uiteenzetting en ook hard te maken dat de Palestijnen een groot onrecht is aangedaan, waar lange tijd niemand oog voor had vanwege de grootste genocide uit de geschiedenis, de Holocaust. Maar de Palestijnen verdienen hoe dan ook hun vrijheid en hun recht op zelfbeschikking en aan de situatie van bezetting en wat mij betreft ook ‘apartheid’ moet hoe dan ook een eind komen.
Een paar jaar geleden las ik een zeer interessant artikel van de Britse/Joodse historicus Tony Judt, werkzaam aan de University of New York (zie biografie). Hoewel het heel veel reacties heeft losgemaakt (veel woedende want Judt zou de ‘opheffing van Israël’ bepleiten) denk ik dat het nog steeds tot nadenken stemt. Het komt in ieder geval dicht bij mijn eigen gedachten over deze materie (zij het dat ik zelf ook nog wat vraagtekens heb ) .
Heel onlangs vond ik dit stuk terug op internet. Daarom leek het mij interessant om het hier weer onder de aandacht te brengen. En over deze materie volgt later nog veel meer. Maar met name deze passage heeft geheel mijn instemming:

‘Today, non-Israeli Jews feel themselves once again exposed to criticism and vulnerable to attack for things they didn’t do. But this time it is a Jewish state, not a Christian one, which is holding them hostage for its own actions. Diaspora Jews cannot influence Israeli policies, but they are implicitly identified with them, not least by Israel’s own insistent claims upon their allegiance. The behaviour of a self-described Jewish state affects the way everyone else looks at Jews. The increased incidence of attacks on Jews in Europe and elsewhere is primarily attributable to misdirected efforts, often by young Muslims, to get back at Israel. The depressing truth is that Israel’s current behaviour is not just bad for America, though it surely is. It is not even just bad for Israel itself, as many Israelis silently acknowledge. The depressing truth is that Israel today is bad for the Jews’.

Het tweede artikel is van Ilan Pappé, een van de bekendste zogenaamde ‘New Historians’, zoals deze nieuwe generatie Israëlische historici vaak wordt aangeduid. Deze New Historians, hoe verschillend zij ook zijn, hebben met elkaar gemeen dat zij kanttekeningen hebben geplaatst bij de onstaansmythen van de Staat Israël. De notie ‘een land zonder volk voor een volk zonder land’ is uiteraard geheel terzijde geschoven, maar ook het nog steeds veel gehoorde verhaal dat de Arabieren vrijwillig het gebied Palestina zouden hebben verlaten, omdat hun leiders daartoe zouden hebben opgeroepen. Over tot wat voor ongemakkelijkheden en controverses deze New Historians hebben geleid is veel geschreven. Dit geldt overigens niet alleen voor Israël zelf, maar ook buiten Israël hebben traditioneel ‘Israël gezinden’ vaak grote moeite met het werk van Ilan Pappé, Benny Morris. Tom Segev en Avi Schlaim.  Tekenend is deze discussie in het VPRO geschiedenis radioprogramma OVT, waarin de zeer Israël gezinde oud-Midden Oosten correspondent Michael Stein zijn ‘zorgen’ uitspreekt, hier te beluisteren.

De titel van Pappé’s bekendste werk ‘The ethnic cleansing of Palestine’ spreekt wat dat betreft boekdelen. Ik geef hier de biografische beschrijving weer van wikipedia, die wellicht verhelderend genoeg is:

Ilan Pappé (Hebrew: אילן פפה‎; born 1954 in Haifa, Israel) is professor of history at the University of Exeter in the UK, and co-director of the Exeter Center for Ethno-Political Studies. He was formerly a senior lecturer in political science at Haifa University (1984-2007), and chair of the Emil Touma Institute for Palestinian and Israeli Studies in Haifa (2000-2008).[1] He is the author of The Ethnic Cleansing of Palestine (2006), The Modern Middle East (2005), A History of Modern Palestine: One Land, Two Peoples (2003), and Britain and the Arab-Israeli Conflict (1988).[2]

Pappé is one of Israel’s “New Historians” who, since the release of pertinent British and Israeli government documents in the early 1980s, have been rewriting the history of Israel’s creation in 1948 and the corresponding expulsion or flight of 700,000 Palestinians in the same year. He has written that the expulsions were not decided on an ad hoc basis, as other historians have argued, but constituted the ethnic cleansing of Palestine, in accordance with Plan Dalet, drawn up in 1947 by Israel’s future leaders.[3] He blames the creation of Israel for the lack of peace in the Middle East, arguing that Zionism is more dangerous than Islam, and has called for an international boycott of Israeli academics.[4][5]

His work has been both supported and criticized by other historians. Before he left Israel in 2008, he had been condemned in the Knesset, Israel’s parliament; a minister of education had called for him to be sacked; his photograph had appeared in a newspaper at the center of a target; and he had received several death threats. (http://en.wikipedia.org/wiki/Ilan_Pappe, zie ook dit interview in Trouw en zijn website)

Tot zover de tekst van wikipedia. Wellicht behoeft er een kwestie enige toelichting. Dat is de oproep tot een academische boycot. Ogenschijnlijk niet in overeenkomst met het beginsel van de academische vrijheid, maar het gaat in deze om de in Pappé’s ogen schending van de academische vrijheid. Deze kwestie heeft alles te maken met het scriptieonderzoek van Pappé’s student Teddy Katz.
Katz studeerde bij Pappé af aan de Universiteit van Haifa met een scriptie over de massaslachting van het Palestijnse dorp Tantura, in de nacht van 22 op 23 mei 1947 (volgens enkele bronnen is het overigens een misverstand dat Pappé zijn eerste begeleider was, dit zou Kais Firro geweest zijn, zie http://www.counterpunch.org/amit05112005.html). Aanvankelijk waren Pappé en een aantal coreferenten zeer lovend over het onderzoek van deze afstuderende historicus, dat hij had gedaan op basis van interviews met ooggetuigen. Ook de pers had er belangstelling voor: de krant Ma’ariv publiceerde een interview met Katz over zijn scriptie-onderzoek.
Na dit interview begonnen de problemen; Katz werd aangeklaagd door veteranen die aan militaire acties hadden deelgenomen. Pappé heeft zijn student altijd verdedigd, maar de enorme druk werd Katz uiteindelijk teveel en hij gaf in het openbaar toe dat hij ‘fouten’ zou hebben gemaakt. De zaak werd geschikt toen Katz een advertentie plaatste met de verklaring: ‘Vandaag verklaar ik dat er in Tantura geen slachting heeft plaatsgevonden. Ik geloof de Alexandroni (zo heette de desbetreffende brigade) veteranen die elke betrokkenheid bij een dergelijke slachting uitdrukkelijk ontkennen. En ik herroep de in mijn scriptie impliciet verpakte conclusie dat er onder ongewapende of weerloze mensen een bloedbad is aangericht’ (geciteerd uit Chris van der Heijden, Israël, een onherstelbare vergissing, uitgeverij Contact, 2008, p. 15). Kort na deze verklaring kreeg Katz spijt en verklaarde alsnog achter zijn eigen onderzoek te staan. Hij poogde de zaak te heropenen, maar deze werd ook door het Israëlische Hooggerechtshof niet ontvankelijk verklaard. Pappé, die altijd achter de eerdere versie van Katz had gestaan, was diep verontwaardigd door het gebrek aan steun van zijn eigen universiteit voor deze student en verliet Israël om hoogleraar te worden in Exeter. Zijn oproep tot boycot van zijn vroegere universiteit moet ook in dat licht worden gezien. Pappé legt het zelf overigens duidelijk uit in zijn artikel Academic Freedom under assault, zie http://ilanpappe.com/?p=23#more-23 .

Het derde artikel is van de in Jordanië geboren Palestijnse politicologe Leila Farsakh. Hieronder volgt haar beknopte biografie:

Leila Farsakh (Arabic: ليلى فرسخ‎) (born 1967) is a Palestinian Muslim who was born in Jordan and is an Assistant Professor of Political Science at University of Massachusetts Boston.[1] Her area of expertise is Middle East Politics, Comparative Politics, and the Politics of the Arab-Israeli Conflict. Farsakh holds a MPhil from the University of Cambridge, UK (1990) and a PhD from the University of London (2003).[1] Farsakh conducted post-doctoral research at Harvard’s Center for Middle Eastern Studies, and is also a research affiliate at the Center for International Studies at the Massachusetts Institute of Technology.[1] She has worked with a number of organizations, including the Organisation for Economic Co-operation and Development in Paris (1993 - 1996) and the Palestine Economic Policy Research Institute in Ramallah (1998 - 1999).[2] In 2001 she won the Peace and Justice Award from the Cambridge Peace Commission in Cambridge, Massachusetts.[2] Farsakh is the Project Co-Director for Jerusalem 2050, a problem-solving project jointly sponsored by Massachusetts Institute of Technology’s Department of Urban Studies and Planning and the Center for International Studies.[3] She has written extensively on issues related to the Palestinian economy and the Oslo peace process, international migration and regional integration.[3] Farsakh is also part of the staff at the non-governmental organization RESIST, founded in 1967 to provide grant money and support to grassroots movements advocating for social change. [4] (http://connect.in.com/leila-farsakh/biography-171165.html)

De volgende kaarten zijn afkomstig van de website van oud-premier Dries van Agt ( http://www.driesvanagt.nl/ ), die sinds een paar jaar op een mijns inziens lovenswaardige manier campagne voert voor de Palestijnse zaak (zijn boek zal ik in een nog te verschijnen bijdrage uitegebreid bespreken).

