Mijn hersenspinsels en gedachtekronkels

February 2, 2010

Inleiding en toelichting op mijn eigen positie in het Midden-Oosten conflict

Nu het zg Midden-Oosten conflict een van de belangrijkste thema’s van mijn blog is geworden en er ook al enige ‘discussie’ is ontstaan, althans, ik me genoodzaakt voelde om scherp stelling te nemen (want daar kwam het wel op neer, zie het vorige bericht), is het misschien toch goed om een keer mijn eigen uitgangspositie toe te lichten. Daarom zal ik alvast het inleidende stukje publiceren van een veel langere verhandeling die ik nu aan het schrijven ben over hoe het complexe geheel mijns inziens in elkaar zit. Een eerder fragment, over de drie monotheïstische godsdiensten, publiceerde ik al hiervoor op dit blog, hier te raadplegen. Maar hier dus alvast het inleidende gedeelte. Het geheel zal later verschijnen.
In dit verband vind ik het vooral belangrijk om mijn eigen vertrekpunt duidelijk te maken. Normaal schrijf ik op dit blog wat minder persoonlijke stukken, maar in dit geval lijkt het me niet verkeerd om toch iets over mijn eigen achtergrond te vertellen en waarom ik gaandeweg steeds meer affiniteit met die regio  en dus ook met deze penibele kwestie heb gekregen. Bij deze:

 

Een koloniale oorlog uit Europees schuldbesef;

De bijna onontwarbare kluwen van ‘het Midden Oosten conflict’

De bovenstaande titel lijkt een paradox. Hoe kan er kolonialisme bestaan uit naam van Europees schuldbesef? Toch is dit mijns inziens de kern van de kwestie Israël/Palestina. Overigens is dit niet de enige paradox. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog, t/m de jaren zeventig was het heel progressief om voor Israël te zijn. ‘Links’ was er maar al te zeer op gebrand om de schandvlek van de Holocaust uit te wissen. Bij ons gold dat zeker voor bijvoorbeeld de PvdA, zoals het kabinet Den Uyl in de jaren zeventig, dat zelfs in het geheim wapens aan Israël leverde voor de Yom Kippoer oorlog (zie wederom deze uitzending van Zembla, al veel naar verwezen in het vorige bericht). In Amerika was het lange tijd meer gebruikelijk om sympathie te uiten voor Israël bij de Democraten dan bij de Republikeinen. Tegenwoordig is het bijna omgekeerd. Het zijn nu de neo-conservatieven die Israël als grote bondgenoot zien, terwijl de sympathie voor de Palestijnen meer te vinden is aan de linkerkant van het politieke spectrum dan aan de rechterkant.
Als er een ingewikkelde kwestie is, die de hele wereld bezig houdt en waar maar geen eind aan lijkt te komen, dan is het wel het Palestijnse/Israëlische ‘conflict’ (zeg maar een voortdurende staat van latente dan wel oplaaiende oorlog). Het is ook een zaak waar zo’n beetje alle grote werkelijke en vermeende conflicten bij elkaar komen. De Tweede Wereldoorlog, zelfs de Eerste Wereldoorlog (het Sykes/Picot accoord en de Balfour declaratie), de dekolonisatiestrijd, gedurende een bepaalde tijd de Koude Oorlog, de al dan niet bestaande ‘clash of civilizations’, ‘het westen’ versus ‘de islam’, een vorm van apartheid, vermeend of echt antisemitisme in verschillende vormen, Amerikaans imperialisme en neoconservatieve visioenen, de aanjager voor de ‘radicale islam’, een bliksemafleider voor Arabische dictaturen, een excuus voor interventies in het Midden Oosten door internationale grootmachten om hun belangen veilig te stellen, enz. enz.
Om het nog ingewikkelder te maken; bij vrijwel iedere analyse of mening over deze kwestie speelt een of meer van de bovengenoemde zaken wel een rol, al is het op de achtergrond. Dat maakt ook dat iedere discussie over dit onderwerp al snel een heikele zaak. Alles wat met dit conflict samenhangt is historisch, ideologisch of zelfs religieus beladen. Het is bijna onmogelijk om deze kwestie terug te brengen tot een volkenrechtelijk conflict, al is dit mijns inziens de enige juiste weg om tot een uiteindelijke oplossing te komen.
Laat ik meteen beginnen om uiteen te zetten hoe ik zelf tegen deze materie aan kijk, al heeft mijn ‘denken’ ( of mening) hierover wel een ontwikkeling doorgemaakt. Niet omdat mijn mening er zoveel toe doet of omdat ik zelf zo interessant ben, maar als ik aan deze zaak mijn vingers wil branden, lijkt het me wellicht zinvol om zo helder mogelijk te zijn over mijn eigen vertrekpunt, dan bestaat er geen enkel misverstand over mijn intenties. En het blijkt keer op keer toch weer noodzakelijk te zijn om je positie duidelijk te maken; voor je het weet krijg je met het ‘a-woord’ naar je hoofd geslingerd, zoals besproken in het vorige bericht (al was dat wel een bijzonder excessief voorbeeld). 
Tot ongeveer halverwege de jaren negentig was ik min of meer pro-Israëlisch. Ik baseerde mijn mening vooral op wat ik in de kranten las, op het nieuws zag en verder op wat ik uit mijn omgeving meekreeg. Om het maar meteen helemaal persoonlijk te maken; ik heb zelf een gedeeltelijk Joodse achtergrond (om precies te zijn, mijn grootmoeder van vaderskant was joods), al ben ik daar zeker niet mee opgegroeid en speelde bij mijn directe familie het Jodendom eigenlijk geen rol. Ik ben ook zelf gaan ontdekken hoe dat precies met mijn eigen familie zat, want er werd zelfs niet over gepraat (overigens is mijn eigen familie seculier, dus ik ben zonder een religie opgegroeid). Wel hadden er verschillende, zij het wat verdere familieleden veel in de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en hebben sommigen het niet overleefd, maar dat was geen gespreksonderwerp, althans niet voor de generatie die het had meegemaakt en aanvankelijk ook niet voor de generatie daarna, die was opgevoed met het idee dat je over bepaalde zaken beter niet kunt spreken. Dat is eigenlijk alles wat ik er over kwijt kan of wil zeggen. Het bovenstaande is overigens niet een echt onbekend fenomeen. Ik ken althans meer mensen uit soortgelijke families waar precies hetzelfde opging.
Wel had een ander nabij familielid (de broer van mijn Opa, overigens niet van Joodse afkomst) in diverse concentratiekampen van de Nazi’s gezeten. Dit omdat hij Engelandvaarder was en later, toen hij als geheim agent in Frankrijk was gedropt, door de Duitsers werd gearresteerd. Hij werd naar Kamp Buchenwald gedeporteerd en later naar Kamp Dora, waar hij te werk werd gesteld als ‘Nacht und Nebel Arbeiter’ in de beruchte V2 fabrieken. Hij overleefde dit alles en keerde na de oorlog terug. De reden waarom ik dit vertel is dat hij, na ook jarenlang te hebben gezwegen, aan mij, toen ik zestien was, zijn hele verhaal heeft verteld. Hij woonde toen gedurende de zomers in Zuid Frankrijk, bij Aix en Provence en ik heb daar een keer gelogeerd om wat aan mijn Frans te doen, want de afspraak met mij (en vooral mijn ouders) was dat hij en zijn Franse vrouw vooral Frans met me zouden spreken. Daar is niets van terecht gekomen. Hij was net bezig om zijn herinneringen op te schrijven (is later als boek uitgegeven 2 ) en heeft mij eigenlijk iedere dag (en nacht want onze gesprekken duurden soms tot 3 a 4 uur in de ochtend) verteld over zijn tijd als geheim agent en wat hij had meegemaakt in de Nazi kampen. Dit heeft een grote indruk op me gemaakt (ik was toen ook pas zestien, maar dan nog). Maar het is iets dat ik nooit meer zal vergeten en zijn verhaal heb ik vaak in mijn achterhoofd gehad, ook toen ik vanaf die tijd steeds meer ben gaan lezen over de Tweede Wereldoorlog, de Nazi kampen en over antisemitisme of zelfs racisme in het algemeen. Ook toen ik Primo Levi’s ‘meesterwerk tegen wil en dank’ las, Is dit een mens, kon ik dit niet lezen, zonder te denken aan de verhalen over de concentratiekampen die deze broer van mijn opa mij verteld had.
Ik vertel deze persoonlijke geschiedenis alleen maar om duidelijk te maken wat mijn uitgangspunt was (of eigenlijk nog steeds is, als we het naar het algemeen menselijke trekken), niet om iets anders. Het verhaal van de broer van Opa over de Nazi kampen en de constatering dat ik wel degelijk Joodse roots heb (al waren die zogenaamd non-existent, want het onderwerp werd altijd gemeden), hebben er aanvankelijk voor gezorgd dat mijn sympathie enigszins overhelde naar  ‘de Joodse zaak’ (als er zoiets bestaat). Geen wonder dat ik, mij ook baserend op wat er voor ‘Oslo’ zoal in de Nederlandse kranten stond, gematigd pro-Israëlisch was. Dat ben ik eigenlijk tot halverwege de jaren negentig gebleven.
Gedurende mijn verblijf in Leiden kreeg ik steeds meer interesse voor kunst en cultuur uit de niet-westerse gebieden. Ik schreef een stuk over de kunst en de geschiedenis van Indiaans Noord Amerika (als er een geval van brute koloniale misstanden is geweest, is het deze geschiedenis wel. Dit stuk is later tot een artikel omgewerkt en heb ik ook hier gepubliceerd) en begon me zodoende steeds meer te interesseren voor andere voormalig gekoloniseerde gebieden in de wereld. Dankzij mijn stage bij een fonds dat kunst en cultuur in de niet-westerse gebieden ondersteunt (voornamelijk ontwikkelingslanden, maar doet ook veel in het Midden Oosten) kwam voor mij ook de Arabische wereld in beeld. Uiteindelijk heb ik ook mijn scriptie geschreven over kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederland, waarvan vele van deze kunstenaars zich zeker niet in ‘vrijwillige ballingschap’ bevonden (een paar fragmenten hier). Zodoende breidde mijn kennis van de wantoestanden van diverse Arabische dictaturen, maar zeker ook van de Israëlische bezetting van de Palestijnen, zich steeds meer uit. Een niet onbelangrijke bron is het denken van de Palestijnse literatuurwetenschapper Edward Said geweest. Naast zijn algemene verhaal over stereotypen van vroeger gekoloniseerde of niet-westerse volkeren, zoals hij uiteen heeft gezet in zijn belangrijke werken Orientalism (1978) en Culture and Imperialism (1993), heb ik natuurlijk ook kennis genomen van wat hij over zijn eigen achtergrond heeft geschreven; zijn bestaan als Palestijnse balling (zie overigens hier een fascinerende serie korte interviewfragmenten, waarin zijn visie helder naar voren komt). Al was ik ruim voor die tijd al veel genuanceerder tegen de Palestijnse kwestie gaan aankijken en had hun zaak al veel meer mijn sympathie dan de Israëlische bezettingsmacht, het bestuderen van Edward Said, zijn bewonderaars maar ook zijn scherpste critici (waaronder de Iraakse schrijver en dissident van het Ba’th bewind Kanan Makiya, wiens kritiek ik op belangrijke punten zelfs kan onderschrijven), heeft mijn standpunt echt doen veranderen in het voordeel van de Palestijnen. Daarmee zeg ik niet dat ik sympathiseer met een Palestijnse partij of met bepaalde Palestijnse politici, maar wel dat ik van mening ben dat de Palestijnen een groot onrecht is aangedaan en dat het einde van de Israëlische bezetting wel het minste is wat er moet gebeuren om vrede te stichten maar ook om recht te doen. Met de nadruk op het minste.
Mijns inziens staat het vanzelfsprekend buiten kijf dat de Joden een gruwelijke misdaad is aangedaan, vooral gedurende de Tweede Wereldoorlog, maar ook in de eeuwen daarvoor en zelfs daarna (zoals in de Sovjet Unie). De vraag is echter of de Palestijnen de prijs voor deze misdaden moeten betalen. Naar mijn mening is daarmee een groot onrecht geschied. En dan heb ik het niet over wat sommige Palestijnse leiders allemaal doen, of de middelen die sommige Palestijnen toepassen wel de juiste zijn (vaak verre van), noch over wat zogenaamde sympathisanten van de Palestijnen allemaal uitkramen, van verschillende Arabische dictators, de huidige Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad, t/m sommige zeer dubieuze sympathisanten in het westen (ik bedoel vooral de op zich marginale groep van Holocaust ontkenners, die ook populair zijn in sommige kringen in het Midden Oosten, zoals bij de huidige Iraanse president 2). Het gaat er mij ook niet om het Palestijnse leed uit te vergroten ten opzichte van het leed van de Koerden, de Tibetanen of de Christenen van Darfur. Dat gebeurt namelijk ook, hoewel je in het laatste geval weer ziet dat Israël voorop staat om te pleiten voor de rechten van de Darfur Christenen (en ze zelfs op grote schaal wil opvangen om het eigen ‘demografische probleem’ tov de groeiende Arabische bevolking op te lossen), die weer als een bliksemafleider gebruikt worden van het Palestijnse probleem. Zie ook het enorme kabaal dat door Israël supporters wordt gemaakt over Israëls ruimhartige hulp aan de slachtoffers van de aardbeving in Haïti, bijvoorbeeld op de site van de eerder besproken extremistische pro-Israël activiste Ratna Pelle, zie hier. Let vooral op haar opmerking: ‘degenen die geen zin hebben in de Novib & co, kunnen geld storten op…’ (de ‘Novib & co’ zijn natuurlijk te kritisch naar Israëls ‘ethische politiek’, zoals naar het blokkeren van hulpgoederen voor Gaza. Misschien is het voor Ratna Pelle een ideetje om een keurmerk op te zetten, zoiets als Max Havelaar, of ‘proefdiervrij’, maar dan anders;). 
Maar dit probleem bestaat op minstens net zo’n schaal, zoniet nog veel groter, aan de Arabische zijde.  Een korte passage uit het werk Verzwegen Wreedheid van de Iraakse schrijver Kanan Makiya, dissident van het Saddam regime, zegt misschien genoeg: ‘Er zijn door Arabische intellectuelen miljoenen woorden geschreven over dat Israël honderden Palestijnse dorpen verwoestte en terecht. Toch besloten deze zelfde intellectuelen te zwijgen toen een Arabisch regime duizenden Koerdische dorpen met de grond gelijk maakte’.3 Deze constatering van Makiya, overigens zelf een Arabier, is wellicht terecht. Maar ook in deze kun je niet het ene leed tegen het andere wegstrepen. En dat geldt voor beide partijen. De ramp voor de Palestijnen wordt er niet minder op door er een omvangrijker humanitaire ramp tegenover te zetten. Net zo goed als het in Zuid Afrika ook nogal potsierlijk was als verdedigers van de apartheid naar Idi Amin verwezen. Omgekeerd waren de opmerkingen van Idi Amin over de apartheid net zo grotesk, net als Saddams gebral over het ‘bevrijden van de Palestijnen’.
Het ergst heb ik altijd de pro-Saddam leuterpraatjes van sommige westerlingen gevonden, alleen omdat ze ook heel kritisch zouden zijn op Israël, dus zijn alle Arabieren goed. Het slechtste voorbeeld op dit gebied dat ik ken is dit Belgische reisverslag, als boek verschenen, maar ook online beschikbaar. 4 Maar verder heb ik helaas ook wat meer meegemaakt en gezien van dit soort zaken (fellowtravellers dus), gedurende mijn onderzoek naar de kunst van de Iraakse diaspora. Heel interessant om als ‘progressieve West Europeaan’ zo modieus anti-westers, Israël en het embargo te zijn (alle redenen tot kritiek overigens), maar om dan Saddam te vergoeilijken heb ik altijd een vorm van dommige dweepzucht gevonden. Ik bedoel hier dus niet de kwestie voor of tegen de Amerikaanse aanval zijn, maar vooral beweringen als: ‘Het is daar allemaal niet zo erg, want Amerikaanse propaganda’, etc. Nog nooit met een Iraki gepraat die het regime aan den lijve had ondervonden, of uitsluitend met Iraki’s die of voor het regime werkten of in Irak ‘vrijuit konden praten’, met het mes van de Mukhabarat op de keel (Saddams geheime dienst, NB getraind door de Oost Duitse Stasi, de relatie van het Iraakse regime met beide Koude Oorlogsmachten was overigens altijd een ingewikkelde zie hier). En dan wel beweren solidair te zijn met het Iraakse volk. En kennelijk ook vergeten dat Saddam in de jaren tachtig door het westen gesteund werd en wellicht nog saillanter (maar bijna vergeten) dat gedurende de Koude Oorlog men de Ba’thpartij niet eens zo’n slechte buffer vond tegen het communisme. Irak had namelijk een grote communistische partij, waar de Ba’thi’s uitermate vijandig tegenover stonden. Dat het regime in een bepaalde periode steun zocht en vond bij het Oostblok is weer een heel ander verhaal. Maar goed, geen enkel misverstand dus, allemaal fout en hypocriet. 
Maar om dan opeens voor Israëls ‘ethische politiek’ naar de Palestijnen te zijn? Als Israël pretendeert ‘de enige democratie van het Midden Oosten’ te zijn, kan het zich een systeem van apartheid niet permitteren (werd er tot in de jaren tachtig in sommige kringen niet beweerd dat Zuid Afrika ‘de enige democratie van Zuidelijk Afrika’ was?). En bovendien, Israël was toch gesticht met het doel om een veelal elders gediscrimineerde bevolkingsgroep een veilig tehuis te bieden? Zie hier weer een van de wrange paradoxen van dit vrijwel uitzichtloze conflict. Wat ooit een plaats had moeten worden waar de mensenrechten gewaarborgd zouden zijn, is nu een plek geworden waar misschien een van de laatste koloniale oorlogen wordt uitgevochten.5
Aan de hand van deze beschouwing zal ik proberen mijn standpunt toe te lichten. Ik zal vooral een historische beschrijving geven (het onderstaande betoog is chronologisch opgebouwd). Wellicht is het verre van volledig, maar ik heb getracht de belangrijkste kwesties mee te wegen.

Floris Schreve

Tot zover de inleiding. Het direct hierop volgende stukje wordt het fragment over de monotheïstische godsdiensten, al eerder hier verschenen. Het geheel volgt dus later.

Noten 

1. Guido Zembsch Schreve (opgetekend door Eddy de Roever), Operatie Pierre Jaques; Geheim agent, comando en gevangene van de Gestapo, Uitgeverij Hollandia, Baarn, 1990. In het Engels verschenen als Pierre Lalande: special agent, Leo Cooper, Londen, 1996. Zie ook deze uitzending van het geschiedenisprogramma Andere Tijden over Kamp Dora, http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/2899536/afleveringen/39391235/, waarin hij overigens geen rol speelt (hij is in 2003 overleden). De verhalen van deze twee oud-gevangenen van Dora komen precies overeen met de verhalen van deze broer van mijn Opa, zowel de specifieke details als hun uiteenzettingen over hoe je in die omstandigheden het beste kon overleven. Vooral dat laatste frappeerde mij het meest.

2. Aan een paar van deze Holocaustontkenners (David Irving, Robert Faurrisson en Ernst Zündel) heb ik aandacht besteed in een serie andere artikelen op dit weblog. Bij een Belgisch antroposofisch tijdschrift dat ik hier kritisch heb besproken, zijn deze lieden nogal populair, zie http://florisschreve.blog-s.nl/category/de-brug-tijdschrift/. Los van het aanprijzen van deze Holocaustontkenners doet dit blad zelf ook nog een stevige duit in het zakje op het gebied van negationisme en antisemitisme van het allergrofste soort.

3. Kanan Makiya, Verzwegen wreedheid; nationalisme, dictatuur en opstand in het Midden Oosten, Bulaaq/Kritak, Amsterdam/Antwerpen, 1993, p. 209. Aan deze publicatie heb ik elders op dit blog ook uitgebreide aandacht besteed, zie http://florisschreve.blog-s.nl/2008/10/14/edward-said-orientalism-en-de-kritiek-van-kanan-makiya/.

4. Charles Ducal (red.), Rendez vous in Bagdad, Epo, Antwerpen, 1994. Verslag van een groepje ‘kritische’ Belgische intellectuelen, die zich door het toenmalige Iraakse regime  lieten uitnodigen om de gevolgen van het embargo ‘kritisch’ te onderzoeken. Hun gastvrouw was de Iraakse journaliste en functionaris van het ministerie van informatie, Nasra as-Sadoon, gehaat en gevreesd door de Iraakse ballingen die ik ken, al wordt er in het boek stellig beweerd dat zij géén lid van de Ba’thpartij was en ‘onafhankelijk’ zou zijn  (net alsof dat mogelijk was). Om dit met een voorbeeld te illustreren; hier in Nederland sprak ik een inmiddels gevluchte Iraakse kunstenaar die in eigen land een grote faam genoot; hij werd ook herhaaldelijk positief gerecenseerd in het niet meer bestaande Engelstalige internetkrantje van deze Nasra as-Sadoon, The Daily Iraq. Dit was een krantje van het regime, dat in de eerste dagen van de oorlog van internet verdween (ik hield het in die dagen goed in de gaten omdat ik ook de ‘officiële’ Iraakse verslaggeving wilde volgen). Maar deze kunstenaar (wiens naam ik hier niet zal noemen) verkeerde in Irak dan ook in bepaalde kringen, zeg maar de hogere regionen van ‘de partij’, dat het onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk zou zijn geweest dat hij haar niet zou hebben gekend. Toen ik hem over dit boek sprak, wist hij me te vertellen: ‘Zij zou niet voor het regime werken? Zij was het regime’.
Dit gezelschap sprak ook met een andere kunstenaar in Bagdad, die later ook naar Nederland is gevlucht en die ik persoonlijk goed heb leren kennen (hij staat ook uitgebreid in het boek beschreven). Geheel overbodig om te zeggen dat wat hij toentertijd in Irak aan deze delegatie vertelde niet overeenkwam met zijn werkelijke opvattingen en deze kunstenaar was echt geschokt om jaren later terug te lezen hoe dit gezelschap zich door het regime had laten inpakken en hoe hij gebruikt was, niet alleen door het regime, maar ook door deze Belgische delegatie. Ook de naam van deze kunstenaar zal ik in dit verband achterwege laten. Hij heeft hier in Nederland een nieuw bestaan opgebouwd en dat is hem van harte gegund. Overigens heb ik geen van deze twee kunstenaars elders op dit blog genoemd in een ander artikel (maar er zijn ook tegen de tachtig Iraakse kunstenaars in Nederland, zie dit eerdere artikel). In deze laat ik ze verder anoniem. Ze hebben een nieuw leven en dat moet vooral zo blijven.
Het boek van dit Belgische gezelschap, waar oa de bekende Belgische zanger Raymond van het Groenenwoud deel van uitmaakte, is in zijn geheel te lezen op http://www.irak.be/ned/index.htm

5. Ik ontleen deze omschrijving aan de beroemde Midden Oosten correspondent Robert Fisk. In zijn monumentale werk De Grote Beschavingsoorlog; de verovering van het Midden Oosten (oorspr. The Great War for Civilisation), Anthos/Standaard Uitgeverij, Amsterdam/ Antwerpen, 2005, omschrijft hij dit conflict als ‘de laatste koloniale oorlog’, zoals de titel luidt van zijn twaalfde hoofdtuk, pp. 541-609.

January 6, 2010

Een repliek aan Ratna Pelle, beroepspropagandiste, hysterische Zioniste en Palestijnenbasher

Filed under: Ami Isseroff, Amira Hass, Amos Oz, Anja Meulenbelt, Arabische Liga, Arabische wereld, Avi Schlaim, Avigdor Lieberman, Benny Morris, Bezette Gebieden, Breaking the Silence, Conny Mus, Dries van Agt, Edward Said, Fatah, Gaza, Goldstone Rapport, Gretta Duisenberg, Groen Links, Haj Amin al-Husayni, Hajo Meijer, Hamas, Hanan Ashrawi, Hasbara, Hasbara Handbook (J. Blume & A. Benjamin), IDF (Israeli Defense Forces), Ilan Pappé, Ironcomb (Ron en Rosa van der Wieken), Israel, Israel Lobby, Israël/Palestina, John J. Mearsheimer & Stephen M. Walt, Joris Luyendijk, Mahmoud Abbas, Mohammed Said al-Sahaf, Nakba, Nakba-negationisme, New Historians, Noam Chomsky, Oslo accoorden, PLO, Palestijnse kwestie, Palestina, Palestinian Authority, Peace Propaganda & the Holy Land, Robert Fisk, Stan van Houcke, Stichting W.A.A.R., Stop de Bezetting, Tantura (massaslachting), Teddy Katz, The enthnic cleansing of Palestine, Tom Segev, Tony Judt, Westbank, Westelijke Jordaanoever, Yasser Arafat, Yochanan Visser, Zionisme, antisemitisme, cidi, een ander Joods Geluid (EAJG), filosemitisme, propaganda, repliek (Ratna Pelle), vredesproces — Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , — Floris @ 10:35 pm

‘De ‘aldoor zegevierende staat Israël’ kan niet eeuwig steunen op de sympathie voor slachtoffers’ (Wiesenthal). Wiesenthal lijkt te bedoelen dat het voor de staat Israël, nu het ‘aldoor zegeviert’, niet meer nodig is om zich als slachtoffer op te stellen, maar zijn kracht ten volle kan laten gelden. Dat mag waar zijn, mits je daaraan toevoegt dat die nieuwe positie nieuwe verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Het probleem op dit moment is dat de staat Israël, hoewel het ‘permanent zegeviert’, nog steeds steunt op het beeld van de Joden als slachtoffers om zowel zijn machtspositie te legitimeren, als om zijn critici te hekelen als verhulde Holocaustsympathisanten’.

Slavoj Žižek (filosoof, verbonden aan de universiteit van Ljubljana, Slovenië, en gasthoogleraar aan vele andere universiteiten in Europa en de VS), in Geweld; zes zijdelingse bespiegelingen, Boom, Haarlem, 2008, p. 119

‘One must admit, however, that all liberals and even most ‘radicals’ have been unable to overcome the Zionist habit of equating anti-Zionism with anti-Semitism. Any well-meaning person can thus oppose South African or American racism and the same time tacitly support Zionist racial discrimination against non-Jews in Palestine. The almost total absence of any handily available historical knowledge from non-Zionist sources, the dissemination by the media of malicious simplifications (e.g. Jews vs. Arabs), the cynical opportunism of various Zionist pressure groups, the tendency endemic to university intellectuals uncritically repeat cant phrases and political clichés (this role of Gramsci assigned to traditional intellectuals, that being ‘experts in legitimation’), the fear of treading upon highly sensitive terrain of what the Jews did to their victims, in an age of genocidal extermination of Jews-all this contributes to the dulling, regulated enforcement of almost unanimous support for Israel. But, as I.F. Stone recently noted, this unanimity exceeds even the Zionism of most Israelis’

Edward Said (hoogleraar literatuurwetenschappen aan de Columbia University en prominent Palestijns intellectueel, overleden in 2004, zie ook dit eerdere artikel op dit blog), in The Question of Palestine, 1978 (geciteerd uit Moustafa Bayoumi & Andrew Rubin, The Edward Said Reader, Vintage, New York, 2000, p. 118). Inmiddels is er wel het een en ander veranderd, in Europa en ook in Amerika, maar voor hetgeen wat er hier besproken gaat worden is deze passage van Edward Said nog altijd schokkend actueel, zoals snel zal blijken.

 

Hasbara of hysterische soliste?

Een repliek aan Ratna Pelle, beroepspropagandiste, dolgedraaide Zionistische veelblogster en Palestijnenbasher

 

Elders op het web schreef de eerder ter sprake gekomen radicale pro-Israël activiste Ratna Pelle (zie mijn vorige bijdrage over het Israëlische Palestijnse conflict) op een van haar vele blogs ( http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000413.html ):

De methoden van de anti-Israellobby (1)
IMO Blog, 11 december 2009

‘Een van de dingen die me opviel toen ik me in discussies met felle tegenstanders van Israël begaf, is hoezeer men op de man speelt. Jaap Hamburger (van ‘Een Ander Joods Geluid’, FS) is hier een kei in, en kleineert zijn tegenstanders continu. De minachting spat er vanaf. Je zou zeggen dat de voorzitter van een in zijn ogen respectabele club die geregeld in de media verschijnt dergelijke methoden niet nodig heeft. Het blijkt echter nog erger te kunnen, en radikale antiziosemieten zoals ene Sonja (of Janneke), Stan van Houcke en het groentje Floris Schreve (hij wil graag carrière maken in de antizionistische blogosfeer), proberen hun tegenstanders te intimideren. Stan van Houcke, die zelfs officieel journalist is, spant de kroon. Honderden blogs wijdt hij aan zijn opponenten, waarbij alles wat zij ooit hebben geschreven tegen hen wordt gebruikt, al heeft het helemaal niks met Israël of de Palestijnen te maken’.

Ratna Pelle, in haar woorden: ‘Ik ben Ratna Pelle, een academica uit Nederland, en ben actief geweest in diverse linkse bewegingen voor vrede, milieu en derde wereld. Ik ben noch Joods noch Palestijns noch Israëlisch noch Arabisch’, vindt mij, waarschijnlijk op grond van dit ene blogitem, een ‘anti-ziosemiet’ (alhoewel, ik moet nog carrière maken). Tja, wat moet je hiermee? ‘Antiziosemitisme’ is een neologisme, wellicht afkomstig van Ratna zelf, althans het is de eerste keer dat ik heb kennis genomen van deze Orwelliaanse kwalificatie. Maar als ik het goed begrijp zou het dus een soort antisemitisme zijn. Interessant om dat van de niet-Joodse (maar misschien wannabe Joodse, in ieder geval hysterische Zionistische) Ratna te mogen vernemen. Is kritiek op Ratna Pelle al een vorm van antisemitisme? Zoiets als kritiek op Stalin een schoffering van het proletariaat betekende? Boeiend. Bovendien, wat weet ze verder van mij, of van mijn achtergrond? Kan nog heel interessant gaan worden.
Je zou verder natuurlijk boos kunnen worden om zo’n kwalificatie (en dat zou volkomen terecht zijn), maar als je ziet wat ze in een bericht daaronder schrijft, denk ik niet dat ze erg overtuigend is. Ik kan iedereen aanraden om het verder te lezen. Ze valt vanzelf door de mand. Bovendien bevind ik me in goed gezelschap, gezien de anderen die ze noemt.
Maar wat moet je ermee? Want wat je er ook van mag vinden, er valt genoeg over te zeggen. Wat wel fascinerend is dat zij over Stan van Houcke schrijft: ‘Honderden blogs wijdt hij aan zijn opponenten, waarbij alles wat zij ooit hebben geschreven tegen hen wordt gebruikt, al heeft het helemaal niks met Israël of de Palestijnen te maken’. Interessant om dat van Mevrouw Pelle te mogen vernemen. Ratna Pelle schrijft namelijk duizenden blogitems (niet overdreven, vandaag waren het maar liefst 6.860 hits), waarin zij de halve wereld voor antisemiet uitmaakt. Als je haar naam googlet zal dat in een oogopslag duidelijk worden.

Haar mooiste quote vind ik nog altijd:

‘Pr werkt sowieso vooral wanneer zij zelf onzichtbaar is, en het lijkt alsof authentieke mensen spontaan hun verhaal vertellen, onderzoekers en wetenschappers met nieuwe ‘onthullende feiten’ naar buiten komen, er spontaan opeens allerlei artikelen verschijnen en reportages worden gemaakt die jouw kant van de zaak naar voren brengen,’

aldus Ratna Pelle, in haar recensie van Het zijn net mensen van Joris Luyendijk, in een zeldzame vlaag van (onbewuste?) openhartigheid, http://www.israel-palestina.info/hetzijnnetmensen.html. Haar spelling van de afkorting ‘P.R.’ (als ‘Pr’) lijkt hier (alweer onbewust?) eerder een afkorting te zijn van ‘Propaganda’ dan van ‘Public Relations’. Bovenstaande ‘ontboezeming’ geeft mijns inziens de kern van haar doelstellingen en strategieën weer, althans haar vele pogingen daartoe. De overstelpende kwantiteit van haar bijdragen op het internet is daar het resultaat van.

Het ‘probleem’ Ratna Pelle is niet zo zeer haar radicale opvattingen (er zijn in het Nederlandse taalgebied genoeg van dit soort bloggers te vinden met soortgelijke extreme standpunten), maar het zit hem er vooral in hoe zij zich manifesteert.
In de eerste plaats probeert zij zich als ‘neutraal’ of ‘onafhankelijk’ te presenteren. Haar website Israël-Palestina info heeft bijvoorbeeld als logo een Israëlisch en Palestijns vlaggetje. Op het eerste gezicht staan er allerlei ‘neutrale’ (of ‘objectieve’) achtergrondartikelen op. Maar als je deze nader bekijkt dan blijken deze er vooral op te zijn gericht dat Palestijnen geen aanspraken kunnen maken op het gebied ten westen van de Jordaan en dat de Palestijnen eigenlijk helemaal geen volk zijn, maar Arabieren, die al genoeg nationale staten hebben. Sinds wanneer is dat een argument? Is net zoiets als alle Nederlanders kunnen best verhuizen als er hier Chinezen moeten worden gehuisvest, want er zijn al genoeg Europese landen voor ‘Europeanen’. En bovendien, je zou dan net zo goed kunnen stellen dat ‘de Joden’ eigenlijk geen volk zijn, maar een religie, met diverse nationale achtergronden. Hadden zij daarom het recht om de Palestijnen te verdrijven? Pardon, in de ogen van Ratna zijn dat de ‘Arabieren’ (Palestijnen bestaan niet), die trouwens niet verdreven zijn, maar zelf het land hebben verlaten, omdat hun leiders daartoe zouden hebben opgeroepen. Deze ietwat nationalistische mythe van de Staat Israël, die nog steeds door Ratna wordt uitgedragen, is inmiddels allang ontkracht, niet in de laatste plaats door diverse Israëlische historici zelf (de ‘New Historians’ als Ilan Pappé, Benny Morris, Avi Schlaim, Tom Segev ea), zij het dat deze historici over de ’beoordeling’ van deze etnische zuivering sterk van mening verschillen (vooral Pappé en Morris, die tegenwoordig weer het ultra-zionistische standpunt uitdraagt, zie dit recente interview met de Groene Amsterdammer, al ontkent hij deze gebeurtenissen niet, hij ‘rechtvaardigt’ ze slechts). Wellicht is het aardig om nog een keer de parabel van Joris Luyendijk aan te halen (waar Ratna overigens woedend over is):

‘Stel: in de Verenigde Staten wordt een gek de baas die alle mensen met een Friese grootvader laat oppakken en afmaken. Het wordt een moordpartij van ongekende omvang en als het Anti-Friese bewind eindelijk ten val komt, is duidelijk dat de Friese overlevenden niet meer in Amerika willen wonen. Dus komt er een plan: de Friezen krijgen een eigen staat. En wat is een logischer plek dan het land dat volgens de oude teksten Fries is? Ondanks Nederlands verzet stemmen de Verenigde Naties met het plan in en uit de hele wereld trekken mensen met een Friese grootouder richting de nieuwe Friese staat, royaal gesubsidieerd door Amerika. De overige Nederlanders protesteren: ”Wij hadden toch nooit problemen met de Friezen?’ Maar in de internationale opinie overheerst het medelijden met de Friezen. Er komt een voorstel: de helft van Nederland wordt Frisia, en in de andere helft kunnen de Nederlanders blijven wonen.
De Nederlanders pikken dit niet en er komt een oorlog die de Friezen, met Amerikaanse hulp, winnen en een nog groter deel van Nederland valt in Friese handen. Miljoenen niet-Friese vluchtelingen overstromen de grote Nederlandse steden en de spanningen lopen op, vooral omdat kleine groepjes Nederlanders een guerrilla zijn begonnen tegen de Friezen. ‘Terrorisme!’, roepen Friese voorlichters op CNN: ‘They are killing innocent Frisians!’ Intussen vraagt het Nederlandse volk: ‘Wat hebben wij voor leiders?’
Er volgt een militaire coup en wanneer Nederland probeert in het buitenland wapens te kopen, verovert de jonge Friese staat met een ‘preventieve aanval’ de rest van Nederland, plus stukken van Duitsland en België. Drommen niet-Friese Nederlanders vluchten de grens over naar Duitsland en België, waar ook coups volgen: we moeten voorkomen dat de Friezen ons pakken! Intussen regeert het Friese leger met harde hand over de bezette Nederlandse provincies, wurgt de economie en confisqueert de mooiste stukjes voor nederzettingen en speciale wegen van die nederzettingen naar Frisia.
Dan komt er een vredesproces en krijgt Nederland Limburg, een stukje Brabant en een Zeeuws eiland aangeboden. Die brokjes mogen geen Nederland heten, Nederland mag geen leger hebben en alle grenzen worden bewaakt door Friese troepen’. (Joris Luyendijk, Het zijn net mensen; beelden uit het Midden Oosten, Uitgeverij Podium, 2006, p. 145-146)

Ratna hierover: ‘Welke twintig zaken kloppen er niet in deze vergelijking? Het is overigens niet de eerste keer dat ik hem tegenkom. Ik kom hem vaker tegen in discussies en ik moet altijd erg mijn best doen niet boos te worden en vriendelijk uit te leggen waarom hij totaal niet opgaat. Het begint al  met de aanname dat er dus, voor Israëls stichting, een Palestijnse staat was waar pas na de Holocaust opeens een hoop Joden naartoe kwamen en de VN hun dit gebied toewees ‘op grond van oude teksten’. Niet omdat zij er altijd hadden gewoond, zoals in Jeruzalem, Safed, Tiberias en Hebron, er voor de Holocaust al een Joodse staat in wording was in Palestina die praktisch alle zaken zelf regelde, niet omdat Joden altijd een fysieke, religieuze en spirituele band met het land hebben gehad, en dit centraal staat in zowel religie als nationale identiteit. Vervolgens wordt alle Arabische vijandigheid tegenover de Joden ontkend, pas toen zij het land praktisch wilden overnemen kwam er verzet. In de praktijk waren er figuren als de moefti, die Hitlers oplossing van het Joodse probleem in Palestina wilde toepassen en vanaf de jaren ‘20 de Arabische bevolking tegen de Joden opzette, werden de Joden geregeld aangevallen en wezen de Arabieren ieder compromis en iedere samenwerking met de Joodse gemeenschap af. Deze en talloze andere zaken laat niet alleen Luyendijk weg, maar de media überhaupt en dat is waarom we deze vergelijking zo dikwijls te horen krijgen’. (http://www.israel-palestina.info/hetzijnnetmensen.html)

Wat klopt er niet aan Ratna’s ‘weerlegging’? Natuurlijk dekt deze analogie niet de hele situatie, maar in Friesland hebben er toch altijd Friezen gewoond? Lijkt me duidelijk. En dat er veel wrijvingen zijn geweest gedurende het interbellum tussen de Palestijnse bevolking en de Joodse nieuwkomers, ook waar. Maar er waren ook Joodse terreur organisaties die vele bloedige aanslagen pleegden, zowel op Palestijnse als Britse doelen. Het opblazen van het King David Hotel door de Irgun militie in 1946, waarbij 91 doden vielen, is hier een goed voorbeeld van. Dat ook de Palestijnen (pardon Arabieren) zich aan soortgelijke zaken schuldig maakten, ook waar. Maar mochten ze daarom massaal hun land uit gedreven worden? Elders in dit artikel zegt ze dat er nooit een Palestijnse staat was. Nee, want het hele gebied was een onderdeel van het Osmaanse Rijk. Er was dus ook geen Joodse staat. Maar rechtvaardigt dit de exclusieve claim (want daar gaat het hier om) van de Joden op het gebied Palestina, waar voor Palestijnen, pardon Arabieren, geen plaats meer was? Enz. enz.