Driesvanagt_kaartpalestina01

Driesvanagt_kaartpalestina02

Driesvanagt_kaartpalestina03

Driesvanagt_kaartpalestina04_2

Driesvanagt_kaartpalestina05

Driesvanagt_kaartpalestina06

Driesvanagt_kaartpalestina07

Driesvanagt_kaartpalestina08

Driesvanagt_kaartpalestina09

de muur bij Qalqiliyya

Hier volgt een fragment uit het onderscheiden boek van Joris Luyendijk,vml correspondent in de Bezette gebieden:

‘Stel: in de Verenigde Staten wordt een gek de baas die alle mensen met een Friese grootvader laat oppakken en afmaken. Het wordt een moordpartij van ongekende omvang en als het Anti-Friese bewind eindelijk ten val komt, is duidelijk dat de Friese overlevenden niet meer in Amerika willen wonen. Dus komt er een plan: de Friezen krijgen een eigen staat. En wat is een logischer plek dan het land dat volgens de oude teksten Fries is? Ondanks Nederlands verzet stemmen de Verenigde Naties met het plan in en uit de hele wereld trekken mensen met een Friese grootouder richting de nieuwe Friese staat, royaal gesubsidieerd door Amerika. De overige Nederlanders protesteren: ”Wij hadden toch nooit problemen met de Friezen?’ Maar in de internationale opinie overheerst het medelijden met de Friezen. Er komt een voorstel: de helft van Nederland wordt Frisia, en in de andere helft kunnen de Nederlanders blijven wonen.
De Nederlanders pikken dit niet en er komt een oorlog die de Friezen, met Amerikaanse hulp, winnen en een nog groter deel van Nederland valt in Friese handen. Miljoenen niet-Friese vluchtelingen overstromen de grote Nederlandse steden en de spanningen lopen op, vooral omdat kleine groepjes Nederlanders een guerrilla zijn begonnen tegen de Friezen. ‘Terrorisme!’, roepen Friese voorlichters op CNN: ‘They are killing innocent Frisians!’ Intussen vraagt het Nederlandse volk: ‘Wat hebben wij voor leiders?’
Er volgt een militaire coup en wanneer Nederland probeert in het buitenland wapens te kopen, verovert de jonge Friese staat met een ‘preventieve aanval’ de rest van Nederland, plus stukken van Duitsland en België. Drommen niet-Friese Nederlanders vluchten de grens over naar Duitsland en België, waar ook coups volgen: we moeten voorkomen dat de Friezen ons pakken! Intussen regeert het Friese leger met harde hand over de bezette Nederlandse provincies, wurgt de economie en confisqueert de mooiste stukjes voor nederzettingen en speciale wegen van die nederzettingen naar Frisia.
Dan komt er een vredesproces en krijgt Nederland Limburg, een stukje Brabant en een Zeeuws eiland aangeboden. Die brokjes mogen geen Nederland heten, Nederland mag geen leger hebben en alle grenzen worden bewaakt door Friese troepen’.

Joris Luyendijk, Het zijn net mensen; beelden uit het Midden Oosten, Uitgeverij Podium, 2006, p. 145-146

Nog wat enkele audiovisuele tips. Op 16 november 2000 besteedde het VPRO geschiedenisprogramma Andere Tijden uitgebreid aandacht aan het ontstaan van het Paestijnse vluchtelingenprobleem, met een aantal unieke beelden. Deze uitzending is grotendeels gebaseerd op het baanbrekende The Birth of the Palestinian Refugee Problem, van Bennie Morris, uit 1988, een van de zg New Historians. Terug te zien op http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/2899536/afleveringen/3223236/  Inmiddels is Bennie Morris meer pro-Zionistisch dan anti geworden, zeker tov Ilan Pappé (wat natuurlijk niets afdoet aan zijn belangrijke wetenschappelijke werk). Zeer onlangs (2-12-2009) publiceerde de Groene Amsterdammer een interview met hem, door Simone Korkus (voor webabonnees online te lezen op http://www.groene.nl/2009/49/Benny_Morris_over_de_falende_vredesonderhandelingen_in_Israeuml%3Bl). Daarin doet hij uitsraken als ‘Arabieren hebben geen respect voor het menselijk leven, niet alleen van Joden maar ook van zichzelf’, die met het grootste gemak in de bloemlezing van Edward Saids Orientalism zouden kunnen worden opgenomen, misschien nog wel een tandje pittiger dan de vele passages van Bernard Lewis. Desondanks staat hij nog steeds achter zijn eerdere stellingen, hij vindt alleen dat Israël terecht Palestina etnisch gezuiverd heeft. Een groter contrast dan met ‘Nieuwe historicus’ Ilan Pappé is nauwelijks denkbaar. De Groene publiceerde in 2001 ook een interessant interview met hem, terug te lezen op http://www.groene.nl/2001/22/Interview_met_de_Isra%C3%ABlische_historicus_Ilan_Papp/6 (vrij toegankelijk). Daarin zegt hij oa: ‘Israël is een apartheidsstaat, dat is mijn vaste overtuiging. Maar het zou een staat moeten zijn voor alle burgers. Kan Israël een joodse staat blijven en tegelijkertijd democratisch functioneren? Op den duur zijn de Israëlische Palestijnen geen minderheid meer. En economisch gezien zou Israël een miljoen Palestijnse vluchtelingen kunnen opnemen, maar hoe joods blijft een staat met zoveel niet-joden? Een morele en buitengewoon urgente kwestie, een ideologisch probleem. Ik vind dat we moeten kiezen voor een democratie en dus afzien van een joodse staat’. Deze lijn volgt hij ook in het hier weergeven artikel.

Een grote aanrader is de documentaire ‘The Israel Lobby’, naar het gelijknamige boek van John J. Mearsheimer & Stephen M. Walt (Farrar, Strouss, Giroux, New York, 2007). Oorspronkelijk van de redactie van VPRO Tegenlicht, later Engelstalig bewerkt. Ook Tony Judt komt hierin uitgebreid aan het woord. Te bekijken via deze link: The Israel Lobby. Over de vraag waarom de Nederlandse politiek, ook naar Europese verhoudingen, nog altijd zo’n uitgesproken pro-Israël koers vaart, zie deze nog altijd relevante uitzending van Zembla, Zwijgen over Isräel. Aan het woord komen oud ministers als Hans Van Mierlo, Bram Stemerdink, Henk Vredeling en Hans van den Broek,  Rabbijn Evers, Ronnie Naftaniël van het CIDI, ambassadeur van Israël Eitan Margalith, Hajo Meijer van Een Ander Joods Geluid, de Midden Oosten correspondenten Maarten Jan Hijmans en Conny Mus, de classicus en columnist Anton van Hooff en vele anderen.

 

 

Hier het volledige artikel van Tony Judt (bron: http://www.nybooks.com/articles/16671 ) :

New York Review of Books Volume 50, Number 16 • October 23, 2003

Israel: The Alternative

By Tony Judt

The Middle East peace process is finished. It did not die: it was killed. Mahmoud Abbas was undermined by the President of the Palestinian Authority and humiliated by the Prime Minister of Israel. His successor awaits a similar fate. Israel continues to mock its American patron, building illegal settlements in cynical disregard of the “road map.” The President of the United States of America has been reduced to a ventriloquist’s dummy, pitifully reciting the Israeli cabinet line: “It’s all Arafat’s fault.” Israelis themselves grimly await the next bomber. Palestinian Arabs, corralled into shrinking Bantustans, subsist on EU handouts. On the corpse-strewn landscape of the Fertile Crescent, Ariel Sharon, Yasser Arafat, and a handful of terrorists can all claim victory, and they do. Have we reached the end of the road? What is to be done?
At the dawn of the twentieth century, in the twilight of the continental empires, Europe’s subject peoples dreamed of forming “nation-states,” territorial homelands where Poles, Czechs, Serbs, Armenians, and others might live free, masters of their own fate. When the Habsburg and Romanov empires collapsed after World War I, their leaders seized the opportunity. A flurry of new states emerged; and the first thing they did was set about privileging their national, “ethnic” majority—defined by language, or religion, or antiquity, or all three—at the expense of inconvenient local minorities, who were consigned to second-class status: permanently resident strangers in their own home.

But one nationalist movement, Zionism, was frustrated in its ambitions. The dream of an appropriately sited Jewish national home in the middle of the defunct Turkish Empire had to wait upon the retreat of imperial Britain: a process that took three more decades and a second world war. And thus it was only in 1948 that a Jewish nation-state was established in formerly Ottoman Palestine. But the founders of the Jewish state had been influenced by the same concepts and categories as their fin-de-siècle contemporaries back in Warsaw, or Odessa, or Bucharest; not surprisingly, Israel’s ethno-religious self-definition, and its discrimination against internal “foreigners,” has always had more in common with, say, the practices of post-Habsburg Romania than either party might care to acknowledge.
The problem with Israel, in short, is not—as is sometimes suggested—that it is a European “enclave” in the Arab world; but rather that it arrived too late. It has imported a characteristically late-nineteenth-century separatist project into a world that has moved on, a world of individual rights, open frontiers, and international law. The very idea of a “Jewish state”—a state in which Jews and the Jewish religion have exclusive privileges from which non-Jewish citizens are forever excluded—is rooted in another time and place. Israel, in short, is an anachronism.

In one vital attribute, however, Israel is quite different from previous insecure, defensive microstates born of imperial collapse: it is a democracy. Hence its present dilemma. Thanks to its occupation of the lands conquered in 1967, Israel today faces three unattractive choices. It can dismantle the Jewish settlements in the territories, return to the 1967 state borders within which Jews constitute a clear majority, and thus remain both a Jewish state and a democracy, albeit one with a constitutionally anomalous community of second-class Arab citizens.
Alternatively, Israel can continue to occupy “Samaria,” “Judea,” and Gaza, whose Arab population—added to that of present-day Israel—will become the demographic majority within five to eight years: in which case Israel will be either a Jewish state (with an ever-larger majority of unenfranchised non-Jews) or it will be a democracy. But logically it cannot be both.
Or else Israel can keep control of the Occupied Territories but get rid of the overwhelming majority of the Arab population: either by forcible expulsion or else by starving them of land and livelihood, leaving them no option but to go into exile. In this way Israel could indeed remain both Jewish and at least formally democratic: but at the cost of becoming the first modern democracy to conduct full-scale ethnic cleansing as a state project, something which would condemn Israel forever to the status of an outlaw state, an international pariah.
Anyone who supposes that this third option is unthinkable above all for a Jewish state has not been watching the steady accretion of settlements and land seizures in the West Bank over the past quarter-century, or listening to generals and politicians on the Israeli right, some of them currently in government. The middle ground of Israeli politics today is occupied by the Likud. Its major component is the late Menachem Begin’s Herut Party. Herut is the successor to Vladimir Jabotinsky’s interwar Revisionist Zionists, whose uncompromising indifference to legal and territorial niceties once attracted from left-leaning Zionists the epithet “fascist.” When one hears Israel’s deputy prime minister, Ehud Olmert, proudly insist that his country has not excluded the option of assassinating the elected president of the Palestinian Authority, it is clear that the label fits better than ever. Political murder is what fascists do.

The situation of Israel is not desperate, but it may be close to hopeless. Suicide bombers will never bring down the Israeli state, and the Palestinians have no other weapons. There are indeed Arab radicals who will not rest until every Jew is pushed into the Mediterranean, but they represent no strategic threat to Israel, and the Israeli military knows it. What sensible Israelis fear much more than Hamas or the al-Aqsa Brigade is the steady emergence of an Arab majority in “Greater Israel,” and above all the erosion of the political culture and civic morale of their society. As the prominent Labor politician Avraham Burg recently wrote, “After two thousand years of struggle for survival, the reality of Israel is a colonial state, run by a corrupt clique which scorns and mocks law and civic morality.”[1] Unless something changes, Israel in half a decade will be neither Jewish nor democratic.
This is where the US enters the picture. Israel’s behavior has been a disaster for American foreign policy. With American support, Jerusalem has consistently and blatantly flouted UN resolutions requiring it to withdraw from land seized and occupied in war. Israel is the only Middle Eastern state known to possess genuine and lethal weapons of mass destruction. By turning a blind eye, the US has effectively scuttled its own increasingly frantic efforts to prevent such weapons from falling into the hands of other small and potentially belligerent states. Washington’s unconditional support for Israel even in spite of (silent) misgivings is the main reason why most of the rest of the world no longer credits our good faith.
It is now tacitly conceded by those in a position to know that America’s reasons for going to war in Iraq were not necessarily those advertised at the time.[2] For many in the current US administration, a major strategic consideration was the need to destabilize and then reconfigure the Middle East in a manner thought favorable to Israel. This story continues. We are now making belligerent noises toward Syria because Israeli intelligence has assured us that Iraqi weapons have been moved there—a claim for which there is no corroborating evidence from any other source. Syria backs Hezbollah and the Islamic Jihad: sworn foes of Israel, to be sure, but hardly a significant international threat. However, Damascus has hitherto been providing the US with critical data on al-Qaeda. Like Iran, another longstanding target of Israeli wrath whom we are actively alienating, Syria is more use to the United States as a friend than an enemy. Which war are we fighting?
On September 16, 2003, the US vetoed a UN Security Council resolution asking Israel to desist from its threat to deport Yasser Arafat. Even American officials themselves recognize, off the record, that the resolution was reasonable and prudent, and that the increasingly wild pronouncements of Israel’s present leadership, by restoring Arafat’s standing in the Arab world, are a major impediment to peace. But the US blocked the resolution all the same, further undermining our credibility as an honest broker in the region. America’s friends and allies around the world are no longer surprised at such actions, but they are saddened and disappointed all the same.
Israeli politicians have been actively contributing to their own difficulties for many years; why do we continue to aid and abet them in their mistakes? The US has tentatively sought in the past to pressure Israel by threatening to withhold from its annual aid package some of the money that goes to subsidizing West Bank settlers. But the last time this was attempted, during the Clinton administration, Jerusalem got around it by taking the money as “security expenditure.” Washington went along with the subterfuge, and of $10 billion of American aid over four years, between 1993 and 1997, less than $775 million was kept back. The settlement program went ahead unimpeded. Now we don’t even try to stop it.
This reluctance to speak or act does no one any favors. It has also corroded American domestic debate. Rather than think straight about the Middle East, American politicians and pundits slander our European allies when they dissent, speak glibly and irresponsibly of resurgent anti-Semitism when Israel is criticized, and censoriously rebuke any public figure at home who tries to break from the consensus.

But the crisis in the Middle East won’t go away. President Bush will probably be conspicuous by his absence from the fray for the coming year, having said just enough about the “road map” in June to placate Tony Blair. But sooner or later an American statesman is going to have to tell the truth to an Israeli prime minister and find a way to make him listen. Israeli liberals and moderate Palestinians have for two decades been thanklessly insisting that the only hope was for Israel to dismantle nearly all the settlements and return to the 1967 borders, in exchange for real Arab recognition of those frontiers and a stable, terrorist-free Palestinian state underwritten (and constrained) by Western and international agencies. This is still the conventional consensus, and it was once a just and possible solution.
But I suspect that we are already too late for that. There are too many settlements, too many Jewish settlers, and too many Palestinians, and they all live together, albeit separated by barbed wire and pass laws. Whatever the “road map” says, the real map is the one on the ground, and that, as Israelis say, reflects facts. It may be that over a quarter of a million heavily armed and subsidized Jewish settlers would leave Arab Palestine voluntarily; but no one I know believes it will happen. Many of those settlers will die—and kill—rather than move. The last Israeli politician to shoot Jews in pursuit of state policy was David Ben-Gurion, who forcibly disarmed Begin’s illegal Irgun militia in 1948 and integrated it into the new Israel Defense Forces. Ariel Sharon is not Ben-Gurion.[3]
The time has come to think the unthinkable. The two-state solution—the core of the Oslo process and the present “road map”—is probably already doomed. With every passing year we are postponing an inevitable, harder choice that only the far right and far left have so far acknowledged, each for its own reasons. The true alternative facing the Middle East in coming years will be between an ethnically cleansed Greater Israel and a single, integrated, binational state of Jews and Arabs, Israelis and Palestinians. That is indeed how the hard-liners in Sharon’s cabinet see the choice; and that is why they anticipate the removal of the Arabs as the ineluctable condition for the survival of a Jewish state.
But what if there were no place in the world today for a “Jewish state”? What if the binational solution were not just increasingly likely, but actually a desirable outcome? It is not such a very odd thought. Most of the readers of this essay live in pluralist states which have long since become multiethnic and multicultural. “Christian Europe,” pace M. Valéry Giscard d’Estaing, is a dead letter; Western civilization today is a patchwork of colors and religions and languages, of Christians, Jews, Muslims, Arabs, Indians, and many others—as any visitor to London or Paris or Geneva will know.[4]
Israel itself is a multicultural society in all but name; yet it remains distinctive among democratic states in its resort to ethnoreligious criteria with which to denominate and rank its citizens. It is an oddity among modern nations not—as its more paranoid supporters assert—because it is a Jewish state and no one wants the Jews to have a state; but because it is a Jewish state in which one community—Jews—is set above others, in an age when that sort of state has no place.

For many years, Israel had a special meaning for the Jewish people. After 1948 it took in hundreds of thousands of helpless survivors who had nowhere else to go; without Israel their condition would have been desperate in the extreme. Israel needed Jews, and Jews needed Israel. The circumstances of its birth have thus bound Israel’s identity inextricably to the Shoah, the German project to exterminate the Jews of Europe. As a result, all criticism of Israel is drawn ineluctably back to the memory of that project, something that Israel’s American apologists are shamefully quick to exploit. To find fault with the Jewish state is to think ill of Jews; even to imagine an alternative configuration in the Middle East is to indulge the moral equivalent of genocide.
In the years after World War II, those many millions of Jews who did not live in Israel were often reassured by its very existence—whether they thought of it as an insurance policy against renascent anti-Semitism or simply a reminder to the world that Jews could and would fight back. Before there was a Jewish state, Jewish minorities in Christian societies would peer anxiously over their shoulders and keep a low profile; since 1948, they could walk tall. But in recent years, the situation has tragically reversed.
Today, non-Israeli Jews feel themselves once again exposed to criticism and vulnerable to attack for things they didn’t do. But this time it is a Jewish state, not a Christian one, which is holding them hostage for its own actions. Diaspora Jews cannot influence Israeli policies, but they are implicitly identified with them, not least by Israel’s own insistent claims upon their allegiance. The behavior of a self-described Jewish state affects the way everyone else looks at Jews. The increased incidence of attacks on Jews in Europe and elsewhere is primarily attributable to misdirected efforts, often by young Muslims, to get back at Israel. The depressing truth is that Israel’s current behavior is not just bad for America, though it surely is. It is not even just bad for Israel itself, as many Israelis silently acknowledge. The depressing truth is that Israel today is bad for the Jews.
In a world where nations and peoples increasingly intermingle and intermarry at will; where cultural and national impediments to communication have all but collapsed; where more and more of us have multiple elective identities and would feel falsely constrained if we had to answer to just one of them; in such a world Israel is truly an anachronism. And not just an anachronism but a dysfunctional one. In today’s “clash of cultures” between open, pluralist democracies and belligerently intolerant, faith-driven ethno-states, Israel actually risks falling into the wrong camp.
To convert Israel from a Jewish state to a binational one would not be easy, though not quite as impossible as it sounds: the process has already begun de facto. But it would cause far less disruption to most Jews and Arabs than its religious and nationalist foes will claim. In any case, no one I know of has a better idea: anyone who genuinely supposes that the controversial electronic fence now being built will resolve matters has missed the last fifty years of history. The “fence”—actually an armored zone of ditches, fences, sensors, dirt roads (for tracking footprints), and a wall up to twenty-eight feet tall in places—occupies, divides, and steals Arab farmland; it will destroy villages, livelihoods, and whatever remains of Arab-Jewish community. It costs approximately $1 million per mile and will bring nothing but humiliation and discomfort to both sides. Like the Berlin Wall, it confirms the moral and institutional bankruptcy of the regime it is intended to protect.
A binational state in the Middle East would require a brave and relentlessly engaged American leadership. The security of Jews and Arabs alike would need to be guaranteed by international force—though a legitimately constituted binational state would find it much easier policing militants of all kinds inside its borders than when they are free to infiltrate them from outside and can appeal to an angry, excluded constituency on both sides of the border.[5] A binational state in the Middle East would require the emergence, among Jews and Arabs alike, of a new political class. The very idea is an unpromising mix of realism and utopia, hardly an auspicious place to begin. But the alternatives are far, far worse.