Maar het ‘probleem Ratna Pelle’ is naast de ‘kwaliteit’, vooral de kwantiteit. Er is op dit onderwerp niemand zo actief in het Nederlandse taalgebied op internet als zij. Haar productie is werkelijk van een maniakale omvang. Psychologisch ongetwijfeld bijzonder interessant, maar wat hier belangrijker is, is dat het er bijna de schijn van heeft dat zij probeert het digitale Nederlandse taalgebied dicht te slibben met haar soms verhulde, soms openlijke propaganda (want dat is het). Wie de woordcombinaties ‘Israëlisch Palestijns conflict’, of ‘Israël Palestina’ googlet stuit vrijwel zeker op een of meer van de vele sites van Ratna Pelle en haar kleine entourage (voornamelijk Wouter/Wil Brassé en heel af en toe een zekere Abby). Daarom lijkt het mij niet verkeerd om een keertje het licht te laten schijnen op dit ‘fenomeen’ en een keer goed zichtbaar te maken wie of wat zij eigenlijk is en vooral hoe zij te werk gaat.

 

‘Wouter’

Een paar van haar hoogtepunten, met wat kanttekeningen van mijn hand. Deze zijn eerder gepasseerd in mijn korte discussie met haar ‘rechterhand’ Wouter/ Wil Brassé, overigens net zo’n wannabe en dan niet alleen in dit opzicht, zie zijn ietwat bizarre homepage en dan vooral op het sub itempje ‘Wie ben ik?’. Ik weet het wel. Het lelijke eendje dat graag een zwaan wil zijn. Of de hulp-Sinterklaas, zie op de homepage, iets naar beneden scrollen  dan de vierde foto van links. Maar los van zijn wat aandoenlijke liefhebberij (hij vindt zichzelf in opgepimpte staat ‘om te zoenen’, al kunnen zijn drag creaties moeilijk als erg geslaagd gekenschetst worden, maar misschien bekijk ik het iets te hoofdstedelijk en leg ik de lat wat hoog), is ook Wouter een doorgedraaide Israël aanbidder en Palestijnenbasher, met een zelfde productiviteit als Ratna. Met hem zet Ratna overigens ook ’spontane ingezonden brievenacties’ op, zoals dit bijna lachwekkende bericht van het CIDI duidelijk laat zien. Daarin staat oa vermeld: ‘De Nijmeegse GroenLinks-publiciste Ratna Pelle schreef op 16 september onderstaand opinieartikel in De Gelderlander waarin zij Van Agt in felle bewoordingen beschuldigde van misleiding en het creëren van vijandbeelden. Een vergelijkbaar artikel van GroenLinks-lid Wouter Brassé verscheen in De Limburger van 17 september’. Hoe spontaan. Zie wederom Ratna’s uiteenzetting over  PR/ propaganda: ‘Pr werkt sowieso vooral wanneer zij zelf onzichtbaar is, en het lijkt alsof authentieke mensen spontaan hun verhaal vertellen, onderzoekers en wetenschappers met nieuwe ‘onthullende feiten’ naar buiten komen, er spontaan opeens allerlei artikelen verschijnen en reportages worden gemaakt die jouw kant van de zaak naar voren brengen’. De vraag is alleen of dit ook zo effectief is wanneer dit soort operaties gerund worden door het tweemansbedrijf Ratna en Wouter. Lijkt me iets te doorzichtig. Dat mag best wat professioneler. Overigens schijnt niemand bij Groen Links Ratna en Wouter te kennen, zie http://stanvanhoucke.blogspot.com/2009/01/de-raciste-ratna-pelle.html, of http://empire.blogsome.com/2008/03/07/karel-van-broekhoven-reageert. Aangetekend moet worden dat Ratna, naar eigen zeggen althans, kennelijk wel in het Groen Links Magazine zou hebben gepubliceerd over het Midden Oosten conflict, zie dit artikel van maart 2005, opnieuw geplaatst op een van haar vele blogs, Ratna.nl. Hoewel zij in dat artikel het Groen Links standpunt hekelt als te eenzijdig, is ze in dit stuk aanzienlijk gematigder. Maar het is wel opmerkelijk dat er zo’n radicale, of zelfs extremistische Zionistische roeptoeter bij een partij als Groen Links rondloopt, die haar minachting voor de rechten van de Palestijnen zo luidkeels naar buiten brengt. Netjes van Groen Links dat ze zoveel diversiteit de ruimte geven, maar ik zou er wel iets kritischer op zijn, zeker in dit geval. Zie overigens ook deze merkwaardige bijdrage van haar en Wouter over de positie van Groen Links, waarin ze opeens een beetje beginnen te draaien. Een erg komische reactie daaronder overigens, waarschijnlijk van een Christen-Zionist.

Maar hier nogmaals de kleine bloemlezing, oorspronkelijk uit mijn korte discussie met ‘Wouter’. Eerst wat passages van Ratna, dan mijn commentaar:

‘De campagne heeft in totaal tot aan het unilaterale staakt-het-vuren op 17-18 januari 3 weken geduurd, waarbij naar verluid zo’n 1.300 Palestijnen zijn omgekomen en 13 Israëli’s. Over het aantal burgerslachtoffers en strijders verschillen beide partijen sterk van mening. Volgens sommige bronnen is eenderde van de Palestijnse doden kind, volgens andere is dat aantal veel lager. Het maakt ook uit of je 16- en 17-jarigen die soms al volwaardig meedoen in de strijd als kind definieert, en we moeten niet vergeten dat de gemiddelde leeftijd in Gaza 17 jaar is’.(http://www.israel-palestina.info/gaza_oorlog.html)

Mijn commentaar:

‘…en we moeten niet vergeten dat de gemiddelde leeftijd in Gaza 17 jaar is’ Erg hé, van die Palestijnen, dat ze zoveel kinderen krijgen althans. Ook onverantwoordelijk, want dat levert vervelende statistieken op als er weer eens op dichtbevolkt gebied moet worden geschoten. Natuurlijk is het vooral niet goed voor de beeldvorming, want dit soort zaken maken het er niet makkelijker op om het product Israël op de markt te zetten. Alhoewel, je kunt het ook als een kans zien. Want het is in die omstandigheden wel een uitdaging om het dan op te nemen tegen ‘Gretta’, ‘EAJG’(Een Ander Joods Geluid, FS) en een ‘pro-Palestijnse’ krant als NRC Handelsblad (Ratna is dus boos op alledrie, zoals elders in mijn stuk zal worden uitgelegd). Zie hier de logica en de ethiek van mevrouw Pelle, samengebald in een bijzin.

Nog een stukje. Eerst een passage van Ratna:

‘Mensen wonen om verschillende redenen over de Groene Lijn, uit (religieuze) verbondenheid met het land, of omdat het er rustig en mooi is en bovendien goedkoop wonen, of omdat men vindt dat Israël dit gebied moet houden, of omdat men denkt dat de nederzettingen een geschikt drukmiddel zijn om de Palestijnen zover te krijgen om Israël echt te erkennen en de daarvoor noodzakelijke concessies te doen’.
http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000403.html

Mijn commentaar:

‘Omdat het er rustig en mooi is en bovendien goedkoop wonen’. Ratna, mag ik je herinneren aan je summiere statement over jezelf: ‘Ik ben Ratna Pelle, een academica uit Nederland, en ben actief geweest in diverse linkse bewegingen voor vrede, milieu en derde wereld’. Als je ook zo over hulp aan de derde wereld denkt, denk ik dat het goed is dat er geen ontwikkelingshulp volgens het recept Ratna wordt gegeven. Hoe kun je dit dan in overeenstemming brengen met die idealen waar je zelf voor zegt te staan? Bovendien, wat is er mooi aan de muur? Maar los daarvan, ook zo mooi wonen op die heuveltoppen, met die opeengepakte verpauperde Palestijnen aan je voeten, waarvan zelfs het water wordt weggepompt om aan een eerste levensbehoefte te voldoen als bijvoorbeeld het vullen van een zwembad. Lang leve de vrede, het milieu en de derde wereld! Lijkt me ook heerlijk wonen op gestolen land, terwijl de rechtmatige eigenaren als bedelaars aan je voeten leven, vooral voor je eigen gemoedsrust. Heel rustig en mooi! Lijkt me dat je geen ‘academica’ hoeft te zijn om te snappen dat dit niet helemaal spoort’.
En wat bedoel je met concessies? Dat het Palestijnse geweld stopt? Dan zou je juist die nederzettingen moeten ontmantelen. Als je andere concessies zou bedoelen, hoeveel concessies moeten de Palestijnen nog doen? Nog meer land opgeven? Ik vrees dat de bodem wel is bereikt.

 

‘links’

Nu het communisme (Stalin) toch ter sprake is gekomen, neem zeker kennis van deze passage. Het is zo’n beetje het enige statement van Ratna over zichzelf, waarin ze iets vertelt over haar eigen achtergrond:

‘Veel mensen ter linkerzijde vragen zich tegenwoordig af hoe ze indertijd zo lang sympathie konden blijven houden voor de Sovjet Unie en voor China. In een discussie hierover meende ik onlangs dat de CPN zich rond 1980 officieel distantieerde van de Sovjet-Unie. “Toen al?”, vroeg mijn gesprekspartner. “Al?”, zei ik, “ik noem dat pas, want voor een ieder die het wilde zien was toen toch allang duidelijk dat het systeem niet deugde, en dissidenten en een ieder die ook maar enige kritiek durfden te uiten werden opgesloten of naar een werkkamp gestuurd?”
Ik was toen nog erg jong, maar ik liep enthousiast mee in de grote vredesdemonstraties van begin jaren ‘80 en scandeerde de leus: “liever een Rus in de keuken dan een raket in de tuin”. In feite betekent dat dat je liever in een dictatuur wilde leven dan je te bewapenen. Een absurd idee. Als 15 jarige mag je dat roepen, maar als 25 of 36 jarige zou je beter moeten weten. Voor de duidelijkheid: dit was niet de algemene opvatting van de vredesbeweging, en de vragen die men stelde bij de wapenwedloop waren volkomen legitiem. Het geeft echter wel een bepaald sentiment weer van een deel van de beweging, en de kritiekloze houding van velen jegens de Sovjet Unie. Het feit dat ze tegen Amerika zijn en haar macht en moraal ter discussie stellen, is toen en nu de rechtvaardiging gewelddadige duistere ondemocratische bewegingen of regimes te steunen.
Het zijn helaas niet alleen tieners die koketteren met Hamas en Hezbollah, en Israël een racistische Apartheidsstaat noemen. Collectieve blindheid komt in alle lagen van de bevolking voor en onder alle leeftijden.
Het is tijd voor een paradigma switch’. (http://www.zionism-israel.com/blog/)

Wat mij betreft een zeldzaam obligaat (truttig) verhaal en ook nog een manke vergelijking. Ik denk dat dit verhaal meer hout zou snijden als: ‘Tot in de jaren tachtig stond vrijwel heel Nederland onvoorwaardelijk achter Israël, niet geheel los te zien van onze terechte schaamte dat wij wel erg veel Joodse landgenoten hadden verloren in de periode 40-45, zeker als je het vergelijkt met Denemarken, België en Frankrijk. Na de slachting van Sabra en Shatila in 1982, gedurende de Libanonoorlog, begon dit heel langzaam te veranderen. ‘Toen al?’ ‘Al?’ Ik noem dat pas, want iedereen kon toen al zien dat de bezetting van de Palestijnse gebieden….’ etc. Lijkt me duidelijk. Die paradigma switch heeft ze overigens gepikt van Anja Meulenbelt, zie http://anjameulenbelt.sp.nl/weblog/2004/07/28/de-paradigmastrijd-1/ . Al met al een wat kreupele poging om het verhaal van Meulenbelt om te draaien (met wie ze overigens een paar heftige confrontaties heeft gehad, zie http://anjameulenbelt.sp.nl/weblog/2008/07/27/geen-apartheid/ of op een van Ratna’s blogs: http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000226.html). 

In de wereld van Ratna Pelle ligt de vijand altijd en overal op de loer. Haar visie op Israël druipt van de Asterix en Obelix romantiek, waarin een klein dorpje dapper weerstand bood tegen de omringende agressors. Iedereen die haar getroubleerde blik op de werkelijkheid niet deelt is zo’n beetje een antisemiet, die met alle middelen bestreden dient te worden. Palestijnen zijn voor haar volkomen ontmenselijkt, zie haar uitspraken over het grote percentage minderjarige slachtoffers in Gaza. Dan hebben we het nog niet over de Nakba, die volgens Ratna nooit heeft plaatsgevonden, zie deze bijdrage, of een artikel dat ze een keer in Trouw geplaatst heeft weten te krijgen, waarin ze de prominente Israëlische historicus Ilan Pappé tracht aan te vechten, die een standaardwerk over de Nakba schreef (The ethnic cleansing of Palestine, 2006). In die zin is ze ook een ‘Nakba-negationist’. ‘Er was geen sprake van etnische zuivering’, aldus mevrouw Pelle. Toch is in deze recensie in Trouw haar toon aanmerkelijk gematigder dan wanneer ze in haar eigen territorium opereert, waar zij alle remmen los gooit en zich lekker laat gaan. Over Pappé schrijft zij op een van haar eigen sites, www.zionism-israel.com:

‘Pappé minacht feiten niet alleen zelf, hij draagt dit ook over op zijn leerlingen. In 2005 was een leerling van hem, Teddy Katz, door oud-soldaten aangeklaagd nadat deze in zijn proefschrift had beweerd dat zij massaslachtingen hadden aangericht in het Palestijnse dorp Tantura. Het bleek dat hij de tekst van de opgenomen interviews met de soldaten op essentiele punten had veranderd in zijn proefschrift. Katz zag zich gedwongen delen van zijn proefschrift aan te passen, maar Pappe bleef hem verdedigen, en beweerde dat zowel hij als Katz werden vervolgd om politieke redenen en de universiteit hem wilde ontslaan. Vervolgens riep hij academici van over de hele wereld op om zijn universiteit - de universtiteit van Haifa - te boycotten.
Onnodig te zeggen dat dit alles voor een aanzienlijke publiciteit heeft gezorgd en hem beroemd gemaakt tot ver buiten Israël. Vooral initiatiefnemers van boycot-acties tegen Israël vonden in hem een dankbare bondgenoot - wie kan ze nu nog van antisemitisme beschuldigen?
Zijn gesjoemel met feiten, en zijn rancuneuze en kinderachtige gedrag jegens zijn eigen universiteit schijnt er voor deze groeperingen niet toe te doen. Iedereen die hen helpt in hun kruistocht tegen Israël is welkom. EAJG en UCP zijn geen vredesorganisaties (????? Dit zijn dus ‘Een Ander Joods Geluid’ en ‘United Civilians for Peace’, FS); zij dragen niet bij aan vrede en verzoening tussen Israël en de Palestijnen. Zij praten aanslagen tegen Israël goed als ‘legitiem verzet’ en hebben meermaals sprekers op door hen georganiseerde bijeenkomsten of demonstraties uitgenodigd die Hezbollah en Hamas verdedigen, zoals Abu Jahjah van de Arabisch Europese Liga. Ook hebben woordvoerders van beide organisaties meermaals een vergelijking gemaakt tussen de bezetting van de Palestijnse gebieden en de bezetting van Nederland door de Nazi’s, en Israël vergeleken met de Nazi’s, zoals bijvoorbeeld tijdens de recente toespraak van EAJG-lid Max Wieselman bij kamp Westerbork. Zulke vergelijkingen zijn onjuist, kwetsend en dragen slechts bij tot polarisatie (gelukkig predikt Ratna Pelle louter verzoening, en is het ‘bijdragen aan polarisatie’ wel het laatste dat je haar in de schoenen kunt schuiven, FS). Dat weten deze organisaties ook wel, net als dat zij de ideeën van Jahjah kennen, en kiezen dus bewust voor deze aanpak. Daarom vind ik het nogal vreemd dat zij door velen nog steeds als vredesorganisaties worden gezien. Een Ander Joods Geluid betekent allerminst een beter Joods geluid, en je hoeft geen groter-Israël aanhanger te zijn om je tegen hen te keren’. (http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000116.html)

 
Een paar kanttekeningen. Eerst de kwestie Katz. Over de zaak Teddy Katz is veel geschreven. Katz studeerde bij Pappé af aan de Universiteit van Haifa met een scriptie over de massaslachting van het Palestijnse dorp Tantura, in de nacht van 22 op 23 mei 1947 (volgens enkele bronnen is het overigens een misverstand dat Pappé zijn eerste begeleider was, dit zou Kais Firro geweest zijn, zie http://www.counterpunch.org/amit05112005.html). Aanvankelijk waren Pappé en een aantal coreferenten zeer lovend over het onderzoek van deze afstuderende historicus, dat hij had gedaan op basis van interviews met ooggetuigen. Ook de pers had er belangstelling voor: de krant Ma’ariv publiceerde een interview met Katz over zijn scriptie-onderzoek. Academica Ratna Pelle blijkt overigens het verschil tussen een scriptie (MA) en een proefschrift (PhD) niet te kennen, maar dat terzijde. Of ze kent de details van deze zaak niet zo goed en gaat alleen maar af op een artikeltje, vermoedelijk afkomstig uit betrouwbare Zionistische bron, dat zou natuurlijk ook kunnen. Maar hoe dan ook, na dit interview begonnen de problemen; Katz werd aangeklaagd door veteranen die aan militaire acties hadden deelgenomen. Pappé heeft zijn student altijd verdedigd, maar de enorme druk werd Katz uiteindelijk teveel en hij gaf in het openbaar toe dat hij ‘fouten’ zou hebben gemaakt. De zaak werd geschikt toen Katz een advertentie plaatste met de verklaring: ‘Vandaag verklaar ik dat er in Tantura geen slachting heeft plaatsgevonden. Ik geloof de Alexandroni (zo heette de desbetreffende brigade) veteranen die elke betrokkenheid bij een dergelijke slachting uitdrukkelijk ontkennen. En ik herroep de in mijn scriptie impliciet verpakte conclusie dat er onder ongewapende of weerloze mensen een bloedbad is aangericht’ (geciteerd uit Chris van der Heijden, Israël, een onherstelbare vergissing, uitgeverij Contact, 2008, p. 15). Kort na deze verklaring kreeg Katz spijt en verklaarde alsnog achter zijn eigen onderzoek te staan. Hij poogde de zaak te heropenen, maar deze werd ook door het Israëlische Hooggerechtshof niet ontvankelijk verklaard. Pappé, die altijd achter de eerdere versie van Katz had gestaan, was diep verontwaardigd door het gebrek aan steun van zijn eigen universiteit voor deze student en verliet Israël om hoogleraar te worden in Exeter. Zijn oproep tot boycot van zijn vroegere universiteit moet ook in dat licht worden gezien. Pappé legt het zelf overigens duidelijk uit in zijn artikel Academic Freedom under assault, zie http://ilanpappe.com/?p=23#more-23 . Duidelijk wordt dan ook dat de zaak Katz niet het enige was dat er speelde, uit het artikel blijkt ook dat er meer aan de hand was op de Universiteit van Haifa. Verder vermeldt wikipedia het volgende over de kwestie Katz (http://en.wikipedia.org/wiki/Ilan_Papp%C3%A9):
Pappé publicly supported an M.A. thesis by Haifa University student Teddy Katz, which was approved with highest honors, that claimed Israel had committed a massacre in the Palestinian village of Al-Tantura during the war in 1948, based upon interviews Arab residents of the village and Israeli veteran of the operation.[20] Neither Israeli nor Palestinian historians had previously recorded any such incident. Meyrav Wurmser describes it as a “made-up massacre,”[21] but according to Pappe “In fact the story of Tantura had already been told before, as early as 1950 . . . It appears in the memoirs of a Haifa notable, Muhammad Nimr al-Khatib, who, a few days after the battle, recorded the testimony of a Palestinian.”[22] In December 2000, Katz was sued for libel by veterans of the Alexandroni Brigade and after the testimony was heard, he retracted his allegations about the massacre. Twelve hours later, he retracted his retraction.
Following the trial the university appointed a committee to reexamine the thesis, which decided to overturn the original decision and fail it.[23][24] Pappé continues to defend both Katz and his thesis.[25][26] Tom Segev and others[25] argued that there is merit or some truth in what Katz described.[24] According to the Israeli new historian Benny Morris, although war crimes were committed, there’s “no unequivocal proof of a large-scale massacre.”[27]

Los van of Katz nu wel of niet gelijk had in de kwestie Tantura, dit is het volledige verhaal. Het lijkt mij vooral een bijzonder tragische geschiedenis voor Teddy Katz en ik zou niet graag in zijn schoenen hebben gestaan. Als ik er toen van had geweten zou ik met liefde een handtekeningenactie of een steuncomité voor hem zijn begonnen, want los of zijn beweringen klopten, dit had in de academische arena moeten worden uitgevochten en niet voor de rechter door belanghebbende veteranen die zelf onderwerp van onderzoek waren. Is net zoiets als een scriptie onderzoek over de politionele acties in Indonesië laten beoordelen door de veteranen van de speciale commando troepen van de missie op Celebes, die onder bevel stonden van ene kapitein Raymond P.P. Westerling. Maar als we zien wat Ratna van dit verhaal heeft gemaakt, in het midden latend of het onderzoek van Katz correct was of niet, dan is het wel stuitend hoe academica Ratna lak heeft aan de academische vrijheid en kiest voor botte propaganda en militaire intimidatie. We zullen hier nog een paar krasse staaltjes van zien.
En dan de bewering dat Een Ander Joods Geluid en United Civilians for Peace geen vredesorganisaties zijn. Wat betreft de ‘Holocaust-vergelijkingen’, waarschijnlijk doelt Ratna op het boek van Hajo Meijer, oprichter van Een Ander Joods Geluid en overlevende van Auschwitz. Hajo Meijer heeft in zijn boek ‘Het einde van het Jodendom’ (hij bedoelt hier overigens mee: het einde van de grote humanistische traditie van het Jodendom, waar hij mee vertrouwd is) wel een soort vergelijking gemaakt met de politiek van de Nazi’s. Hij heeft de situatie in Israël en de houding naar de Palestijnen vergeleken met de situatie van de Duitse Joden aan het begin van de Nazi tijd, voordat er sprake was van massale vervolging, deportatie en uitroeiing. Hij stelt dat de manier waarop de Israëlische politiek omgaat met de Arabieren hem doet denken (is dus iets anders dan ‘gelijk aan’) aan de situatie in Duitsland in de jaren dertig, zoals hij die zelf heeft ervaren. Dat is voor hem ook een belangrijke persoonlijke drijfveer om de Israëlische politiek af te keuren. Maar hij zegt expliciet dat er geen vergelijking is met de ‘Endlösung’. Je kan erover twisten of deze vergelijking legitiem is (mijns inziens overigens wel en Meijer weet deze vergelijking, puttend uit zijn persoonlijke ervaringen, goed te beargumenteren), maar Meijer gaat hier zeker buitengewoon gewetensvol mee om. Over het uitnodigen van Abu Jahjah kun je twisten (Jahjah zegt overigens een felle antizionist te zijn, geen antisemiet), maar dat de eem rechtse politicus en voormalig uitsmijter in een nachtclub maar nu minister en vice premier Avigdor Lieberman door het CIDI vriendelijk wordt onthaald vind ik wellicht nog iets ernstiger. En dat wordt weer door Ratna met vuur verdedigd. Een kleine greep uit de verschillende uitspraken van de voorman Israëlisch extreem rechts (bron):

“It would be better to drown these prisoners in the Dead Sea if possible, since that’s the lowest point in the world.” (Deputy PM Avigdor Lieberman on a potential amnesty to be offered to 350 Palestinian prisoners, 7 July 2003)

“We must continue to fight Hamas just like the United States did with the Japanese in World War II. Then, too, the occupation of the country was unnecessary.” (Foreign Minister Avigdor Lieberman, January 2009)

“They have no place here. They can take their bundles and get lost” (Foreign Minister Avigdor Lieberman on Arab Israelis, May 2004)

Maar dat deze man met alle égards wordt behandeld vindt Ratna de normaalste zaak van de wereld, waarna ze nog een paar ontstellende mededelingen doet:

‘Lieberman wordt ook zwaar aangerekend dat hij in een nederzetting woont. Dit zou zijn ware intenties tonen en laten zien hoe extreem hij is. Niet alleen actiegroepen gebruiken dat tegen hem, ook de NRC gebruikt dit in een bijzonder suggestief artikel over hem, waarin hij wordt neergezet als de grote voorman van de kolonisten, die voor het behoud van ‘Judea en Samaria’ zal strijden en dan niet alleen met vreedzame middelen. In werkelijkheid heeft hij gezegd met de evacuatie van zijn nederzetting, Nokdim, te zullen instemmen in het kader van een vredesverdrag. Je kunt natuurlijk twijfelen aan de oprechtheid daarvan, maar uitspraken van medebewoners van Nokdim gebruiken om aan te tonen dat Lieberman geen vrede wil, is niet minder onbetrouwbaar.
Ik vind deze ‘kritiek’ dan ook niet geheel terecht. Wonen in een nederzetting is geen misdaad, al laat het, zeker buiten de grote blokken en Jeruzalem, wel zien dat hij niet staat te springen om een Palestijnse staat. Mensen wonen om verschillende redenen over de Groene Lijn, uit (religieuze) verbondenheid met het land, of omdat het er rustig en mooi is en bovendien goedkoop wonen, of omdat men vindt dat Israël dit gebied moet houden, of omdat men denkt dat de nederzettingen een geschikt drukmiddel zijn om de Palestijnen zover te krijgen om Israël echt te erkennen en de daarvoor noodzakelijke concessies te doen’.
(http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000403.html, het laatste stukje was al gepasseerd in mijn eerdere discussie met Wouter)

Ratna laat hier een wel zeer reactionaire kant van het Zionisme zien, zoals het ook in Israël door velen niet gepruimd wordt. Ik zal iets verderop haar bijdragen over de Gaza oorlog bespreken, maar vergelijk het geloei van haar eens met deze oproep van in Nederland wonende Israëli’s? Met hen heb ik het echt te doen. Zij keuren de politiek van hun land onomwonden af. Maar misschien zijn dat in Ratna’s ogen ook ‘antiziosemieten’. In die zin is Ratna eerder extreem rechts dan de progressieve Zioniste waarvoor zij zich tracht uit te geven. Heerlijk die vrede en het millieu en het creëren van een utopisch paradijs, zolang die Palestijnen maar en enkeltje Jordanië krijgen. Een zoetsappige Kibboetz idylle, waar ook meer Nederlanders lange tijd in geloofden. Alleen is dat kitscherige beeld gelukkig aan het veranderen en dat zit Ratna dwars, vandaar haar tirades. Zo komt ze in ieder geval op me over. Naar haar motieven kan ik slechts gissen, maar het lijkt op de pure dweepzucht van een wannabe of een fanatieke bekeerling. Verder is wonen in een nederzetting is voor de Israëlische wet niet illegaal, maar die nederzettingen zijn natuurlijk wel illegaal naar het internationale recht, dat door de staat Israël met voeten getreden wordt.

Wie ook ‘links’ is, is Wouter, al uit hij zich op een andere manier dan Ratna (zijn pennenvruchten zijn in regel iets minder geraffineerd). Een kleine passage uit een statement over zichzelf:

‘Gek op Israël en Joden”, zo werd ik al snel omschreven door een Jood die ik een eindje verder had geholpen met zijn Joodse voorouders. Moet je gek zijn om het in deze tijd als linkse jongen voor Israël op te nemen, of je te interesseren voor het lot van de Joodse gemeenschappen die in hedendaags Limburg zo pijnlijk afwezig zijn?
Ik maak me vooral kwaad om al die linksen en pseudo-linksen die menen dat het om tegen Israël en het aan te trappen. Ik kots van al die mensen die verontwaardigd roepen dat Hamas toch democratisch gekozen was - Nou, dat was Hitler ook! En ik walg al helemaal van de boycot Israël aktivisten.
Goede, eerlijke en progressieve mensen in Israël en hier, die hun tijd en aandacht liever zouden geven aan het weer op gang krijgen van het vredesproces in het Midden-Oosten, moeten nu hun tijd verdoen met het verdedigen van het bestaansrecht van Israël tegen de leugens en haatzaaierij van die achterlijke anti-Zionisten’ (http://sittard.blogspot.com/2007/08/gek-op-isral-en-joden.html).

Dit is ongeveer de huisstijl van Wouter (hij is in regel wat directer dan Ratna). ‘Gek op Joden…’ Over ‘filosemitisme’ gesproken. Ik zou er bijna een beetje bang voor worden. We zullen hier later nog wat meer van dit soort statements zien. Overigens wil ik in deze Wouter wel een serieuze reactie geven. Ik ben het wel met Wouter eens dat de verkiezing van Hamas problematisch is (het lijkt me overigens niet hetzelfde als de NSDAP, al was dat in het begin ook nog niet zo zichtbaar, tenminste het definitieve besluit tot de ‘Endlösung’ kwam pas in begin 1942, op de Wannsee Konferenz, al had Hitler ruim daarvoor al genoeg toespelingen gemaakt, zelfs al in Mein Kampf). Maar als je een voorzichtige historische parallel kunt trekken dan lijkt me deze meer toepasselijk: dat de NSDAP groot kon worden in de Weimar Republiek was natuurlijk een gevolg van het systematisch afknijpen van de Duitsers na de Eerste Wereldoorlog. Ik vergoelijk het daarmee niet, maar het was wel de oorzaak. Maar als je nu ziet onder wat voor omstandigheden de inwoners van Gaza leven (over afknijpen gesproken), dan lijkt het mij de beste manier om Hamas te bestrijden vooral het geven van enig perspectief aan de Palestijnen. Tot op heden heeft Israël dat nog nooit gedaan. Zie hier de kern van het probleem Hamas, al heeft het ook te maken met falend Palestijns leiderschap. Maar het hoofdprobleem is de onderdrukking door Israël. En dat is nu juist hetgeen waar Wouter en Ratna niets van willen weten. Misschien heb ik wat betreft Gaza een goede literatuurtip. Lees zeker Drinkend uit de Zee van Gaza (in Nederland uitgegeven door de Balie, 2002), van de Israëlische journaliste Amira Hass, correspondente van de Ha’aretz. Om meteen de aanprijzing van de grote Israëlische schrijver David Grossman erbij te halen: ‘In deze donkere tijden heb ik regelmatig het gevoel dat het werk van Amira Hass een van de zeldzame tekenen van gezond verstand, moed en menselijke waardigheid is’. Of willen Ratna en Wouter soms beweren dat Amira Hass en David Grossman ook anti…(vul zelf maar in) zijn?
Ik ben het wel weer met Wouter eens dat er ook goede en progressieve mensen in Israël zijn (zoals bijvoorbeeld Amira Hass). Alleen hebben die in regel niet dezelfde extremistische of wat mij betreft zelfs gestoorde standpunten over de rechten van de Palestijnen als Ratna en Wouter. Want die lijken meer op die van Avigdor Lieberman.

‘gekleurd’

Echt bont maakt Ratna Pelle het met haar agitatie-campagne tegen het rapport van de Commissie Goldstone, de commissie die namens de VN eventuele mensenrechtenschendingen gedurende de laatste Gaza Oorlog onderzocht. Israël weigerde overigens vantevoren om mee te werken aan dit onderzoek en wilde de commissie zelfs Gaza niet binnenlaten (de commissie kwam uiteindelijk Gaza binnen via Egypte).  De conclusies van dit rapport waren vernietigend. Israël schreeuwde achteraf moord en brand en Ratna leent zich graag uit om de rol van Mohammed Said al-Sahaf op zich te nemen, de vroegere Iraakse minister van Informatie onder wijlen Saddam Hoessein (’There were no warcrimes and human rights violations in Ghaza!’). Voorbeeld, Ratna in Trouw (20 mei 2009):

‘Het pas verschenen VN-rapport over het Israëlische militaire optreden in de Gaza-strook liegt er niet om. De onderzoekscommissie verwijt het Israëlische leger ’roekeloze onachtzaamheid’ jegens VN-personeel en de Palestijnse burgerbevolking. Hierdoor zijn veel slachtoffers gevallen. Het beeld dat Israël buitensporig geweld heeft gebruikt, zonder veel bereikt te hebben, wordt door dit VN-rapport nog eens bevestigd. Toch is dat beeld niet juist. De drastische Israëlische interventie heeft inderdaad burgerslachtoffers geëist, maar dat was bijna onvermijdelijk gezien de stedelijke omgeving waarin de Palestijnse strijders zich moedwillig verschansten met hun raketwerpers (daar gaan we weer , FS). Operatie Cast Lead heeft echter ook tot een ernstige verzwakking van Hamas geleid. Dankzij superieur inlichtingenwerk, een uitstekende samenwerking tussen de krijgsmachtdelen, en zeer geavanceerde doelgeleidingsmethoden, werd het gevechtsvermogen van Hamas een enorme klap toegediend. En dit zonder noemenswaardige verliezen aan Israëlische zijde’ (en burgerslachtoffers aan Palestijnse zijn dus niet noemenswaardig? Het is maar wat je voorbeeldig noemt, FS) .

Elders heeft ze het volgende te melden:

In een opiniestuk in NRC Handelsblad op 3 november hekelde Dries van Agt het feit dat Nederland in de VN Mensenrechtenraad op 16 oktober tegen een resolutie stemde die de conclusies van het Goldstone rapport over de Gaza Oorlog onderschreef. Volgens de Nederlandse stemverklaring is de resolutie ‘niet bevorderlijk met het oog op de inspanningen om het vredesproces nieuw leven in te blazen’, waarmee Nederland volgens Van Agt een ‘onzalige tegenstelling tussen recht en vrede’ suggereert. De Nederlandse tegenstem tegen de resolutie over het Goldstone rapport zou indruisen tegen Nederlands eigen beleid om straffeloosheid van oorlogsmisdaden tegen te gaan, en tegen Verhagens eigen uitspraak dat er geen vrede mogelijk is zonder gerechtigheid. Het rapport van de commissie Goldstone is volgens hem gedegen, accuraat, en uitgevoerd op basis van een evenwichtig mandaat en “onder leiding van één van ’s werelds meest gezaghebbende juristen wiens integriteit boven iedere twijfel is verheven.”

Op de gedegenheid en objectiviteit van de commissie Goldstone en haar rapport valt wel wat af te dingen. Eén van de commissieleden sprak al voor het onderzoek begon een oordeel uit over de ‘Israëlische agressie’ in Gaza. De commissie kreeg haar mandaat van de VN Mensenrechtenraad, die zelfs door Ban Ki-Moon is gehekeld voor haar sterke focus op Israël in vergelijking met andere landen en misstanden. Terwijl Israël ritueel op iedere zitting wordt veroordeeld, en er voor de bezette gebieden een speciale mensenrechtenrapporteur is, worden notoire mensenrechtenschenders als Soedan, Zimbabwe en Wit-Rusland doorgaans ontzien, en tot een veroordeling van een Arabisch of islamitisch land komt het sowieso nooit. Met Libië als voorzitter en leden als Iran en Saoedi-Arabië is natuurlijk ook geen recht te verwachten. De opdracht van de Mensenrechtenraad hield in om alleen Israëlische oorlogsmisdaden te onderzoeken, en Goldstone heeft zijn opdracht zelf verruimd om ook oorlogsmisdaden van Hamas mee te nemen.