—September 25, 2003

Notes

[1] See Burg’s essay, “La révolution sioniste est morte,” Le Monde, September 11, 2003. A former head of the Jewish Agency, the writer was speaker of the Knesset, Israel’s Parliament, between 1999 and 2003 and is currently a Labor Party member of the Knesset. His essay first appeared in the Israeli daily Yediot Aharonot; it has been widely republished, notably in the Forward (August 29, 2003) and the London Guardian (September 15, 2003).
[2] See the interview with Deputy Secretary of Defense Paul Wolfowitz in the July 2003 issue of Vanity Fair.
[3] In 1979, following the peace agreement with Anwar Sadat, Prime Minister Begin and Defense Minister Sharon did indeed instruct the army to close down Jewish settlements in the territory belonging to Egypt. The angry resistance of some of the settlers was overcome with force, though no one was killed. But then the army was facing three thousand extremists, not a quarter of a million, and the land in question was the Sinai Desert, not “biblical Samaria and Judea.”
[4] Albanians in Italy, Arabs and black Africans in France, Asians in England all continue to encounter hostility. A minority of voters in France, or Belgium, or even Denmark and Norway, support political parties whose hostility to “immigration” is sometimes their only platform. But compared with thirty years ago, Europe is a multicolored patchwork of equal citizens, and that, without question, is the shape of its future.
[5] As Burg notes, Israel’s current policies are the terrorists’ best recruiting tool: “We are indifferent to the fate of Palestinian children, hungry and humiliated; so why are we surprised when they blow us up in our restaurants? Even if we killed 1000 terrorists a day it would change nothing.” See Burg, “La révolution sioniste est morte.”

Tot zover het artikel van Tony Judt. Hier volgt het artikel van Ilan Pappé:

Fort Israel

(oorspronkelijk verschenen in The London Review of Books, Nederlandse vertaling in Soemoed, van het NPK, http://www.palestina-komitee.nl/soemoed/36/329 )

Ilan Pappé

Het recht op terugkeer van de in de oorlog van 1948 verdreven Palestijnse vluchtelingen is in december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties erkend. Het is verankerd in internationaal recht en stemt overeen met de heersende ideeën over universele gerechtigheid.
Verrassender wellicht, het is ook in termen van realpolitik van belang: Immers, alle pogingen om het Israelisch-Palestijnse conflict op te lossen, zullen falen zolang Israel niet bereid is de vluchtelingen te repatriëren. In 2000 werd dit opnieuw duidelijk, toen deze kwestie tot het afbreken van het Oslo-proces leidde [dat in 1993 van start was gegaan; red.]. Niettemin is slechts een handjevol joden in Israel bereid het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen te steunen, onder meer omdat de meeste Israelische joden weigeren te erkennen, dat Israel in 1948 etnische zuivering heeft toegepast.
Het doel van het zionistische project is altijd vestiging en verdediging van een Westers/’blank’ fort in de Arabische/’zwarte’ wereld geweest. De kern van de weigering in te stemmen met het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelngen is de angst van Israelische joden dat zij uiteindelijk in Israel een minderheid temidden van de Arabieren [Palestijnen] zullen gaan vormen. Dit vooruitzicht roept dermate heftige gevoelens op, dat het de Israelische joden niet lijkt te interesseren dat zij zich met hun acties de veroordeling van de hele wereld op de hals halen. Het joodse verlangen naar verzoening is vervangen door vrome arrogantie en zelfrechtvaardiging. Hun positie verschilt nauwelijks van die van de kruisvaarders, toen dezen beseften dat het door hen gestichte Koninkrijk Jeruzalem slechts een eiland in een vijandige islamitische wereld was. Of van die van de blanke kolonisten in Afrika, wier enclaves nog niet zo lang geleden zijn verdwenen en wier pretentie tevens een van de lokale volksstammen te vormen, de bodem is ingeslagen.
In of rond 1922 is een groep joodse kolonisten uit Oost-Europa – in belangrijke mate dankzij de steun van het Britse Imperium – erin geslaagd een begin te maken met de vestiging van een enclave in Palestina. In dat jaar en nadien zijn de grenzen van Palestina als toekomstige joodse staat uitgestippeld. De koloniale droom was dat massale joodse immigratie hun bolwerk zou gaan versterken. Maar als gevolg van de holocaust was het aantal ‘blanke’ joden gereduceerd en – voor de zionisten een teleurstelling - de overlevenden bleken de Verenigde Staten of zelfs het perfide Europa te verkiezen boven Palestina. Schoorvoetend liet het Oost-Europese leiderschap een miljoen Arabische joden [Mizrachi] tot de enclave toe. Dezen werden vervolgens aan een de-Arabiseringsproces onderworpen, dat goed is gedocumenteerd in post-zionistische en Mizrachi studies. Dit werd gezien als een succes en de aanwezigheid van een kleine Palestijnse minderheid binnen Israel verstoorde niet de illusie, dat de enclave goed was opgebouwd en op een degelijk fundament rustte – zelfs al was de prijs dat de inheemse bevolking als gevolg daarvan van 78 procent van haar land werd beroofd en ontworteld raakte.
De Arabische wereld en de Palestijnse Nationale Beweging waren krachtig genoeg om duidelijk te maken dat zij zich niet met de Israelische enclave zouden verzoenen. In 1967 kwam het tot een uitbarsting tussen beide partijen, waarbij het zionistische project zijn greep op het grondgebied verder vergrootte, in de vorm van de bezetting van het resterende deel van Palestina [Westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza], samen met delen van Syrië [Hoogvlakte van Golan], Egypte [Strook van Gaza] en Jordanië [Westelijke Jordaanoever]. Deze overwinning smaakte naar meer territorium. In 1982 werd Zuid-Libanon aan het mini-imperium toegevoegd, ter compensatie van het verlies van de Sinaï Woestijn, die in 1979 aan Egypte werd teruggeven. Deze expansiepolitiek werd gezien als noodzakelijk voor de bescherming van de enclave.
Sinds 2000 is de joodse staat gestopt met de verdere vergroting van zijn grondgebied. In feite kromp hij zelfs in, ten gevolge van de terugtrekking uit Zuid-Libanon. Ook hebben opeenvolgende regeringen de bereidheid getoond om over de terugtrekking uit de Bezette Gebieden te onderhandelen, want de Israelische leiders geloofden niet langer dat land de belangrijkste troefkaart van de staat was. Andere zaken lijken nu meer waarde te hebben, zoals de Israelische nucleaire capaciteit, onvoorwaardelijke Amerikaanse steun en sterke strijdkrachten. Er is opnieuw een zionistisch pragmatisme boven komen drijven, dat gelooft in de mogelijkheid om Israel te beperken tot 90 procent [!] van Palestina, mits het gebied wordt omringd door onder stroom staande hekken en door zichtbare en onzichtbare muren. Een minderheid van fanatiekelingen is het er niet mee eens dat er afstand van grondgebied wordt gedaan. Er wordt zelfs gesproken over een op handen zijnde ‘burgeroorlog’. Maar dat is spel: De grote meerderheid van het publiek steunt de politiek ‘van het gezonde verstand’, die uitgaat van de ‘ontkoppeling’ van de Strook van Gaza.
Daarmee zou het laatste stadium van de bouw van het fort, waarbinnen zich een door hoge muren omringde enclave bevindt, die met zekere internationale – en zelfs regionale – instemming tot stand is gekomen, wel eens aangebroken kunnen zijn. Maar wat gebeurt er binnen de muren? Niet veel, als je de belangrijkste dagbladen mag geloven. Binnen de muren zijn er dreigende ontwikkelingen, maar daarvoor kunnen oplossingen worden gevonden. Weliswaar zijn er vele niet-joden uit de voormalige Sovjet-Unie gearriveerd [niet-joodse, naaste verwanten van Russische joden; red.], maar dat zijn tenminste ‘blanken’, en dus zijn zij welkom. Niet-joodse arbeidsmigranten zullen ofwel worden gedeporteerd of blijven in Israel om daar als moderne slaven te leven [zie de bijdrage van Rachel Shabi, elders in dit nummer van Soemoed; red.]. De hoofdzaak is echter, dat zij geen Arabieren [Palestijnen] zijn en dus geen ‘demografisch probleem’ vormen. Deze laatste term wordt door die Israelische joden gebruikt, die voorstanders zijn van verdrijving van nog meer Palestijnen en is onderwerp van vele academische conferenties - inclusief een die deze maand op mijn universiteit [Haïfa] is georganiseerd (de hoogleraren en genodigde overheidsfunktionarissen die deze conferentie bijwonen, onderschrijven openlijk een strategie van verdergaande etnische zuivering [zie: 'Universiteit van Haïfa - institutioneel racisme' in het vorige nummer van Soemoed; red.]. Arabische joden worden niet als een gevaar voor de zuiverheid van de enclave gezien, omdat zij met succes zijn gede-Arabiseerd. Aangenomen wordt dat de enkelen onder hen, die het wagen hun wortels in de Arabische wereld te zoeken, geen echte bedreiging voor de zionistische consensus zullen vormen.
Duidelijk is waarom geen enkele doorgewinterde zionist zal voorstellen om onderhandelingen over het recht op terugkeer van meer ‘Arabs’ naar de joodse staat te beginnen, zelfs als dit beëindiging van het conflict tot gevolg zou hebben. De weigering om de terugkeer in overweging te nemen is nochtans bizar – tenminste als je enigszins afstand neemt van het zionistische beeld van de werkelijkheid en beseft dat de staat Israel op dit moment al geen joodse meerderheid meer heeft, door de toestroom van Oost-Europese christenen, het groeiende aantal arbeidsmigranten en het feit dat seculiere joden maar in één enkele betekenis ‘joods’ zijn. Het is echter minder bizar wanneer men zich voor ogen houdt, dat het belangrijkste doel is de staat ‘blank’ te houden (zwarte joden uit Ethiopië wonen in verpauperde delen van Israel en blijven grotendeels buiten beeld). In de ogen van zowel Links als Rechts in Israel gaat het erom, dat de hekken gesloten blijven en de muren hoog zijn, zodat een ‘Arabische’ invasie van het joodse fort kan worden afgeweerd.
De pogingen van opeenvolgende Israelische regeringen om joodse immigratie aan te moedigen en het joodse geboortecijfer binnen de staat te verhogen, zijn mislukt. Evenmin hebben zij een zodanige oplossing voor het conflict gevonden, dat het aantal ‘Arabs’ in Israel afneemt. Integendeel, al hun oplossingen hebben geleid tot een toename (aangezien zij Groot-Jeruzalem, de Hoogvlakte van Golan en het grote blok nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever beschouwen als deel van Israel). Het Palestijnse geboortecijfer is driemaal hoger dan dat van de Israelische joden, en je hoeft geen demografisch deskundige te zijn om te begrijpen wat dit inhoudt.
Bovendien zullen de voorstellen van de regering-Sharon/Peres om een einde te maken aan het conflict - met stilzwijgende instemming van de linkse zionisten – wellicht wel sommige Arabische regimes, zoals het Egyptische en het Jordaanse, bevredigen, maar niet de door de radicale islam gepolitiseerde burgerbevolking van die landen. Het Amerikaanse doel tot ‘democratisering’ van het Midden-Oosten – zoals op dit moment [volgens eigen zeggen] de Amerikaanse troepen in Irak voor ogen staat – maakt het leven binnen het ‘blanke’ fort niet minder zorgelijk. De geweldsniveaus zijn nog steeds hoog en de levensstandaard van de meerderheid van de bevolking daalt gestaag [zie elders in dit nummer van Soemoed; red.]. Hieraan wordt niets gedaan: Het onderwerp staat bijna even laag op de nationale agenda als het milieu en de vrouwenrechten. Waar het om gaat is dat wij – ikzelf inbegrepen, aangezien ik afstam van een Duits-joodse familie – een meerderheid van ‘blanken’ vormen op ons verlichte eiland in een zee van ‘zwarten’.
Verwerping van het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen staat gelijk aan een onvoorwaardelijk pleidooi voor de verdediging van de ‘blanke’ enclave. Dit liedje is vooral populair onder sefardische joden, die oorspronkelijk deel uitmaakten van de Arabische wereld [en van Zuid-Europa; red.], maar sindsdien hebben geleerd dat lidmaatschap van de ‘blanke’ gemeenschap een proces van Hishtakenezut – ‘Ashkenaziëring’ – vereist. Thans zijn zij de meest luidruchtige supporters van het ‘blanke’ eiland, al delen slechts enkelen van hen het comfortabele leven dat hun Ashkenazische medeburgers leiden. Zij kunnen nog zo ijverig proberen te ‘de-Arabiseren’, vroeg of laat botsen zij tegen een glazen plafond.
Het belangrijkst van alles is, dat het zionistische geloof in Fort Israel ervoor borg staat, dat het conflict met de Palestijnen, hun Arabische buren en moslimgemeenschappen tot aan Zuid-Oost Azië toe, wordt voortgezet. En het zullen niet alleen culturele solidariteit en religieuze affiniteit zijn, die uiteindelijk de formidabele, gecombineerde energie vanuit de Arabische en islamitische wereld bij de strijd tegen Israel zullen betrekken: De wereldwijde, groeiende frustratie en de wil tot bevrijding zullen ooit met elkaar gaan samenvallen, ten behoeve van de redding van Palestina.