Ondanks deze uitbreiding is het rapport zeer gekleurd (je meent het, net als NRC Handelsblad, kom ik later op terug. Gelukkig maar dat jij dat niet bent, FS). Het is voor een groot deel op Palestijnse bronnen gebaseerd, zoals het Palestinian Center for Human Rights (PCHR) en TWATHEQ, een organisatie die door Hamas is gecreëerd en direct onder haar toezicht staat. Uit vergelijkingen van de lijsten van omgekomen Palestijnen die het Goldstone rapport als burgers classificeert, met de dodenlijsten van strijders op de websites van Hamas en Islamitische Jihad, blijkt dat honderden namen op beide lijsten voorkomen. Op de weblog Elder of Ziyon is een lijst gepubliceerd van liefst 349 namen van Palestijnen die als ‘burgers’ op de lijst van slachtoffers staan van het PCHR, maar die ook voorkomen op diverse lijsten van Palestijnse gewapende groeperingen. Zo wordt de politiemacht, die op de eerste dag zwaar was getroffen, als civiel beschouwd, ondanks duidelijke bewijzen dat minstens driekwart van hen ook bij een van de gewapende groeperingen, meestal de Al Qassam Brigades, was aangesloten. Volgens de definitie die sommige organisaties geven van een strijder en een burger is een ieder een onschuldige burger die niet op het moment dat hij door Israël wordt getroffen oorlogshandelingen verricht. Dat maakt het welhaast onmogelijk voor Israël (en voor ieder ander land) om tegen een guerrillaleger of terroristen te vechten, omdat zij de vijand niet openlijk tegemoet treden en vaak geen uniformen dragen.

Lees verder op http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000400.html

Het aardige is dat Ratna een cruciaal detail niet vertelt. Uit alles wat ze opsomt laat ze een ding weg, wat doorslaggevend is (dit soort omissies behoren standaard tot Ratna’s repertoire, zoals we langzamerhand wel gezien hebben). Dat is dat Israël bij voorbaat niet aan het Goldstone rapport wilde meewerken. De commissie werd zelfs de toegang tot Israël ontzegd (de commissie kon Gaza binnenkomen via Egypte). Dat is vreemd: van tevoren proberen zoveel mogelijk een onderzoek te saboteren, in plaats van de gelegenheid gebruik te maken om de eigen kant van het verhaal te doen en achteraf de commissie van van alles en nog wat te beschuldigen. En daar zat nu juist de cruciale fout: Israël wilde geen onderzoek naar Gaza. Je kunt je afvragen waarom. Omdat het teveel te verbergen had? Daarna is er veel ingezet om de commissie zwart te maken en Ratna, hijgerig als ze is, biedt zich graag aan om de Israëlische informatiepolitiek welwillende lippendienst te bewijzen. Maar de kern was dat Israël van tevoren iedere medewerking weigerde, terwijl er alle reden toe was om tenminste een onderzoek in te stellen. Het enige wat Ratna daarover heeft te zeggen is: ‘Ondanks deze uitbreiding is het rapport zeer gekleurd. Het is voor een groot deel op Palestijnse bronnen gebaseerd’. Heel goed Ratna, maar zoiets noemen we gewoon sjoemelen, oftewel propaganda. Israëlische bronnen werden door namelijk door Israël zelf achtergehouden. Eerst medewerking weigeren en dan roepen dat je niet gehoord bent. Dat is precies wat Israël gedaan heeft en Ratna hoereert graag met het Israëlische spel mee. Overdrachtelijk, want nee, Ratna, ik ben nog steeds niet geïnteresseerd in je bedpartners, zoals je suggereerde in onze eerdere kleine woordenwisseling (op http://www.standejong.nl/2009/10/02/nrc-verloochent-principes-bij-berichtgeving-israel/, bericht 66 en 67, helemaal onderaan, maar kom er later nog uitgebreider op terug). Waarom zou ik? Hoe kwam je op het idee?
Maar wat heeft Ratna zelf over de Gaza oorlog te melden? Als je dit hebt gelezen begrijp je ook meteen waarom ze zo op dat rapport is gebrand. Op een van haar andere blogs gooit ze het over een andere boeg en probeert ze de door Goldstone bekritiseerde daden van Israël niet te ontkennen maar recht te praten. Want zie de eerder aangehaalde smaakvolle passage over de Palestijnse kinderslachtoffers:

‘De campagne heeft in totaal tot aan het unilaterale staakt-het-vuren op 17-18 januari 3 weken geduurd, waarbij naar verluid zo’n 1.300 Palestijnen zijn omgekomen en 13 Israëli’s. Over het aantal burgerslachtoffers en strijders verschillen beide partijen sterk van mening. Volgens sommige bronnen is eenderde van de Palestijnse doden kind, volgens andere is dat aantal veel lager. Het maakt ook uit of je 16- en 17-jarigen die soms al volwaardig meedoen in de strijd als kind definieert, en we moeten niet vergeten dat de gemiddelde leeftijd in Gaza 17 jaar is (curs. FS). http://www.israel-palestina.info/gaza_oorlog.html

Eerder heb ik er al op gewezen dat dit niet bepaald de manier is om deze misdaden recht te praten. Het blijven oorlogsmisdaden. En het Goldstone rapport heeft nu net deze zaken aan de kaak gesteld. Is het daarom dat ze zo op dat rapport is gebrand?
Het lijkt me duidelijk dat Ratna echt de meest betrouwbare persoon is om een verhaal over de Goldstone commissie te houden, zoals ze op haar andere blog doet, waar ze de schijn van degelijkheid probeert op te houden. Maar met deze al eerder besproken passage valt ze wel lelijk door de mand. Als tegenwicht haal ik hier Conny Mus aan, correspondent van het RTL nieuws. Op de website van RTL nieuws schreef hij een uitstekende column over deze kwestie. Bij deze de complete tekst (bron):

ISRAEL PLEEGT OORLOGSMISDADEN

De joodse rechter Richard Goldstone neemt geen blad voor zijn mond: Israёl heeft zich schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden en heeft mensenrechten geschonden. Het VN rapport , dat onder Goldstone tot stand kwam, is het meest vernietigende wat Israёl ooit heeft moeten slikken sinds de oprichting van de joodse staat.

Mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International en het Internationale Rode Kruis kwamen eerder al tot dezelfde conclusie. En ook de 100 procent Israёlische club Breaking the Silence concludeerde dat Israёl oorlogsmisdaden heeft begaan. Met Nederlands overheidsgeld interviewden zij 26 Israёlische militairen die tijdens de Gaza oorlog dienden. En ook zij beaamden wat eerdere rapporten, en nu ook het vernietigende VN rapport weer duidelijk maakt.

Goldstone: Jood, zionist en VN rechter
Ondanks het feit dat het VN rapport onder leiding van een jood en zionist tot stand kwam weigerde Israёl alle medewerking. Sterker nog, er werd van alles aan gedaan om Goldstone en zijn medewerkers buiten Gaza te houden. Maar uiteindelijk kwamen ze via Egypte toch binnen om hun gedegen onderzoek uit te voeren.

Vernietigend
Nu het rapport op tafel ligt, is het dan ook als een bom ingeslagen. Israёl wist dat er een kritisch rapport zou komen - uiteindelijk weten zij als geen ander wat er zich afgespeeld tijdens hun militaire offensief in Gaza - maar dat het zo vernietigend zou zijn, daar hadden ze niet op gerekend. Nooit eerder werd Israёl keihard en duidelijk aangeklaagd voor oorlogsmisdaden.

Israёl’s antwoord op het rapport - net als op al die andere rapporten - is vrij simpel; Het rapport is eenzijdig, het klopt niet en het is allemaal politiek gekleurd door mensen die Israёl in een slecht daglicht willen zetten. Dat is min of meer het antwoord dat Israёl altijd kant en klaar heeft liggen als er kritiek is op het beleid en of militair optreden van het land.

Diplomatiek offensief
Nu wordt er een diplomatiek offensief, eentje zonder wapens natuurlijk, geopend door Israёl om de mogelijke gevolgen van het rapport te ondermijnen. Want die gevolgen kunnen grote problemen gaan opleveren. Als de Verenigde Naties het rapport gaat bespreken tijdens haar algemene vergadering, dan zou het kunnen gebeuren, dat ze het Internationaal Gerechtshof in Den Haag opdracht geven Israёl aan te klagen. Dat betekent dat Israёlische officieren, generaals, maar ook Israёl’s premier en andere ministers verantwoordelijk voor deze oorlog, zich moeten verantwoorden voor het Internationaal Gerechtshof in onze regeringsstad Den Haag. Zo niet, dan lopen zij het risico gearresteerd te worden zodra zij buiten Israёl op reis gaan.

Minister Verhagen

Minister Verhagen in Sderot
Israёl doet er dus alles aan om dit rapport zo snel mogelijk te laten verdwijnen. Wat Nederland betreft hebben ze geen problemen. Onze minister Verhagen staat bekend als een vriend van Israёl. Hier wordt hij de pro-Israёl minister uit Nederland genoemd. Minster Verhagen was het niet eens met de commissie Goldstone toen deze haar opdracht kreeg en antwoordt nu dat hij het jammer vindt, dat het rapport over de oorlog gericht is op Israёl en niet op Hamas. Jammer, oke dit is ook het Israёlische standpunt. Maar dan heeft minister Verhagen het rapport niet gelezen, want ook Hamas heeft volgens het rapport zich schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden en moet zich ook verantwoorden. Ja, minister Verhagen, dat staat erin.

Hebben we iets verkeerd gedaan?
De Israёlische media is eensgezind, maar toch zie je verrassende artikelen. Natuurlijk vraagt iedereen zich af, hoe het kan dat een joodse rechter, nota bene een zionist, wiens dochter elf jaar uit joods idealistische overtuiging in Israёl woonde, met zo’n harde conclusie komt. Niemand vraagt zich af: was er iets mis met ons militaire optreden? Eerder in de geschiedenis heeft Israёl zelf onderzoek gedaan naar misstanden. Zowel in Libanon als in de Palestijnse gebieden. De conclusies van die onderzoeken waren ook vaak vernietigend. De Libanonoorlog in 2006, heeft Israёl zelf onderzocht en de Israёlische rechter die aan het hoofd van dat onderzoek stond, was net zo vernietigend in zijn eindconclusie als Goldstone met zijn VN onderzoek. Overigens traden Israёl’s minister van defensie en de opperbevelhebber van het leger af, naar aanleiding van Israёl’s eigen onderzoek naar de Libanonoorlog.

Het verschil is echter, dat dit een internationaal onderzoek is. De gevolgen daarvan kunnen verschrikkelijk zijn voor Israёl. Niet in Nederland hoor, daar kunnen de verdachten uit Israёl rustig met vakantie blijven gaan. Ze hebben uiteindelijk minister Verhagen als vriend en reisleider. Maar verder in de wereld zullen ze zeker in de problemen komen.

Nieuw jaar – Shana tova
De rechtse Israelische krant, hier ook wel de spreekbuis van de joodse kolonisten genoemd, verraste mij volledig met een artikel van Larry Derfner. Hij maakt gehakt van Israёl´s reactie op het rapport . Dit schreef hij over Israёl’s opdracht aan alle ministers en ambassades in de wereld om een diplomatiek informatie offensief te openen:

“ Het heeft geen zin. We kunnen de informatie oorlog niet winnen, en de reden is dat wij geblinddoekt zijn. We hebben die blinddoek zelf opgedaan. We deden dat, omdat we niet willen zien wat we in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever doen.

Maar verder ziet iedereen het.

Onze vriend, de Obama regering, probeert het ons te vertellen en we willen niet luisteren. Nu heeft onze vriend rechter Goldstone het ons verteld, alleen wat minder voorzichtig. Zal dit helpen? Zal deze waarschuwing ons wakker schudden. Zal dit het keerpunt zijn. Ik weet het niet. Maar ik weet wel, dat deze man voor ons een mitzva (goede daad) heeft gedaan, en een dappere. Uit de naam van in ieder geval enkele Israeliёrs, wil ik zeggen, Dank rechter, Shana Tova (gelukkig joods nieuw jaar) ook voor U.”

Joden vieren nu het begin van het nieuwe jaar 5770. De traditie volgens het joodse geloof is, dat je God dan vraagt je zonden te vergeven en zo met een schoon geweten het nieuwe jaar in te gaan. Maar ook volgens de joodse traditie neemt God nooit overhaaste beslissingen. En ook hij zal wel enige tijd nodig hebben om al die rapporten over de Gaza oorlog te bestuderen.

Conny Mus
Correspondent RTL Nieuws Jeruzalem

Ik denk dat ik hier niets aan heb toe te voegen. 100% mee eens! Rest mij nog om Ratna’s meest bizarre opmerking over het Goldstone Rapport aan te halen. Zeer onlangs schreef ze het volgende:

‘Ter vergelijking: er is de laatste tijd veel kritiek op het klimaatrapport van het IPCC, het klimaatpanel van de VN. Ook zij zou haar bronnen niet goed checken, en bijvoorbeeld de onjuiste claim hebben overgenomen dat de gletsjers van de Himalaya binnen 25 jaar gesmolten zullen zijn. Deze kritiek haalt de media en de TV wel, en de IPCC zelf zit hierdoor duidelijk met een probleem. Waarom dringt de kritiek op het Goldstone rapport niet en deze kritiek wel door? Waarom hoeft de commissie Goldstone zich niet te rechtvaardigen en wordt hen niet verweten vooringenomen te zijn geweest, waardoor men niet meer objectief de feiten kon onderzoeken en aan een tunnelvisie leed? Ligt dat aan het feit dat Israël een merendeels rechtse regering heeft of is er iets anders aan de hand?’ (http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000431.html).

Antwoord: Israël wilde niet eens meewerken en maakte de commissie al bij voorbaat verdacht. Verder commentaar is denk ik niet nodig.

Verder wil ik wijzen op Breaking the Silence, een initiatief van gewetensbezwaarde Israëlische (oud) militairen die op een moedige en niets ontziende manier getuigenis doen over operatie ‘Cast Lead’ in Gaza, in de ogen van Ratna ‘een geslaagde campagne’. Deze veteranen denken daar toch een beetje anders over dan de ‘Groen Linkse’ activiste Ratna Pelle. Het aardige is dat Ratna ook aan Breaking Silence weliswaar een lang blogartikel heeft gewijd (ze had het ook kunnen doodzwijgen, dus dat valt me nog mee van haar), maar dat ze er niet goed raad mee weet. Ze orakelt wat over misdragingen van jonge militairen (er waren dus toch misdragingen? Zou Goldstone dan toch ergens niet een klein beetje gelijk hebben?). Ook doet ze het IDF een paar ‘aanbevelingen’ en kakelt ze over ‘hormonen van jonge militairen’ en lijkt het haar beter dat er ‘oudere en meer ervaren miliairen’ worden ingezet. Ze kabbelt verder met: ‘Enerzijds moet men om tegen een vijand te strijden, diens menselijkheid soms vergeten, anders kan men een terrorist, die ook ouders heeft en wellicht kinderen, niet doden, en anderzijds moet men zich zijn menselijkheid steeds bewust zijn, om onnodig geweld en excessen te voorkomen’ en meer van dat soort retorisch behang, als: ‘Een oplossing van het conflict zonder vuile handen is niet mogelijk. Iedere oplossing is onrechtvaardig, ieder compromis brengt risico’s met zich mee. Voor de zoveelste keer laten zien wat fout gaat is makkelijker dan je in het wespennest te begeven van mogelijke oplossingen, verbeteringen, en alle implicaties van dien’. Bovendien verwijt ze Breaking the Silence ’niet bij te dragen tot een oplossing’. Interessant. Wat dacht je van stoppen met de bezetting en vooral de Palestijnen een vooruitzicht te bieden op een levensvatbare staat? (Gaza is natuurlijk officieel niet meer ‘bezet’, maar wel omsingeld en geïsoleerd). Maar zoiets past simpelweg niet in Ratna’s denkkader. Ze concludeert met: ‘Breaking the Silence’ doorbrak geen taboe, maar vertelde een vertrouwd verhaal. Men verbreekt niet de stilte, maar voegt een stem toe aan het koor van criticasters van Israël’. Valt me nog mee. Meestal is ze wat ‘pittiger’, om het voorzichtig uit te drukken.

Om dit stukje over het Goldstone Rapport af te sluiten, plaats ik hier met volledige instemming een oproep van de Britse/Joodse historicus Tony Judt, die Joden wereldwijd vraagt het Goldstone rapport te steunen, als een principiële stem tegen het schrille geluid van de Israëlische overheid en haar fanatiekste supporters, waar Ratna zonder meer toe gerekend kan worden:

By Tony Judt, The Huffington Post – 29 Oct 2009
www.huffingtonpost.com/tony-judt/justice-goldstone-and-the_b_339077.html

We Jews should be very proud of Richard Goldstone. In an ancient tradition of Jewish self-questioning and uncomfortable truth-telling, the author of the recent report from the UN Fact Finding Mission on the Gaza Conflict has braved personal vilification and institutional mendacity to describe the crimes committed by Israeli forces in the course of their invasion of Gaza in December 2008.

To be sure, the Goldstone Report also itemizes the crimes of Hamas, notably in its campaign of rocket-firing into Israel. But the scale of human rights abuses by Israel vastly outdoes anything Hamas could hope to have achieved: Israeli civilian victims of Hamas rocket attacks numbered less than ten. The attack on Gaza by the IDF resulted in at least 1,100 Palestinian civilian deaths. The major perpetrator of human rights abuses in this conflict is without question the State of Israel, and Justice Goldstone records as much.

That the Israel of Benjamin Netanyahu has chosen to conduct an international campaign against Justice Goldstone and his report need not surprise us. Israel refused to cooperate with the UN investigation; long before its conclusions were published, Netanyahu had set in motion a campaign to deny and denigrate them. More dispiriting, and of greater political consequence, is the pitiful and humiliating response of the Obama Administration. The “fierce urgency of now” apparently required that Washington join Tel Aviv in discrediting the Goldstone Report, and with it the UN inquiry.

This response is of course in keeping with America’s long-standing determination to protect Israel against the consequences of its actions at home and abroad; but the universal international condemnation of the destruction of Gaza renders the Obama Administration’s response peculiarly self-defeating — everyone knows what happened in Gaza, so Washington’s collusion in covering it up merely draws further attention to the discrediting of U.S. foreign policy and moral standing brought about by our unhealthy relationship with Israel.

There is a special irony to the public slandering of Justice Goldstone now under way. In the first place he is not only Jewish but has close family links to Israel and the Zionist ideal. Secondly, Richard Goldstone has an impeccable resumé as a critic of racism, prejudice and repression — most notably as an active opponent for many years of the apartheid regime in his native South Africa. During the ’90s he served as Chief Prosecutor at the United Nations International Criminal Tribunals dealing with human rights abuses, crimes and genocide in the former Yugoslavia and for Rwanda. It would be hard to fictionalize a more convincing biography for an engaged and ethically uncompromising jurist in the great tradition of Jewish political activism. Goldstone’s standing in the world will only rise as a consequence of Israel’s short-sighted attempts to discredit the man, the report and the facts. That our own government has chosen to join in this unworthy exercise should be a source of deep embarrassment and shame.

Please join me and Jews from all over the world in signing the Jewish Appeal Letter in Support of the Goldstone Report written by Jews Say No an organization in NY.  Go to: http://www.petitiononline.com/UNreport/petition.html

Nogmaals, al was dit allang duidelijk: ‘That the Israel of Benjamin Netanyahu has chosen to conduct an international campaign against Justice Goldstone and his report need not surprise us. Israel refused to cooperate with the UN investigation; long before its conclusions were published, Netanyahu had set in motion a campaign to deny and denigrate them’.

Ratna Pelle is met haar vele blogs over het Goldstone rapport niets anders dan een (wellicht vrijwillige) uitvoerdster van Netanyahu’s campagne, tenminste, daar heeft het alle schijn van. Hoezo ‘linkse Zioniste’?

‘Waar’

Uit een bericht op de site van het CIDI zou blijken dat Ratna ‘onderzoek’ zou hebben gedaan naar de handel en wandel van NRC Handelsblad. Zij zou hebben aangetoond dat NRC Handelsblad een eenzijdige positie zou hebben ingenomen gedurende de laatste Gaza Oorlog. Hier overigens de link naar dit ‘onderzoeksverslag’ zelf. Dat onderzoek is alweer een klucht op zich, waar je een heel nieuw artikel over zou kunnen schrijven. Dat zal ik hier achterwege laten. Ik geef hier een stukje van Ratna zelf weer over haar ‘onderzoek’:

‘Het idee was simpel: nadat mijn tigste ingezonden brief aan de NRC (! dat zal wel een bombardement geweest zijn, FS) was afgewezen en nadat ik de zoveelste fout ten nadele van Israël zag staan, besloot ik dat een systematisch onderzoek op zijn plaats zou zijn. Ik wilde weleens weten of mijn indruk klopte, dat mensen met een pro-Israël visie en pro-Israëlische bronnen geen ruimte krijgen in deze krant, terwijl er wel om de haverklap een domme brief van Gretta of EAJG (Een Ander Joods Geluid, FS) of iemand anders in stond met een uitgekauwde gemeenplaats of zelfs regelrechte leugen over Israël. Immers, de keren dat je je aan een brief ergert onthoud je wellicht beter dan de brieven die je wel goed vind, en de keren dat er een onjuistheid ten nadele van Israël in de krant staat blijven je beter bij dan de keren dat men wat kort door de bocht was over de Palestijnen. Ik meen dat psychologen hebben onderzocht dat mensen negatieve ervaringen beter onthouden dan positieve ervaringen of dingen die ze normaal vinden (dus een ingezonden brief van Gretta Duisenberg onthouden we omdat we dan een stoot adrenaline te verwerken krijgen, maar een ingezonden brief van Ronnie Nafthaniël weer niet, want dat vinden we normaal. Dat is psychologisch best wel interessant : ) Overigens ben ik wel benieuwd hoe jij de krant leest, FS ).

Nou is het in de wetenschap (! FS) niet de bedoeling dat mensen voor ze aan een onderzoek beginnen al een duidelijke visie op de zaak hebben, of een bepaalde uitkomst prefereren of daar belang bij hebben, want dat zou de resultaten kunnen beïnvloeden (je meent het??? FS). Maar ik hoopte ergens juist dat mijn idee erover onjuist zou blijken te zijn (dat jok je, FS). Ik had graag gezien dat nader onderzoek uitwees, dat ook mensen die het voor Israël opnemen ruimte kregen, en dat in artikelen aan beide kanten evenveel aandacht werd besteed, en alle bronnen met gepast wantrouwen werden bejegend. Ik had ook gehoopt dat het vertrek van correspondent Oscar Garschagen een reële verbetering zou inhouden. Hem vond ik altijd bijzonder eenzijdig en suggestief. Hij schetste consequent een beeld van Hamas als redelijk en Israëlische politici als haviken. Het lag alleen aan Israël dat er nog geen vrede was, en Palestijns geweld werd altijd van context voorzien zodat het begrijpelijk werd, een reactie was, waar het slinkse Israël vervolgens handig gebruik van maakte. Het werd niet of nauwelijks beter toen hij wegging. Salomon Bouman, die het tijdelijk min of meer van hem overnam, was niet beter, al had ik van tevoren wel die hoop. Ook Bouman bagatelliseerde het geweld en de extremistische ideologie van Hamas, ook hij maakte steeds suggestieve opmerkingen, en legde Palestijns geweld en compromisloosheid altijd uit als logische of begrijpelijke reactie op wat Israël deed. Guus Valk die daarna kwam paste naadloos in deze traditie. Het ligt dus niet aan de verslaggever, maar aan de krant’ (http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000394.html ).

Haar bevindingen vatte ze als volgt samen:

‘De in totaal 83 artikelen in NRC zijn aan een aantal criteria getoetst. Dit waren: hoor en wederhoor, het geven van context, suggestief woord- en taalgebruik, de gebruikte illustraties en koppen, de gebruikte bronnen, wie er werden geciteerd en geïnterviewd, feitelijke onjuistheden en het algehele perspectief dat uit een artikel spreekt. De totaalscore werd uitgedrukt in licht gekleurd, gekleurd en sterk gekleurd ten nadele van Israël dan wel de Palestijnen of neutraal. De uitkomsten hiervan zijn vergeleken met de eigen journalistieke principes van NRC Handelsblad, waarin diversiteit van meningen en ideeën en de scheiding van feiten en de visie van de krant centrale elementen vormen. Daarnaast onderschrijft NRC uiteraard algemene journalistieke principes als hoor en wederhoor en gebruik van alle relevante beschikbare bronnen.

Meer dan de helft van de artikelen in de onderzochte periode, namelijk 45, bleken (sterk) gekleurd ten nadele van Israël en/of ten voordele van de Palestijnen. Nog eens 18 artikelen zijn enigszins gekleurd ten nadele van Israël of ten voordele van de Palestijnen, en 16 artikelen zijn neutraal te noemen. Terwijl in verschillende artikelen, vooral de achtergrondartikelen en reportages, duidelijk een Palestijns perspectief naar voren komt, en hun problemen, wanhoop en frustraties centraal staan, geeft geen enkel artikel vooral de Israëlische visie weer.
Op alle criteria bleek de berichtgeving in NRC gekleurd te zijn ten nadele van Israël, het meest op context (51 artikelen), suggestieve en ongefundeerde beweringen (47 artikelen) en perspectief (ook 47 artikelen); 28 artikelen bevatten in totaal 56 feitelijke onjuistheden, allemaal ten nadele van Israël’
(http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000394.html ).

Wat ik bij dit soort ‘beeldvorming/media onderzoeken’ overigens altijd interessant vind hoe je vaststelt of iets ‘gekleurd’ kan zijn qua ‘context’ en qua ‘perspectief’. Dat laatste snap ik nog wel, maar dan ga je ervan uit dat de verslaggever vanuit een gekleurd perspectief de waargenomen gebeurtenissen registreert. Maar is dan het ene artikel meer gekleurd qua perspectief dan een ander van dezelfde auteur? Lijkt me een beetje vreemd. En dan vooral dat je daar vervolgens een precieze kwantitatieve bewering over kunt doen, maar dat terzijde. Wat mij betreft regelrechte kul, maar misschien ben ik een beetje conservatief in dat opzicht. Maar los van hoe ik tegen (sommige) van dit soort onderzoeken aankijk, is dit eigenlijk wel een onderzoek? Wat mij betreft is het al op een geestige manier afgedaan door een zekere Ozymandias, in het forum van de weblog ‘loorschrijft’ van een zekere Loor, een geestverwante van Ratna (Ratna’s bijdragen worden daar regelmatig instemmend aangehaald). In een bericht in het forum schreef deze Ozymandias:

Persbericht voor o.n.m.i.d.d.e.l.i.j.k.e. publicatie:

Vervolgstudie stichting J.O.P.I.E. bewijst antisemitische karakter van NRC!

Lutjebroek – Naar aanleidingen van de bevindingen van stichting W.A.A.R. heeft Prof Dr. De Vries van de volledig objectieve stichting J.O.P.I.E. een vervolgstudie gedaan. Stichting J.O.P.I.E. heeft 5 krantenberichten van het NRC Handelsblad vergeleken met de informatie op wikipedia.nl en het ook volledig objectieve cidi.nl.
In de berichtgeving van het NRC waren maar liefst 5 meldingen gemaakt van mishandeling van Palestijnse burgers door Israëlische soldaten, 2 meldingen van vernieling van Palestijnse roerende zaken door Israëlische soldaten, en 3 gevallen van intimidatie van Palestijnen door Israëlische kolonisten. ln al die gevallen was daarvan niets terug te lezen op wikipedia.nl of cidi.nl.
De Vries concludeert daaruit dat het NRC een anti-Israëlische krant is.
Stichting J.O.P.I.E. heeft deze bevindingen gewogen aan de hand van objectieve en wetenschappelijke criteria voor het herkennen van antisemitisme.
De stichting J.O.P.I.E. objectieve en wetenschappelijke kenmerken van antisemitisme:
- De krant vermeldt mishandeling van Palestijnse burgers door Israël
- De krant vermeldt vernieling van Palestijnse roerende zaken door Israël
- De krant vermeldt intimidatie van Palestijnen door Israël
Aan de hand van deze criteria heeft stichting J.O.P.I.E. met grote zekerheid weten vast te stellen dat het NRC een antisemitische krant is.
Op de vraag hoe het mogelijk is dat stichting W.A.A.R. niet eerder het antisemitische karakter van het NRC niet heeft weten bloot te leggen, reageert de Vries twijfelend. ‘Het is mogelijk dat de blik van stichting W.A.A.R. vertroebeld is omdat die zelf ook zelf lichtelijk geïnfecteerd is met antisemitische sentimenten. Maar dat durf ik niet met grote zekerheid te zeggen. Voor je het weet heb je namelijk een proces aan je broek vanwege beweringen die je niet hard kunt maken.’
Het onderzoeksverslag is na te lezen op het gloednieuwe home.hetnet.nl/~stichtingjopie

http://loorschrijft.web-log.nl/verwondering_is_het_begin/2009/10/nrc-komt-eigen.html#comment-25741259

Hiermee zou je dat ‘onderzoek’ van Ratna wel kunnen afdoen (ook op www.pimfortuyn.nl wordt dit werkje aangeprezen, http://www.pim-fortuyn.nl/pfforum/topic.asp?TOPIC_ID=64540, waarschijnlijk met het motief ‘zie je wel, ze blijven demoniseren en dat doen ze ook nog samen met de moslims’. Moet je vooral een fake onderzoek aanhalen om Professor Pim te eren, goed zo jongens). Zoveel interessants bevat dat onderzoek namelijk niet. De bovenstaande parodie van Ozymandias volstaat wel. De enige echt belangrijke vraag die je kunt stellen is waarom de onderzoekers en hun opdrachtgevers zelf zo mysterieus zijn over hun uitgangspunten en uitblinken in hun totale gebrek aan transparantie. Als je het gelijk aan je kant hebt, leg dan alle kaarten op tafel. Maar dat schijnt dan weer niet mogelijk te zijn. Niet erg geloofwaardig als je NRC Handelsblad dit soort verwijten maakt. Alleen dat al maakt dit hele rapport onwetenschappelijk en wekt de schijn dat het om een niet al te elegante vorm van propaganda gaat. Dat NRC Handelsblad, tot Ratna’s woede en teleurstelling, geen zin had om op dit ‘onderzoek’ in te gaan, begrijp ik wel. Lijkt mij het meest verstandige wat je in zo’n geval kunt doen.
Over de Stichting W.A.A.R. (‘Waarheidsvinding, Accuratesse en Authenticiteit in Reportages’) is op internet nauwelijks iets te vinden, of het is op de vele blogs van Ratna zelf. Toch meen ik te weten dat deze club bestaat of in ieder geval bestaan heeft.
Alweer meer dan zes jaar geleden  zond het Vara programma Zembla een aflevering uit getiteld ‘Zwijgen over Israël’ (23 oktober 2003). Hierin werd onderzocht hoe het kwam dat Nederland zo lang zo eenzijdig Israël steunde (o.m. interviews met de oud-ministers Vredeling, Stemerdink, van den Broek en van Mierlo) en hoe de pro-Israëlische lobby in Nederland werkt. Uitgebreid aan het woord kwamen de toenmalige ambassadeur van Israël in Nederland Eitan Margalith, Rabbijn Evers, Ronnie Naftaniel van het CIDI, (oud) Midden Oosten correspondenten Maarten Jan Hijmans en Conny Mus, classicus Anton van Hooff van de Universiteit van Nijmegen (die zich in zijn column in de Gelderlander weleens kritisch heeft uitgelaten over Israël, kom ik later nog op terug) en een groepje jongeren van de Stichting W.A.A.R. Kees Schaap, redacteur van Zembla, herinnerde zich dit clubje als volgt: ‘De “Stichting Waar” (indertijd “Waarnet”) heb ik van dichtbij leren kennen toen ik de Zembla uitzending “Zwijgen over Israel” maakte. Het is helemaal geen objectieve “factchecker” maar een lobby-club die van te voren strategieën bedenkt om critici van Israel monddood te maken. Tijdens deze opnames maakte ik kennis met een joodse bekeerling die in de redactie van “Stichting Waar” zat. Deze man liet zich zonder schroom uit over hoe hij dacht over Palestijnen. “Palezwijnen” noemde hij ze, zelfs nog op ons Zembla-forum’
(http://zembla.vara.nl/fileadmin/uploads/VARA/be_users/documents/tv/pip/zembla/2009/Reactie_zembla_op_kritiek_gaza.doc ). Uit de uitzending bleek ook dat de Israëlische ambassade deze club, net als het CIDI, uitgebreid steunde, zoals ambassadeur Eitan Margalith het openhartig vertelde.
Over de Stichting W.A.A.R. heb ik een keer een kleine wat onvriendelijke woordenwisseling met Ratna gehad. Ik geef onze wat bitse woordenwisseling hier integraal weer (op http://www.standejong.nl/2009/10/02/nrc-verloochent-principes-bij-berichtgeving-israel/comment-page-2/):

Gepost door:
Floris Schreve
op:
19 november , 2009 om 6:36 pm

‘Zie voor wat die Stichting W.A.A.R. is deze uitzending van Zembla http://redir.vara.nl/tv/zembla/welcome2.html?20031023/zembla
Zoals blijkt is WAAR niets meer dan een PR bureautje dat lippendienst probeert te bewijzen aan de Israëlische zaak, daarbij gesteund door de ambassade.
Verder is dat ‘onderzoek’ van deze Ratna flinterdun. En inderdaad, waarom zo geheimzinnig doen over je eigen achtergrond? ‘Ik ben Ratna Pelle, academica en publiciste’. O ja, waarin dan? Overigens vraag ik me zelfs af of deze Ratna een echt rapport heeft geschreven voor de Stichting W.A.A.R. Over W.A.A.R. is verder niets meer terug te vinden, behalve in die uitzending van Zembla en verder op de talloze blogs van Ratna zelf.
En google voor de grap “Ratna Pelle” maar eens een keer (paar duizend hits). Maar ik ben benieuwd of iemand daar wijzer van wordt. Dat er iets niet helemaal deugt lijkt me duidelijk. Ondanks de verpletterende kwantiteit van haar bijdragen is er niets te vinden over wie deze mevrouw is. Er zijn een paar aanwijzingen, maar die worden al snel heel erg vreemd.
Maar goed, zelf zal ik nog wat aandacht aan dit ultra zionistische en Palestijnen hatende fantoom besteden.

Floris Schreve

Gepost door:
Ratna Pelle
op:
20 november , 2009 om 12:37 am

Wat een ondermaats ad hominem commentaartje van ene Floris Schreve. Ik doe nergens geheimzinnig over, en schrijf altijd met naam en toenaam of minstens mijn initialen. Vandaar dat je zoveel hits krijgt als je mijn naam opgoogelt. Of bedoel je dat je wilt weten welke maat schoenen ik heb, wie mijn kleuterjuffrouw was, hoeveel exen ik heb en wie ik in een vorig leven was?
Het hele rapport staat op de website Israel-Palestina Info ( http://www.israel-palestina.info/krantenonderzoek_nrc.html ) en is bepaald niet flinterdun te noemen. De beide delen en de artikelenlijst zijn bij elkaar ruim over de 100 pagina’s, waarin meer dan 200 artikelen tegen het licht worden gehouden en aan 10 verschillende criteria getoetst. Kun je nog eens precies uitleggen wat je met ‘flinterdun’ bedoelt? Of bedoel je dat de uitkomsten je niet aanstaan en je daarom maar wat tegen mij en Stichting WAAR (ingeschreven bij de Kamer van Koophandel) gaat lopen trappen?
En waar komt eigenlijk je haat tegen mij vandaan? Je hebt natuurlijk alle recht met mij van mening te verschillen, maar waar slaat ‘dit ultra zionistische en Palestijnen hatende fantoom’ op? Zou je je misschien niet eens laten nakijken?
Even voor de duidelijkheid: de huidige stichting WAAR is iets anders dan het oude WAARnet, waarvan enkele mensen in die Zembla uitzending aan het woord kwamen, waarbij de boel naar goed Zembla gebruik waarschijnlijk flink werd verdraaid (zie over Zembla ook: http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000359.html ) Niemand van de huidige leden was daar bij. En nee, stichting WAAR wordt niet gesteund door de Israelische ambassade en ook niet door andere vage duistere en o zo machtige geheime zionistische netwerken’.