De nauwe relatie tussen joden en Palestijnen die in deze moeilijke tijden zowel binnen als buiten Israel is ontwikkeld, en het gemengde karakter van die delen van de joodse samenleving in Israel, die zich eerder hebben laten vormen door de omstandigheden dan door menselijke manipulaties, belooft verzoening - ondanks de jaren van apartheid, uitzetting en onderdrukking. De mogelijkheid daartoe zal niet eeuwig bestaan. Als de laatste post-koloniale Europese enclave in de Arabische wereld zichzelf niet vrijwillig transformeert in een democratische staat voor al zijn burgers, zal het een land worden vervuld van woede en met door wraakgevoelens, chauvinisme en religieus fanatisme verwrongen trekken. Als dit gebeurt zal van de Palestijnen geen redelijkheid meer geëist of verwacht kunnen worden. Zo zou het wel eens kunnen gaan, en - gegeven alles wat we hebben gezien in andere, gewapenderhand bevrijde Arabische landen - is de kans groot dat dit eerder vroeger dan later het geval zal zijn.

Degenen onder ons, die het Palestijnse recht op terugkeer steunen geloven dat er nog altijd mogelijkheden bestaan. De Israelische onderdrukking weegt echter nog altijd onwaarschijnlijk veel zwaarder dan de Palestijnse wraakzucht. Maar hoe lang wij nog van dit verschil kunnen profiteren, valt moeilijk te zeggen. Niet erg lang. Ik vrees dat, als steun van buitenaf uitblijft, ons het ergste nog te wachten staat.

uit: London Review of Books van 19 mei 2005

Ilan Pappé is een post-zionistische Israelische historicus en verbonden aan de Universiteit van Haïfa.

vertaling: Aleid Sevenster-Blink

Is het uur van de binationale staat aangebroken?

Leila Farsakh

bron: http://www.palestina-komitee.nl/soemoed/40/468

Ehoed Olmert en Mahmoed Abbas (Abu Mazen) hebben in Jeruzalem op 19 februari in het gezelschap van Condoleezza Rice hun verbintenis bevestigd om te streven naar een twee-staten-oplossing voor het Israelisch-Palestijnse conflict. Deze principeverklaring maakt maar weinig kans, zelfs niet op een begin van toepassing. Tegelijk gaat de kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever onverminderd voort. En dat is zonder twijfel de reden waarom er steeds meer stemmen opgaan - en met steeds meer klem - om een binationale staat op te richten op het geheel van het grondgebied van het historische Palestina.

Drie jaar geleden schreef Meron Benvenisti - in de jaren zeventig loco-burgemeester van Jeruzalem - dat het niet langer de vraag is of er ooit een binationale staat komt in Palestina-Israel. Volgens hem is het de vraag welk soort binationalisme er bepaald en in de praktijk zal worden gebracht.(1) Bekende intellectuelen uit beide kampen benadrukken dat deze oplossing onvermijdelijk wordt: wijlen Edward Said en Azmi Bishara [Palestijns Knesset-lid], de historicus Ilan Pappé, de academici Tanya Reinhart [onlangs overleden] en Virginia Tilley, de journalisten en activisten Amira Hass en Ali Abunimah.(2) Er bestaan tal van werken waarin de idee van een binationale staat wordt verdedigd. De auteurs gaan telkens weer van dezelfde vaststelling uit: De mislukking van de Oslo-Akkoorden en van de versnippering van de Bezette Gebieden in vele bantoestans.(3). Kortom, de regio stevent eerder af op de afgrond van een nieuwe apartheid, dan op de co-existentie van twee leefbare, onafhankelijke staten.

De idee van een binationale staat is niet nieuw. Zij is afkomstig van een groep linkse zionistische intellectuelen uit de jaren twintig van vorige eeuw, met boegbeelden als de filosoof Martin Buber, de eerste rector van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem, Judah Magnes, en Haïm Kalvarisky die was aangesloten bij Brit Shalom en later bij Ihoed (Unie). Zij traden in de voetsporen van de schrijver Ahad Ha’am en beschouwden het zionisme als een zoektocht naar een culturele en spirituele renaissance van het jodendom, die in geen geval kon worden gerealiseerd op basis van onrecht. Voor hen was het essentieel een natie te stichten, maar daarom nog niet noodzakelijk een onafhankelijke joodse staat, vooral als die ten koste zou gaan van de autochtone bevolking. Judah Magnes benadrukte dat het joodse volk ‘geen joodse staat nodig heeft om zijn voortbestaan te garanderen’.(4)

Onder het Britse mandaat (1922-1948) bleven de voorstanders van de binationale optie binnen de zionistische beweging in de minderheid, maar zij hadden wel invloed. Zij lieten hun stem weerklinken in de zionistische middens en in de internationale arena, bijvoorbeeld in 1947 tijdens de hoorzittingen van het United Nations Special Committee on Palestine dat uiteindelijk de opdeling van Palestina zou voorstellen. Zij verzetten zich heftig tegen dit voorstel en verdedigden een andere keuze: Een binationale staat die een onderdeel zou worden van een Arabische federatie. Om de joodse nationale verzuchting naar een cultuur- en taalautonomie te vrijwaren, stelden de binationalisten een federale structuur voor die in geen enkel opzicht de fundamentele rechten van alle burgers mocht aantasten. Zij beriepen zich op de geest van het Britse mandaat om de oprichting van een wetgevende raad te bepleiten, die gebaseerd moest zijn op een proportionele vertegenwoordiging en de nationale rechten moest bevorderen, zonder afbreuk te doen aan de gelijke politieke rechten van alle burgers.

Met het verdelingsplan voor Palestina, dat door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 29 november 1947 werd goedgekeurd en met de eerste Israelisch-Arabische oorlog van 1948-1950 werd de idee van een binationale staat opzij geschoven. Deze mislukking werd vaak uitgelegd als het gevolg van het idealisme en het onvermogen van de binationalisten om rekening te houden met de realiteit op de grond. Maar klopt dat wel? Magnes ging er immers vanuit dat de binationale staat de enige realistische optie was die de joodse gemeenschap in Palestina kon redden, precies omdat deze gemeenschap een minderheid vormde. In feit heeft de binationale optie gefaald omdat de belangrijkste politieke protagonisten deze idee verwierpen: De zionistische organisaties wilden er niet van weten, het Groot-Brittannië moedigde het binationalisme allesbehalve aan. De Arabieren stonden er zeer wantrouwig tegenover.

In 1969 kwam de binationale optie weer naar boven - weliswaar in een andere vorm - met de verklaringen van de Palestijnse Bevrijdingsbeweging (FATAH), de organisatie van Yasser Arafat, over de oprichting van een democratische staat in Palestina. Deze staat moest een einde maken aan het onrecht dat de oprichting van de staat Israel en de verdrijving van 750.000 Palestijnen uit hun dorpen en steden veroorzaakt had. FATAH eiste de toepassing van hun recht op terugkeer, zonder evenwel de joodse aanwezigheid in Palestina aan te vechten. FATAH riep weliswaar op tot de vernietiging van de structuren van de staat Israel, die als een koloniale entiteit werd beschouwd, maar verdedigde de idee van een eenheidsstaat voor alle burgers: Moslims, christenen en joden. Het was de eerste officiële Palestijnse poging om het vraagstuk aan de orde te stellen van de verhouding tussen nationale rechten en individuele burgerrechten.

Dit voorstel kon in Israel op geen enkele positieve reactie rekenen, noch in de internationale arena. In de daarop volgende decennia werd de oprichting van twee staten zowat de enige mogelijkheid die in aanmerking kwam. Ondanks de verklaringen van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten gunste van een democratische staat, bereidde Arafat de Palestijnen voor om de opdeling van Palestina te aanvaarden. In 1974 stemde de Palestijnse Nationale Raad (het hoogste gezagsorgaan van de PLO) hiermee in en deed dat in 1988 nog duidelijker met de Palestijnse onafhankelijkheidsverklaring en de aanvaarding van het verdelingsplan van de Verenigde Naties. Een Palestijnse staat, ook al omvatte deze maar 22 procent van het oorspronkelijke grondgebied, was de enige mogelijke optie.

de nachtmerrie van een nieuwe apartheid

De lange mars van de Palestijnen naar de erkenning en oprichting van een onafhankelijke staat liep in 1993 uit in de Akkoorden van Oslo. Het belangrijkste en wellicht enige succes van deze overeenkomst was, zoals de toenmalige Israelische premier Yitzhak Rabin verklaarde, de officiële erkenning dat Israeli’s en Palestijnen ‘voorbestemd waren om op hetzelfde grondgebied samen te leven’. De grote tragedie van Oslo was echter dat de droom van twee staten omsloeg in de nachtmerrie van een nieuwe apartheid.[tragedie? Op Israel rust de volle verantwoordelijkheid daarvoor!; red.] Sinds 1994 zijn de Palestijnen de facto gevangenen. Zij zijn niet bevrijd, maar onderworpen aan een systeem van vergunningen, die door de Israeli’s worden verstrekt. Zij hebben te lijden onder de oprichting van meer dan vijftig permanente checkpoints en talloze andere versperringen die hun grondgebied opdelen in acht belangrijke bantoestans en voorts onder een verdubbeling van het aantal joodse kolonisten, die op dit ogenblik met meer dan 400.000 zijn. Sinds 2002 is het Palestijnse bestuur nog meer versnipperd door de bouw van de Muur, die - eenmaal voltooid - meer dan 750 km. lang zal zijn en 46 procent van het grondgebied van de Westelijke Jordaanoever zal wegsnijden.(5)

Hoe geloofwaardig is een binationale staat in deze omstandigheden? Ten eerste is de opdeling steeds minder een antwoord op de nationalistische verzuchtingen van de zionisten en van de Palestijnen. In tegenstelling tot de situatie in 1947, toen de opdeling nog helemaal niet op de proef was gesteld, wordt de twee-staten-oplossing op de grond gekenmerkt en bepaald door de totale dominantie van Israel. Ondanks het historisch compromis van 1993 hebben de Palestijnen nog steeds geen erkende en levensvatbare staat. Aan de andere kant heeft het Palestijnse nationalisme zijn limieten getoond, met leiders die niet in staat zijn hun volk naar de onafhankelijkheid te leiden en die elkaar onderling verscheuren. De opdeling heeft ten slotte ook voor de joden gefaald: Zij kennen allesbehalve de veiligheid die de staat Israel hen in het vooruitzicht had gesteld. In de jaren negentig kwamen rond 400 joodse Israeli’s bij zelfmoordaanslagen om het leven. Sinds het begin van de Tweede Intifada in september 2000 werden 1000 joodse Israeli’s gedood en in sommige landen in de wereld neemt het antisemitisme toe.

Tegelijk ondergraaft de demografische evolutie op de grond de leefbaarheid van elk verdelingsplan. In 2005 bedroeg het totaal aantal joodse Israeli’s die tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan leven 5,2 miljoen, tegenover 5,6 miljoen Palestijnen. Zelfs na zijn terugtrekking uit Gaza in 2005 en ondanks zijn plannen om zijn grenzen met de Westelijke Jordaanoever af te bakenen, zal Israel geconfronteerd blijven met een demografische groei, die aan de Palestijnse kant sterker is dan aan de Israelische. Deze demografische groei zal hoe dan ook economisch doorwegen, maar ook politiek, aangezien het Palestijnse bevolkingsdeel van zijn reële rechten verstoken blijft.

En er is nog een andere factor die de oplossing van een eenheidsstaat aantrekkelijker maakt: Het staatsburgerschap gebaseerd op rechtvaardigheid en gelijkheid, op betrokkenheid en niet op nationalistische uitsluiting. De geschiedenis heeft - hier en elders - aangetoond dat opdeling niet kan slagen zonder de verdrijving en de transfer van de bevolking. En dat stelt een ethisch probleem. De vrede kan - vanuit een moreel standpunt - nooit tot stand komen zonder een rechtvaardige oplossing voor het vluchtelingenvraagstuk met de eerbiediging van het recht op terugkeer of op compensatie voor het geleden verlies, zoals resolutie 194 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties uit 1948 dat eist. Maar het recht op terugkeer vormt, net als de Palestijnse demografische groei, een gevaar voor het joodse karakter van de staat Israel en dat is voor de Israeli’s een onoplosbare tegenstelling.

Volgens de historicus Tony Judt is dat precies de limiet van de staat Israel: Zijn anachronistische karakter. Geen enkele staat kan zich democratisch noemen en tegelijk etnische uitsluiting als grondslag hebben, zeker niet na de misdaden die in de vorige eeuw zijn begaan. Voor Virginia Tilley zijn de opdeling en dus ook het bestaan van de staat Israel al ‘van bij begin af aan tot mislukken gedoemd geweest, omdat deze gebaseerd zijn op de gediscrediteerde idee - waarop het zionisme echter heel zijn morele autoriteit blijft baseren - dat een etnische groep wettelijk de formele en permanente dominantie kan claimen over een territoriale staat.’

De verdediging van de democratische staat leidt tot een herdefiniëring van het concept staat, waarbij de democratie opnieuw de voorrang moet krijgen boven het nationalisme. Of zoals Ali Abunimah uitlegt: Dit zou ‘de hele bevolking toelaten te leven en te genieten van heel het land en tegelijk de verschillende gemeenschappen te beschermen en tegemoet te komen aan hun specifieke behoeften. Het zou toelaten het conflict te deterritorialiseren en demografie en etniciteit als factoren van macht en politieke legitimiteit te neutraliseren.’

En daar ligt precies de grote uitdaging, want dit conflict blijft - net zoals zo vele andere - een territoriaal conflict. De etniciteit en meer nog de religie blijven de bron van legitimiteit en macht. De voorstanders van de democratische staat stellen vast dat de bevolking zich meer en meer ten gunste van deze oplossing mobiliseert, die geïnspireerd is door het Zuid-Afrikaanse model. Er worden op diverse niveaus in Europa en in de Verenigde Staten boycotcampagnes gevoerd tegen, wat steeds meer mensen bestempelen als Israelische apartheid.(7) Actiegroepen in Palestina en Israel mobiliseren tegen de Muur en zijn op zoek naar een gezamenlijke verzetsstrategie die gekant is tegen de Israelische politiek - en niet tegen de joodse bevolking – en die gebaseerd is op gelijke rechten voor alle burgers en niet op twee afzonderlijke staten.