Tot zover de enige ‘conversatie’ die ik tot nu toe met Ratna gevoerd heb. Ik was zelf ook niet erg vriendelijk, om eerlijk te zijn, dus het zij haar in dit geval enigszins vergeven. Ik verwacht ook niet dat dit zal veranderen na dit artikel. Dat ze wat mij betreft nog steeds een soort fantoom is, lijkt me duidelijk. Overigens was het niet eens een echt ad hominem, want ik zou niet weten hoe ik tegen het fantoom Ratna zou moeten ‘ad hominemen’. Dat is ook mijn punt. Buiten de duizenden bijdragen op internet ter meerdere glorie van de Staat Israël en haar ethische politiek naar de Palestijnen, is ieder spoor van Ratna Pelle onzichtbaar. Dus ‘ad hominem’, wellicht, maar het blijft een oppositie tegen opvattingen, niet tegen de mens daarachter, waar ik oprecht niets zinnigs zou weten te zeggen, zelfs niet als ik het zou willen. En of ze grote, kleine, of platvoeten heeft, of met wie ze het allemaal wel of niet gedaan heeft vind ik niet zo interessant. Waarom zou ik? Wat ik vreemd vind dat er achter deze bak propaganda slechts iemand zit die zich ‘academica, actief in de linkse beweging voor vrede en het millieu’ noemt en zegt op te komen voor ‘zowel het Joodse als het Palestijnse recht op zelfbeschikking’, maar in de praktijk alleen maar het meest extreem rechtse standpunt inneemt vanuit Israëlisch perspectief. Ze is dus niet helemaal recht door zee, vandaar mijn vraagtekens. Lijkt me wederom een open deur. De uitzending van Zembla, Geen geld voor Gaza, waar Ratna het over heeft en waar ze een link naar haar commentaar plaatste, kan ik overigens ook van harte aanbevelen, hier te bekijken. Wederom ontluisterend. Bekijk hem zeker en weeg het af tegen Ratna’s commentaar. Is zeker interessant. En voor alle duidelijkheid, de Stichting W.A.A.R. die in Zembla figureerde werd gesteund door de ambassade. De Israëlische ambassadeur zegt het zelfs expliciet (’We are in permanent interaction’, in zijn woorden). Hoe duidelijk moet je het dan hebben? Lijkt me dus moeilijk te ontkennen.
Hoewel Ratna dus zelf ontkent dat het dezelfde club was die in in 2003 in een uitzending van Zembla aan het woord kwam (bij deze ter kennisgeving aangenomen, al is het natuurlijk puur toeval dat haar clubje dezelfde naam heeft ;), lijkt het erop dat er weinig verschillen zijn tussen de Stichting W.A.A.R. die aan het woord komt in Zembla en de club waarmee Ratna een onderzoek zou hebben verricht. Uit berichten, gepubliceerd op de site van Zembla, blijkt dat deze stichting zou zijn gevestigd in Eemnes (!) en gerund wordt door een zekere mevrouw MS Slager-Sijs (zie hier en zeker ook hier). Zij zou nauw samenwerken met de organisatie Israel Facts, die gerund wordt door Yochanan Visser (Jan Visser), een tot het Jodendom bekeerde Nederlandse aannemer die zich op de Westbank heeft gevestigd (voornamelijk actief in de illegale nederzettingenbouw en hij woont in de eveneens illegale nederzetting Efrat), die vanaf daar de Nederlandse media monitort op ‘onzorgvuldige’ (lees ‘kritische’) geluiden naar Israël (zie ook dit bericht op de site van Stan van Houcke). Is iets waar je even over moet nadenken: je woont in een illegale nederzetting en draagt substantieel bij aan illegale activiteiten en gaat vervolgens de Nederlandse pers inspecteren op eventuele kritische opmerkingen. Dan heb je dus, neem me niet kwalijk, of een plaat voor je hoofd, of je bent een superproleet, of beide, om het maar een keer diplomatiek te zeggen. Dat lijkt mij dus geen nette meneer, al zal hij dit ongetwijfeld uit oprechte overtuiging doen. Dit bedoel ik dus met dolgedraaide fanatici.
Wie op dit gebied ook hun steentje bijdragen zijn Ron en Rosa van der Wieken, de vroegere boze buren van Gretta Duisenberg in Amsterdam Zuid. Ook zij houden een site bij die de Nederlandse media monitort op anti-Israëlische tendenzen, die zij, waar nodig, kloek aan de schandpaal nagelen. Hun stekje ‘Ironcomb’ (wel een heftige naam trouwens, maar ja, Amsterdam Zuid is ook heftig) is hier te vinden. Daar valt een heleboel interessants te lezen, zoals: ‘Israel zou -binnen de grenzen van de realiteit- niets liever willen dan een bevriende vreedzame Palestijnse buurstaat waarmee zaken gedaan kunnen worden. De Palestijnse macho-heroische mentaliteit, de clanstructuur, de vermeende voordelen van het slachtofferschap en de irreële onderhandelingseisen maken het tot stand komen van een eigen staat schier onmogelijk’ (http://www.ironcomb.nl/?pageAlias=Artikelen&curId=16). Dus de Palestijnse ‘volksaard’ leent zich niet voor een onafhankelijke staat? Een stukje culturele antropologie van de koude grond met een vies koloniaal smetje, lijkt mij tenminste. Zo werd er vroeger ook over ‘de Javaan’  in ‘ons Indië’ gesproken. Wel een beetje stigmatiserend, nietwaar? Dat zouden meneer en zeker mevrouw van der Wieken, die met een vergrootglas een profielensite als hyves onderzoekt op antisemitische uitlatingen van scholieren (zie hier, overigens in samenwerking met de club van de eerder genoemde Yochanan Visser), zich wel enigszins mogen aantrekken. Edward Said, op dit blog vaak ter sprake gekomen, had in bepaalde opzichten toch wel ergens gelijk, om het maar voorzichtig uit te drukken. En bovendien, sinds wanneer zou Israël ‘niets liever willen dan een bevriende vreedzame Palestijnse buurstaat waarmee zaken gedaan kunnen worden’? Als Israël een ding heeft gedaan in de afgelopen decennia, is het wel het met man en macht voorkomen van zo’n levensvatbare Palestijnse staat. Kortom, een beetje schaamteloos om dat zo monter te beweren. Met dit soort verhaaltjes staat die site vol. Een optreden van Ron van der Wieken in Buitenhof is hier te bewonderen, samen met Jessica Durlacher en Milo Anstadt, in de uitzending van 9 juni 2002 (met een bijzonder verstandige en wat mij betreft bewonderenswaardige bijdrage van Milo Anstadt, al geldt dat helaas niet voor die andere twee).
De uitzending van Zembla van 23 oktober 2003, oa over de Stichting W.A.A.R., is overigens nog steeds erg de moeite waard, hier terug te zien. Ook het fenomeen ’spontane ingezonden brieven’, zo’n beetje de core business van Ratna en Wouter, komt hierin uitgebreid aan de orde. Onder hen aantal critici van Israël dat ons overijverige duo herhaaldelijk in de pen doet vliegen om weer de zoveelste ’spontane reactie’ te produceren, zoals de Nijmeegse classicus Anton van Hooff, zie overigens hier zijn correspondentie met Wouter op de site van Wouter. Vooral lachwekkend. Van Hooff legt heel precies uit wat er hier aan de hand is (waarom stuurt iemand uit Sittard een brief nav een stuk uit de Gelderlander?), waarop Wouter niets meer kan uitbrengen dan wat brallerige stoplappen. En dan toch op zijn site geplaatst. Je kunt Wouter veel verwijten, maar niet dat hij last van enige gêne heeft. En verder legt ook dit akkevietje weer genadeloos het blinde fanatisme bloot van het bizarre tweetal Ratna & Wouter (Wil).

‘antisemitisme’

En dan Ratna’s antisemitisme beschuldigingen. Mij is het nu een keer overkomen, maar anderen nog wel iets vaker.  Zie ook hoe zij Dries van Agt ’subtiel’ in die hoek probeert weg te zetten. In haar recensie van zijn boek Een schreeuw om recht,  in Trouw, stelt ze: ‘Van Agt is niet voor vrede op basis van twee staten voor twee volken. Tekenend is zijn afwijzing van onderhandelingen tussen beide partijen om tot vrede te komen, en het feit dat hij in het comité van aanbeveling zit van Stop de Bezetting. Dat pleit voor ‘Palestina en Israel voor de Palestijnen’, en bagatelliseert de Holocaust’ (citaat triomfantelijk aangehaald op de site van het Cidi, http://www.cidi.nl/index.php?option=com_content&task=view&id=522&Itemid=55, de recensie in zijn geheel te lezen op een van de vele sites van Ratna, http://www.israel-palestina.info/modules.php?name=News&file=article&sid=1059 ). Echt achterbaks is deze bespreking van het werk van van Agt (op http://www.israel-palestina.info/driesvanagt_israel_palestijnen.html), overigens niet ondertekend, dus het is niet duidelijk of het van Ratna of Wouter is:

‘Dries van Agt studeerde aan het Gymnasium Augustinianum, een rooms-katholieke middelbare school in Eindhoven, die bekend stond om haar conservatieve opvattingen. Zo hield zij lange tijd vast aan het antisemitische gebed over de Judaei Perfides, de ‘valse joden’, dat formeel werd afgeschaft door het Tweede Vaticaanse Concilie van 1962-65. Sommigen brengen deze achtergrond in verband met Van Agts huidige felle anti-Israël retoriek, evenals een aantal incidenten tijdens zijn ministerschap en premierschap, waaronder zijn beruchte ‘ariër opmerking’ rond de discussie over de vrijlating van de Drie van Breda (tot levenslang veroordeelde oorlogsmisdadigers), en zijn weifelende optreden wat betreft de oorlogsmisdadiger Pieter Menten’. 

Bijna hilarisch is deze passage van Ratna (gaat weer over iemand anders, die ze van antisemitisme heeft beschuldigd, voor die persoon vind ik het overigens niet hilarisch): ‘Ik drukte mij in eerste instantie nog voorzichtig uit, omdat ik weet dat je met het a-woord voorzichtig moet zijn, en legde uit hoe dicht bij elkaar antizionisme en antisemitisme vaak liggen, en dat als iemand de hele week van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat achter de computer zit om Israël, de enige Joodse staat, zwart te maken, dat toch wel te denken geeft’ (http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000295.html). Gelukkig zit Ratna Pelle niet van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat achter de computer. Het idee al. Dit laatste voorbeeld lijkt mij een aardig staaltje projectie. En dat je ‘voorzichtig met het a-woord moet zijn’, dat meent ze niet. Lijkt mij wat haar betreft een gevalletje van ‘een beetje jokken’.
Maar wat ze over de journalist Stan van Houcke schrijft slaat alles (vooral bekend van de VPRO). Ratna heeft een hele serie aan hem gewijd, waarin zij hem voor antisemiet uitmaakt. Nu is Stan van Houcke verre van kinderachtig naar Israël, maar is dat antisemitisch? In zijn boek De Oneindige oorlog (Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2009) heeft hij verschillende Israëli’s geïnterviewd over het voortdurende conflict met de Palestijnen, waaronder de prominente schrijver Amos Oz, overigens iemand die ook vrij kritisch naar zijn eigen land kijkt. Ik ben het niet altijd helemaal met van Houcke eens, maar dit boek wil ik bij deze warm aanbevelen (het zijn vaak prachtige interviews, ondanks de akeligheid van het onderwerp). Maar, is het erg waarschijnlijk dat iemand van de statuur van Amos Oz zich (meerdere keren!) zou laten interviewen door een structurele antisemiet, maw door iemand die een racistische haat tegen Joden koestert (de werkelijke betekenis van het begrip ‘antisemitisme’)? Het lijkt me zelfs buitengewoon onwaarschijnlijk, zoniet uitgesloten, tenzij Oz totaal niet op de hoogte zou zijn van wat van Houcke allemaal verder schrijft. Maar daar schat ik Amos Oz en al die anderen die hij heeft geïnterviewd, zoals Abraham Yehoshua, Eitan Bronstein, of Idith Zertal, toch iets te hoog voor in. Dus laten we het er op houden dat de veel gebruikte en daardoor nogal aan inflatie onderhevige antisemitisme riedel van Ratna Pelle vooral iets over haar zelf zegt en haar aangenomen rol van ‘frontsoldaat in een vuile propaganda-oorlog’. Ik denk dat ze daarmee wel afdoende is getypeerd.
Wie het helemaal bont maakt is Wouter, zoals blijkt uit deze potsierlijke pagina op de ‘neutrale website’ Israël-Palestina Info. Werp hier zeker een blik op. Zomaar een passage:

‘Critici van het Israëlische regeringsbeleid roepen al jaren op om Israël te boycotten. Het Nederlandse en het nog radikalere Vlaamse Palestina Komitee hebben er zelfs een aparte website voor opgericht,
waarin ad absurdum eenzijdige eisen aan Israël worden gesteld.
Temidden van alle wrede dictaturen die nog steeds bestaan op de wereld, menen zij juist de enige Joodse staat te moeten boycotten,
terwijl haar dictatoriale buurlanden ongehinderd het geweld tegen Israël blijven steunen. Hierbij past maar 1 vergelijking:

(foto van een bruinhemd die een plakkaat ‘Kauft nicht bei Juden’ tegen een winkelruit plakt. Bekijk maar via de link, want ik heb geen zin om dat soort plaatjes open en bloot op mijn blog te plaatsen)
Duitsland, 1933

Dit is dus ongeveer Wouter. Je vraagt je af welke eisen er aan Israël worden gesteld (‘ad absurdum’!). Het probleem is dat Israël juist overal mee weg kan komen, zie de onvoorwaardelijke rugdekking van de VS en een paar Europese landen, vooral Nederland. Hooguit begint hierdoor, ook in Nederland, de publieke opinie enigszins te schuiven.
Dit is niet enige wat er niet klopt aan Wouters ‘statement’, om het maar voorzichtig te zeggen. Maar waar moet je beginnen? Staat kritiek op Israël gelijk aan het woord en het handelen van ene meneer AH? Wat moet Israël nog meer doen, voordat er van Wouter en Ratna kritiek mag worden geleverd? Kernwapens inzetten tegen de Palestijnen, zoals de extreem rechtse leider Avigdor Lieberman heeft geopperd? Maar dat zou ook het einde zijn van Israël zijn, dus misschien dat dit zelfs voor Ratna en Wouter een brug te ver is. Alhoewel, niet voor het CIDI, want die nodigen Lieberman zelfs uit om een lezing te komen geven in Amsterdam.
Dat de houding naar verschillende Arabische dictaturen ‘pragmatisch’, opportunistisch, inconsequent en cynisch is geweest, of nog steeds is, helemaal waar. In die zin eens met Wouter. Heeft alles te maken met Realpolitik. Tijdens de Koude Oorlog was het al erg en nu, tijdens de ‘strijd tegen het terrorisme’ eveneens, misschien nog wel erger. Volledig juist. En ook naar deze regimes zou je een zo gepast mogelijke politiek moeten voeren, al is het hoe een niet zo simpele kwestie, net als hoe om te gaan met Israëls politiek naar de Palestijnen. Maar als de boycot tegen de apartheid legitiem was, dan zou ik een boycot van Israël nog niet een zo gek vinden (al ben ik meer voor de kritische dialoog, desnoods onder voorwaarden, met evt het inzetten van sancties als drukmiddel). Maar om dit met de politiek van de Nazi’s te vergelijken is regelrecht belachelijk. Wouter zou gelijk hebben als er zou worden opgeroepen om ‘Joden’ wereldwijd, vanwege hun afkomst te boycotten. Maar dat is hier geenszins het geval. Dit is geen oproep tot een boycot van Joden, ook niet een boycot van ‘Joden’, die uit Israël komen, dit is de boycot van een staat, zolang deze vasthoudt aan een bezettingspolitiek. Dit heeft niets met antisemitisme of racisme te maken.
Bovenstaande reactie op Wouters stelling is natuurlijk een open deur van jewelste, maar laat ik het maar heel duidelijk uitleggen. Voor je het weet worden er weer allerlei zaken verward, zoals antisemitisme met kritiek of zelfs afwijzing van de politiek van de staat Israël. Je kan het dus maar beter uitleggen op een manier dat iedere simpele ziel het kan begrijpen. Misschien snapt Wouter het nu ook.

Rest mij nog om op het onderschrift van Wouter te wijzen: ‘© Dit artikel is copyright Wouter Brassé 2005 (afgezien van de foto).’ Goh Wouter, je meent het?

Toch zijn de wonderen de wereld nog niet uit. Hoewel ik eerder heb gesteld dat Ratna’s meeste uitlatingen eerder bij extreem rechts thuishoren dan bij links, heeft ze zich, zeer onlangs, verrassend anders geuit:

‘In de generaliserende manier waarop de PVV zich uitlaat over de islam en de moslimgemeenschap herkennen velen van de Joodse gemeenschap zich niet. Integendeel. De grootste vijanden van de Joodse gemeenschap zijn altijd die stromingen geweest die geen onderscheid wensten te maken tussen mogelijke misstanden die individuen veroorzaken, net zoals binnen iedere gemeenschap van mensen, en de grote groepering daarom heen. Het klassieke antisemitisme is daar een voorbeeld van. De Joodse gemeenschap weet maar al te goed waartoe dat kan leiden’. (http://israel-palestijnen.blogspot.com/2010/01/wilders-geen-bondgenoot-joodse.html)

Dit is echt Een Ander Ratna Geluid. Ze neemt hier zelfs het anti-essentialistisch standpunt in. Verrassend positief. Als ze mijn blog goed had bestudeerd of gezien zou hebben wat ik verder heb geschreven (ook over antisemitisme) had ze kunnen weten dat ik precies dezelfde opvatting heb. Ik heb niet de illusie dat we ooit qua standpunten nader tot elkaar zullen komen, maar in dit geval geheel eens. Nu nog iets minder stigmatiserend over de Palestijnen (hou je deze zeldzame zinnige quote in je achterhoofd als je bijvoorbeeld weer het verhaal van de Groot Mufti van stal haalt). Voor een enkele keer zijn we het toch eens.

Lobby

Volgens Ratna is er geen sprake van een Israël-lobby. In een artikel dat haar lukte om geplaatst te krijgen in De Gelderlander (vast een betere krant dan de NRC, alhoewel, Anton van Hooff is daar columnist), getiteld Machtige Israël lobby is een mythe (de titel heeft wederom een hoog Mohammed Said al-Sahaf gehalte), stelt ze:

‘Complottheorieën zijn nog steeds populair in sommige kringen. Zo meent Jan Wijenberg (oud-ambassadeur in oa Saoedi-Arabië en prominent lid van Stop de Bezetting van Gretta Duisenberg, FS) in De Gelderlander van 12 februari, dat hij continu over zijn schouder moet kijken, en durven zijn kennissen hun mening niet te uiten over het recente Israëlische geweld in Gaza. Allemaal de mond gesnoerd door de almachtige Israël-lobby (…) Wijenberg draagt met zijn complottheorieën bij aan een sfeer van angst en verdachtmakingen. Dergelijke opruiing tegen de zogenaamd zo machtige Israël-lobby vergiftigt het gepolariseerde debat over Israël en de Palestijnse kwestie nog verder. Veelvuldig zijn ik en anderen die zich puur op persoonlijke titel in dit debat mengen, ervan beschuldigd deel uit te maken van deze duistere lobby, die erop uit zou zijn met alle middelen anderen de mond te snoeren. Niet alleen Jan Wijenberg of Gretta Duisenberg, maar ook mensen die het voor Israël opnemen ontvangen geregeld haat mail en bedreigingen. Heimelijk zouden wij betrokken zijn bij het Internationale Zionistische Complot, dat tot doel heeft de wereld te overheersen door media, financiële en politieke instellingen in handen te krijgen, en dat mensen tegen elkaar opzet en oorlogen veroorzaakt om daar de winsten van op te strijken. Waren niet ook de Eerste en Tweede Wereldoorlog door dit Complot veroorzaakt, de VN erdoor gecreëerd, en de Russische Revolutie erdoor ontketend? Ook de kredietcrisis staat nu op haar conto. Uit een recent onderzoek van de Amerikaanse Anti Defamation League blijkt dat ruim 30% van de Europeanen meent dat Joden in de financiële wereld achter de kredietcrisis zitten, en 40% vindt dat Joden teveel macht in de zakenwereld hebben (dat lijkt mij sterk, maar misschien vergis ik me. De Anti-Defamation League is overigens meer een club met een politieke agenda dan een betrouwbare ‘onderzoeksinstelling’, FS). Ook is er een forse toename in het aantal antisemitische incidenten. De vele antisemitische reacties op internetfora, ook van gerenommeerde kranten, liegen er niet om. Joden worden daarin geregeld bedreigd en gesommeerd onmiddellijk en publiekelijk afstand te nemen van Israëls (vermeende) daden. Vergelijkingen van Israël met de nazi’s zijn bon ton geworden. De antisemitisme beschuldiging draagt inderdaad een zware lading, maar het toenemende antisemitisme moet juist vanwege het verleden zeer serieus worden genomen’.

Dat het antisemitisme serieus moet worden genomen, daarmee ben ik het eens. Waar ik het niet mee eens ben is dat de machtige Israël lobby een mythe is. Zie bijvoorbeeld eea van het voorgaande dat hier al ter sprake is gekomen.  Ook de door Ratna aangehaalde Amerikaanse Anti Defamation League maakt deel uit van die zelfde Israël Lobby. Dit alles heeft niets te maken met antisemitische complottheorieën over de Protocollen van de Wijzen van Zion en meer van dat soort onzin, maar met hele concrete zaken, zoals Israël bijvoorbeeld haar PR heeft georganiseerd. En een aantal Joodse organisaties, in Nederland maar ook elders, zeker in Amerika, zijn daar bijzonder goed in, zo goed, dat ze ook veel macht hebben verworven. Wellicht zijn ook Ratna en Wouter bekend met het boek The Israel Lobby, van John J. Mearsheimer en Stephen M. Walt, twee gerenommeerde Amerikaanse politicologen. Hun boek wordt in brede kring als baanbrekend gezien, behalve wellicht in de kring van de Israël Lobby zelf. Ik zal hier niet op dit omvangrijke werk in gaan. Hier volstaat het wel om te verwijzen naar een documentaire van VPRO’s Tegenlicht, waarin de auteurs, medestanders (waaronder Tony Judt) en critici (waaronder Richard Pearle) werden geïnterviewd. Absolute aanrader, meer dan het kijken waard, zie hier de link (engelstalige versie).

En verder bestaat er ook de zogenaamde Hasbara Fellowship, een organisatie die vooral studenten recruteerd om Israël op campusses te promoten (’hasbara’ zou ‘uitleggen’, of ‘voorlicchting’ in het Hebreeuws betekenen). Ik moet zeggen dat ik in eerste instantie aan de Hasbara dacht toen ik kennis nam van Ratna’s blogs. Alleen als je het handboek (gewoon op internet beschikbaar, zie hier of hier) leest dan is er een schokkend verschil met Ratna. In het handboek wordt voordurend benadrukt dat er niet een Israëlisch standpunt is en dat er een pluralistische kijk bestaat. Wat je ook van zo’n Hasbara handboek mag denken (het is bedoeld om de publieke opinie te beïnvloeden en Israëls verdedigers argumenten te geven waarmee zij hun tegenspelers zouden kunnen aftroeven), zo genuanceerd en gedifferentieerd als de Hasbara instructies zijn, zo schril en eendimensionaal zijn Ratna’s tirades. Als Ratna een Hasbara fellow zou zijn is ze zeker geen goeie. Een echte Hasbara fellow zou, volgens de instructies althans, nooit Israëlische mensenrechtenorganisaties zo koeioneren en zo’n beetje voor landverraders uitmaken, zoals Ratna regelmatig doet (Uri Avnery, B’thselem, maar ook Ilan Pappé).
Het Hasbara handboek is op het eerste gezicht meer een moderne PR instructie dan een duistere handleiding voor het produceren van propaganda. Het heeft een erg hoog ‘laten we blij zijn met elkaar gehalte’ en probeert ook nog politiek correct uit de hoek te komen. Voorbeeld:
‘Jewish students in the Diaspora are not unconditional supporters of Israel, just as Israelis have different political preferences. Unfortunately, many Jewish students express their dissatisfaction with some government action or other by ignoring Israel, giving up on her just when she needs the most help and support. In our Hasbara Handbook we have rejected the old-fashioned position which states that every Jewish student must support everything that Israel does. Rather, we believe, Israel is an imperfect country, invariably run by imperfect governments. Mistakes are made, approaches are taken that are hard to understand, but one thing remains constant – the Jewish state has a right to exist, and her citizens have a right to safety’Voor veel mensen zal het misschien aanslaan, persoonlijk krijg ik altijd een beetje jeuk van voorschriften hoe je zou moeten reageren als er een complex vraagstuk aan de orde komt. Het is allemaal vrij sjablonerig en heeft bijna iets truttigs, zoals: ‘Practically speaking, this Hasbara Handbook has attempted to show that different positions exist on issues, and that the pro-Israel banner is very wide indeed. In general we have presented a fairly centrist line, in an attempt not to offend anybody, but we have included other opinions too, and attempted to remain aware of the subtleties of the debates. We have also explicitly tackled some of the dilemmas facing Jewish activists, and talked about when it’s legitimate to criticize Israel, what to do about policies one doesn’t agree with… and so on. We hope that the product is something that Jewish students feel comfortable with’.  Maar dan, Ratna en Wouter let goed op:

‘Not everybody who attacks Israel is antisemitic. It is legitimate for those who oppose Israeli policies to express this opposition in public, just as it is legitimate for Israel activists to defend Israel. It is important to defend the right of those who disagree with Israeli policies to express their opinions, and to be clear that this is a legitimate part of public debate’.
En vooral deze:’Where an act might have been motivated by antisemitism, but this is unclear, it is often worth expressing some form of disapproval, but refraining from leveling public charges of Antisemitism. Depending upon the local situation, it is often worth expressing personal upset, saying that one was “hurt, as a Jew” by the controversial act. Wrongly accusing people of Antisemitism can cheapen the charge, as well as being quite unfair. Expressing public disapproval helps to let people know that Jews care about what is said in pubic, and serves to maintain a red line of clear Antisemitism that respectable public figures know not to cross’. Knoop dat goed in je oren, Wouter en Ratna.

Het Hasbara handboek is over de gehele linie tamelijk politiek correct. Heel anders dan Ratna’s blogs, die vaak uitmunten in hysterische toonzetting en waar alles en iedereen die het niet met haar eens is wordt beschuldigd van antisemitisme. Het zelfde geldt voor Wouter, al is die in regel iets minder geraffineerd. Dus of het hier besproken duo nu echt de meest fantastische Hasbara leerlingen zijn? Ik heb zo mijn twijfels, al is de website http://www.hasbara.us/ weer wel een stukje vuiler, met banners als: ‘Tell Children the Truth’, waar de beeltenis van de Groot Mufti Haj Amin al-Husseini prijkt (die inderdaad korstondig met de Nazi’s heeft geflirt, zal ik in een nog te verschijnen artikel uitgebreid op in gaan maar zie ook mijn eerdere historisch overzicht van Irak. Maar zijn daarom alle Palestijnen fout en hebben ze daarom minder recht op hun land? Dezelfde redenering van Saddam Hoessein was een Iraki dus zijn alle Iraki’s fout. Het verhaal van de Groot Mufti wordt ook vaak door Ratna ingezet om de Palestijnen zwart te maken). Zie verder ook deze site, dit zou de ‘officiële’ Hasbara site zijn.
Overigens zijn er vaak fragmenten van het Hasbara Handboek op internet terug te vinden, maar dan veelal zonder bronvermelding. Een passage, overigens met bronvermelding, maar met weglating van het beladen woord ‘Hasbara’ staat op de site van Rosa van der Wieken ‘No Antisemitism’, zie http://www.noantisemitism.org/?pageAlias=argumenten&curId=15. Je kunt je afvragen of dit bezwaarlijk is. Mijns inziens is dit wel degelijk problematisch. De strijd tegen antisemitisme lijkt me een serieuze zaak. Wat er dus wat mij betreft niet aan deugt is dat deze op zich goede zaak wordt vermengd met ’sluikreclame’, of propaganda voor de Staat Israël. Deze site is natuurlijk een privé initiatief, maar het zou erg problematisch zijn als bijvoorbeeld de Anne Frank Stichting hetzelfde zou doen.
Een grote aanrader is verder de documentaire Peace, Propaganda & the Promised Land (BBC, 2004), hier te bekijken. De geschiedenis en het systeem van de Hasbara worden hier uitgebreid doorgelicht. Met bijdragen van een aantal interessante experts, waaronder de beroemde Midden-Oosten correspondent Robert Fisk. Maar ook met Hanan Ashrawi en Noam Chomsky. Verder ook veel kritische Israeli’s, geluiden die je op Ratna’s blogs niet snel zult aantreffen. Ook een organisatie als Camera, vaak door Ratna aangeprezen, komt hier uitgebreid aan de orde en wordt kritisch tegen het licht gehouden.
Maar itt in ieder geval het Hasbara Handbook druipen Ratna’s sites van de pathos. Voorbeeld, wat moet je met Ratna’s jankerige nieuwjaarswens?:

‘Wat zal 2010 brengen? Meer gemiste kansen, meer oorlogen, meer antizionistische leugens en meer ad hominem aanvallen op mensen die het voor Israël opnemen? (gelukkig doe jij niet aan ad hominem aanvallen, jij beschuldigt slechts iedereen die het niet met je eens is van antisemitisme, FS) Het zit er dik in (…) In Nederland stond in 2009 Dries van Agt wederom herhaaldelijk in de schijnwerpers, hoewel hij absoluut niks nieuws te melden had. Met een boek en een nieuwe organisatie kwam hij weer in alle kranten met uitgebreide en kritiekloze interviews, en natuurlijk kon hij ook bij Pauw en Witteman niet ontbreken, waar antizionisten een geliefd podium hebben. Hopelijk raken mensen en media in 2010 eindelijk eens uitgekeken op Van Agt, Von der Dunk, Van den Broek, Van Hooff en al die andere antizionisten met hun grote en kleine leugens over een klein land dat ze nooit wat heeft aangedaan. Het wordt hopelijk een jaar waarin kranten- en journaalredacties zich realiseren dat het boeiend is tegenover een pro-Palestijnse visie een stuk van Israëls kant te plaatsen, en dat na een reportage vanuit Gaza of een interview met een Palestijnse cameraman of een lid van de Goldstone commissie (dat is wel heel erg benedenmaats, je zou ze eigenlijk moeten weren, FS), een interview met iemand van het Sderot Media Centrum of iemand van Camera (zie je wel, FS) op zijn plaats zou zijn. Het wordt hopelijk ook een jaar waarin aansprekende publieke figuren zich eens voor Israël of in ieder geval tegen de huidige hetze gaan uitspreken’ (http://www.zionism-israel.com/blog/archives/00000421.html).

Tsja, wat moet je hier nu op zeggen? Verder roept ze links op om toch vooral ook naar de Israëlische kant van de zaak te kijken, zodat Wilders en co niet het monopolie hebben op het pro-Israëlische geluid. Maar ik vrees dat daar nu juist het probleem zit. De bezettingspolitiek van Israël valt niet meer te verdedigen, dus ook de mainstream begint zich heel langzaam een andere richting uit te bewegen (al is het natuurlijk nog lang niet zo ‘dramatisch’ als Ratna het voorstelt). Het probleem is meer dat Ratna zelf een extremist is geworden (en Wouter natuurlijk). En al kan ze nog zoveel dreigende antisemitisme beschuldigingen uiten, de geloofwaardigheid van het voor Israël zijn ten koste van alles (en vooral ten koste van de burgerrechten van de Palestijnen) is steeds meer op zijn retour. Gelukkig maar, al valt er nog veel te doen.
Wat er niet deugt aan Ratna Pelle is dat ze niet recht door zee is en met haar blogs op een beetje een smoezelige manier probeert het internet in het Nederlandse taalgebied te vervuilen. Natuurlijk is het haar goed recht om het web vol te plempen; het internet is daar immers een fantastische vrijplaats voor. Een grote charmante anarchie, hoewel het ook verschrikkelijk veel bagger oplevert. Vroeger colporteerden de Jehova’s langs de deuren, nu slibben ze de google zoekmachines dicht. Israël Palestina info, met een Israëlisch en Palestijns vlaggetje. Zal wel een neutrale website zijn. Zowel recht op zelfbeschikking voor de Joden als de Palestijnen. Nee hoor, een bak propaganda. Om een laatste voorbeeld te geven; op de homepage van Israël-Palestina Info staat linkerkant een serie links, waaronder naar ‘United Civilians for Peace’. Wie echter achter die link kijkt, komt niet op de site van de vredesorganisatie zelf maar wordt getrakteerd op een serie verdachtmakingen tegen United Civilians for Peace, zie hier, waar wij oa kunnen lezen: ‘Het geld wordt verder besteed aan dure advertenties tegen Israël in landelijke dagbladen, opinie-onderzoeken onder de Nederlandse bevolking, glossy brochures, manifestaties met buitenlandse gasten zoals de antizionistische en zeer omstreden historicus Ilan Pappe (O ja, is dat zo? FS) en een rondreis door Nederland met een replica-muur’. Als je dit allemaal zo ziet, rijst toch de vraag of dit bizarre duo werkelijk denkt dat hun lezers zo dom zijn dat ze echt geloven dat het hier om een ‘info-blog’ gaat. Want het bovenstaande voorbeeld is wel een beetje van het niveau Mohammed Said al-Sahaf. Maar blijkbaar wel, want Ratna Pelle, ‘academica en publiciste en medewerkster van de website Israël-Palestina Info’ kan nog steeds publiceren in serieuze kranten als Trouw en de Volkskrant, of een fatsoenlijke regionale krant als de Gelderlander. Wat zij produceert is echter niets meer dan platte propaganda. Het kan dus geen kwaad om daar een keer stevig tegenin te gaan. Vandaar deze noodzakelijke dosis tegengif.

Verder rijst toch weer de vraag: Wat bezielt haar (en Wouter)? Door anderen (zoals Jaap Hamburger van Een Ander Joods Geluid, in een surrealistische discussie met Ratna en Wouter en een zekere mevrouw Sijs  (wellicht dezelfde als mevrouw Sijs van de Stichting W.A.A.R., blijkens de correspondentie met Zembla, zie hier en hier?), is al eerder geopperd dat Ratna Pelle vooral een epigoon zou zijn van Ami Isseroff, van www.mideastweb.org. Zij haalt Isseroff  inderdaad regelmatig aan. In een bijdrage, met de veelzeggende titel De Hasbara Paradox, geeft zij deze lange passage weer:

‘But every Israeli and every Zionist and every Israel advocate must recognize that we are, and have been engaged in a media war for several years, that we are losing that war, and that the decline in Israel’s image is not a side issue to be handled only by some talking heads. The decline in Israel’s image is a strategic threat, perhaps as serious as, or more serious than, the Iranian nuclear threat, the Hamas and the Hezbollah. Those who do not yet understand that this issue is a strategic threat should consider for example, that a single mistake by the IDF or even the rumor of a mistake spread by the enemy, like the UNRWA school shelling that never was, can stop a war much more effectively than an armored division. Or consider that the effect of the constant barrage of demonization, left unanswered and uncorrected, may be to bring to power the supporters of Jimmy Carter, Lyndon Larouche and Professors Walt and Mearsheimer in the USA, and their even more vicious counterparts in Europe.
The threat is not limited to “war crimes” allegations and distortions of human rights, nor is it confined to the UN or to political media. We are faced with everything from attempts to write the Jews out of history, to expressions of outrage about harmless Israeli tourism advertisements. And if you say anything about it, you are a neocon hardline Jew Zionist member of the Israel lobby. The propaganda appears in travel guides and travel magazines, literary reviews and just about everywhere you can imagine. Israel-Bashing has become embedded in world culture, just as anti-Semitism was once a cultural staple’.
( Israeli war crimes allegations: Doing our patriotic duty )

Dit is de kern van wat zij gelooft, althans als ik af moet gaan op haar enkele duizenden bijdragen op internet. De vraag of Israël misschien echt oorlogsmisdaden zou plegen, om maar een voorbeeld van Isseroff te noemen, komt niet in haar hoofd op. Het is allemaal maar ‘beeldvorming’, al kan ik me nauwelijks iemand bedenken die meer lijdt aan ‘beeldvorming’ dan Ratna Pelle zelf. Een plaat voor haar hoofd met een slechts een kijkgaatje met een bijzonder gekleurde lens, lijkt me het meest in de buurt komen. Haar ‘beeld’ van Israël is het beeld dat tot ruim in de jaren tachtig in Nederland bestond, dat van David en Goliath. Dat dit beeld is veranderd ziet zij niet als een correctie van de realiteit, maar als morele zwakte, waarin twijfel de boventoon voert. Vandaar haar agressieve stellingname en wat mij betreft haar griezelige blikvernauwing. En iedereen die niet met haar mee strijdt is al snel een verdachte ‘antizionist’, een ‘antiziosemiet’ of een ‘antisemiet’.

Ratna en Wouter, als jullie antisemitisme willen bestrijden, mijn zegen hebben jullie. Maar richt je dan wel op echte antisemieten. Misschien sta ik dan nog wel aan jullie kant. Heb daar een tijdje terug ook het nodige aan bijgedragen zie hier, maar ook hier (en ook op dit blog zie hier).  En nogmaals, wat weten jullie van mijn eigen achtergrond ;). Het zou voor mij wel heel vreemd zijn als ik antisemitische denkbeelden zou koesteren (daarmee bedoel ik dus een racistische haat tegen Joden). Dus net zo goed tegen antisemitisme als jullie. Maar als het jullie meer gaat om een bezetting en wat mij betreft een apartheidspolitiek in stand te houden, dan sta ik lijnrecht tegenover jullie. Maar dat hadden jullie neem ik aan zelf al wel gemerkt,

verder vriendelijke groet,
Floris Schreve

January 3, 2010

Voor de liefhebbers van de ‘Joods-Christelijke en humanistische traditie’ versus ‘de islam’

 

Zomaar wat passages uit de drie belangrijkste openbaringen van het Woord Gods

Nu op dit blog het heikele thema ‘tekstuitleg van Heilige Boeken’ ter sprake is gekomen (zowel door religieuze fundamentalisten als door ‘Verlichtingsfundamentalisten’, zie deze vorige bijdrage) wilde ik alvast een fragment publiceren uit een nog te verschijnen bijdrage (die zal gaan over het Israëlische-Palestijnse conflict en de rol van bepaalde aanhangers van de drie monotheïstische godsdiensten, als moslimfundamentalisten, Joodse extremisten en ‘Christenzionisten’). Het totale verhaal zal nog wel even op zich laten wachten, maar hier is alvast een kleine ‘bloemlezing’ van verschillende passages uit de Heilige Schrift.
Voordat er misverstanden ontstaan (al leg ik het in de tekst zelf ook uit), dit is geen pamflet tegen een van, of zelfs alle drie de monotheïstische godsdiensten. Helemaal niet zelfs. Het enige wat ik wil laten zien is dat een letterlijke toepassing van deze drie eerbiedwaardige geschriften in de huidige tijd zinloos is, en vooral dat het eenzijdig fulmineren tegen een van deze godsdiensten, de islam, zoals dat tegenwoordig zeer in de mode is, enigszins hypocriet is. Opiniemakers, die zich ‘Verlichtingsfundamentalisten’ noemen, maar tegelijkertijd iemand als George W. Bush niet eens zo’n ongeschikte leider vonden (NB een ‘Born again Christian’), zouden zich wat mij betreft wel achter de oren kunnen krabben. Dat geldt overigens ook voor een PVV kamerlid als meneer Sietse Fritsma, die het bestond om in Pauw en Witteman tegen Hans van den Broek in een welhaast religieuze vervoering een tirade af te steken over ‘Judea en Sammaria’, toen van den Broek de term ‘Bezette Gebieden’ gebruikte (fragment hier terug te zien). En met zo’n man zouden dus bijvoorbeeld homoseksuelen veilig zijn tegen die intolerante moslims? ‘Brrr, dan zijn we helemaal in de aap gelogeerd’ (vrij naar een passage van Pim Fortuyn, zie deze eerdere bijdrage op dit blog). En dan te bedenken dat de PVV, itt het CDA, een seculiere partij zou zijn. Het mengsel Christenzionisme met het gebruikelijke gedachtegoed van de PVV lijkt mij een tamelijk giftige cocktail. Dat is mijn idee althans, al heeft meneer Fritsma daar misschien nog niet eens over nagedacht en riep hij maar wat. Lijkt me niet onwaarschijnlijk, net als zijn collega Hero Brinkman, die met zijn kreet ‘Nederland ontwaakt!’ per ongeluk een NSB slogan bezigde. Dan heb je geen ‘demonisering’ meer nodig, om het maar voorzichtig uit te drukken. Dat laatste valt overigens erg goed te rijmen met het hysterische maar oppervlakkige filosemitisme van de PVV. Alhoewel onze Geert onmiskenbaar meer van de knoet erover is dan de vijver met kwakende kikkers die we bij de LPF hebben gezien, lijkt het me voor zijn partij wel handig dat op dit soort heikele punten de neuzen dezelfde kant opwijzen. ‘Judea en Sammaria’ en ‘Nederland ontwaakt’; dat zijn hele gevoelige zaken die denk ik moeilijk samen gaan en als je zomaar op die knoppen drukt spingen er allerlei associatieve doosjes open, met alle neveneffecten van dien. Dus pas op. ’Een beetje dom’, in de woorden van Prinses Maxima. De PVV wordt niet gedemoniseerd. Neen, de PVV demoniseert zichzelf. Zie overigens ook dit artikel op de site van het Historisch Nieuwsblad en het commentaar van de historicus Gjalt Zondergeld, op dit blog al vaker genoemd in een heel ander verband, over het logo van de PVV. Per ongeluk lijkt dit logo wel erg veel op een van de emblemen van de NSB. Ook weer een gevalletje van ‘een beetje dom’.
Tot zover de PVV. Ik zou nog veel meer voorbeelden kunnen noemen, maar het gaat hier nu over een bredere onderstroom dan het PVV smaldeel, nl over westers superioriteitsdenken uit naam van de recent heruitgevonden ‘Verlichting’, als baken tegen de ‘barbaren’.  Kortom, het verhaal van de balk en de splinter, in andermans en de eigen ogen:

 

Jodendom, Christendom en Islam en hun onderlinge verhoudingen

Antisemitisme is een heel oud verschijnsel in Europa of zelfs in alle gebieden waar het Christendom de boventoon voert. Het is zeker verschillend met het islamitische cultuurgebied, waar antisemitisme of in ieder geval anti-judaïsme (want ook Arabieren zijn Semieten, het kan niet vaak genoeg benadrukt worden) veel minder aanwezig was, althans in de periode van voor de twintigste eeuw.
Na het neerslaan van de Joodse opstand door de Romeinen in 70 n. Chr. en vooral de opstand van 134-135, die werd neergeslagen door de Romeinse veldheer Julius Severus, werden de Joden uit hun oorspronkelijke leefgebied verbannen en verspreid over verschillende delen van het Romeinse Rijk. Dat is eigenlijk bijna 2000 jaar zo gebleven, totdat eind negentiende eeuw de eerste Zionistische initiatieven het levenslicht zagen.
De geschiedenis van het Jodendom of de joden in Europa is er een geweest van pogroms, discriminatie, onderdrukking en uitsluiting. Gedurende de Middeleeuwen leefden de Joden veelal in getto’s (het woord ‘getto’ komt zelfs van de gelijknamige Joodse wijk ‘Ghetto Nuovo’ in Venetië). Joden waren ook uitgesloten van vele beroepen. Noodgedwongen was een aanzienlijk deel vrij ondernemer, veelal handelaar. Het (antisemitische) cliché dat ‘Joden goed in geldzaken zouden zijn’, vindt natuurlijk zijn oorsprong in het feit dat het vrije ondernemerschap vaak de beste gelegenheid was waarin Joden maatschappelijk vooruit konden komen. Ook het bankwezen viel daaronder. Als je gediscrimineerd wordt kun je natuurlijk het beste voor jezelf beginnen. Als je daarin succesvol bent en in economisch opzicht van nut kunt zijn, hechten handelspartners, klanten of andere belanghebbenden vanzelfsprekend minder aan allerlei religieuze of culturele verschillen. Het feit dat er in de Nederlanden voor een bepaalde periode een relatief tolerant klimaat bestond voor Joden had daar natuurlijk alles mee te maken. De Spaanse en Portugese Joden die zich hier gevestigd hebben, werden in eigen land na de Reconquista op de islamitische overheersing (die vele malen toleranter was dan de daarop volgende Katholieke overheersing), het leven zo zuur gemaakt dat ze hun heil elders zochten. In Antwerpen en Amsterdam waren ze welkom omdat ze een substantiële bijdrage leverden aan de economie, niet om iets anders. De tolerantie was dus eerder pragmatisch dan principieel. Dat gaandeweg er ook een belangrijke bijdrage werd geleverd aan de wetenschap en het culturele leven, is een gelukkige bijzaak geweest, die voorvloeide uit de pragmatische tolerantie uit economische opportuniteit. Het is vooral om die reden geweest dat een belangrijk filosoof als Baruch de Spinoza in Amsterdam zijn werken kon publiceren. ‘Erst kommt das Fressen, dann der Moral’ (naar de passage van Berthold Brecht) is zeker toepasbaar op ‘onze Nederlandse tolerantie’, hoewel je daar tegenwoordig weinig meer van hoort, maar dat is weer een heel ander verhaal.
Het antisemitisme in Europa werd op verschillende manieren ‘verantwoord’, zowel religieus als ‘seculier’. Hoewel het Christendom natuurlijk zijn oorsprong vindt in het Jodendom (Christus was immers zelf een Jood) heeft de Rooms Katholieke Kerk zich in haar lange geschiedenis voortdurend schuldig gemaakt aan antisemitisme. Hetzelfde geldt tot op zekere hoogte ook voor de Protestante kerk (Luther was zelfs een felle antisemiet). Wellicht is het zinvol om toe te lichten hoe dit antisemitisme aan de hand van de Christelijke leer werd en soms nog steeds wordt verantwoord.
Het Christendom is natuurlijk uit het Jodendom voortgekomen, al bestaat er veel onzekerheid over de historische figuur Jezus. Los van de Christelijke bronnen (de Evangeliën, zowel de gecanoniseerde als de apocriefe) is er geen historisch bewijsmateriaal overgeleverd over de persoon Jezus. Naar alle waarschijnlijkheid was hij een van de vele Joodse Predikers uit die tijd, die een vernieuwde religieuze boodschap trachtten te verkondigen, tegen de verdrukking door de Romeinen in. Veel van deze predikers en hun aanhangers zetten zich af tegen de traditionele Joodse priesterklasse, die zich had geconformeerd naar het Romeinse gezag. Het is zelfs de vraag of Jezus daadwerkelijk een nieuwe religie wilde stichten. Veel van wat er over hem is overgeleverd zegt meer over de volgelingen uit die tijd dan over de persoon Jezus zelf.
Wel wordt er al vrij kort na zijn dood melding gemaakt van de Christenen, die al snel, ook buiten Palestina, in het Romeinse Rijk actief waren, zij het als een marginale beweging. Het was pas veel later dat het christendom een factor van betekenis zou worden. Dit ligt anders dan bijvoorbeeld bij de Islam, waar de eerste grote successen werden geboekt gedurende het leven van de Profeet Mohammed. Wellicht is er bij de overleveringen van de Profeet veel Dichtung en Wahrheit tot een verhaal gemaakt, maar de Islam kende in haar vroegste bestaan, veel meer dan het Christendom, een traditie van een kritische tekstlezing, waar werd nagegaan wat er wel van de Profeet afkomstig was en wat niet. Dit vooral omdat de Islam in een veel vroeger stadium een dominante stroming was en dit bij het Christendom een paar eeuwen op zich liet wachten. Een traditie van schriftgeleerden, die al in de begintijd bij de islam aanwezig was, ontbrak bij het vroege Christendom, voornamelijk omdat het Christendom haar geschiedenis begon als een min of meer clandestiene religie.
Hoe dan ook, toen het Christendom een belangrijke factor en het zelfs de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk werd, waren er al ruim drie eeuwen voorbij gegaan. Inmiddels had ook het Christendom zich grotendeels losgemaakt van zijn oorsprong, een afsplitsing van het Jodendom. En toen het Christendom werd geïntegreerd in de ideologie van het Romeinse Rijk bestond er vanzelfsprekend de behoefte om de religieuze inhoud vooral af te zetten tegen het traditionele Jodendom en niet tegen het Romeinse gezag.
In de Evangeliën, zoals wij die nu kennen, zijn daar duidelijke sporen van. Het is niet de Romeinse landvoogd Pilatus die Christus tot het kruis heeft veroordeeld, maar het Joodse volk. Pilatus laat het ‘Joodse volk’ kiezen wie er, ter gelegenheid van het Joodse Paasfeest, gratie mag worden verleend: Jezus, de ‘Koning der Joden’ of de crimineel Barabbas. Het verzamelde ‘Joodse volk’ (de menigte ter plekke) kiest voor Barabbas en laat de Zoon des Mensen kruisigen. Volgens Mattheus: ‘Maar de hogepriesters en de oudsten haalden het volk over Barrabas te kiezen en Jezus te doen sterven. De landvoogd nam weer het woord en sprak tot hen: ‘Wie van de twee wilt u dat ik vrijlaat?’ Zij zeiden: ‘Barabbas!’ Pilatus vroeg hen: ‘Wat zal ik dan doen met Jezus die Christus genoemd wordt?’ Zei riepen allen: ‘Aan het kruis met Hem!’ Hij hernam: ‘Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?’ Maar zei schreeuwden nog harder: ‘Aan het kruis met Hem!’ Toen Pilatus zag dat hij niets verder kwam, maar dat er veeleer tumult ontstond, liet hij water brengen en waste ten overstaan van het volk zijn handen, terwijl hij verklaarde: ‘Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtschapen man; gij moet het zelf maar verantwoorden’. Het volk riep terug: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!’ Daarop liet hij omwille van hen Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden’ (Mattheus 27: 20-26).[1]
Op die manier zijn de Joden verantwoordelijk gehouden voor de dood van Christus en ‘wast Pilatus zijn handen in onschuld’. Vervolgens vervloekt het Joodse volk zichzelf met de formule ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’. Deze passage is een van de beruchtste mantra’s geweest van het Christelijke of zelfs westerse antisemitisme. Hiervan stamt de notie van de Joden als ‘Godsmoordenaars’, die tot in lengte van dagen vervloekt zouden zijn.
Hoewel er veel onzeker is over de totstandkoming van de Evangeliën in de vorm zoals wij die nu kennen is deze passage vrijwel zeker afkomstig uit de tijd dat het Christendom in de Romeinse tijd erkenning moest krijgen. Heel simpel gezegd zou het dan moeilijk te verkopen zijn geweest om een Romeinse gezagsdrager verantwoordelijk te stellen voor de moord op het Lam Gods. Maar naar alle waarschijnlijkheid is het wel zo gebeurd; het is inmiddels bekend dat slechts het Romeinse gezag bevoegd was om iemand tot de kruisiging te veroordelen. De Joodse Sanhedrin kon wel doodvonnissen uitvaardigen, maar uitsluitend executies middels steniging. De kruisiging was een Romeinse straf, die ook elders in het Romeinse Rijk veelvuldig werd uitgevoerd (denk maar aan Spartacus). Dat Pilatus het volk zou hebben laten kiezen is niet voor de hand liggend; het verhaal van het wassen van de handen in onschuld is dus waarschijnlijk een verzinsel waarmee de Romeinen zich trachtten te verschonen (letterlijk) toen het Christendom de staatsgodsdienst werd. En rond die tijd werden ook de vier Evangeliën gecanoniseerd (en zeker ook ‘geredigeerd’, om het eufemistisch uit te drukken).
Overigens wijst ook de Koran het Jodendom af, althans er zijn een aantal passages waar dat heel duidelijk gebeurt, bijvoorbeeld Sura 5, vers 51: ‘O Gij die gelooft neemt u niet de joden en de christenen tot verbondenen zij zijn elkanders verbondenen en wie Uwer met hen gemeenschap aangaat die behoort tot hen. God leidt waarlijk niet recht de onrechtdoende lieden’. En iets verderop (Sura 5, vers 57-58): ‘O Gij die gelooft neemt u niet tot verbonden uit het midden van hen tot wie de Schrift voor uw tijd gekomen is diegenen die uw godsdienst maken tot voorwerp van spot en scherts en ook niet de ongelovigen. Vreest God indien gij gelovig zijt. En wanneer gij oproept tot de salāt (het gebed, FS) maken zij haar tot een voorwerp van spot en scherts. Dit omdat zij onverstandige lieden zijn’(…) (vers 60): Zeg: Zal ik u iets aanzeggen dat bij God nog slechter beloond wordt dan dat? Zij die door God vervloekt zijn en op wie Hij vertoornd is en van wie hij er heeft gemaakt tot apen en zwijnen en die de Tāğūt ( noot vertaler: hiermee worden de joden of de christenen bedoeld) dienen diegenen hebben de slechtste plaats en dwalen het verst af van de gebaande weg (…) (vers 63): Hadden de Rabbijnen en de schriftgeleerden hen dan niet kunnen afhouden van het zeggen van zondige dingen en het verteren van het onrechtmatige? Slecht is waarlijk wat zij verrichten. En de Joden zeggen: Gods hand is dichtgeknepen. Mogen hun handen dichtgeknepen worden en mogen zij vervloekt worden om wat zij zeggen (…) (vers 78): Vervloekt zijn zij die ongelovig waren van de zonen Isrāīls door de tong van Dāwūd (=David, FS) en van ‘Īsā, de zoon van Maryam (=Jezus, de zoon van Maria, FS). Dat was omdat zij ongehoorzaam waren en in overtreding. Zij hielden zich niet af van het verwerpelijks dat zij deden. Kwaad was het voorwaar wat zij deden’[2].
Ook deze tekst is niet bepaald de meest zachtmoedige of meest tolerante die er in de Koran te vinden is. Overigens gaat het mij hier ook niet om. Het is zeker niet de bedoeling om hier een soort Fitna-achtige Wilders collage neer te zetten. Elders staan er weer genoeg passages waarin wordt vermeld dat Gods Genade grenzeloos is. Ook worden de profeten van het Oude Testament en Jezus in de Islam gezien als belangrijke profeten, waarvan Mohammed de laatste was en degene met de meest ‘afgeronde boodschap’ (daarom wordt Mohammed ook wel ‘het zegel der Profeten’ genoemd). Dus ook de Koran, net als de Joodse en de Christelijke overlevering spreekt zichzelf weleens tegen, of benadert een thema vanuit verschillende invalshoeken (het is maar hoe je er tegenaan kijkt, maar de laatste omschrijving lijkt me ook voor gelovigen geheel acceptabel).
Bovendien staan er in alle drie de Heilige boeken dit soort teksten. Zie ook het Oude Testament. Zo kunnen wij in Leviticus lezen: ‘Gij zult vlees eten van uw zonen en dochters. Uw offerhoogten verwoest Ik. Uw wierrook altaren haal Ik omver, uw gedenktekens smijt Ik op een hoop met die van uw afgoden, want Ik walg van u. Van uw steden maak Ik een woestijn, van uw heiligdommen een puinhoop. De geur van uw gaven kan Ik niet meer uitstaan. Als Ik eenmaal het land ga verwoesten staan zelfs de vijanden die er wonen verbijsterd’ (Leviticus 26; 27-32)[3]. En over homoseksuelen heeft Leviticus het volgende te melden (wellicht de meest beruchte passage van alle drie de monotheïstische godsdiensten op dit specifieke gebied): ‘Als een man met een andere man omgang heeft als met een vrouw begaan zij een afschuwelijke daad. Zij moeten ter dood worden gebracht; zij hebben de dood aan zichzelf te wijten’ (Leviticus 20; 11)[4]
Uitzonderingen zijn de bovenstaande passage niet. De Joodse overlevering, die onverkort is overgenomen in de Christelijke traditie, kent veel meer van dit soort ‘zedige teksten’. Kijk maar wat het Oude Testament zegt over een onschuldig vertier als zelfbevrediging (hele generaties Calvinistische pubers zijn op die manier getraumatiseerd, zie ook de boeken van Jan Wolkers, al kun je in deze passage ook wat anders lezen): ‘Toen zei Juda tot Onan: ‘Ga naar de vrouw van je broer, sluit met haar een zwagerhuwelijk en zorg dat je een kind verwekt voor je broer’. Maar Onan wist dat dit kind niet van hem zou zijn, daarom liet hij telkens als hij met de vrouw van zijn broer samen was, het zaad op de grond verloren gaan, om voor zijn broer geen kind te verwekken. Zijn gedrag was slecht in Jahwe’s ogen, zodat deze hem ook liet sterven’[5] (Genesis 38; 8-10). Als je uit deze passage een moraal wilt destilleren kun je verschillende kanten op, om het maar voorzichtig te zeggen. En het kan nog intiemer binnen een familie, als we zien wat Juda nog meer uitspookt. Want het verhaal gaat verder: ‘Toen zei Juda tot zijn schoondochter Tamar: ‘Ga als weduwe naar het huis van mijn vader terug, totdat mijn zoon Sela volwassen is (…) Toen Tamar vernam dat haar schoonvader naar Timna kwam om schapen te scheren met zijn vriend Chira uit Adullam, legde zij haar weduwendracht af, hulde zich in een sluier en parfumeerde zich en ging bij de Enaïmpoort aan de weg naar Timna zitten. Want zij had gemerkt dat Juda haar niet aan Sela tot vrouw gaf, ofschoon die de volwassen leeftijd bereikt had. Toen Juda haar zag hield hij haar voor een publieke vrouw, daar zij haar gezicht bedekt had. Hij ging naar haar toe, langs de weg, en vroeg: ‘Kan ik bij je terecht?’ Hij wist niet dat zij zijn schoondochter was. Zij antwoordde: ‘Wat geeft u mij, als u bij me mag komen?’ Hij antwoordde: ‘Ik zal je een geitenbokje van mijn kudde sturen’. Zij antwoordde: ‘Geef mij dan een pand, tot u mij het bokje hebt gestuurd’. Hij zei: ‘Wat voor pand moet ik je geven?’ Zij gaf ten antwoord: ‘Uw zegel, uw snoer en de staf die u bij u hebt’. Hij gaf ze haar, had omgang met haar en zij werd zwanger. Daarop ging zij heen, legde haar sluier af en trok haar weduwendracht weer aan (…) Door bemiddeling van zijn vriend uit Adullam probeerde Juda de vrouw het geitenbokje te doen toekomen, om het pand van haar terug te krijgen. Maar zijn vriend kon haar niet vinden (…) Ongeveer drie maanden later werd aan Juda medegedeeld: ‘Uw schoondochter Tamar heeft ontucht gepleegd en is nu zwanger’. Juda sprak: ‘Breng haar dan weg om verbrand te worden’. Terwijl men haar wegbracht liet zij echter aan haar schoonvader zeggen: ‘Van de man, aan wie deze dingen behoren ben ik nu zwanger’. En zij voegde er aan toe: ‘Ga eens na van wie dit zegel, dit snoer en deze staf zijn’. Juda herkende ze en zei: ‘Zij staat tegenover mij in haar recht, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven’. Verder heeft Juda geen gemeenschap meer met haar gehad’ (Genesis 38; 10-24) .[6]
Het is natuurlijk heel makkelijk om op grond van deze passages te concluderen dat hoerenlopen en ‘gemeenschap hebben met de weduwe van je zoon’ wel is toegestaan, maar zelfbevrediging, ‘onaneren’, niet. Waar het hier natuurlijk om gaat is dat alles in dienst stond van de voortplanting want de continuïteit van de stam of gemeenschap moest gewaarborgd zijn, een moraal die nog steeds bestaat in bijvoorbeeld de Katholieke Kerk. En dan nog. Maar het ‘probleem’ is dat deze teksten gewoon heel erg oud zijn en uit een volstrekt andere culturele context komen dan de onze. We hoeven het ook niet te hebben over de vrouwvriendelijkheid van deze passage. Juda kan hoerenlopen wat hij wil, maar Tamar loopt het risico om wegens buitenechtelijke ‘omgang’ met daarop volgende zwangerschap verbrand worden.
Om deze bloemlezing met een aardigheidje af te sluiten; wat moet een orthodox christelijke minister van gezinszaken met deze uitspraken van Jezus uit het Nieuwe Testament? (geldt ook voor het CDA dat het gezin als ‘de hoeksteen van de samenleving’ ziet). Mattheus 10; 21: ‘De ene broer zal de andere overleveren om hem te laten doden, de vader zijn kind, de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders om hen ter dood te brengen’ en (Mattheus 10; 34-35): ‘Denk niet, dat Ik vrede ben komen brengen op aarde; Ik ben geen vrede komen brengen maar het zwaard. Tweedracht ben ik komen brengen tussen een man en zijn vader, tussen dochter en moeder, schoondochter en schoonmoeder en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn’.[7] Het gaat er mij hier overigens niet om een volgens mij integere minister als André Rouvoet onnodig voor het hoofd te stoten, maar wel dat een al te letterlijke interpretatie dus problematisch kan zijn.
Tot zover deze selectie hoogtepunten en terug naar het eigenlijke onderwerp. Waar het hier natuurlijk om gaat is hoe deze tamelijk willekeurige citaten uit de Heilige Boeken van de drie monotheïstische godsdiensten in de loop van de geschiedenis in de praktijk zijn toegepast. En de theorie is vaak anders dan de praktijk. Bovendien staan er zoveel tegenstrijdigheden in alle drie de heilige boeken, dat je er vaak alle kanten mee uitkunt. Jodendom, Christendom en Islam vertegenwoordigen alle drie een zeer eerbiedwaardige traditie, maar over de toepassing is het niet makkelijk om een consensus te vinden en dat is in de loop van de geschiedenis wel gebleken. Dat geldt dus voor alle drie de monotheïstische godsdiensten. Wat dat betreft lijkt het mij niet onverstandig als degenen die tegenwoordig de slogan bezigen ‘De Joods-Christelijke Humanistische traditie versus de Islam’ een klein beetje zouden inbinden. ‘De pot verwijt de ketel’ lijkt mij in deze geen misplaatste stoplap. Want ook de Islam kent zeker een ‘Verlichte’ traditie, dat is niet slechts voorbehouden aan het Jodendom of het Christendom.
Overigens geen enkel misverstand. Mijns inziens vertegenwoordigen deze drie monotheïstische godsdiensten grote tradities en zijn het belangrijke cultuurdragers waaruit ook veel goeds is voortgekomen. Bovenstaande passages heb ik alleen aangehaald om duidelijk te maken dat het zinloos is om elkaar vliegen af te vangen op de donkere kanten van deze religies. Die hebben ze namelijk alle drie. Bovendien denk ik dat het zinloos is om een godsdienst heel eendimensionaal op de letter te ‘beoordelen’. Zo’n benadering is wat mij betreft het spiegelbeeld van het religieus fundamentalisme; beide maken dezelfde denkfout. Zie voor meer bijvoorbeeld mijn eerdere bijdrage over Nasr Abu Zayd.
Maar het gaat hier nu niet om tekstexegese. Als we kijken naar hoe de verspreid in de Diaspora levende Joden het is vergaan, dan kan er geconcludeerd worden dat zij in het algemeen in de Christelijke wereld er veel slechter af waren dan in de islamitische wereld. In de islamitische wereld werden Christenen en Joden gezien als ‘gelovigen van het boek’ en genoten zij zelfs een vorm van staatsprotectie, mits zij extra belastingen betaalden. Er was dus wel sprake van institutionele discriminatie, maar in regel werden zij niet vervolgd. Natuurlijk zijn er ook daar geregeld uitbarstingen geweest, waarbij diverse minderheden het moesten ontgelden, maar de norm was dat als de Joden en Christenen zich schikten naar het islamitische gezag zij vrij waren om hun godsdienst uit te oefenen. Dit gold voor verschillende islamitische rijken die er geweest zijn, van de Khaliefen tot de Osmaanse sultans. In het Osmaanse Rijk konden Joden en Christenen soms toetreden tot de hoogste kringen. Soms waren zij ministers of gouverneur of genoten zij anderszins aanzien. De beroemdste architect die het Osmaanse Rijk heeft voortgebracht, Mimar Sinan, onder meer de ontwerper van de beroemde brug van Mostar in Bosnië, was oorspronkelijk een Griekse Christen. En vooral zijn moskeeën (zoals de Suleyman de Grote Moskee in Istanbul) zijn wereldberoemd.
Dit lag in de Christelijke wereld vaak een beetje anders. De notie van de Joden als ‘Godsmoordenaars’ is in de loop der tijd beslist geen dode letter gebleken’…. Enz. De rest volgt later nog.

Tot zover dit fragment van een nog te verschijnen bijdrage. En nogmaals, dit is geen miskenning van de oude en eerbiedwaardige teksten, die voor velen een diepe betekenis hebben. Wel is het een kritische noot bij een al te letterlijke lezing van zowel de religieuze als Verlichtingsfundamentalisten als door de aanhangers van de recent uitgevonden ‘Joods-Christelijke en Humanistische traditie’, die eigenlijk bedoelen ‘wij dynamische en verlichte geesten versus de eeuwige en onveranderlijke islam’. Verder wil ik hier ook wijzen op een column waar ik het maar ten dele mee eens ben, van iemand met wie ik het zelfs maar zelden eens ben. Toch stipt Max Pam in zijn column De Mythe van het Joods-Christelijke Fundament een aantal zaken aan die zeker het overdenken waard zijn. Bij deze beveel ik hem van harte aan, hier te raadplegen.

Floris Schreve

[1] Geciteerd uit: De Bijbel uit de grondtekst vertaald; de Willibrordvertaling, Katholieke Bijbelstichting, Boxtel, 1991, p. 1314

[2] De Koran uit het Arabisch vertaald door prof. dr. J.H. Kramers, bewerkt door drs. Asad Jaber en prof. dr. Johannes J.G. Jansen, de Arbeiderspers (Rainbowpockets), 1997, p. 129, 130, 131, 133

[3] Willibrordvertaling (1991), p. 133

[4] Idem, p. 126

[5] Idem, p. 46

[6] Idem

[7] Idem, p. 1291

 

Free Hit Counters
Free Web Counter

Unieke bezoekers (vanaf 11 januari 2010)

December 1, 2009

Drie kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederland (fragmenten scriptie)

Voor mijn afstudeerscriptie over hedendaagse kunstenaars uit de Arabische wereld die wonen en werken in Nederland schreef ik, naast de ontwikkeling van de moderne kunst in de Arabische wereld zelf, de verschillende redenen van waarom deze kunstenaars zich in Nederland hebben gevestigd en het meer theoretische kader, ook een aantal portretten van individuele kunstenaars.
Eerder heb ik op dit weblog al een fragment gepubliceerd over het gedachtegoed van Edward Said en zijn polemiek met Kanan Makiya (vooral van belang voor de theoretische achtergrond). Het leek mij aardig om hier drie individuele kunstenaars te presenteren, uit drie verschillende landen, van verschillende generaties en elk met een verschillende reden voor hun vestiging in Nederland (voor mijn scriptie heb ik uiteindelijk van tweeëntwintig kunstenaars zo’n individueel portret gemaakt, hoewel er meer namen vallen in mijn totale scriptie (zo’n veertig van de bij mijn weten 119 kunstenaars uit de Arabische wereld die in Nederland actief zijn).
Achnaton Nassar uit Egypte kwam naar Nederland om zijn opleiding te vervolgen en is uiteindelijk hier gebleven. Qassim Alsaedy uit Irak kwam naar Nederland als politiek vluchteling. Rachid Ben Ali, de jongste, komt uit een achtergrond van Marokkaanse migranten.
Er ruim boven de honderd kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederland actief. En natuurlijk, zoveel kunstenaars, zoveel individuen, persoonlijkheden en stijlen. Deze gedifferentieerdheid heb ik ook altijd centraal gesteld, al was het maar om duidelijk te maken dat er niet iets van een typische ‘Arabische moderne kunst’ bestaat , of een typisch ‘Nederlandse Arabische kunst’. De hier besproken drie voorbeelden laten dat duidelijk zien. Wel is het zo dat alle drie markante voorbeelden zijn van een boeiende culturele kruisbestuiving, die tot voor kort onzichtbaar was en sinds enige tijd weer sterk onder druk is komen te staan. Overigens als je wat zou willen zeggen over hoe deze kunstenaars zich tot de traditie van hun land van herkomst verhouden (in ieder geval tot de moderne kunst, zoals die in de twintigste eeuw tot ontwikkeling is gekomen in respectievelijk Egypte, Irak en Marokko) dan zou je kunnen stellen dat Qassim Alsaedy van deze drie het meest in de traditie past van de moderne Iraakse kunst. Wie meer voorbeelden heeft gezien zou dat vrij makkelijk kunnen herkennen, zij het dat Qassim wel een heel sterke persoonlijke stijl heeft. Achnaton Nassars abstracte werk past zeker in een bredere ontwikkeling van de kunst van de Arabische wereld, zoals hij bijvoorbeeld de traditie van de lettertekens verwerkt. Maar ook zijn stijl is strikt persoonlijk. Het werk van Rachid Ben Ali, hoewel zijn achtergrond wel degelijk een rol speelt, staat eigenlijk geheel los van de moderne kunst in Marokko zelf, maar Rachid is pas kunstenaar geworden in Nederland en dus niet direct beïnvloed door de belangrijke Marokkaanse kunstenaars als Farid Belkahia, Ahmed Cherkaoui, Mohammed Abouelouakar of Fouad Bellamine, hoewel hij te kennen heeft gegeven zeker bewondering te hebben voor de laatste en wellicht is er iets van een oppervlakkige verwantschap of inspiratie (hetzelfde soort gebruik van gebroken wit), maar ook niet meer dan dat.
Het belangrijkste in dit verband is dat deze kunstenaars drie bijzondere individuen zijn, die alledrie op hun eigen manier een bijzondere verrijking betekenen voor het culturele leven in ons land.
Deze teksten zijn geschreven in 2001 (de interviews die ik met de kunstenaars had zijn uit 2000 en 2001), dus wellicht alweer verouderd. Vanzelfsprekend hebben deze drie kunstenaars zich sinds die tijd weer verder ontwikkeld. Toch denk ik dat het nog veel van deze drie portretten in grote lijnen nog redelijk volstaan. Het zijn drie losse fragmenten uit het tweede hoofdstuk van mijn scriptie, over drie verschillende kunstenaars, met verschillende achtergronden en werkwijzen en uit drie verschillende landen.

Wel zijn er wat extra afbeeldingen toegevoegd, ook van recenter werk (dus van ruim nadat ik deze teksten geschreven had).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Achnaton Nassar, Zonder titel, olieverf op paneel, 1992

Achnaton Nassar

‘Achnaton’ Wahib Mahmoud Abou Nassar werd in 1952 geboren in Qena, Egypte. Hij volgde in eerste instantie zijn kunstenaarsopleiding aan de universiteiten van Alexandrië en Cairo. Hier werd hij opgeleid in de islamitische traditie, waarbij het Arabische alfabet als uitgangspunt diende. Nassar vond dit te beperkt. De drang om zich verder te ontwikkelen dreef hem naar Europa. Na een studie architectuur in het Griekse Saloniki deed Nassar zijn toelatingsexamen voor de Rijksacademie, te Amsterdam.
De tekeningen die hij inleverde voor zijn toelating werden door de docenten wat vreemd gevonden. Het werk was geïnspireerd op de Islamitische kalligrafie, een manier van werken die hier volledig onbekend was. De docenten van de Rijksacademie besloten Nassar een tweede kans te geven. Hij kreeg een schetsboek en een potlood met de opdracht tekeningen te maken op de Albert Cuypmarkt. De resultaten werden als zeer goed beoordeeld en Nassar werd ruimschoots toegelaten tot de Rijksacademie.
Na zijn studietijd keerde Nassar voor een paar jaar terug naar Egypte. Lang heeft zijn vertrek niet geduurd, al snel ging hij weer naar Nederland om zich in Amstelveen definitief als kunstenaar te vestigen. Sinds die tijd is hij zeer actief geweest. Hij nam deel aan belangrijke tentoonstellingen als Het Klimaat en Het land dat in mij woont. In 1993 won hij de Europaprijs voor de schilderkunst in Oostende.