Het grote probleem blijft echter dat de drie belangrijkste politieke actoren verre van gewonnen zijn voor deze idee. De politieke klasse en de meerderheid van de bevolking in de staat Israel sturen aan op scheiding, zoals blijkt uit de verpletterende steun aan de bouw van de Muur. De ‘internationale gemeenschap’ heeft zich de twee-staten-oplossing tot doel gesteld, zonder evenwel iets te ondernemen om deze oplossing in de praktijk mogelijk te maken of na te gaan of er op dit vlak vooruitgang wordt geboekt. Het Palestijnse leiderschap van zijn kant heeft geen strategie meer, in die mate zelfs dat HAMAS en FATAH in gewelddadige gevechten zijn verwikkeld. De impasse kan misschien een sprankje hoop doen heropleven. Er zijn 60 jaar nodig geweest om de opdeling van Palestina op de proef te stellen en de beperkingen ervan aan den lijve te ondervinden. Is de tijd niet gekomen om over originele en nooit uitgegeven oplossingen na te denken?

noten

1 Meron Benvenisti, ‘Which kind of binational state?’, in Ha’aretz (Tel Aviv) van 20 november 2003.
2 Zie onder meer: <www. one-democratic-state.org> voor de verdedigers van een binationale eenheidsstaat.
3 Zie: ‘De l’Afrique du Sud à la Palestine’, Le Monde Diplomatique (Parijs) van december 2003.
4 Judah Magnes, Like All Nations, Jeruzalem, Weiss Press, 1930.
5 B’Tselem Database, <www.btselem.org/english/statistics>. Zie ook: Dominique Vidal en Philippe Rekacewicz, ‘Comment Israel confisque Jérusalem-Est’, Le Monde Diplomatique van februari 2007.
6 Tony Judt, ‘Israel: The Alternative’, New York Review of Books van 23 oktober 2003.
7 Zie bijvoorbeeld de campagne ‘Boycott, Divestment and Sanctions Against Israel’ (een Palestijnse boycot- en sanctiecampagne tegen Israel <www.bds-palestine.net>). Deze campagne gaat uit van het Palestijnse maatschappelijke middenveld met zeshonderd niet-gouvernementele organisaties, meer dan twintig vakbondsfederaties en een aantal groeperingen van academici en vluchtelingen.

uit: Le Monde Diplomatique (Parijs) van maart 2007
Leila Farsakh is docente politieke wetenschappen aan de Universiteit van Massachusetts in Boston en auteur van Palestinian Labour Migration to Israel - Labour, Land and Occupation, Londen, Routledge, 2005.

vertaling : Wim de Neuter

Tot zover deze drie artikelen. Er zal nog veel meer volgen, in de vorm van een uitgebreide historische beschouwing. Verder zou ik willen wijzen op een bijzonder verhelderende uiteenzetting van Anja Meulenbelt: http://anjameulenbelt.sp.nl/weblog/2004/07/28/de-paradigmastrijd-1/ (grote aanrader!). Zelfs mijn eigen ‘ontwikkeling’ (of ‘denken’, voorzover dat belangrijk is) herken ik in dit verhaal, zij het dat ik er nog nooit geweest ben. Voor mij is deze ontwikkeling vooral een intellectuele geweest en ontstaan door mijn vele contacten met ballingen uit de Arabische wereld (scriptie onderzoek hedendaagse kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederlandse ballingschap, maar ook al iets daavoor). Maar de serie artikelen van Anja Meulenbelt (10 delig) geeft precies weer hoe ik in deze kwestie geleidelijk aan van standpunt ben veranderd en waar ik nu sta.

Zie ook een verstandig artikel van Jaap Hamburger (van ‘Een ander Joods Geluid’),  http://extra.volkskrant.nl/opinie/artikel/show/id/1113/Apartheid_is_meer_dan_rassenscheiding. Dit is een antwoord op een bijdrage van ene Ratna Pelle, die tracht hard te maken dat Israël een normale democratie is en al helemaal geen apartheidsstaat. Haar verschillende websites (http://www.zionism-israel.com/blog/ , http://www.israel-palestina.info/index.html, http://brabosh.com/ en nog veel meer) kan ik trouwens van harte aanbevelen, al was het maar om uit te zoeken wat er niet aan deugt.  Dat is namelijk fascinerend veel, net als de site van het CIDI, http://www.cidi.nl/, al slaan de sites van mevrouw Pelle werkelijk alles. Waarschijnlijk hebben we te maken met een pseudoniem (een nader onderzoekje naar de identiteit van deze mevrouw Pelle geeft een nogal bizarre en verwarde indruk van de figu(u)r(en) achter deze naam, zie link, maar goed, ieder zijn of haar eigen identiteitsbeleving).  Ze participeert echter wel in veel serieuze discussies, dus ik zal dit radicale geluid in alle ernst meewegen. Haar uitingen zijn nogal extreem (zo niet bizar), maar er wordt haar wel een podium geboden binnen de mainstream (zoals hier en vooral hier), dus reden genoeg om er wat serieuze aandacht aan te besteden. Zij produceert bijvoorbeeld dit soort teksten:

‘De campagne heeft in totaal tot aan het unilaterale staakt-het-vuren op 17-18 januari 3 weken geduurd, waarbij naar verluid zo’n 1.300 Palestijnen zijn omgekomen en 13 Israëli’s. Over het aantal burgerslachtoffers en strijders verschillen beide partijen sterk van mening. Volgens sommige bronnen is eenderde van de Palestijnse doden kind, volgens andere is dat aantal veel lager. Het maakt ook uit of je 16- en 17-jarigen die soms al volwaardig meedoen in de strijd als kind definieert, en we moeten niet vergeten dat de gemiddelde leeftijd in Gaza 17 jaar is’ (http://www.israel-palestina.info/gaza_oorlog.html)

Moeten die Palestijnen maar niet zoveel kinderen krijgen. Als je zoiets over ‘Joden’ zou zeggen zou je terecht voor antisemiet worden uitgemaakt.

Op een van haar vele websites ( http://www.zionismontheweb.org/blogs/index.php/new) laat zij iets over zichzelf los:

‘Ratna.NL bevat mijn opinies over het Israëlisch-Palestijnse conflict, het Joodse recht op zelfbeschikking (ook bekend als Zionisme) en het Palestijnse recht op zelfbeschikking. Ik ben Ratna Pelle, een academica uit Nederland, en ben actief geweest in diverse linkse bewegingen voor vrede, milieu en derde wereld. Ik ben noch Joods noch Palestijns noch Israëlisch noch Arabisch.

Vanwege spam heb ik al mijn blogs moeten afsluiten voor opmerkingen. Om te reageren of anderszins contact met me op te nemen, bezoek:

http://www.israel-palestina.info/

Hoewel zij/hij uiteindelijk een nogal marginaal figuur blijkt te zijn (zij zou bij Groen Links zitten, maar daar schijnt niemand haar te kennen) is deze persoon zo dominant op internet aanwezig (wanneer je ‘Israël Palestina conflict’ googlet kom je niet om een paar van zijn of haar weblogs heen) dat het mij niet verkeerd lijkt om dit verschijnsel een keer goed door te lichten en duidelijk te maken waar we hier eigenlijk mee te maken hebben. Wordt hoe dan ook vervolgd met een uitgebreider artikel, waarin ik ook de bovengenoemde rariteit (wat mij betreft net zo’n buitenissig verschijnsel als website ‘de Brug’, op dit blog besproken in de artikelen over de antroposofie) uitvoerig probeer af te handelen.

 

Palestinian loss of land

Floris Schreve

October 16, 2009

tentoonstelling Beemster Art Centre; Ruth van Beek en Zhanhong Liao

De Maakbare Wereld

Ruth van Beek en Zhanhong Liao

In de tweede expositie van Beemster Art Centre, ism de Stichting AIDA, staan twee kunstenaars centraal die beiden gebruik maken van bestaande beelden, maar deze zo weten te herschikken dat er een nieuwe en persoonlijke wereld ontstaat.

Ruth van Beek

Ruth van Beek (Zaandam, 1977) voltooide haar studie aan de Rietveld academie in Amsterdam in 2002. Sinds die tijd heeft zij zich sterk toegelegd op het medium fotografie. Daarbij maakt zij gebruik van bestaande foto’s, van willekeurige familiefoto’s tot landschapsfotografie, persfoto’s etc. Zoals zij het zelf heeft geformuleerd in een statement:

‘Ik verzamel alle soorten fotografisch beeld, familiefoto’s, krantenfoto’s, plaatjes uit boeken en folders.
Ik knip ze uit en haal ze uit hun oorspronkelijke context.
Samen vormen deze afbeeldingen een archief.
Het is een heel beweeglijk archief, steeds anders georganiseerd, soms op onderwerp, dan weer op basis van intuïtieve beeldassociaties, materiaal, of toeval.
Vanuit dit archief maak ik nieuwe beelden, bestaande uit de fysieke foto’s zelf. Ik snij en knip ze open, voeg beelden samen, of gebruik alleen hun silhouet.
Hierbij spelen niet alleen het onderwerp van de foto, maar ook de verschijning van de foto in zijn geheel, het materiaal, de kleuren en de vorm een belangrijke rol’.

    

Van belang is dat zij beelden combineert die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Juist het contrast fascineert haar:

‘Een terugkerend thema in mijn werk zijn de tegenstellingen tussen de huiselijke taferelen en de verre spectaculaire buitenwereld.
Ongelukken met vliegtuigen, paradijselijke landschappen, vechtende mensen, dansende mensen, verjaardagsfeestjes, reizen naar verre bestemmingen, vreemde objecten, archeologie, grote verhalen, jagers en bloemschikken, al deze onderwerpen komen voor in mijn verzameling.
Deze tegenstellingen staan samen met de chaos van mijn archief symbool voor de transformatie van de overzichtelijke buitenwereld zoals die vroeger bestond, in de vorm van bijvoorbeeld kranten, reisboeken en encyclopedieën’.

Het ogenschijnlijke willekeurige en het associatieve is essentieel in haar werk. Hoewel haar beelden zijn samengesteld uit elementen die normaal gesproken geen relatie hebben zet zij een overtuigend beeld neer dat volkomen geloofwaardig lijkt. Juist daarin ligt de kracht van haar werk: aan een kant overtuigend maar bij nader inzien vervreemdend, zonder dat deze vervreemding al te nadrukkelijk aanwezig is. Haar rangschikkingen zijn zo terloops dat het de vluchtige beschouwer in eerste instantie niet eens opvalt. De vervreemding treedt pas op bij nadere beschouwing. Toch zijn de door haar herschapen beelden zo natuurlijk vormgegeven dat de nieuw gecreëerde realiteit op de toeschouwer overkomt als een vanzelfsprekendheid.