Het omvangrijke oeuvre van Nassar is van een grote stilistische diversiteit. Hij werkt zowel figuratief als abstract, hij schildert en tekent, of werkt met collages en een enkele keer met een installatie. Soms nemen zijn werken op een politieke manier stelling, een andere keer zijn het lyrische abstracties. Opvallend is Nassars gebruik van ironie, dat hij als stijlmiddel op een buitengewoon uitbundige wijze toepast in zijn figuratieve werk. Hierbij put hij uit veel verschillende bronnen zoals, de Nederlandse en de Arabische kunstgeschiedenis, volkscultuur, reclamebeelden en kitschobjecten.
Het omvangrijke oeuvre van Nassar is van een grote stilistische diversiteit. Hij werkt zowel figuratief als abstract, hij schildert en tekent, of werkt met collages en een enkele keer met een installatie. Soms nemen zijn werken op een politieke manier stelling, een andere keer zijn het lyrische abstracties. Opvallend is Nassars gebruik van ironie, dat hij als stijlmiddel op een buitengewoon uitbundige wijze toepast in zijn figuratieve werk. Hierbij put hij uit veel verschillende bronnen zoals, de Nederlandse en de Arabische kunstgeschiedenis, volkscultuur, reclamebeelden en kitschobjecten.
Een duidelijk voorbeeld is Zonder Titel uit 1995 (afb. 43). Men ziet de poort van een gebouw, dat onmiskenbaar Arabische trekken vertoont, met daarvoor een uitstalling van een verzameling schoenen . Ogenschijnlijk gaat het hier om een moskee en zijn de schoenen van degenen die binnen aan het bidden zijn. Bij nadere bestudering klopt dit beeld niet helemaal. De schoenen blijken Hollandse klompen te zijn. De poort is niet versierd met Islamitische decoraties, hij blijkt overladen te zijn met Delfts blauwe kitsch-tegeltjes. Waar gaat het hier om? Is dit een moskeepoort of iets anders? Gaat dit werk over de Islam of zegt het vooral iets over ons?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Achnaton Nassar, Zonder titel, acryl op paneel, 1995

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Achnaton Nassar, Zonder titel, acryl op paneel, 1995-2000

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Achnaton Nassar, Zonder titel, acryl op (dubbelzijdig) paneel, 1996

 

 

 

 Nassar06

detail bovenstaande afbeelding

 

Als geen ander is Nassar een meester in het maken van beeldgrappen. Dit geldt vooral voor zijn figuratieve werk. Tekenend is bijvoorbeeld Zonder Titel, 1995 (afb. 44). Het beeld verwijst naar het bankbiljet voor duizend gulden, waarop de kop van Spinoza staat uitgebeeld. Door kleine ingrepen is het beeld van betekenis veranderd. Het gebruikelijke 1000 gulden is vervangen met 1001 Nacht en De Nederlandsche Bank is veranderd in De Wereldliteratuurbank. Het biljet is getekend door president N. Mahfouz op 22 juli 1952, de dag van de Egyptische revolutie en bovendien Nassars geboortedag. Een opmerkelijk detail zijn de met goudverf aangebrachte lijnen in het gezicht van Spinoza. Deze lijnen, die lopen vanaf het profiel van de neus via de rechter wenkbrauw naar het rechteroog, vormen het woord Baruch in het Arabisch, Spinoza’s voornaam (achtereenvolgens de letters Ba, Alif, Ra en Kha). Op deze wijze plaatst Nassar een Nederlands symbool als het duizend gulden biljet in een nieuwe context. Spinoza was immers in zijn tijd ook een vreemdeling, namelijk een nazaat van Portugese Joden. Met een werk als dit stelt Nassar belangrijke vragen over nationale versus hybride identiteit en maakt hij een statement over de betrekkelijkheid van symboliek als een statisch referentiepunt van nationale identificatie.
Een ander typerend voorbeeld is de symbolische verbeelding van twee leeuwen. Rechts zien wij de Osmaanse leeuw, links de Nederlandse leeuw, gerepresenteerd in de vorm van de kaart van Nederland, wat in de zestiende en zeventiende eeuw zeer gebruikelijk was. Opmerkelijk is dat de Nederlandse leeuw is weergegeven tegen een achtergrond van Delfts Blauwe tegeltjes (afb. 45). Toch gaat het hier niet om het traditionele Delftse aardewerk; de tegels bevatten afbeeldingen van een zelfportret van Rembrandt, de naam van Allah in het Arabisch, logo’s van Nederlandse bedrijven en zelfs een streepjescode. Hoge kunst, volkscultuur, commercie en kitsch geven gezamenlijk een ironisch beeld van het begrip ‘Nederlandse identiteit’.
De thematiek van Nassars figuratieve werk doet enigszins denken aan de serie Reconquista van Nour-Eddine Jarram. Toch gaat hij hierin veel verder en maakt hij meer gebruik van beelden uit de massacultuur. De essentie van zijn werk ligt in het feit hoe de een naar de ander kijkt en de ander weer naar de een. Het werk van Nassar getuigt van een snelle associatieve intelligentie, waardoor hij in staat is de meest bizarre verbanden te leggen. Hiermee legt hij bepaalde thema’s bloot, die zonder zijn werk verborgen zouden blijven. De ‘Oosterling’ kijkt naar de ‘Westerling’ volgens een bepaald mechanisme, maar Nassar heeft vooral dit thema in omgekeerde richting verwerkt: wat is de cultureel bepaalde blik van het ‘Westen’ naar de ‘Oriënt’? Met zijn beeldinterventies maakt hij grote associatieve sprongen door de geschiedenis en van de ‘hoge’ kunst naar de populaire cultuur. Hij ontmaskert hiermee een heel corpus van ideeën en vooroordelen, aangaande neokolonialisme en vals exotisme. Edward Said spreekt in dit verband van oriëntalisme, maar hier zal in hoofdstuk 4 nog uitgebreid op worden teruggekomen. (zie voor dat specifieke gedeelte uit mijn vierde hoofdstuk het andere fragment uit mijn scriptie dat op dit blog is gepubliceerd ‘Edward Said, Orientalism en de post-koloniale denkrichting’, hier te lezen). 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Achnaton Nassar, Zonder titel, gemengde technieken op papier, 1992

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Achnaton Nassar, Zonder titel, gemengde technieken op papier, 2000

Nassars tekeningen zijn van een geheel andere aard. Eigenlijk vormen deze de ruggengraat van zijn omvangrijke oeuvre. De tekeningen zijn in regel abstract, vaak zowel geïnspireerd op de natuurlijke vormen die hij aantreft in het Amsterdamse bos, waar hij vlakbij woont, als op de kalligrafische traditie waarin hij oorspronkelijk is opgeleid (afb. 46). Opvallend is de enorme hoeveelheid technieken die hij voor deze tekeningen inzet. Zo werkt hij met houtskool, pen en inkt, acrylverf, krijt, gouache en pastel. In zijn meest recente tekeningen is hij sterk met het thema ‘sluiers’ bezig (afb. 47). Over de organische structuren die soms de vorm aannemen van een soort minaret, hangt vaak een nevelige sluier, van een onbestemde materie. Het zou hier net zo goed om zijde kunnen gaan als om haar of spinrag. Met werken als deze laat Nassar zich van zijn meest poëtische kant zien.

zie ook mijn catalogustekst van de tentoonstelling ‘Saskia en Hassan gaan trouwen; Achnaton Nassar, een kunstenaar uit twee culturen’, Univeriteitsbibliotheek Leiden, 2001. Zie voor recent werk van Achnaton Nassar zijn website.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 Qassim Alsaedy

 Qassim Alsaedy (Bagdad, 1949) studeerde van 1969 tot 1974 aan de kunstacademie van Bagdad, waar hij werd opgeleid door Faik Hassan en Shakir Hassan Al Sa’aid. Hoewel hij in de jaren zeventig een goede reputatie had weten op te bouwen in Irak, heeft hij daar, vanaf het begin van de jaren tachtig, niet meer geëxposeerd in de officiële instellingen. Dit laatste is niet zo vreemd; door zijn onafhankelijke opstelling was Alsaedy al vaker in conflict gekomen met het Baathregime en moest hij een aantal keren in de politieke gevangenis zijn tijd doorbrengen, in dit geval ‘al-Qasr an-Nihayya’, het beruchte ‘Paleis van het Einde’. In de jaren tachtig sloot hij zich aan bij de Koerdische rebellen, waar hij overigens ook als kunstenaar actief was. Hij exposeerde daar zelfs in tenten, voor de guerrillastrijders en de gevluchte dorpelingen, tijdens de zogenaamde Anfal operaties, de beruchte campagnes met chemische wapens van Saddam Hoessein tegen de Koerden in Noord Irak in de jaren tachtig. Naar aanleiding van deze periode maakte hij een aantal zeer indrukwekkende werken. Alsaedy:  ‘I joined the movement which was against the regime. I worked there also as an artist. I exhibited there and made an exhibition in a tent for all these people in the villages, but anyhow, the most amazing was the Iraqi regime uses a very special policy against Kurdistan, against this area and also against other places in Iraq. They burned and sacrificed the fields by using enormous bombings. So you see, and I saw it by myself, huge fields became totally black. The houses, trees, grass, everything was black. But look, when you see the burned grass, late in the season, you could see some little green points, because the life and the beauty is stronger than the bastards. The life was coming through. So you saw black, but there was some green coming up. For example I show you this painting which is extremely black, but it is to deep in my heart. Maybe you can see it hardly but when you look very sensitive you see some little traces of life. You see the life is still there. It shines trough the blackness. The life is coming back’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Qassim Alsaedy, Black Field, olieverf op doek, 1990

Toen het hem eind jaren tachtig te moeilijk werd om zich in het Koerdische gebied te handhaven, zch genoodzaakt om naar Libië uit te wijken. In eerste instantie trok een bestaan in een asielzoekerscentrum in een West Europees land hem niet. Hij wilde niet ergens stranden als vluchteling. Alsaedy: “I am an artist who still can work. I really believe that you have to fight for your last square meter to stand on. So Lybia was my only possibility. Maybe it was a kind of destiny”.
In Libië werd Alsaedy docent aan de kunstacademie van Tripoli. Ook voerde hij een groot muurschilderingenproject uit. Tegen zijn eigen verwachting in kreeg hij toestemming voor zijn plannen. Zoals hij het mij vertelde: “I worked as a teacher on the academy of Tripoli, but the most interesting thing I did there was making many huge wallpaintings. The impossible happened when the citycounsel of Tripoli supported me to do something like that. I had always the dream how to make the city as beautiful as possible. I was thinking about Bagdad when I made it. My old dream was to do something like that in Bagdad, but it was always impossible to do that, because of the regime. I believe all the people in the world have the right on freedom, on water, on sun, on air, but also the right on beauty. They have the right on beauty in the world, or in their

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Qassim Alsaedy, New Day, olieverf op doek, 1998

 

 

 

 

 

 

 

 

 Qassim Alsaedy, Remembrance, olieverf op doek, 1998

lives. So one of my aims was to make wallpaintings and I worked hard on it. They were abstract paintings, but I tried to give them something of the atmosphere of the city. It is an Arabic, Islamic city with Italian elements. I tried to make something new when I studied the Islamic architecture. I worked on them with my students and so something very unusual happened, especially for the girls, because in our society it is not very usual to see the girls painting on the
street. It was a kind of a shock, but in a nice way. It brought something positive”. Alsaedy verbleef zeven jaar in Libië. Toch bleef zijn situatie daar erg onzeker. In 1994 vluchtte hij naar Nederland.
Thematisch verwijst ook Qassim Alsaedy naar het oude Mesopotamië. Interessant is bij hem niet dat hij dit doet, maar hoe hij dit thema heeft verwerkt. Centraal staan voor hem de oude inscripties en sporen op muren, als tekens van menselijk leven en beschaving. Hierin doet hij enigszins denken aan zijn leermeester Shakir Hassan Al Sa’aid (zie voorbeeld), hoewel hun uitgangspunten heel verschillend zijn. Verwees Al Sa’aid vooral naar het Islamitische erfgoed, Alsaedy tracht met zijn werken een organische verbinding met het verleden

 

 

 

Qassim Alsaedy, Rythms in Blue, olieverf op doek, 1997

aan te gaan. Voor hem bestaat de relatie met het verleden uit een cyclisch proces, waarmee hij in permanente interactie staat. De oude Mesopotamische culturen waren immers gebouwd van klei. Deze klei is vergaan tot stof en verwaaid met de wind. Het is de stof die je inademt, of die in de rivier terecht komt, om weer opnieuw in klei te veranderen. Alsaedy: “It is on your clothes and in your breath, in your blood and in your memory”.
Alsaedy is ook buitengewoon gefascineerd geraakt door de prehistorische rotsschilderingen van de oude Sahara culturen. Hij kwam hiermee in aanraking toen hij in Libië woonde. Hele generaties krasten daar hun ‘boodschappen’ op de rotsmuren, laag over laag. Alsaedy vergelijkt dit met zijn eigen werkproces. Ook hij ‘krast’ zijn abstracte tekens in de dikke olieverflagen van zijn schilderijen (afb. 67 en 68 ). Zijn tekenschrift is iets dat hij al van jongs af aan heeft meegekregen. Naast het feit dat hij veel tijd heeft doorgebracht tussen de ruïnes van Babylon, communiceerde hij op een soort ‘schriftelijke’ manier veel met zijn moeder. Zij was immers analfabeet, maar ontwikkelde een soort eigen ‘spijkerschrift’ om zich te uiten. Nu Alsaedy in ballingschap leeft zijn zijn doeken ook een soort boodschappen aan haar. Alsaedy in een kort statement over zijn werk: “Ik probeer boodschappen te schilderen aan mijn geliefde maar verwonde vaderland, de verloren vlinders uit mijn jeugd, aan mijn moeder die een slechte relatie heeft met het alfabet en aan Babylon dat ik zo verschrikkelijk mis”.
Het afgebeelde Rythms in Blue uit 1997 (ab. 69) is hier een goed voorbeeld van. Van dichtbij bekeken is het werk een wirwar van krassen en tekens, met hier en daar een vage vlek. Bij een beschouwing van iets meer afstand wordt de structuur van het schilderij zichtbaar.
Opvallend is de dominante piramidevorm, een verbeelding van de Dom van Utrecht. Alsaedy schilderde dit werk immers in zijn hoge flat in Bilthoven, van waar hij een panoramisch uitzicht heeft op Utrecht. Tegelijkertijd schijnen er andere vormen door de vele verflagen. Twee lichte vlekken suggereren twee koepels. Het zijn Alsaedy’s herinneringen aan Bagdad. Kijkend naar Utrecht en denkend aan Bagdad, dit gegeven heeft hij met dit abstracte werk tot uitdrukking gebracht.
Op dit moment houdt Alsaedy zich bezig met een interessant tekeningenproject. Met pen en penseel brengt hij met inkt zijn tekeningen aan op doorschijnend papier. Door al deze papieren op elkaar te leggen ontstaat er weer een nieuw geheel van lagen van beelden, tekens, schaduwen en herinneringen. Op termijn hoopt hij deze reeks in boekvorm te kunnen uitgeven. (Zie hier inmiddels drie voorbeelden, FS 2009) 


42

 Qassim Alsaedy, Rhythms in White, assemblage van dobbelstenen, 1999

Internationaal exposeerde Alsaedy in Syrië, Tunesië, de Verenigde Arabische Emiraten (de Sharjah Biënnales van 1997 en 2001), België, Duitsland, Frankrijk en Zweden. Qassim Alsaedy woont nog altijd in Bilthoven. Sinds twee jaar heeft hij zijn atelier in De Bilt. Binnen Nederland participeerde hij in de tentoonstelling Versluierde Taal in Rijswijk in 1999 en aan de groepsexpositie van Irakese kunstenaars in Den Haag in 2000. Daarnaast heeft hij een aantal keren geëxposeerd in Hilversum en Utrecht.

 

26

 

Qassim Alsaedy, Rhythms, assemblage van spijkers, 2000. Qassim over dit werk (in ‘Factor’, IKON, aflevering ‘Beeldenstorm’ 17 juli, 2003 ): ‘Dit heb ik gemaakt om iets over de pijn te vertellen. Je ziet dat de spijkers langzamerhand gaan roesten. Na verloop van tijd zullen de spijkers verdwijnen. Wat er over blijft zijn slechts een paar gaatjes. En een paar kruisjes’

 

Tot zover de oorspronkelijke tekst uit mijn scriptie. Toen ik Qassim in 2000 leerde kennen was hij in Nederland nog nauwelijks bekend. Dat is inmiddels veranderd. Vanaf 2001/2002 begon zijn werk in de Utrechtse kunstwereld steeds meer op te vallen. Uiteindelijk kwam hij ook in het vizier van Frank Welkenhuysen, gerenommeerd kunstexpert en galerie houder (hij is ook bekend van het televisieprogramma ‘Tussen kunst en kitsch’, waarin hij voornamelijk als expert van negentiende en twintigste eeuwse kunst optreedt). Inmiddels is Qassim een van zijn vaste kunstenaars en exposeert regelmatig in zijn galerie in het oude centrum van Utrecht (zie link).  Vanuit die positie heeft Qassim zijn vleugels steeds verder uitgeslagen en exposeert hij in binnen en buitenland. In Nederland was zijn belangrijkste hoogtepunt tot nu toe een grote solo-expositie in het Flehite Museum in Amersfoort in 2006. Deze werd geopend door de nieuw aangetreden ambassadeur van Irak, ZE dhr. Siamand Banna (vanzelfsprekend de nieuwe vertegenwoordiger van het ‘post-Saddam’ Irak in Nederland). Afgelopen jaar was er een installatie van hem te zien in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden (in het tempeltje van Taffeh, in de centrale hal). De keramische objecten die hij daarin verwerkt had heeft hij overigens samen met de kunstenares Brigitte Reuter vervaardigd, waar hij sinds de laatste jaren veel mee samenwerkt.
Ook is er in de media inmiddels veel aandacht aan Qassim Alsaedy besteed, op de televisie door de IKON, de VPRO en de KRO en zijn er langzamerhand veel aan hem gewijde artikelen verschenen. Qassim geldt nu als een van de bekendste Iraakse kunstenaars in Nederland en wordt in steeds meer publicaties gezien als een kwalitatief hoogstaande en zeer uitgesproken voorbeeld van een Nederlandse kunstenaar met een migranten achtergrond. Ook in internationaal verband valt zijn naam steeds vaker als een belangrijke representant van de Iraakse eigentijdse kunst. In die zin is er voor hem zelf een heleboel veranderd sinds ik hem leerde kennen en bovenstaande tekst schreef.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Qassim Alsaedy/ Brigitte Reuter, Garden Stones, keramiek, 2004

Zie ook op dit blog mijn interview met Qassim Alsaedy, waar ook links zijn opgenomen naar andere sites en artikelen en ook televisie uitzendingen over deze kunstenaar. Ook is op dit blog een groot artikel opgenomen van Lien Heyting, oorspronkelijk verschenen in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad, aan de vooravond van de Amerikaanse aanval op Irak. Voor dit arkel interviewde zij Qassim, de Iraakse kunstenaar Nedim Kufi en mijzelf (nav een lezing een paar weken daarvoor). Over de geschiedenis van de moderne  kunst van Irak en de Iraakse diaspora (waaronder ook aandacht voor Qassim), zie het artikel dat ik schreef voor het tijdschrift ‘Zemzem, over het Midden Oosten, Noord Afrika en Islam’, maar ook op dit blog verschenen.

 

 

 

 

Rachid Ben Ali

Een kunstenaar die plotseling is doorgebroken in de gevestigde Nederlandse kunstcircuits is de uit Marokko afkomstige schilder Rachid Ben Ali. Zo was hij te zien in het Groninger Museum en exposeerde hij in New York. In het najaar 2000 kocht het Stedelijk Museum twee doeken van hem, waarvan er een te zien was in het Stedelijk Paleis, de tentoonstelling die werd samengesteld door koningin Beatrix (2000-2001). In 2001 had hij een grote solo-expositie in het Wereldmuseum, te Rotterdam.
Als kind onderging hij een ooroperatie die van beslissende betekenis was voor zijn verdere levensloop; Ben Ali werd immers doofstom geboren. In Nederland volgde hij kortstondig enkele opleidingen. Nadat hij voor een korte tijd studeerde aan de modeacademie van Antwerpen en de kunstacademie van Arnhem, vestigde hij zich als kunstenaar in Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Ben Ali werkt in een stijl die het midden houdt tussen figuratie en abstractie, hoewel er een ontwikkeling valt waar te nemen dat zijn werken in de loop van zijn korte werkzame periode als kunstenaar steeds abstracter zijn geworden. Ben Ali begint aan een abstracte ondergrond.Hierin gaat hij zeer emotioneel te werk. Vaak smeert hij de verf letterlijk met zijn handen op het doek. Later brengt hij figuren aan. Ook maakt hij veel gebruik van teksten, zowel in het Nederlands, het Engels of het Arabisch (zie bijv. afb. 81, 82, 83 en 84). Volgens de kunstcriticus Wim van der Beek moeten deze teksten vooral worden begrepen als beeldelementen. Het zijn een soort ‘richtingaanwijzers’ in het totaalbeeld. Toch is het mij opgevallen dat hij vaak teksten gebruikt die hem direct raken. Ben Ali put hiervoor direct uit alles wat hij dagelijks tegenkomt en hem emotioneel raakt. Het gaat hier niet om de literaire waarde, het zijn elementen die versterken wat hij op dat moment te zeggen heeft. Zijn werk heeft namelijk een sterk narratief karakter; ieder werk heeft zijn eigen verhaal.
Met zijn hevig geëmotioneerde werken, bestaande uit schilderijen, tekeningen en collages, wil Rachid Ben Ali de wereld doorgronden zoals hij die waarneemt. Zijn werk is altijd een reactie op zijn omgeving. Hierbij spelen zowel de eigen waarneming als de bijbehorende emoties en onderbewuste associaties een belangrijke rol. Dit gebeurt op een compromisloze wijze, zonder vals effectbejag of maniërisme. “In mijn werk kan ik niet liegen. Alleen als je volslagen eerlijk bent kun je deuren openen die anders gesloten blijven”.
In eerste instantie speelde zijn homoseksualiteit een belangrijke rol in zijn werk. Zijn doeken werden vaak overheerst door figuren, waarvan de genitaliën zeer expliciet werden weergegeven. Een duidelijk voorbeeld hiervan is een werk uit 1999 (afb. 80). In de korte tijd daarna verbrede hij zijn thematiek en richtte hij zich meer op de actualiteit. Belangrijk is voor hem het persoonlijke verhaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ben Ali’s werk gaat nooit over grote politieke thema’s, althans niet op een directe manier. Zijn interesse gaat meer uit naar het persoonlijke en het individuele. Toch komen de belangrijke politieke vragen van deze tijd vaak op een indirecte manier aan de orde. De dood van Palestijnse kinderen (afb. 83), een bewerkte foto van een illegale vluchteling, of de geboorte van een misvormd kind dat op zal groeien in een wereld zonder mogelijkheden om zich in het bestaan te redden, het zijn allemaal kwesties die veel te maken hebben met de wereld waarin wij nu leven. Rachid Ben Ali uit zijn engagement echter op het individuele niveau en toont zijn betrokkenheid vooral met de menselijke kant van de geschiedenis.

Ben Ali’s Marokkaanse afkomst speelt wel degelijk een rol in zijn werk, zij het niet in formele zin. Het gaat hem niet om stilistische verwijzingen naar de Arabische cultuur. “Ik wil schilderen wat er in de hoofden van al die vaders zit. Het is onzinnig om alles wat uit Marokko komt te associëren met exotische kleuren. Ook daar is net zo veel zwart en wit te vinden in het innerlijk van de mensen als hier”.
De ‘Vader’ is een belangrijk thema in het werk van Rachid Ben Ali. Het gaat hem hierbij niet om een specifiek persoon als wel om een universeel symbool, van de gedesoriënteerde migrant. Collages van oude landkaarten, waarover gezichten zijn geschilderd en bewerkt met glasverf, brengen dit gegeven tot uitdrukking (zie afb. 110). De landkaarten van lang geleden verwijzen naar een wereld die er niet meer is. De figuren op deze werken lijken soms op dolende zielen die, losgerukt van alles wat hen dierbaar is, in een onzekere realiteit wanhopig op zoek zijn hun eigen weg te vinden. De ‘Vader’ wiens grootste wens het is om terug te keren, bevindt zich, gebonden door de omstandigheden, in een onmogelijke positie.
Het gegeven van ontworteling is echter slechts een gedeelte van zijn thematiek. Door een permanent proces van waarneming en introspectie vindt hij in zijn werk mogelijke antwoorden op de vraag wat zijn plaats is in het hier en nu. Bewust van zijn eigen achtergrond weet hij zich staande te houden in de chaos van het heden, waar hij vaak aanloopt tegen een omgeving van geestelijke leegheid of totale fragmentatie en verwarring.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Rachid Ben Ali, Zonder titel, olieverf op doek, 1999

“Het verleden is een land waaruit wij allen zijn geëmigreerd”, stelt Salman Rushdie in zijn essay Imaginary Homelands. Rachid Ben Ali visualiseert dit thema op een indringende manier. Hij toont ons dat wij eigenlijk allen migranten zijn in een snel veranderende wereld, waarin begrippen als plaats, herkomst en identiteit steeds meer inwisselbaar zijn geworden.
Ontworteling versus identiteit, het zijn de twee polen waartussen Rachid Ben Ali zich beweegt. Een totale remigratie is een onmogelijkheid, een totale desoriëntatie evenmin. De weg hiertussen is een welhaast schizofrene zoektocht, maar het levert ook beelden op die van een grote zeggingskracht getuigen.
Het werk van Ben Ali lijkt enigszins op dat van Jean Michel Basquiat, waar hij ook al een aantal keren mee is vergeleken. Ook hij was een migrant, die in het grote New York zichzelf moest zien te redden en deze strijd omzette in een zeer originele beeldtaal. Toch gaat deze vergelijking wat mij betreft niet geheel op. Het werk van Rachid Ben Ali is in psychologisch opzicht complexer en is thematisch in een veel sterkere mate meerduidig. Met zijn werken raakt hij een universele problematiek van ontwrichting. Tegelijkertijd zijn zijn voor velerlei uitleg vatbare doeken reflecties op de verschillende achtergronden van zijn culturele bagage en persoonlijke geschiedenis.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tot zover deze drie fragmenten uit mijn scriptie. Over Rachid Ben Ali is heel veel terug te vinden. De Nederlandse Moslimomroep maakte een keer een aardige reportage over hem, hier terug te zien. Dit was precies uit de periode dat ik veel met hem optrok en ook waar mijn bovenstaande tekst over gaat. Wie meer wil lezen kan het beste gewoon zijn naam googlen. Dit artikel is zeker een goede introductie op zijn meer recente ontwikkelingen, waarin bovendien weer een heleboel links zijn opgenomen. Dat Ben Ali met zijn werk veel losmaakt (wat mij betreft alleen maar ten goede, zowel naar de Nederlandse kant als de Marokkaanse kant), blijkt wel uit de verschillende discussies op internet, zoals hier.

Overigens heeft ook het werk van Achnaton Nassar een keer tot een (onterechte) controverse geleid. Via een regeling dat kunstenaars in overheidsgebouwen kunnen exposeren, werden er een aantal van Nassars figuratieve werken, waaronder alle bovenstaande voorbeelden, geëxposeerd in het gebouw van de vreemdelingenpolitie in Amsterdam.  Dit was precies in de periode dat ik contact met de kunstenaar zocht om hem te interviewen voor mijn onderzoek. Toen ik naar het betreffende politiebureau ging om de werken te bekijken bleken deze te zijn  verwijderd (de vreemdelingenpolitie had ze discreet in een kluis gestopt). Het personeel, dat mij in principe welgezind was, was bereid mij het werk te tonen en vertelde dat de directie er achteraf niet zo van gediend was. Ze begrepen het niet en vonden het kennelijk wat provocerend. Die middag hebben we de werken uit de kluis gehaald en met de aanwezige medewerkers hierover een interessant gesprek  gehad. Op mijn opmerking dat Nassar met zijn werk wellicht een discussie losmaakt, reageerde een van die medewerkers al volgt: ‘Discussie, discussie, hier is helemaal nooit discussie. Als er van hogerhand verteld wordt dat werken de kluis in moeten, dan gaan ze ook de kluis in. Ik geef die gast groot gelijk als hij meer discussie wil’. Toen ik de dag daarop de politie telefonisch om een reactie vroeg werd ik doorververwezen naar Klaas Wilting, de toenmalige woordvoerder van de politie Amsterdam/Amstelland, die een verhaal in elkaar draaide dat dit werk aanstootgevend voor Moslims zou zijn, in plaats van voor de verlichte geesten van degenen die bij de vreemdelingenpolitie de dienst uitmaken. Twee dagen later verscheen er een artikel in Trouw, waarna er een surrealistische discussie op de radio volgde tussen dhr Wilting en Prof. Dr. P.S. van Koningsveld, hoogleraar islamologie aan de Universiteit Leiden, die het Wilting niet gemakkelijk maakte (Wilting: ‘Wij willen dat alle culturen zich happy voelen’ en ’Natuurlijk vind ik vind ik het prima dat u dit allemal bestudeerd heeft, maar wij van de politie vinden nog altijd dat…’ versus van Koningsveld: ‘Dan moet u dit soort zaken serieus onderzoeken’ en ‘er is geen enkele reden om aanstoot te nemen aan deze werken op grond van islamitische overtuiging’).  Zie ook een interview met Nassar, oorspronkelijk uit Contrast, geplaatst op de website van AIDA (http://aidanederland.nl/wordpress/kunsten/beeldend/achnaton-nassar/interview-feb-2002/). Mijn eigen versie van deze soap met de vreemdelingenpolitie en dhr Wilting heb ik beschreven in mijn scriptie. Daarin doe ik ook verslag van het gesprek tussen Wilting en van Koningsveld (die uitzending staat helaas niet meer online). Dat fragment is hier te lezen. De meest correcte reactie op deze kwestie kwam van de Iraanse kunstenares Soheila Najand, bij wie ik Nassar een keer heb geïntroduceerd. Zij zei: ‘Je werken waren dus gearresteerd, want dat zijn toch op een bepaalde manier je kinderen’. En daarmee sloeg ze de spijker op zijn kop.

Over meer materiaal gelieerd aan mijn scriptie heb ik een keer een appart item gemaakt, met links naar andere artikelen, radio en televisie uitzendingen. Daar komen ook een paar andere markante kunstenaars aan bod (zoals Ziad Haider en Aras Kareem uit Irak en Nour Eddine Jarram uit Marokko). Zie daarvoor dit eerdere blogartikel. Over Ziad Haider, helaas overleden in 2006, zal nog een geheel nieuw artikel verschijnen (zie ook zijn website).

Floris Schreve

November 22, 2009

Het ‘islam-debat’ in Nederland; de stand post Fortuyn, pre-Wilders

Onlangs vond ik dit stukje tekst terug, geschreven voor een paper in 2002. Het leek me wel aardig om het hier te publiceren. Het is in  ieder geval de stand van zaken na Fortuyn, maar nog van voor Wilders. En nog voor de moord op Theo van Gogh. Hem noem ik overigens ook. Ik moet zeggen dat ik voor de man zelf altijd wel enigszins een zwak had, al was ik het fundamenteel met hem oneens. Midden jaren negentig ben ik een keer met hem in debat gegaan voor Veronica ’s Call Radio, dat toen net van start ging. Om zeker te zijn van genoeg bellers had men een paar studentenhuizen gebeld met de vraag of er mensen geïnteresseerd waren om met Theo in debat te gaan, waaronder mijn toenmalige huis in Leiden. Op die manier ben ik toen, als ’spontane beller’ (althans voor de luisteraars) met van Gogh in discussie gegaan over de stelling ‘de islam is de grootste bedreiging voor Nederland’. Volkomen onzin vond ik toen en nu maar dat ging er toen verrassend vriendelijk aan toe, ook toen ik hem jaren later een keer in de trein tegenkwam en wij over dit onderwerp een heel normaal gesprek hebben gevoerd. In die zin vond ik Fortuyn erger. Over Wilders zal ik het (voorlopig) nog even niet hebben. Maar goed, hier nog een oud stukje tekst van mij.  Miscchien is het nog steeds actueel.
Wat in ieder geval nog actueel is, is dat de beroemde hoogleraar Nasr Abu Zayd in Nederland eigenlijk nauwelijks aan het woord komt in ons ‘nationale islamdebat’, al zit hij hier in Leiden. Dat is nog steeds vreemd. Overigens weten de BBC en Al Jazeera hem regelmatig te vinden. Op Al Jazeera was het Abu Zayd die uitlegde wat er met Nederland aan de hand was sinds de opkomst van Fortuyn, de moord op van Gogh en de vertoning van Fitna. In Nederland zelf prefereert men kennelijk liever mensen als Pastors, vanuit de wetenschap Afshin Ellian, of soms die andere internationaal beroemde geleerde, Tariq Ramadan. Maar die is ook veel orthodoxer, dus wellicht bevestigt dit meer het verwachtingspatroon (en de behoefte) van het Nederlandse publiek. Op een geluid als dat van Abu Zayd zitten de media en het publiek kennelijk nog steeds niet te wachten, de roep om de broodnodige emancipatie van de moslims ten spijt.

Hier volgt de tekst (niet meer dan een uitsnede uit een veel langer betoog):

 