Zhanhong Liao

Zhanhong Liao (Ghangzou, China, 1965) volgde haar opleiding in Engeland (Manchester), die zij in 1994 voltooide. Na haar studie vestigde zij zich in Vlaardingen. Sinds die tijd heeft zij een veelzijdig oeuvre opgebouwd. Haar werk bestaat uit schilderijen, objecten en assemblages.
Een essentieel onderdeel van haar oeuvre zijn haar dagboeken. Over deze ‘dagboeken’, eigenlijk kunstobjecten, zegt ze het volgende ‘Je kunt een boek van heel dichtbij bekijken en aanraken. Je wordt ook verrast door het steeds omslaan van een nieuwe pagina. De boeken zijn ook qua basismateriaal uiteenlopend; vaak gebruik ik dummy’s, die vrij stevige bladen hebben, maar soms werk ik met Chinese oefenschriften voor kalligrafie, met heel dunne, fragiele bladen. Voor de grotere formaten boeken heb ik zelf de bladen ingebonden tot boek. Je kunt alles kwijt in boeken, zoals indrukken van reizen, of bepaalde thema’s behandelen. Je hoeft niet alleen maar met jezelf bezig te zijn. Mijn boeken zijn een mix van werelden: niet alleen van China, maar ook mijn ervaringen in Nederland en in allerlei andere landen…. En streken waar ik nog eens naartoe wil (…) Als je het vergelijkt met een schilderij dan zijn mijn boeken lastiger te bevatten, omdat er in één boek zoveel collages zitten. Maar ik ben blij als mensen zich in mijn boeken herkennen’.

Zhanhong diary-25.jpg

Hoewel haar werk zeker ook teksten bevat staat bij Zhanhong vooral het beeld centraal. Hierbij put zij zowel uit de Chinese traditie als uit haar indrukken van Nederland, of van haar vele reizen en tracht zij deze verschillende elementen te combineren tot een geheel. Zhanhong: ‘Onbewust ben ik communicatief gaan werken. Ik durf meer van mijzelf te tonen, mijn eigen beeld in mijn eigen werk te gebruiken, omdat ik nu begrijp dat het niet letterlijk wordt genomen en in het vertrouwen dat ik er iets mee overbreng’.
Naast haar dagboeken hebben ook haar grote mixed media objecten en zelfde soort verhalend karakter. Veel bestaande beelden worden, soms in een gefragmenteerde vorm, herschikt en opnieuw gebruikt om een nieuw beeld te scheppen. Ook daarin speelt haar hybride achtergrond een rol. Zhanhong put uit verschillende tradities, die haar in de loop van haar leven hebben gevormd.

 

newworks-11.jpg

 

Hoewel in veel opzichten verschillend, zowel qua stijl, formaat en techniek, maar ook inhoudelijk, wordt het werk van Ruth van Beek en Zhanhong Liao met elkaar verbonden in het constante hergebruik van verschillende beelden. De aard en thematiek van hun werk is weliswaar weids en divers, maar beide kunstenaars weten een duidelijk persoonlijk universum te scheppen en daarmee een eigen wereld te creëren.

Floris Schreve

Van 16 oktober t/m 13 november, 2009, Sint Nicolaasstraat 21, Amsterdam. Zie voor meer info www.beemsterart.com

Voor deze tekst is geput uit:

Ruth van Beek, Toelichting op mijn werk
Josine Bokhoven, Van verwerking tot vervulling
Wim van Cleef, Zhanhong Liao: open boekpagina’s tussen persoonlijkheid en wereld

October 4, 2009

Vrijheid van meningsuiting????

Via de hyves ‘Stop de betutteling van dit kabinet’ (ben ik lid van vanwege mijn argwaan naar de Christen Unie en jawel…ook omdat ik nu eenmaal een kettingroker ben), kreeg ik het volgende bericht:

‘Als protest tegen de vergaande inperking van onze Vrijheid zoals het Roken, Meningsuiting enz. vraag ik om NU een respect op onderstaande foto tegeven.
Ook al ben je het niet altijd of niet eens het gaat mij erom dat hij opkomt voor Vrijheid in alle opzichten.
Daarom moet hij hoe Absurd het ook is terecht staan.
Daarom vraag ik Support de enige Politicus die opkomt voor o.a. de Rokers en de Vrijheid van Meningsuiting.
Indien gewenst mag ik ook anoniem maar ik wil zo een signaal afgeven dat het mis gaat met Nederland.

STUUR SVP DOOR AAN AL JE VRIENDEN

Geef deze foto een respect als blijk dat jullie achter Hier de foto klik erop en geef respect


klik hier

Speciaal dank voor het filmpje van mijn Vriend Robert-Michael beluister het svp en ik wil nogmaals benadrukken Je kunt Geert Supporten door deze mail door te zenden aan al je Vrienden

 Kunnen zeggen wat je denkt

Hartelijk Dank

Hans van Mourik

Tot zover de oproep van Hans van Mourik

Ik heb daarop als volgt gereageerd:

Beste Hans,

Na eventjes nadenken heb ik besloten om geen ‘respect’ te plaatsen (heb overigens wel respect voor je, maar het gaat hier om een hyves term). Ik zal dat niet doen bij het filmpje en ook niet bij die oproep.
Waarom niet? In de eerste plaats ben ik een groot voorstander van de vrijheid van meningsuiting. Misschien gaat die liefde voor het vrije woord zelfs nog iets verder dan de Nederlandse wet toestaat (ben zelfs geen voorstander van het vervolgen van Holocaustontkenners, om maar iets krankzinnigs te noemen, maar dat is mijn bescheiden persoonlijke mening). En geen misverstand, er is vrijheid van meningsuiting in Nederland, heel veel zelfs. Wellicht is die de laatste jaren zelfs nog toegenomen. Van mensen die er verstand van hebben (ik ben zelf geen jurist) heb ik kunnen vernemen dat het zeer waarschijnlijk is dat Janmaat met zijn uitspraak ‘als wij aan de macht komen schaffen wij de multiculturele samenleving af’ niet meer veroordeeld zou worden. En waarschijnlijk terecht, want deze uitspraak zou je nu nauwelijks meer controversieel kunnen noemen (ik vond dat overigens toen ook al, helemaal als je het vergelijkt met wat Joop Glimmerveen twee decennia eerder had gezegd ‘Nederland moet blank en veilig blijven’). In die zin is er dus echt wat veranderd.
Maar waarom steun ik je oproep niet? Wilders staat namelijk helemaal niet voor de vrijheid van meningsuiting. Integendeel zelfs. Eerder heeft hij opgeroepen om bijv. de Koran te verbieden. Dat is nogal een statement. Niks ‘vrijheid in alle opzichten’ (jouw woorden). Eerder zei Fortuyn dat er door de geschiedenis heen rivieren van bloed zijn gevloeid om de vrijheid van meningsuiting (en de vrijheid van godsdienst) te bevechten. Daar had Fortuyn gelijk in. Fortuyn parafraseerde verder (enigszins misplaatst theatraal) Voltaire, die zoiets gezegd zou hebben van ‘Ik verwerp uw mening, maar ik ben bereid mijn leven te offeren voor uw recht om uw mening te uiten’ (klopt niet helemaal, maar goed de strekking is duidelijk).
Bij Wilders is dat niet het geval. Of hij wil de Koran verbieden, of hij wil discrimineren (invoering van een ‘kopvodden tax’, hoe bezopen ook, toch een serieuze inbreuk op het gelijkheidsbeginsel voor de wet, die andere belangrijke peiler van iedere democratische rechtsorde).
Iemand die voor zijn xenofobe agenda zelfs de democratische basiswaarden met voeten treedt verdient wat mij betreft geen solidariteitsverklaring om het feit dat hij is aangeklaagd. Want hij is immers nog niet veroordeeld. Bovendien heeft Spong, net als iedere andere burger, het recht om Wilders voor de rechter te dagen. Om het preciezer uit te leggen, Spong heeft Wilders niet aangeklaagd maar staat iemand bij (een student van de UvA)die Wilders heeft aangeklaagd. Dan moet Wilders maar ook een goede advocaat nemen. Denk niet dat dit zo’n probleem is. Als hij echt een stunt wil uithalen moet hij Britta Böhler nemen (nu senator voor Groen Links), maar dat zou zijn achterban toch niet begrijpen en die pratende meneer in het filmpje al helemaal niet. Want die aanklacht is dus niet vanuit ‘Den Haag’ tot stand gekomen, maar is het initiatief van een medeburger. En waarom die suggestieve en speculatieve opmerking over de vermeende minderjarigheid van de bedmaatjes van dhr Spong? Is de PVV toch niet die partij die de homoseksuele medemens zo welgezind is tov die levensgevaarlijke islam? Goed om te weten.
Ik zeg dus niet dat ik hoop dat Wilders veroordeeld wordt. Dat hoop ik helemaal niet, al ben ik allesbehalve een medestander van deze intolerante en wat mij betreft ook ondemocratische politicus. Als hij wordt vrijgesproken, mij best. Maar laten we dat aan de rechter. Als het goed is weet de rechter heel goed wat Wilders vrijheidsrechten zijn en zal hij wijs oordelen, in de beste traditie van de democratische rechtsstaat, waarbinnen de vrijheid van meningsuiting een van de kernwaarden is (zo niet de belangrijkste). We zullen wel zien. Ik ben benieuwd naar de uitkomst en vooral naar de motivering van de rechter,

vriendelijke groet,
Floris Schreve

Over het gedachtegoed van de PVV, in welke extreem-rechtse Nederlandse traditie dit staat (Nederlandse Volks Unie, Centrum Partij en zelfs de NSB) volgt later meer.

Powered by WordPress