Inmiddels is de toon van de berichtgeving van rond de aanslagen van 11 september, de politieke situatie in het Midden Oosten en de islam in het algemeen, in de Nederlandse media, enigszins gekalmeerd (lente en zomer 2002). Zeker de berichtgeving over de Israëlische/ Palestijnse kwestie is sterk veranderd in het voordeel van de Palestijnen. Toch blijken er en aantal ‘blijvertjes’ te bestaan. In vele opzichten heeft de Nederlandse publieke opinie zich verhard. Dit blijkt vooral uit de opkomst van de Lijst Pim Fortuyn, die vanuit het niets zesentwintig zetels in de kamer wist te veroveren. Een belangrijk issue van de LPF is het tegengaan van de immigratie en de anti islamitische stellingname. Ook de gevestigde politieke partijen hebben hun standpunten verhard, zoals blijkt uit de toespraak van CDA lijsttrekker Jan Peter Balkenende, die stelde dat de multiculturele samenleving geen nastreefbaar doel is. Het aardige is dat Balkenende, net als Cliteur en Bolkestein, niet definieert wat hij met het begrip ‘cultuur’ bedoelt, laat staan met het begrip ‘multiculturele’ samenleving.
‘Politiek correct’ denken heeft opeens afgedaan voor ‘je moet zeggen wat je denkt’. Pim Fortuyn leek hierin voorop te lopen. Zo bepleitte hij, in de Volkskrant van 9 februari, desnoods de afschaffing van artikel 1 van de grondwet als deze de vrijheid van meningsuiting in de weg staat [1]. Over deze uitspraak is veel ophef ontstaan en Fortuyn moest uiteindelijk aftreden als lijsttrekker van Leefbaar Nederland. Ook is over deze kwestie al veel geschreven, dus ik wil er niet heel veel aandacht aan besteden. Overigens heeft hoogleraar rechtsfilosofie A. Soeteman erop gewezen dat artikel 1 van de grondwet niet eens over het verbod op discriminerende uitspraken gaat. Deze bepalingen zijn te vinden in het wetboek van strafrecht. “Fortuyn weet niet waar hij het over heeft”, concludeert Soeteman.[2]
In dit verband zijn Pim Fortuyns opvattingen over de islam interessanter. In 1996 schreef hij hier een boekje over, Tegen de islamisering van onze cultuur, dat in 2001 werd herdrukt, met een naschrift van imam Abdullah Haselhoef. Het meest opvallende van deze kleine publicatie is dat het nauwelijks over de islam gaat. Voor driekwart gaat dit boek over de emancipatiegeschiedenis van vrouwen en homoseksuelen in Nederland. Ook besteed het veel aandacht aan de veranderde maatschappelijke verhoudingen sinds de jaren zestig. Zeker deze gedeeltes zijn zeer lezenswaardig, maar het is dan ook Fortuyns eigen metier. Fortuyn schiet zijn doel echter voorbij als hij het over de islam in Nederland heeft. Uit niets blijkt dat hij hier serieus onderzoek naar heeft gedaan, noch verwijst hij naar andere onderzoeken. Dit is overigens een kenmerk van de gehele verhandeling, waardoor het als wetenschappelijke publicatie niet serieus kan worden genomen. Nu is dit natuurlijk niet noodzakelijk, alleen is het wel opmerkelijk dat Fortuyn anders doet suggereren. Op de flaptekst laat hij zich prof. dr. Pim Fortuyn noemen, onafhankelijk en kritisch wetenschapper.
In Tegen de islamisering van onze cultuur betoogt Fortuyn dat de meeste moslims in Nederland uit kansarme groepen komen. Doordat zij zich ook in Nederland aan de onderkant van de samenleving bevinden zou het wel eens kunnen zijn dat zij zich in de armen van het fundamentalisme laten drijven. Als je ziet wat het fundamentalisme in de islamitische wereld zelf allemaal aanricht kun je concluderen dat de situatie buitengewoon gevaarlijk is. Als adequate maatregel bepleit Fortuyn de sluiting van de Nederlandse grenzen, het opzeggen van Schengen en het vluchtelingenverdrag, en een Koude Oorlog tegen de Islamitische wereld. Als voorbeeld noemt hij de politiek van Ronald Reagan ten aanzien van de Sovjet Unie. Fortuyn stelt dat deze een belangrijke factor zou zijn geweest voor de val van het communisme. Waar hij dit laatste punt vandaan heeft vermeldt hij niet. Ook verzuimt hij het om deze opmerkelijke stelling historisch te onderbouwen.[3]
In zijn verhandeling over de islam in Nederland blijkt Fortuyn erg anekdotisch. Zo heeft hij het over zijn eigen seksuele contacten met homoseksuele moslims, die hij niet als positief heeft ervaren.[4] Nu bestaat er in de culturele antropologie wel zoiets als participerend onderzoek, maar nergens suggereert Fortuyn dat wij zijn escapades als zodanig serieus moeten nemen.
Wat betreft Fortuyns verklaring voor het ontstaan van het fundamentalisme; deze staat haaks op de conclusies van uitgebreide studies naar dit fenomeen. Uit veelomvattend wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het fundamentalisme niet ontstaat bij de onderlaag van de samenleving, maar verschijnsel is van de middenklasse, die zich vaak politiek voelt uitgesloten. Doordat de middenklasse door de veelal dictatoriale regimes in de islamitische wereld wordt uitgesloten van politieke participatie, lijkt het fundamentalisme een rechtvaardig alternatief, temeer omdat de meeste regimes in de islamitische wereld door niet gelovige, westerse krachten gesteund worden. Het regime van de Shah van Perzië en de daarop volgende islamitische revolutie is hier een klassiek voorbeeld van. Ook de grondleggers van de moderne soennitische fundamentalistische ideologie, Jamal ad-Dine al Afghani, Hassan al Banna en Said Qutb, min of meer de geestelijke vaders van Osama Bin Laden (al waren niet al deze denkers pleitbezorgers van geweld), hadden vooral aanhang binnen deze maatschappelijke klasse.[5] Tekenend is dat de plegers van de aanslagen van 11 september niet afkomstig waren uit de onderklasse van de Arabische wereld, maar allen goed opgeleide jongemannen waren, met een ogenschijnlijk redelijk toekomstperspectief. Recent is dit beeld weer bevestigd in een onderzoek naar de strijders van de Hezbollah en de Hamas, waaruit bleek dat deze militante bewegingen vooral aanhang hebben binnen de middenklasse.[6]
In wetenschappelijk opzicht is Fortuyns bijdrage weliswaar van weinig betekenis, in maatschappelijk opzicht echter des te meer. Hoewel wellicht weinig van zijn kiezers dit boek hebben gelezen is hij er wel in geslaagd om veel stemmen te winnen, met name op de issues ‘migratie’ en ‘islam’. Fortuyns uitspraken als: “Je ziet het in alle landen waar de islam de baas is. Ik vind het gewoon een achterlijke cultuur”, in het veel genoemde Volkskrant artikel heeft het electoraat niet weten af te schrikken. Integendeel, ondanks alle breed uitgemeten veroordelingen van bijna alle lijsttrekkers van de gevestigde partijen, heeft dit hem wellicht nog populairder gemaakt.
Ook leden van de LPF fractie, die na de tragische moord op Fortuyn in de tweede kamer zitting namen, werden vaak niet gehinderd door enige kennis van zaken wanneer het onderwerp ‘islam’ ter sprake kwam. Fractievoorzitter Mat Herben haalde wederom het argument van vrouwenbesnijdenis van stal om te stellen dat “de islam een achterlijke cultuur is”.[7] (opmerking: eerder in de oorspronkelijke tekst is al aan de orde geweest dat vrouwenbesnijdenis vooral een locaal fenomeen is uit de Hoorn van Afrika en soms Egypte, dat voorkomt bij zowel Koptische Christenen als moslims. Elders in de islamitische wereld komt vrouwenbesnijdenis niet voor. Het is dus geen islamistisch gebruik, maar een locaal verschijnsel).   Fractiesecretaris Joost Eerdmans noemde het Koerdische parlement “een uitwas van een cultuur die we hier niet moeten hebben”.[8] Opmerkelijk dat uitgerekend een parlement een uitwas van een cultuur wordt genoemd. Het gebrek aan democratie en de rechten van minderheden in de islamitische wereld lijkt mij hier eerder voor in aanmerking te komen, hoewel ik zeker niet zou willen beweren dat dit cultureel bepaald is.
Er kan gesteld worden dat de islam, of Nederlanders met een moslimachtergrond, op dit moment een ernstig imagoprobleem hebben. Internationale factoren spelen hier zeker een belangrijke rol in. Toch zijn ook binnenlandse incidenten een belangrijke factor die dit negatieve beeld keer op keer bevestigen. Genoemd kunnen worden de Aisja-affaire, de uitspraken van imam El Moumni over homoseksuelen en de politiek getinte preken van Syrische en Egyptische imams in een aantal Nederlandse moskeeën. Ook de aanhoudende berichten over kleine criminaliteit van Marokkaanse jongeren, met als meest beruchte voorbeeld de structurele berovingen op Station Amsterdam Lelylaan [9], dragen zeker bij aan het negatieve beeld dat men in Nederland van moslims heeft, al heeft het gedrag van deze Marokkaanse jongens weinig tot niets met de islam te maken.
Wellicht is een van de allergrootste problemen dat er zeer zelden een georganiseerd tegengeluid komt vanuit de islamitische gemeenschap. Voor het Nederlandse publiek zou dit kunnen worden uitgelegd als een stilzwijgende instemming. Nu bestaat het probleem dat de islam geen centrale organisatiestructuur kent, dus het is vrijwel onmogelijk om met de ‘vertegenwoordigers’ van de Nederlandse moslims te gaan praten, hoe graag ex-minister Roger van Boxtel dit ook wilde. In die zin is de islam een buitenbeentje binnen de van oudsher verzuilde Nederlandse traditie. Het grote nadeel van dit gebrek aan een organisatiestructuur is dat er hierdoor nauwelijks mogelijkheden zijn de almaar steeds negatievere beeldvorming te doorbreken. Verlichte intellectuelen van islamitische afkomst zijn er in Nederland volop voorhanden, alleen hebben zij even veel met radicale imams te maken als de autochtone Nederlander, dus is er voor hen weinig reden om ‘namens de islam’ het woord te voeren.[10]
Ondertussen lijken de verhoudingen zich steeds meer te verharden. Het beeld dat de islam een godsdienst is die uitsluitend bestaat uit ‘fundamentalisten’ is zeker het laatste jaar sterk toegenomen. Verschillende invloedrijke opiniemakers hebben hier flink aan bijgedragen. Zo stelde Pim Fortuyn in Tegen de islamisering van onze cultuur, dat liberale stromingen binnen de islam niet relevant zouden zijn, omdat het fundamentalisme zou overheersen en andere geluiden monddood zou maken. Als voorbeeld noemt hij de affaire rond de islamitische denker Nasr Abu Zayd, die vanwege zijn liberale interpretatie van de Koran gedwongen was Egypte te verlaten en nu hoogleraar is in Leiden. Overigens noemt Fortuyn de desbetreffende hoogleraar niet een keer bij zijn naam. Later, in een uitzending van Buitenhof, kon Fortuyn eveneens niet op zijn naam komen. Waar het hier echter om gaat is dat Fortuyns bewering simpelweg niet klopt en door vele belangwekkende publicaties wordt tegengesproken, niet in de laatste plaats door Abu Zayd zelf. [11]
Een ander soort geluid is dat het islamitische fundamentalisme de meest pure variant van de islam is en dat liberale interpretaties slechts een product zijn van ‘wishful thinking’, van goedpraterij en hypocrisie, die de werkelijke geloofsleer feitelijk geweld aandoen. Als de fundamentalisten inderdaad de enige juiste leer verkondigen, kan er worden geconcludeerd dat er in de moderne wereld voor de islam geen plaats meer is. Deze denkrichting wordt wel het essentialisme genoemd en verschilt in redeneertrant weinig van die van de fundamentalisten.
Degene die het afgelopen jaar het essentialistische standpunt het meest prominent in de media naar voren heeft gebracht is rechtsfilosoof Paul Cliteur, in zijn televisiecolumns in Buitenhof, hoewel er ook anderen waren met bijdragen dezelfde strekking.[12] Zo stelde Cliteur in zijn column van 4 november 2001, getiteld Sympathie voor fundamentalisme: “De orthodoxe imam El-Moumni vergeleek homoseksualiteit met een ziekte en plotseling dachten we in het land waar alles mocht en alles kon: hè, wij kunnen toch geschoffeerd worden (…) In een bepaald opzicht hebben El-Moumni, Hazelhoef en andere fundamentalisten natuurlijk wel gelijk. Hun interpretatie van de Heilige Schrift is namelijk heel wat minder hypocriet dan die van de overgrote meerderheid van de moderne gelovigen. Toen de Koran en de Bijbel werden geschreven waren de vrouwen vanzelfsprekend ondergeschikt aan de mannen, kregen homoseksuelen even vanzelfsprekend de doodstraf, was de aarde plat en stamden de mensen nog niet af van de apen. Is het dan vreemd dat de helft van de Tien Geboden regelrecht in strijd is met de moderne rechten van de mens? Dat was gewoon de geest van die tijd. Wat de fundamentalisten nu alleen maar doen, is dat serieus nemen”.[13]
In principe is er niets mis met deze redenering (hoewel er hier aan voorbij wordt gegaan dat fundamentalisme geen ‘pure’ religie is, maar een politieke ideologie [14]), tenminste als je uitsluitend van de tekst uitgaat zonder de specifieke context en reden van haar ontstaan. Ook sluit deze benadering alle moderne interpretatie methoden als hermeneutiek, of semiotiek uit en gaat er volledig aan voorbij dat een tekst in een andere context wellicht een andere betekenis kan krijgen en wellicht op een nieuwe manier gewaardeerd kan worden. Daar is niets hypocriets aan, dat heeft simpelweg te maken met hedendaagse wetenschappelijke inzichten wat betreft de wisselwerking van tekst en context.
Consequent doorgeredeneerd zouden grote vernieuwende Christelijke theologen als Albert Schweitzer, Hans Kung en Edward Schillebeeckx minstens even hypocriet zijn als ‘de moderne gelovigen’ waar Cliteur het over heeft. In die zin redeneert Paul Cliteur inderdaad op dezelfde manier als een fundamentalist als Said Qutb.[15] Tekenend is dat hij het in deze column ook opneemt voor de essentialistische (lees fundamentalistische) manier van redeneren.
Toch bestaan er ook binnen de islamitische wereld belangwekkende alternatieven. Inmiddels zijn daar door verschillende Korangeleerden diverse mogelijkheden ontwikkeld om tot een vernieuwing van het religieuze erfgoed te komen. Een van de meest belangrijkste representanten van deze ontwikkeling is de verlichte Egyptische Koraninterpretator Nasr Abu Zayd, thans hoogleraar in Leiden.
Oorspronkelijk was Abu Zayd hoogleraar aan de universiteit van Cairo, hoewel hij in het verleden ook in de Verenigde Staten en Japan heeft gedoceerd. Vanwege zijn onorthodoxe opvattingen over de interpretatie van de Koran raakte hij in conflict met de Moslimbroederschap, de belangrijkste ‘islamistische’ partij van Egypte (opgericht in 1929, door de eerder genoemde Hassan Al Banna, een van de grondleggers van het moderne soennitische fundamentalisme, overigens de grootvader van Tariq Ramadan, al suggereer ik hiermee niet dat zij hetzelfde gedachtegoed hebben), hoewel er vaak vergeten wordt dat Abu Zayd een grote internationale reputatie had opgebouwd en ook in Egypte zeer veel waardering oogstte. Een aantal orthodoxe gelovigen besloot tot een zeer onconventionele maatregel; zij stelden dat Abu Zayd een afvallige van het geloof was en spanden een rechtszaak aan waarmee zij trachtten Abu Zayds huwelijk te ontbinden. Volgens een bepaalde interpretatie van de Sharia is een afvallige van de islam gedwongen te scheiden, omdat het huwelijk dan onwettig zou zijn. Tegen ieders verwachting in werd het proces door de aanklagers gewonnen, een unieke zaak in de Egyptische rechtsgeschiedenis. Weliswaar nam de Egyptische overheid direct een wet aan die dit soort processen in de toekomst onmogelijk maakte, maar toen was het kwaad al geschied. De zaak kreeg ruime internationale aandacht. Uiteindelijk werd Abu Zayd naar Nederland gehaald, waar hij weer opnieuw met zijn vrouw trouwde. In Leiden zet hij nu zijn wetenschappelijke werk voort. In 2000 bezette hij de Cleveringa leerstoel, een bijzondere leerstoel bestemd voor wetenschappers die zich sterk hebben ingezet voor de mensenrechten of de vrijheid van meningsuiting.[16]
Abu Zayd stelt dat de Koran, net als iedere andere oude tekst, kan worden geïnterpreteerd volgens moderne wetehschappelijke methoden (hij pleit sterk voor de Hermeneutiek van Hans Georg Gadamer). Abu Zayds centrale stelling is dat het heel goed mogelijk is om op grond van de Koran tot een liberaal en tolerant wereldbeeld te komen. Door de nieuwste wetenschappelijke interpretatiemethoden los te laten op de Korantekst kunnen er interessante perspectieven ontstaan, zonder dat de interpretatie blasfemisch zou zijn voor gelovige moslims, zoals hij heeft uiteengezet in zijn publicatie Vernieuwing in het islamitisch denken.
Stel, de oorsprong van de Koran is goddelijk. Dit betekent dat deze oorsprong zich in het metafysische bevindt en dus geen object kan zijn van wetenschappelijk onderzoek. Toch heeft het goddelijke een manier nodig om zich in de fysieke wereld te manifesteren, anders zou het goddelijke voor de mens onkenbaar zijn. Voor iedere religie is dit een noodzakelijke voorwaarde. Bij het Christendom heeft het goddelijke zich gemanifesteerd in de vleeswording van God in Christus. Bij de Islam heeft geen vleeswording van het goddelijke plaatsgevonden, het intermediair tussen God en de mens is de openbaring van de Koran, een literaire tekst. In tegenstelling tot de goddelijke oorsprong kan de fysieke manifestatie van de tekst wel degelijk aan een wetenschappelijk onderzoek worden onderworpen en gezien worden in de context van plaats en tijd van het ontstaan. Abu Zayd stelt dat God een sadist zou zijn als hij zich niet in een bepaalde culturele context zou hebben openbaard; niemand zou immers zijn openbaring kunnen begrijpen.[17] Daarom moet de Korantekst dan ook telkens opnieuw worden gewogen tegen de veranderde omstandigheden, daar een tekst immers altijd weer een nieuwe relatie aangaat met de telkens veranderende culturele context. De intentie van de tekst is dan ook belangrijker dan de letter. Wanneer de Korantekst wordt gewogen tegen de omstandigheden van het zevende-eeuwse Arabië kan volgens Abu Zayd de Koran niet anders begrepen worden dan een pleidooi voor vrijheid, wijsheid en naastenliefde. Hij pleit er dan ook sterk voor om de Koran vanuit deze geest te interpreteren. Abu Zayd komt tot verrassende conclusies. Op grond van de Koran bepleit hij o.m. gelijke rechten tussen man en vrouw en de scheiding van ‘Kerk’ en staat.[18]
In die zin kan zijn werk ook gezien worden als een kritiek op het essentialistische en fundamentalistische denken. Abu Zayd stelt dat de rigide opvattingen van de fundamentalisten van de Koran een dood relikwie hebben gemaakt, dat slechts blindelings vereerd kan worden. Hij kiest dan duidelijk voor een alternatief, door de Koran als een levende tekst te zien die telkens weer een nieuwe verbinding aangaat met een almaar veranderende culturele context. De kern van zijn denken zit hem juist in dat hij enerzijds de Koran ziet als een literair werk met alle betekenislagen van dien, maar dat hij anderzijds niets afdoet aan de Goddelijke oorsprong van de Koran.
Nasr Abu Zayd is in de Nederlandse media tot nu toe nauwelijks aan het woord geweest, iets dat als een groot gemis kan worden gezien. Bijna een jaar na 11 september kan er gesteld worden dat dit vooral het jaar geweest is waarin Pim Fortuyn, Paul Cliteur, Leon de Winter, Theo van Gogh en Frits Bolkestein de toon zetten, in een toenemend vijandig klimaat.

 Floris Schreve

Tip: zie voor de geschiedenis en het ontstaan van het gedachtegoed vane islamitische fundamentalisten als Osama Bin Laden enerzijds (over Said Qutb ea) en de ontwikkeling van het neo-conservatieve gedachtegoed anderzijds (over oa de Duitse/Amerikaanse filosoof Leo Strauss, de grondlegger van het neo-conservatisme), de fascinerende Channel 4 documentaire ‘The Power of Nightmares’ (2004). In drie delen hier online te bekijken.

Een van de meest verhelderende documentaires die ik ken over de beweegredenen van de moderne religieuze fundamentalisten (in dit geval wederom de islamitische, al worden er ook parallellen getrokken met het Christelijke en Joodse fundamentalisme) is de uitzending van VPRO’s Tegenlicht, ‘de Berg’. Hierin komt een groot aantal deskundigen aan het woord, zoals Karen Armstrong, Manuel Castells en Benjamin Barber, maar ook de Tsjetjeense rebellenleider en ‘fundamentalist’ Khozh-Ahmed Noukhaev. Wat je ook van zijn ideeën en daden mag vinden, hij weet zijn standpunten en beweegredenen zeer welsprekend en inzichtelijk voor het voetlicht te brengen en enige introspectie is hem ook niet vreemd. Dit geldt ook voor de van oorsprong Poolse en tot de islam bekeerde theoloog Mansour Jachimczyk, die namens Noukhaev het zg. ‘Institute for the Closed Society’ leidt (vrij naar het ‘Open Society Institute’ van George Soros). Deze ‘fundamentalisten’ zijn in ieder geval niet ‘achterlijk’, maar dat maakt het misschien nog verontrustender. Des te meer een reden om kennis te nemen van hun denkwereld. Een grote aanrader, hier terug te zien.

Wat betreft de overeenkomsten tussen islamitische fundamentalisten en Christelijke fundamentalisten, zoals bijv. Karen Armstrong vaak heeft benadrukt, is het wellicht ook aardig om de bijna schokkende documentaire ‘Jesus Camp’ te bekijken (Oscarnominatie 2006), over de Christen fundamentalisten in de Verenigde Staten (ook een rol weggelegd voor de beruchte dominee Ted Haggard). Zoals de jeugdpredikante Becky Fischer het zelf uitelegt, vinden deze Christenen dat ze best een voorbeeld kunnen nemen aan de hartstocht van fundamentalistische moslims. Wel is deze film veel meer een activistische film tegen, dan de eerste twee voorbeelden, die vooral proberen te verklaren. Maar ook als je daar doorheen kijkt, blijft het nog beklemmend genoeg. Hier in verschillende delen te bezichtigen (zie ook de beknopte informatie van wikipedia).

Zie over Nasr Abu Zayd verder, dit interview en  een artikel over Paul Cliteur versus Nasr Abu Zayd

Update 2 januari 2010: zie hier een eerdere versie van het proefschrift van Maria Trepp of hier een link naar het zg ‘Passage(n) Project’, een initiatief ontstaan aan de Universiteit Leiden, als een weerwoord tegen het (althans in de media) dominante ‘nieuwe conservatieve geluid’ van diezelfde universiteit (het is overigens ook mijn universiteit en binnen mijn vak is de trend gelukkig eerder het tegenovergestelde). Met rode oortjes gelezen.

Noten:

1. Frank Poorthuis en Hans Wansink, De Islam is een achterlijke cultuur, ‘de Volkskrant’, 9-2-2002 (zie http://www.volkskrant.nl/den_haag/article153195.ece/De_islam_is_een_achterlijke_cultuur).

2. Artikel 1? Hij weet niet waar hij het over heeft, ‘NRC Handelsblad’, 11februari, 2002 (zie http://www.nrc.nl/geslotendossiers/fortuyn/leefbaar_nederland/article1607888.ece/%60Artikel_1_Hij_weet_niet_waar_hij_het_over_heeft )

3. Pim Fortuyn, De islamisering van onze cultuur; Nederlandse identiteit als fundament, Karakter uitgevers BV, 2001, p. 20

4. Ibidem, p. 75

5. Hans Jansen, Nieuwe inleiding tot de Islam, Uitgeverij Coutinho, Bussum, 1998, p. 24, 149-165 en Karen Armstrong, De Strijd om god; een geschiedenis van het fundamentalisme, De Bezige Bij, Amsterdam, 2002, p. 271-273. Voor een uitgebreide beschrijving van de invloed van de ideeën van Hassan Al Banna en Said Qutb op de Egyptische samenleving, zie Nasr Hamid Abu Zayd, Mijn leven met de islam, Bulaaq, 2002.

6. De Volkskrant, 31-7-2002

7. Nova/Den Haag vandaag, Nederland 3, 3 juni 2002

8. Interview met Joost Eerdmans, Vrij Nederland, 26 juni 2002

9. Zie voor een uitvoerige reportage hierover, Joris van Casteren, De bodyguards van Lelylaan, de Groene Amsterdammer, 15-6-2002.

10. Als voorbeeld wil ik noemen dat een groot deel van de Iraakse intellectuele elite zich in Nederland bevindt. Zij hebben echter niets met de politieke islam van doen.

11. Fortuyn, p. 25. Voor de uitzending van Buitenhof zie Fortuyns discussie met Hans Jansen in de uitzending van 4-10-2001. Overigens heeft Abu Zayd zelf uitgebreid getuigenis gedaan van zijn belevenissen in Mijn leven met de islam, 2002. Hij gaat hier ook uitgebreid in op de situatie in Egypte en de academische vrijheid daar. Uit zijn verhaal blijkt dat de overgrote meerderheid van de universitaire gemeenschap achter hem stond en dat slechts door een kleine speling van het lot dit alles heeft kunnen gebeuren.

12. Paul Fentrop, Het gevaar van de islam, ‘HP de Tijd’, 27-9-2001 en in veel mindere mate Erik van Ree, Al-Qur’an; naïeve lezing van de Heilige Schrift, ‘de Groene Amsterdammer’, 13-10-2001

13. Buitenhof, VPRO, Nederland 3, 4-10-2001

14. Een belangrijke illustratie van dit gegeven is Said Qutbs bekendste publicatie Milestones (1961), overigens de belangrijkste inspiratiebron voor Osama Bin Laden. De Egyptische arts Ayman al-Zawahiri, Bin Ladens tweede man, was in zijn studententijd, begin jaren zestig, een van Qutbs naaste volgelingen. In dit werk spreekt Qutb van een stappenplan om de totale islamitische revolutie tot stand te brengen. Belangrijk is om op te merken dat dit niet een voorschrift is dat door oude religieuze teksten wordt gegeven; het betreft hier een concept van een revolutie die geheel past bij de moderne tijd. Armstrong, pp. 275-277, Hans Jansen, pp. 162-165. 

15. Interessant is in dit verband de bespreking van Qutbs gedachtegoed door Karen Armstrong, pp. 274-280.

16. Nasr Abu Zayd, Vernieuwing in het islamitisch denken, pp. 11-34, Mijn leven met de islam, pp. 149-157

17. Nasr Abu Zayd, Vernieuwing in het islamitisch denken, pp. 74-75

18. ibidem, pp. 135-138

November 20, 2009

tentoonstelling Beemster Art Centre; Gregory Kohelet en Adil Elsanousi

Het verloren paradijs

Adil Elsanousi

Adil Badawi Ali Elsanousi (Berber, Soedan, 1960) volgde zijn opleiding grafisch ontwerp aan het College of Fine and Applied Art in Khartoum, waar hij in 1981 afstudeerde. Het was vooral zijn vader, onderwijzer op een lagere school, die zijn talent ontdekte en hem sterk stimuleerde om deze weg in te slaan.

Hoewel dit niet in brede kring bekend is, had Khartoum een kleine maar zeer levendige kunstscene. In een land dat gedurende de laatste decennia vaak verscheurd was door armoede, oorlog en moeilijke politieke omstandigheden is het opmerkelijk dat er uit deze Soedaanse kunstwereld toch een paar mensen zijn opgestaan die een buitengewoon oorspronkelijke en ook originele bijdrage hebben geleverd aan de internationale kunst en daar nog steeds een belangrijke rol in spelen. Een bekend voorbeeld is de kunstenaar Rashid Diab, een van de bekendste hedendaagse kunstenaars van het islamitische cultuurgebied. Hij studeerde een paar jaar eerder dan Elsanousi. Ook was de tegenwoordig beroemde curator en kunsthistoricus Salah Hassan (curator van vele internationale tentoonstellingen en Biennales, oprichter van het tijdschrift NKA: Journal of Contemporary African Art en hoogleraar aan de Cornell University in Ithaca, New York) een van zijn docenten.
Na zijn studie werd Elsanousi kunstdocent, hoewel hij ook vrij werk maakte. Vanaf 1986 was hij ook docent in Koeweit, waar abrupt een einde aan kwam toen de Iraakse legers Koeweit binnenvielen. Elsanousi was op dat moment met vakantie in zijn geboorteland, maar hij kon dus niet meer terugkeren. Eerder was Elsanousi al in Irak geweest. Ondanks de dictatuur kende ook Irak een bloeiende en bovendien veel grotere kunstscene, waar Elsanousi uitgebreid van kennis had genomen. Iedereen die de moderne en hedendaagse kunst van Irak, of zelfs de Arabische wereld een beetje kent, zal enige verwantschap met het werk van een groot kunstenaar als Dhia Azzawi niet ontgaan, al zijn er ook grote verschillen.
Elsanousi exposeerde ook in Europa. Een belangrijke gebeurtenis was een expositie in Parijs in het Maison d’Egypte (samen met Rashid Diab in 1991.

adil2.jpg

De omstandigheden in Soedan waren echter buitengewoon moeilijk. De oorlog dreef hem uiteindelijk in ballingschap. In 1998 arriveerde hij in Nederland, waar hij twee jaar in een asielzoekerscentrum verbleef. In die tijd kwam hij voor het eerst in contact met AIDA en ook met Amnesty International, waar hij een paar opdrachten voor kreeg. Na zijn tijd als asielzoeker vestigde hij zich in Zeist en uiteindelijk in Rotterdam.
In het werk van Elsanousi zijn verschillende culturele invloeden zichtbaar, die hij tot een persoonlijke beeldtaal heeft verwerkt. Sommige elementen zijn direct herkenbaar als beelden uit zijn vaderland, zoals vrouwen gehuld in witte sluiers. Ook maakt hij gebruik van symbolen en tekens uit de Afrikaanse volkskunst, zoals maskers. Het grote rode werk dat op deze expositie te zien is was oorspronkelijk een decorstuk, geschilderd voor het festival Poetry on Stage, in de Balie in 1991. In dit werk zijn de Afrikaanse elementen duidelijk aanwezig, al ontbreekt het Nederlandse vlaggetje niet.

 

 adil3

 

Een ander terugkerend motief is zijn gebruik van het Arabisch schrift als picturaal element. Elsanousi staat hierbij in een twintigste eeuwse traditie binnen de kunsten van de Arabische en eigenlijk de islamitische wereld. In veel islamitische landen was het gebruik van deze al aanwezige abstracte traditie een logisch antwoord op de internationale abstracte kunst. De Mokkaanse kunsthistoricus Brahim Alaoui, curator bij het Institut du Monde Arabe in Parijs en een belangrijke autoriteit op dit gebied, spreekt zelfs van een apart soort stroming: ‘l’Ecole de Signe’. Beroemde voorbeelden van deze richting zijn Rachid Koraichi (Algerije), Shakir Hassan al-Said (Irak), Ali Omar Ermes (Libië), of de zelfs ‘op art-achtige’ werken van Kamal Boullata (Palestijnse gebieden). Net als de bovengenoemde kunstenaars past Elsanousi dit weer op een volstrekt eigen en persoonlijke manier toe.

adil4

Beide kunstenaars, hoe verschillend ze ook zijn qua werk, verhalen en culturele achtergrond hebben toch een paar dingen met elkaar gemeen. Adil Elsanousi en Gregory Kohelet staan sterk in hun eigen traditie, maar hebben op hun verschillende omzwervingen verschillende elementen toegevoegd aan hun werk. Deze zijn samengevoegd in hun eigen persoonlijke beeldtaal die in beide gevallen sterk en oorspronkelijk is.

Floris Schreve

 

Lena Euwens op de opening Adil & Gregory

 

Openingsspeech van Lena Euwens, directeur van de Hortus Amsterdam

Amsterdam, 20 november 2009.

Het verloren paradijs

Dames en heren van harte welkom bij deze tentoonstelling in de Sint Nicolaasstraat.

Vorige week zaterdag, daags voor de intocht, verklapte mijn zevenjarige dochter mij een geheim.
De pieten, zo fluisterde zij mij in het oor, zijn helemaal geen echte pieten, geschminkt met schoensmeer zijn ze en bovendien, met die cadeautjes dat klopt ook niet helemaal. De ouders helpen soms mee, want alleen de Sinterklaas is echt, maar hij is zo oud dat hij al dat werk niet alleen afkan. Vandaar.
Maar ik mocht het aan niemand vertellen.

Wie herkent dit niet? Het geloof in, de waarneming van schoonheid, een welhaast perfecte wereld die ineens barsten vertoont. Bijna als een soort reflex leidt de vrees voor verlies bij de eerste dreiging vaak tot een verdieping van het geloof. Maar wie zijn ogen of geest geopend houdt kan vervolgens niet anders dan met de feiten dealen.

En die zijn vaak bikkelhard,
Ja een speech ter opening van een tentoonstelling die het verloren paradijs heet kan niet anders dan een treurig verhaal vertellen. Tragiek is immers ook de achtergrond van Aida, een stichting ter ondersteuning van kunstenaars uit de hele wereld die in hun eigen land vervolgd, onderdrukt werden of eruit verdreven en die nu als banneling in Nederland wonen.

Toch wil ik het graag optimistisch houden en daar is ook voldoende aanleiding voor. Pal aan de poorten van het verloren paradijs begint immers het pad naar het beloofde land. En het is de reis daar naartoe die er toe doet en gedurende welke de mens opnieuw allerlei beproevingen moet doorstaan om uiteindelijk hopelijk zichzelf te vinden, te overstijgen en steeds opnieuw uit te vinden.

Misschien is dat wel de essentie van wat we zijn kwijtgeraakt door de nieuwsgierigheid van Eva; we hebben een overzichtelijke liefelijke wereld moeten inruilen voor een doolhof.
Er zijn heel veel mensen en instituties die dat doolhof in de loop der eeuwen hebben voorzien van wegwijzers richting hun opvatting van het beloofde land. En morgen zullen het weer andere doen. Veelal zijn ze blijven steken precies op dat punt waar mijn dochter zich nu bevindt.

Alleen de kunstenaar heeft het zoeken zelf tot doel verheven. Ik heb het dan niet over landen of plaatsen en Gregory Kohelet kan dat weten. Gregory is letterlijk vanuit de voormalige Sowjetunie gereisd naar “het beloofde land” Israel, en heeft daar gewoond. Maar hij heeft daar niet gevonden waar hij naar op zoek was. Ik heb me laten vertellen, dat hij in zijn geboorteland vooral als jood werd gezien, in Israel als Rus, en dat hij pas in Nederland uiteindelijk zijn identiteit gevonden heeft als kunstenaar. In zijn zoektocht heeft hij letterlijk over grenzen moeten stappen, vaak door de zure appel moeten bijten op weg naar het herscheppen van het verloren paradijs. Dit in beweging zijn, ‘onderweg naar’ , het transformatieproces, daar zien we hier in zijn werk verschillende prachtige voorbeelden van.

En op sommige vang je ook een glimp op van de tuin van Eden. En die associatie bracht Herman Divendal waarschijnlijk op het idee mij te vragen deze tentoonstelling te openen. En terecht want ter is een heel duidelijke link met het thema van deze tentoonstelling. Mijn voorgangers zijn meer dan 300 jaar geleden begonnen mooie en exotische planten te verzamelen uit de hele wereld. Toen getuigden zij van een weelderige schoonheid en overvloed elders. Toen was al dit voorbehouden aan de wetenschappers. Nu kan iedereen in de Hortus genieten van de schoonheid van het wereldwijde plantenrijk en kennis opdoen, bijvoorbeeld over de evolutie. Maar er is een laag bij gekomen, want steeds meer planten zijn in hun natuurlijke habitat met uitsterven bedreigd, en dus zijn ook wij geëngageerd geraakt in de strijd om het paradijs.

Dames en heren, ik kan me onmogelijk een kunstkenner noemen, maar dat is de vrijheid van het publiek, onbevangen of juist bevooroordeeld te kijken, te genieten en te vinden wat je wilt vinden. Zo herkende ik in een van de schilderijen van Adil Elsanousi een man met een staf, die mij op de opening van dit verhaal bracht, of misschien was het omgekeerd.
Adil komt oorspronkelijk uit Soedan. Een land waar men vanwege armoede of vanwege dogma’s weinig behoefte had aan kunst.
Ik kan niet anders dan in de schilderijen van Adil de kunstenaar herkennen die te midden van de scherven van wat hem lief is zijn ideaal aan het infuus heeft weten te houden en uiteindelijk erin slaagt zijn feest te vieren: de pure schoonheid, de verbeelding aan de macht in merendeels gloedvolle tinten en een uitdagende mengeling van Afrikaanse en westerse symboliek.

Vergelijk ik de werken van beide kunstenaars dan zie ik heel veel verschillen qua stijl, techniek, kleuren, abstractie etc, maar ook een overeenkomst, … er spreekt een moraal uit, een krachtig appél om te blijven zoeken naar het beloofde land.

Niet omdat ze vluchteling zijn maar kunstenaars weten ze dat het beloofde land, als eindpunt, niet bestaat. Het beloofde land zelf is een mythe. Maar laten we dat geheim houden.

Dames en heren ik verklaar het verloren paradijs voor geopend.

Lena Euwens

van 20 november t/m 18 december, Sint Nicolaasstraat 21, Amsterdam. Do 13.00-19.00 Vr 13.00-17.00 Za 13.00-17.00

Op Donderdag 17 december 2009 om 20.00 uur vindt er een gesprek met de kunstenaars plaats door Paul Faber (Afrika-conservator Tropenmuseum Amsterdam)

Meer info op www.beemsterart.com

Meer informatie over beide kunstenaars, zie het kunstenaarsarchief van AIDA http://aidanederland.nl/wordpress/kunsten/

October 26, 2009

Drie tot nadenken stemmende artikelen over de kwestie Israël/Palestina

ook geplaatst op ‘Stop de Bezetting’

Hoewel ik er zelf wel mijn eigen ideeën over heb, heb ik er nooit echt mijn vingers aan durven branden: de kwestie Palestina/Israël. Het schrijven van een goed stuk over deze materie is lastig en kent zoveel dilemma’s en gevoeligheden, dat het risico groot is dat je op allerlei tenen trapt, ook als je het niet zo bedoelt.
Ik ben van plan het toch te doen; in ieder geval een grondige historische uiteenzetting en ook hard te maken dat de Palestijnen een groot onrecht is aangedaan, waar lange tijd niemand oog voor had vanwege de grootste genocide uit de geschiedenis, de Holocaust. Maar de Palestijnen verdienen hoe dan ook hun vrijheid en hun recht op zelfbeschikking en aan de situatie van bezetting en wat mij betreft ook ‘apartheid’ moet hoe dan ook een eind komen.
Een paar jaar geleden las ik een zeer interessant artikel van de Britse/Joodse historicus Tony Judt, werkzaam aan de University of New York (zie biografie). Hoewel het heel veel reacties heeft losgemaakt (veel woedende want Judt zou de ‘opheffing van Israël’ bepleiten) denk ik dat het nog steeds tot nadenken stemt. Het komt in ieder geval dicht bij mijn eigen gedachten over deze materie (zij het dat ik zelf ook nog wat vraagtekens heb ) .
Heel onlangs vond ik dit stuk terug op internet. Daarom leek het mij interessant om het hier weer onder de aandacht te brengen. En over deze materie volgt later nog veel meer. Maar met name deze passage heeft geheel mijn instemming:

‘Today, non-Israeli Jews feel themselves once again exposed to criticism and vulnerable to attack for things they didn’t do. But this time it is a Jewish state, not a Christian one, which is holding them hostage for its own actions. Diaspora Jews cannot influence Israeli policies, but they are implicitly identified with them, not least by Israel’s own insistent claims upon their allegiance. The behaviour of a self-described Jewish state affects the way everyone else looks at Jews. The increased incidence of attacks on Jews in Europe and elsewhere is primarily attributable to misdirected efforts, often by young Muslims, to get back at Israel. The depressing truth is that Israel’s current behaviour is not just bad for America, though it surely is. It is not even just bad for Israel itself, as many Israelis silently acknowledge. The depressing truth is that Israel today is bad for the Jews’.

Het tweede artikel is van Ilan Pappé, een van de bekendste zogenaamde ‘New Historians’, zoals deze nieuwe generatie Israëlische historici vaak wordt aangeduid. Deze New Historians, hoe verschillend zij ook zijn, hebben met elkaar gemeen dat zij kanttekeningen hebben geplaatst bij de onstaansmythen van de Staat Israël. De notie ‘een land zonder volk voor een volk zonder land’ is uiteraard geheel terzijde geschoven, maar ook het nog steeds veel gehoorde verhaal dat de Arabieren vrijwillig het gebied Palestina zouden hebben verlaten, omdat hun leiders daartoe zouden hebben opgeroepen. Over tot wat voor ongemakkelijkheden en controverses deze New Historians hebben geleid is veel geschreven. Dit geldt overigens niet alleen voor Israël zelf, maar ook buiten Israël hebben traditioneel ‘Israël gezinden’ vaak grote moeite met het werk van Ilan Pappé, Benny Morris. Tom Segev en Avi Schlaim.  Tekenend is deze discussie in het VPRO geschiedenis radioprogramma OVT, waarin de zeer Israël gezinde oud-Midden Oosten correspondent Michael Stein zijn ‘zorgen’ uitspreekt, hier te beluisteren.

De titel van Pappé’s bekendste werk ‘The ethnic cleansing of Palestine’ spreekt wat dat betreft boekdelen. Ik geef hier de biografische beschrijving weer van wikipedia, die wellicht verhelderend genoeg is:

Ilan Pappé (Hebrew: אילן פפה‎; born 1954 in Haifa, Israel) is professor of history at the University of Exeter in the UK, and co-director of the Exeter Center for Ethno-Political Studies. He was formerly a senior lecturer in political science at Haifa University (1984-2007), and chair of the Emil Touma Institute for Palestinian and Israeli Studies in Haifa (2000-2008).[1] He is the author of The Ethnic Cleansing of Palestine (2006), The Modern Middle East (2005), A History of Modern Palestine: One Land, Two Peoples (2003), and Britain and the Arab-Israeli Conflict (1988).[2]

Pappé is one of Israel’s “New Historians” who, since the release of pertinent British and Israeli government documents in the early 1980s, have been rewriting the history of Israel’s creation in 1948 and the corresponding expulsion or flight of 700,000 Palestinians in the same year. He has written that the expulsions were not decided on an ad hoc basis, as other historians have argued, but constituted the ethnic cleansing of Palestine, in accordance with Plan Dalet, drawn up in 1947 by Israel’s future leaders.[3] He blames the creation of Israel for the lack of peace in the Middle East, arguing that Zionism is more dangerous than Islam, and has called for an international boycott of Israeli academics.[4][5]

His work has been both supported and criticized by other historians. Before he left Israel in 2008, he had been condemned in the Knesset, Israel’s parliament; a minister of education had called for him to be sacked; his photograph had appeared in a newspaper at the center of a target; and he had received several death threats. (http://en.wikipedia.org/wiki/Ilan_Pappe, zie ook dit interview in Trouw en zijn website)

Tot zover de tekst van wikipedia. Wellicht behoeft er een kwestie enige toelichting. Dat is de oproep tot een academische boycot. Ogenschijnlijk niet in overeenkomst met het beginsel van de academische vrijheid, maar het gaat in deze om de in Pappé’s ogen schending van de academische vrijheid. Deze kwestie heeft alles te maken met het scriptieonderzoek van Pappé’s student Teddy Katz.
Katz studeerde bij Pappé af aan de Universiteit van Haifa met een scriptie over de massaslachting van het Palestijnse dorp Tantura, in de nacht van 22 op 23 mei 1947 (volgens enkele bronnen is het overigens een misverstand dat Pappé zijn eerste begeleider was, dit zou Kais Firro geweest zijn, zie http://www.counterpunch.org/amit05112005.html). Aanvankelijk waren Pappé en een aantal coreferenten zeer lovend over het onderzoek van deze afstuderende historicus, dat hij had gedaan op basis van interviews met ooggetuigen. Ook de pers had er belangstelling voor: de krant Ma’ariv publiceerde een interview met Katz over zijn scriptie-onderzoek.
Na dit interview begonnen de problemen; Katz werd aangeklaagd door veteranen die aan militaire acties hadden deelgenomen. Pappé heeft zijn student altijd verdedigd, maar de enorme druk werd Katz uiteindelijk teveel en hij gaf in het openbaar toe dat hij ‘fouten’ zou hebben gemaakt. De zaak werd geschikt toen Katz een advertentie plaatste met de verklaring: ‘Vandaag verklaar ik dat er in Tantura geen slachting heeft plaatsgevonden. Ik geloof de Alexandroni (zo heette de desbetreffende brigade) veteranen die elke betrokkenheid bij een dergelijke slachting uitdrukkelijk ontkennen. En ik herroep de in mijn scriptie impliciet verpakte conclusie dat er onder ongewapende of weerloze mensen een bloedbad is aangericht’ (geciteerd uit Chris van der Heijden, Israël, een onherstelbare vergissing, uitgeverij Contact, 2008, p. 15). Kort na deze verklaring kreeg Katz spijt en verklaarde alsnog achter zijn eigen onderzoek te staan. Hij poogde de zaak te heropenen, maar deze werd ook door het Israëlische Hooggerechtshof niet ontvankelijk verklaard. Pappé, die altijd achter de eerdere versie van Katz had gestaan, was diep verontwaardigd door het gebrek aan steun van zijn eigen universiteit voor deze student en verliet Israël om hoogleraar te worden in Exeter. Zijn oproep tot boycot van zijn vroegere universiteit moet ook in dat licht worden gezien. Pappé legt het zelf overigens duidelijk uit in zijn artikel Academic Freedom under assault, zie http://ilanpappe.com/?p=23#more-23 .

Het derde artikel is van de in Jordanië geboren Palestijnse politicologe Leila Farsakh. Hieronder volgt haar beknopte biografie:

Leila Farsakh (Arabic: ليلى فرسخ‎) (born 1967) is a Palestinian Muslim who was born in Jordan and is an Assistant Professor of Political Science at University of Massachusetts Boston.[1] Her area of expertise is Middle East Politics, Comparative Politics, and the Politics of the Arab-Israeli Conflict. Farsakh holds a MPhil from the University of Cambridge, UK (1990) and a PhD from the University of London (2003).[1] Farsakh conducted post-doctoral research at Harvard’s Center for Middle Eastern Studies, and is also a research affiliate at the Center for International Studies at the Massachusetts Institute of Technology.[1] She has worked with a number of organizations, including the Organisation for Economic Co-operation and Development in Paris (1993 - 1996) and the Palestine Economic Policy Research Institute in Ramallah (1998 - 1999).[2] In 2001 she won the Peace and Justice Award from the Cambridge Peace Commission in Cambridge, Massachusetts.[2] Farsakh is the Project Co-Director for Jerusalem 2050, a problem-solving project jointly sponsored by Massachusetts Institute of Technology’s Department of Urban Studies and Planning and the Center for International Studies.[3] She has written extensively on issues related to the Palestinian economy and the Oslo peace process, international migration and regional integration.[3] Farsakh is also part of the staff at the non-governmental organization RESIST, founded in 1967 to provide grant money and support to grassroots movements advocating for social change. [4] (http://connect.in.com/leila-farsakh/biography-171165.html)

De volgende kaarten zijn afkomstig van de website van oud-premier Dries van Agt ( http://www.driesvanagt.nl/ ), die sinds een paar jaar op een mijns inziens lovenswaardige manier campagne voert voor de Palestijnse zaak (zijn boek zal ik in een nog te verschijnen bijdrage uitegebreid bespreken).

Driesvanagt_kaartpalestina01

Driesvanagt_kaartpalestina02

Driesvanagt_kaartpalestina03

Driesvanagt_kaartpalestina04_2

Driesvanagt_kaartpalestina05

Driesvanagt_kaartpalestina06

Driesvanagt_kaartpalestina07

Driesvanagt_kaartpalestina08

Driesvanagt_kaartpalestina09

de muur bij Qalqiliyya

Hier volgt een fragment uit het onderscheiden boek van Joris Luyendijk,vml correspondent in de Bezette gebieden:

‘Stel: in de Verenigde Staten wordt een gek de baas die alle mensen met een Friese grootvader laat oppakken en afmaken. Het wordt een moordpartij van ongekende omvang en als het Anti-Friese bewind eindelijk ten val komt, is duidelijk dat de Friese overlevenden niet meer in Amerika willen wonen. Dus komt er een plan: de Friezen krijgen een eigen staat. En wat is een logischer plek dan het land dat volgens de oude teksten Fries is? Ondanks Nederlands verzet stemmen de Verenigde Naties met het plan in en uit de hele wereld trekken mensen met een Friese grootouder richting de nieuwe Friese staat, royaal gesubsidieerd door Amerika. De overige Nederlanders protesteren: ”Wij hadden toch nooit problemen met de Friezen?’ Maar in de internationale opinie overheerst het medelijden met de Friezen. Er komt een voorstel: de helft van Nederland wordt Frisia, en in de andere helft kunnen de Nederlanders blijven wonen.
De Nederlanders pikken dit niet en er komt een oorlog die de Friezen, met Amerikaanse hulp, winnen en een nog groter deel van Nederland valt in Friese handen. Miljoenen niet-Friese vluchtelingen overstromen de grote Nederlandse steden en de spanningen lopen op, vooral omdat kleine groepjes Nederlanders een guerrilla zijn begonnen tegen de Friezen. ‘Terrorisme!’, roepen Friese voorlichters op CNN: ‘They are killing innocent Frisians!’ Intussen vraagt het Nederlandse volk: ‘Wat hebben wij voor leiders?’
Er volgt een militaire coup en wanneer Nederland probeert in het buitenland wapens te kopen, verovert de jonge Friese staat met een ‘preventieve aanval’ de rest van Nederland, plus stukken van Duitsland en België. Drommen niet-Friese Nederlanders vluchten de grens over naar Duitsland en België, waar ook coups volgen: we moeten voorkomen dat de Friezen ons pakken! Intussen regeert het Friese leger met harde hand over de bezette Nederlandse provincies, wurgt de economie en confisqueert de mooiste stukjes voor nederzettingen en speciale wegen van die nederzettingen naar Frisia.
Dan komt er een vredesproces en krijgt Nederland Limburg, een stukje Brabant en een Zeeuws eiland aangeboden. Die brokjes mogen geen Nederland heten, Nederland mag geen leger hebben en alle grenzen worden bewaakt door Friese troepen’.

Joris Luyendijk, Het zijn net mensen; beelden uit het Midden Oosten, Uitgeverij Podium, 2006, p. 145-146

Nog wat enkele audiovisuele tips. Op 16 november 2000 besteedde het VPRO geschiedenisprogramma Andere Tijden uitgebreid aandacht aan het ontstaan van het Paestijnse vluchtelingenprobleem, met een aantal unieke beelden. Deze uitzending is grotendeels gebaseerd op het baanbrekende The Birth of the Palestinian Refugee Problem, van Bennie Morris, uit 1988, een van de zg New Historians. Terug te zien op http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/2899536/afleveringen/3223236/  Inmiddels is Bennie Morris meer pro-Zionistisch dan anti geworden, zeker tov Ilan Pappé (wat natuurlijk niets afdoet aan zijn belangrijke wetenschappelijke werk). Zeer onlangs (2-12-2009) publiceerde de Groene Amsterdammer een interview met hem, door Simone Korkus (voor webabonnees online te lezen op http://www.groene.nl/2009/49/Benny_Morris_over_de_falende_vredesonderhandelingen_in_Israeuml%3Bl). Daarin doet hij uitsraken als ‘Arabieren hebben geen respect voor het menselijk leven, niet alleen van Joden maar ook van zichzelf’, die met het grootste gemak in de bloemlezing van Edward Saids Orientalism zouden kunnen worden opgenomen, misschien nog wel een tandje pittiger dan de vele passages van Bernard Lewis. Desondanks staat hij nog steeds achter zijn eerdere stellingen, hij vindt alleen dat Israël terecht Palestina etnisch gezuiverd heeft. Een groter contrast dan met ‘Nieuwe historicus’ Ilan Pappé is nauwelijks denkbaar. De Groene publiceerde in 2001 ook een interessant interview met hem, terug te lezen op http://www.groene.nl/2001/22/Interview_met_de_Isra%C3%ABlische_historicus_Ilan_Papp/6 (vrij toegankelijk). Daarin zegt hij oa: ‘Israël is een apartheidsstaat, dat is mijn vaste overtuiging. Maar het zou een staat moeten zijn voor alle burgers. Kan Israël een joodse staat blijven en tegelijkertijd democratisch functioneren? Op den duur zijn de Israëlische Palestijnen geen minderheid meer. En economisch gezien zou Israël een miljoen Palestijnse vluchtelingen kunnen opnemen, maar hoe joods blijft een staat met zoveel niet-joden? Een morele en buitengewoon urgente kwestie, een ideologisch probleem. Ik vind dat we moeten kiezen voor een democratie en dus afzien van een joodse staat’. Deze lijn volgt hij ook in het hier weergeven artikel.

Een grote aanrader is de documentaire ‘The Israel Lobby’, naar het gelijknamige boek van John J. Mearsheimer & Stephen M. Walt (Farrar, Strouss, Giroux, New York, 2007). Oorspronkelijk van de redactie van VPRO Tegenlicht, later Engelstalig bewerkt. Ook Tony Judt komt hierin uitgebreid aan het woord. Te bekijken via deze link: The Israel Lobby. Over de vraag waarom de Nederlandse politiek, ook naar Europese verhoudingen, nog altijd zo’n uitgesproken pro-Israël koers vaart, zie deze nog altijd relevante uitzending van Zembla, Zwijgen over Isräel. Aan het woord komen oud ministers als Hans Van Mierlo, Bram Stemerdink, Henk Vredeling en Hans van den Broek,  Rabbijn Evers, Ronnie Naftaniël van het CIDI, ambassadeur van Israël Eitan Margalith, Hajo Meijer van Een Ander Joods Geluid, de Midden Oosten correspondenten Maarten Jan Hijmans en Conny Mus, de classicus en columnist Anton van Hooff en vele anderen.

 

 

Hier het volledige artikel van Tony Judt (bron: http://www.nybooks.com/articles/16671 ) :

New York Review of Books Volume 50, Number 16 • October 23, 2003

Israel: The Alternative

By Tony Judt

The Middle East peace process is finished. It did not die: it was killed. Mahmoud Abbas was undermined by the President of the Palestinian Authority and humiliated by the Prime Minister of Israel. His successor awaits a similar fate. Israel continues to mock its American patron, building illegal settlements in cynical disregard of the “road map.” The President of the United States of America has been reduced to a ventriloquist’s dummy, pitifully reciting the Israeli cabinet line: “It’s all Arafat’s fault.” Israelis themselves grimly await the next bomber. Palestinian Arabs, corralled into shrinking Bantustans, subsist on EU handouts. On the corpse-strewn landscape of the Fertile Crescent, Ariel Sharon, Yasser Arafat, and a handful of terrorists can all claim victory, and they do. Have we reached the end of the road? What is to be done?
At the dawn of the twentieth century, in the twilight of the continental empires, Europe’s subject peoples dreamed of forming “nation-states,” territorial homelands where Poles, Czechs, Serbs, Armenians, and others might live free, masters of their own fate. When the Habsburg and Romanov empires collapsed after World War I, their leaders seized the opportunity. A flurry of new states emerged; and the first thing they did was set about privileging their national, “ethnic” majority—defined by language, or religion, or antiquity, or all three—at the expense of inconvenient local minorities, who were consigned to second-class status: permanently resident strangers in their own home.

But one nationalist movement, Zionism, was frustrated in its ambitions. The dream of an appropriately sited Jewish national home in the middle of the defunct Turkish Empire had to wait upon the retreat of imperial Britain: a process that took three more decades and a second world war. And thus it was only in 1948 that a Jewish nation-state was established in formerly Ottoman Palestine. But the founders of the Jewish state had been influenced by the same concepts and categories as their fin-de-siècle contemporaries back in Warsaw, or Odessa, or Bucharest; not surprisingly, Israel’s ethno-religious self-definition, and its discrimination against internal “foreigners,” has always had more in common with, say, the practices of post-Habsburg Romania than either party might care to acknowledge.
The problem with Israel, in short, is not—as is sometimes suggested—that it is a European “enclave” in the Arab world; but rather that it arrived too late. It has imported a characteristically late-nineteenth-century separatist project into a world that has moved on, a world of individual rights, open frontiers, and international law. The very idea of a “Jewish state”—a state in which Jews and the Jewish religion have exclusive privileges from which non-Jewish citizens are forever excluded—is rooted in another time and place. Israel, in short, is an anachronism.

In one vital attribute, however, Israel is quite different from previous insecure, defensive microstates born of imperial collapse: it is a democracy. Hence its present dilemma. Thanks to its occupation of the lands conquered in 1967, Israel today faces three unattractive choices. It can dismantle the Jewish settlements in the territories, return to the 1967 state borders within which Jews constitute a clear majority, and thus remain both a Jewish state and a democracy, albeit one with a constitutionally anomalous community of second-class Arab citizens.
Alternatively, Israel can continue to occupy “Samaria,” “Judea,” and Gaza, whose Arab population—added to that of present-day Israel—will become the demographic majority within five to eight years: in which case Israel will be either a Jewish state (with an ever-larger majority of unenfranchised non-Jews) or it will be a democracy. But logically it cannot be both.
Or else Israel can keep control of the Occupied Territories but get rid of the overwhelming majority of the Arab population: either by forcible expulsion or else by starving them of land and livelihood, leaving them no option but to go into exile. In this way Israel could indeed remain both Jewish and at least formally democratic: but at the cost of becoming the first modern democracy to conduct full-scale ethnic cleansing as a state project, something which would condemn Israel forever to the status of an outlaw state, an international pariah.
Anyone who supposes that this third option is unthinkable above all for a Jewish state has not been watching the steady accretion of settlements and land seizures in the West Bank over the past quarter-century, or listening to generals and politicians on the Israeli right, some of them currently in government. The middle ground of Israeli politics today is occupied by the Likud. Its major component is the late Menachem Begin’s Herut Party. Herut is the successor to Vladimir Jabotinsky’s interwar Revisionist Zionists, whose uncompromising indifference to legal and territorial niceties once attracted from left-leaning Zionists the epithet “fascist.” When one hears Israel’s deputy prime minister, Ehud Olmert, proudly insist that his country has not excluded the option of assassinating the elected president of the Palestinian Authority, it is clear that the label fits better than ever. Political murder is what fascists do.

The situation of Israel is not desperate, but it may be close to hopeless. Suicide bombers will never bring down the Israeli state, and the Palestinians have no other weapons. There are indeed Arab radicals who will not rest until every Jew is pushed into the Mediterranean, but they represent no strategic threat to Israel, and the Israeli military knows it. What sensible Israelis fear much more than Hamas or the al-Aqsa Brigade is the steady emergence of an Arab majority in “Greater Israel,” and above all the erosion of the political culture and civic morale of their society. As the prominent Labor politician Avraham Burg recently wrote, “After two thousand years of struggle for survival, the reality of Israel is a colonial state, run by a corrupt clique which scorns and mocks law and civic morality.”[1] Unless something changes, Israel in half a decade will be neither Jewish nor democratic.
This is where the US enters the picture. Israel’s behavior has been a disaster for American foreign policy. With American support, Jerusalem has consistently and blatantly flouted UN resolutions requiring it to withdraw from land seized and occupied in war. Israel is the only Middle Eastern state known to possess genuine and lethal weapons of mass destruction. By turning a blind eye, the US has effectively scuttled its own increasingly frantic efforts to prevent such weapons from falling into the hands of other small and potentially belligerent states. Washington’s unconditional support for Israel even in spite of (silent) misgivings is the main reason why most of the rest of the world no longer credits our good faith.
It is now tacitly conceded by those in a position to know that America’s reasons for going to war in Iraq were not necessarily those advertised at the time.[2] For many in the current US administration, a major strategic consideration was the need to destabilize and then reconfigure the Middle East in a manner thought favorable to Israel. This story continues. We are now making belligerent noises toward Syria because Israeli intelligence has assured us that Iraqi weapons have been moved there—a claim for which there is no corroborating evidence from any other source. Syria backs Hezbollah and the Islamic Jihad: sworn foes of Israel, to be sure, but hardly a significant international threat. However, Damascus has hitherto been providing the US with critical data on al-Qaeda. Like Iran, another longstanding target of Israeli wrath whom we are actively alienating, Syria is more use to the United States as a friend than an enemy. Which war are we fighting?
On September 16, 2003, the US vetoed a UN Security Council resolution asking Israel to desist from its threat to deport Yasser Arafat. Even American officials themselves recognize, off the record, that the resolution was reasonable and prudent, and that the increasingly wild pronouncements of Israel’s present leadership, by restoring Arafat’s standing in the Arab world, are a major impediment to peace. But the US blocked the resolution all the same, further undermining our credibility as an honest broker in the region. America’s friends and allies around the world are no longer surprised at such actions, but they are saddened and disappointed all the same.
Israeli politicians have been actively contributing to their own difficulties for many years; why do we continue to aid and abet them in their mistakes? The US has tentatively sought in the past to pressure Israel by threatening to withhold from its annual aid package some of the money that goes to subsidizing West Bank settlers. But the last time this was attempted, during the Clinton administration, Jerusalem got around it by taking the money as “security expenditure.” Washington went along with the subterfuge, and of $10 billion of American aid over four years, between 1993 and 1997, less than $775 million was kept back. The settlement program went ahead unimpeded. Now we don’t even try to stop it.
This reluctance to speak or act does no one any favors. It has also corroded American domestic debate. Rather than think straight about the Middle East, American politicians and pundits slander our European allies when they dissent, speak glibly and irresponsibly of resurgent anti-Semitism when Israel is criticized, and censoriously rebuke any public figure at home who tries to break from the consensus.

But the crisis in the Middle East won’t go away. President Bush will probably be conspicuous by his absence from the fray for the coming year, having said just enough about the “road map” in June to placate Tony Blair. But sooner or later an American statesman is going to have to tell the truth to an Israeli prime minister and find a way to make him listen. Israeli liberals and moderate Palestinians have for two decades been thanklessly insisting that the only hope was for Israel to dismantle nearly all the settlements and return to the 1967 borders, in exchange for real Arab recognition of those frontiers and a stable, terrorist-free Palestinian state underwritten (and constrained) by Western and international agencies. This is still the conventional consensus, and it was once a just and possible solution.
But I suspect that we are already too late for that. There are too many settlements, too many Jewish settlers, and too many Palestinians, and they all live together, albeit separated by barbed wire and pass laws. Whatever the “road map” says, the real map is the one on the ground, and that, as Israelis say, reflects facts. It may be that over a quarter of a million heavily armed and subsidized Jewish settlers would leave Arab Palestine voluntarily; but no one I know believes it will happen. Many of those settlers will die—and kill—rather than move. The last Israeli politician to shoot Jews in pursuit of state policy was David Ben-Gurion, who forcibly disarmed Begin’s illegal Irgun militia in 1948 and integrated it into the new Israel Defense Forces. Ariel Sharon is not Ben-Gurion.[3]
The time has come to think the unthinkable. The two-state solution—the core of the Oslo process and the present “road map”—is probably already doomed. With every passing year we are postponing an inevitable, harder choice that only the far right and far left have so far acknowledged, each for its own reasons. The true alternative facing the Middle East in coming years will be between an ethnically cleansed Greater Israel and a single, integrated, binational state of Jews and Arabs, Israelis and Palestinians. That is indeed how the hard-liners in Sharon’s cabinet see the choice; and that is why they anticipate the removal of the Arabs as the ineluctable condition for the survival of a Jewish state.
But what if there were no place in the world today for a “Jewish state”? What if the binational solution were not just increasingly likely, but actually a desirable outcome? It is not such a very odd thought. Most of the readers of this essay live in pluralist states which have long since become multiethnic and multicultural. “Christian Europe,” pace M. Valéry Giscard d’Estaing, is a dead letter; Western civilization today is a patchwork of colors and religions and languages, of Christians, Jews, Muslims, Arabs, Indians, and many others—as any visitor to London or Paris or Geneva will know.[4]
Israel itself is a multicultural society in all but name; yet it remains distinctive among democratic states in its resort to ethnoreligious criteria with which to denominate and rank its citizens. It is an oddity among modern nations not—as its more paranoid supporters assert—because it is a Jewish state and no one wants the Jews to have a state; but because it is a Jewish state in which one community—Jews—is set above others, in an age when that sort of state has no place.

For many years, Israel had a special meaning for the Jewish people. After 1948 it took in hundreds of thousands of helpless survivors who had nowhere else to go; without Israel their condition would have been desperate in the extreme. Israel needed Jews, and Jews needed Israel. The circumstances of its birth have thus bound Israel’s identity inextricably to the Shoah, the German project to exterminate the Jews of Europe. As a result, all criticism of Israel is drawn ineluctably back to the memory of that project, something that Israel’s American apologists are shamefully quick to exploit. To find fault with the Jewish state is to think ill of Jews; even to imagine an alternative configuration in the Middle East is to indulge the moral equivalent of genocide.
In the years after World War II, those many millions of Jews who did not live in Israel were often reassured by its very existence—whether they thought of it as an insurance policy against renascent anti-Semitism or simply a reminder to the world that Jews could and would fight back. Before there was a Jewish state, Jewish minorities in Christian societies would peer anxiously over their shoulders and keep a low profile; since 1948, they could walk tall. But in recent years, the situation has tragically reversed.
Today, non-Israeli Jews feel themselves once again exposed to criticism and vulnerable to attack for things they didn’t do. But this time it is a Jewish state, not a Christian one, which is holding them hostage for its own actions. Diaspora Jews cannot influence Israeli policies, but they are implicitly identified with them, not least by Israel’s own insistent claims upon their allegiance. The behavior of a self-described Jewish state affects the way everyone else looks at Jews. The increased incidence of attacks on Jews in Europe and elsewhere is primarily attributable to misdirected efforts, often by young Muslims, to get back at Israel. The depressing truth is that Israel’s current behavior is not just bad for America, though it surely is. It is not even just bad for Israel itself, as many Israelis silently acknowledge. The depressing truth is that Israel today is bad for the Jews.
In a world where nations and peoples increasingly intermingle and intermarry at will; where cultural and national impediments to communication have all but collapsed; where more and more of us have multiple elective identities and would feel falsely constrained if we had to answer to just one of them; in such a world Israel is truly an anachronism. And not just an anachronism but a dysfunctional one. In today’s “clash of cultures” between open, pluralist democracies and belligerently intolerant, faith-driven ethno-states, Israel actually risks falling into the wrong camp.
To convert Israel from a Jewish state to a binational one would not be easy, though not quite as impossible as it sounds: the process has already begun de facto. But it would cause far less disruption to most Jews and Arabs than its religious and nationalist foes will claim. In any case, no one I know of has a better idea: anyone who genuinely supposes that the controversial electronic fence now being built will resolve matters has missed the last fifty years of history. The “fence”—actually an armored zone of ditches, fences, sensors, dirt roads (for tracking footprints), and a wall up to twenty-eight feet tall in places—occupies, divides, and steals Arab farmland; it will destroy villages, livelihoods, and whatever remains of Arab-Jewish community. It costs approximately $1 million per mile and will bring nothing but humiliation and discomfort to both sides. Like the Berlin Wall, it confirms the moral and institutional bankruptcy of the regime it is intended to protect.
A binational state in the Middle East would require a brave and relentlessly engaged American leadership. The security of Jews and Arabs alike would need to be guaranteed by international force—though a legitimately constituted binational state would find it much easier policing militants of all kinds inside its borders than when they are free to infiltrate them from outside and can appeal to an angry, excluded constituency on both sides of the border.[5] A binational state in the Middle East would require the emergence, among Jews and Arabs alike, of a new political class. The very idea is an unpromising mix of realism and utopia, hardly an auspicious place to begin. But the alternatives are far, far worse.

—September 25, 2003

Notes

[1] See Burg’s essay, “La révolution sioniste est morte,” Le Monde, September 11, 2003. A former head of the Jewish Agency, the writer was speaker of the Knesset, Israel’s Parliament, between 1999 and 2003 and is currently a Labor Party member of the Knesset. His essay first appeared in the Israeli daily Yediot Aharonot; it has been widely republished, notably in the Forward (August 29, 2003) and the London Guardian (September 15, 2003).
[2] See the interview with Deputy Secretary of Defense Paul Wolfowitz in the July 2003 issue of Vanity Fair.
[3] In 1979, following the peace agreement with Anwar Sadat, Prime Minister Begin and Defense Minister Sharon did indeed instruct the army to close down Jewish settlements in the territory belonging to Egypt. The angry resistance of some of the settlers was overcome with force, though no one was killed. But then the army was facing three thousand extremists, not a quarter of a million, and the land in question was the Sinai Desert, not “biblical Samaria and Judea.”
[4] Albanians in Italy, Arabs and black Africans in France, Asians in England all continue to encounter hostility. A minority of voters in France, or Belgium, or even Denmark and Norway, support political parties whose hostility to “immigration” is sometimes their only platform. But compared with thirty years ago, Europe is a multicolored patchwork of equal citizens, and that, without question, is the shape of its future.
[5] As Burg notes, Israel’s current policies are the terrorists’ best recruiting tool: “We are indifferent to the fate of Palestinian children, hungry and humiliated; so why are we surprised when they blow us up in our restaurants? Even if we killed 1000 terrorists a day it would change nothing.” See Burg, “La révolution sioniste est morte.”

Tot zover het artikel van Tony Judt. Hier volgt het artikel van Ilan Pappé:

Fort Israel

(oorspronkelijk verschenen in The London Review of Books, Nederlandse vertaling in Soemoed, van het NPK, http://www.palestina-komitee.nl/soemoed/36/329 )

Ilan Pappé

Het recht op terugkeer van de in de oorlog van 1948 verdreven Palestijnse vluchtelingen is in december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties erkend. Het is verankerd in internationaal recht en stemt overeen met de heersende ideeën over universele gerechtigheid.
Verrassender wellicht, het is ook in termen van realpolitik van belang: Immers, alle pogingen om het Israelisch-Palestijnse conflict op te lossen, zullen falen zolang Israel niet bereid is de vluchtelingen te repatriëren. In 2000 werd dit opnieuw duidelijk, toen deze kwestie tot het afbreken van het Oslo-proces leidde [dat in 1993 van start was gegaan; red.]. Niettemin is slechts een handjevol joden in Israel bereid het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen te steunen, onder meer omdat de meeste Israelische joden weigeren te erkennen, dat Israel in 1948 etnische zuivering heeft toegepast.
Het doel van het zionistische project is altijd vestiging en verdediging van een Westers/’blank’ fort in de Arabische/’zwarte’ wereld geweest. De kern van de weigering in te stemmen met het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelngen is de angst van Israelische joden dat zij uiteindelijk in Israel een minderheid temidden van de Arabieren [Palestijnen] zullen gaan vormen. Dit vooruitzicht roept dermate heftige gevoelens op, dat het de Israelische joden niet lijkt te interesseren dat zij zich met hun acties de veroordeling van de hele wereld op de hals halen. Het joodse verlangen naar verzoening is vervangen door vrome arrogantie en zelfrechtvaardiging. Hun positie verschilt nauwelijks van die van de kruisvaarders, toen dezen beseften dat het door hen gestichte Koninkrijk Jeruzalem slechts een eiland in een vijandige islamitische wereld was. Of van die van de blanke kolonisten in Afrika, wier enclaves nog niet zo lang geleden zijn verdwenen en wier pretentie tevens een van de lokale volksstammen te vormen, de bodem is ingeslagen.
In of rond 1922 is een groep joodse kolonisten uit Oost-Europa – in belangrijke mate dankzij de steun van het Britse Imperium – erin geslaagd een begin te maken met de vestiging van een enclave in Palestina. In dat jaar en nadien zijn de grenzen van Palestina als toekomstige joodse staat uitgestippeld. De koloniale droom was dat massale joodse immigratie hun bolwerk zou gaan versterken. Maar als gevolg van de holocaust was het aantal ‘blanke’ joden gereduceerd en – voor de zionisten een teleurstelling - de overlevenden bleken de Verenigde Staten of zelfs het perfide Europa te verkiezen boven Palestina. Schoorvoetend liet het Oost-Europese leiderschap een miljoen Arabische joden [Mizrachi] tot de enclave toe. Dezen werden vervolgens aan een de-Arabiseringsproces onderworpen, dat goed is gedocumenteerd in post-zionistische en Mizrachi studies. Dit werd gezien als een succes en de aanwezigheid van een kleine Palestijnse minderheid binnen Israel verstoorde niet de illusie, dat de enclave goed was opgebouwd en op een degelijk fundament rustte – zelfs al was de prijs dat de inheemse bevolking als gevolg daarvan van 78 procent van haar land werd beroofd en ontworteld raakte.
De Arabische wereld en de Palestijnse Nationale Beweging waren krachtig genoeg om duidelijk te maken dat zij zich niet met de Israelische enclave zouden verzoenen. In 1967 kwam het tot een uitbarsting tussen beide partijen, waarbij het zionistische project zijn greep op het grondgebied verder vergrootte, in de vorm van de bezetting van het resterende deel van Palestina [Westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza], samen met delen van Syrië [Hoogvlakte van Golan], Egypte [Strook van Gaza] en Jordanië [Westelijke Jordaanoever]. Deze overwinning smaakte naar meer territorium. In 1982 werd Zuid-Libanon aan het mini-imperium toegevoegd, ter compensatie van het verlies van de Sinaï Woestijn, die in 1979 aan Egypte werd teruggeven. Deze expansiepolitiek werd gezien als noodzakelijk voor de bescherming van de enclave.
Sinds 2000 is de joodse staat gestopt met de verdere vergroting van zijn grondgebied. In feite kromp hij zelfs in, ten gevolge van de terugtrekking uit Zuid-Libanon. Ook hebben opeenvolgende regeringen de bereidheid getoond om over de terugtrekking uit de Bezette Gebieden te onderhandelen, want de Israelische leiders geloofden niet langer dat land de belangrijkste troefkaart van de staat was. Andere zaken lijken nu meer waarde te hebben, zoals de Israelische nucleaire capaciteit, onvoorwaardelijke Amerikaanse steun en sterke strijdkrachten. Er is opnieuw een zionistisch pragmatisme boven komen drijven, dat gelooft in de mogelijkheid om Israel te beperken tot 90 procent [!] van Palestina, mits het gebied wordt omringd door onder stroom staande hekken en door zichtbare en onzichtbare muren. Een minderheid van fanatiekelingen is het er niet mee eens dat er afstand van grondgebied wordt gedaan. Er wordt zelfs gesproken over een op handen zijnde ‘burgeroorlog’. Maar dat is spel: De grote meerderheid van het publiek steunt de politiek ‘van het gezonde verstand’, die uitgaat van de ‘ontkoppeling’ van de Strook van Gaza.
Daarmee zou het laatste stadium van de bouw van het fort, waarbinnen zich een door hoge muren omringde enclave bevindt, die met zekere internationale – en zelfs regionale – instemming tot stand is gekomen, wel eens aangebroken kunnen zijn. Maar wat gebeurt er binnen de muren? Niet veel, als je de belangrijkste dagbladen mag geloven. Binnen de muren zijn er dreigende ontwikkelingen, maar daarvoor kunnen oplossingen worden gevonden. Weliswaar zijn er vele niet-joden uit de voormalige Sovjet-Unie gearriveerd [niet-joodse, naaste verwanten van Russische joden; red.], maar dat zijn tenminste ‘blanken’, en dus zijn zij welkom. Niet-joodse arbeidsmigranten zullen ofwel worden gedeporteerd of blijven in Israel om daar als moderne slaven te leven [zie de bijdrage van Rachel Shabi, elders in dit nummer van Soemoed; red.]. De hoofdzaak is echter, dat zij geen Arabieren [Palestijnen] zijn en dus geen ‘demografisch probleem’ vormen. Deze laatste term wordt door die Israelische joden gebruikt, die voorstanders zijn van verdrijving van nog meer Palestijnen en is onderwerp van vele academische conferenties - inclusief een die deze maand op mijn universiteit [Haïfa] is georganiseerd (de hoogleraren en genodigde overheidsfunktionarissen die deze conferentie bijwonen, onderschrijven openlijk een strategie van verdergaande etnische zuivering [zie: 'Universiteit van Haïfa - institutioneel racisme' in het vorige nummer van Soemoed; red.]. Arabische joden worden niet als een gevaar voor de zuiverheid van de enclave gezien, omdat zij met succes zijn gede-Arabiseerd. Aangenomen wordt dat de enkelen onder hen, die het wagen hun wortels in de Arabische wereld te zoeken, geen echte bedreiging voor de zionistische consensus zullen vormen.
Duidelijk is waarom geen enkele doorgewinterde zionist zal voorstellen om onderhandelingen over het recht op terugkeer van meer ‘Arabs’ naar de joodse staat te beginnen, zelfs als dit beëindiging van het conflict tot gevolg zou hebben. De weigering om de terugkeer in overweging te nemen is nochtans bizar – tenminste als je enigszins afstand neemt van het zionistische beeld van de werkelijkheid en beseft dat de staat Israel op dit moment al geen joodse meerderheid meer heeft, door de toestroom van Oost-Europese christenen, het groeiende aantal arbeidsmigranten en het feit dat seculiere joden maar in één enkele betekenis ‘joods’ zijn. Het is echter minder bizar wanneer men zich voor ogen houdt, dat het belangrijkste doel is de staat ‘blank’ te houden (zwarte joden uit Ethiopië wonen in verpauperde delen van Israel en blijven grotendeels buiten beeld). In de ogen van zowel Links als Rechts in Israel gaat het erom, dat de hekken gesloten blijven en de muren hoog zijn, zodat een ‘Arabische’ invasie van het joodse fort kan worden afgeweerd.
De pogingen van opeenvolgende Israelische regeringen om joodse immigratie aan te moedigen en het joodse geboortecijfer binnen de staat te verhogen, zijn mislukt. Evenmin hebben zij een zodanige oplossing voor het conflict gevonden, dat het aantal ‘Arabs’ in Israel afneemt. Integendeel, al hun oplossingen hebben geleid tot een toename (aangezien zij Groot-Jeruzalem, de Hoogvlakte van Golan en het grote blok nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever beschouwen als deel van Israel). Het Palestijnse geboortecijfer is driemaal hoger dan dat van de Israelische joden, en je hoeft geen demografisch deskundige te zijn om te begrijpen wat dit inhoudt.
Bovendien zullen de voorstellen van de regering-Sharon/Peres om een einde te maken aan het conflict - met stilzwijgende instemming van de linkse zionisten – wellicht wel sommige Arabische regimes, zoals het Egyptische en het Jordaanse, bevredigen, maar niet de door de radicale islam gepolitiseerde burgerbevolking van die landen. Het Amerikaanse doel tot ‘democratisering’ van het Midden-Oosten – zoals op dit moment [volgens eigen zeggen] de Amerikaanse troepen in Irak voor ogen staat – maakt het leven binnen het ‘blanke’ fort niet minder zorgelijk. De geweldsniveaus zijn nog steeds hoog en de levensstandaard van de meerderheid van de bevolking daalt gestaag [zie elders in dit nummer van Soemoed; red.]. Hieraan wordt niets gedaan: Het onderwerp staat bijna even laag op de nationale agenda als het milieu en de vrouwenrechten. Waar het om gaat is dat wij – ikzelf inbegrepen, aangezien ik afstam van een Duits-joodse familie – een meerderheid van ‘blanken’ vormen op ons verlichte eiland in een zee van ‘zwarten’.
Verwerping van het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen staat gelijk aan een onvoorwaardelijk pleidooi voor de verdediging van de ‘blanke’ enclave. Dit liedje is vooral populair onder sefardische joden, die oorspronkelijk deel uitmaakten van de Arabische wereld [en van Zuid-Europa; red.], maar sindsdien hebben geleerd dat lidmaatschap van de ‘blanke’ gemeenschap een proces van Hishtakenezut – ‘Ashkenaziëring’ – vereist. Thans zijn zij de meest luidruchtige supporters van het ‘blanke’ eiland, al delen slechts enkelen van hen het comfortabele leven dat hun Ashkenazische medeburgers leiden. Zij kunnen nog zo ijverig proberen te ‘de-Arabiseren’, vroeg of laat botsen zij tegen een glazen plafond.
Het belangrijkst van alles is, dat het zionistische geloof in Fort Israel ervoor borg staat, dat het conflict met de Palestijnen, hun Arabische buren en moslimgemeenschappen tot aan Zuid-Oost Azië toe, wordt voortgezet. En het zullen niet alleen culturele solidariteit en religieuze affiniteit zijn, die uiteindelijk de formidabele, gecombineerde energie vanuit de Arabische en islamitische wereld bij de strijd tegen Israel zullen betrekken: De wereldwijde, groeiende frustratie en de wil tot bevrijding zullen ooit met elkaar gaan samenvallen, ten behoeve van de redding van Palestina.

De nauwe relatie tussen joden en Palestijnen die in deze moeilijke tijden zowel binnen als buiten Israel is ontwikkeld, en het gemengde karakter van die delen van de joodse samenleving in Israel, die zich eerder hebben laten vormen door de omstandigheden dan door menselijke manipulaties, belooft verzoening - ondanks de jaren van apartheid, uitzetting en onderdrukking. De mogelijkheid daartoe zal niet eeuwig bestaan. Als de laatste post-koloniale Europese enclave in de Arabische wereld zichzelf niet vrijwillig transformeert in een democratische staat voor al zijn burgers, zal het een land worden vervuld van woede en met door wraakgevoelens, chauvinisme en religieus fanatisme verwrongen trekken. Als dit gebeurt zal van de Palestijnen geen redelijkheid meer geëist of verwacht kunnen worden. Zo zou het wel eens kunnen gaan, en - gegeven alles wat we hebben gezien in andere, gewapenderhand bevrijde Arabische landen - is de kans groot dat dit eerder vroeger dan later het geval zal zijn.

Degenen onder ons, die het Palestijnse recht op terugkeer steunen geloven dat er nog altijd mogelijkheden bestaan. De Israelische onderdrukking weegt echter nog altijd onwaarschijnlijk veel zwaarder dan de Palestijnse wraakzucht. Maar hoe lang wij nog van dit verschil kunnen profiteren, valt moeilijk te zeggen. Niet erg lang. Ik vrees dat, als steun van buitenaf uitblijft, ons het ergste nog te wachten staat.

uit: London Review of Books van 19 mei 2005

Ilan Pappé is een post-zionistische Israelische historicus en verbonden aan de Universiteit van Haïfa.

vertaling: Aleid Sevenster-Blink

Is het uur van de binationale staat aangebroken?

Leila Farsakh

bron: http://www.palestina-komitee.nl/soemoed/40/468

Ehoed Olmert en Mahmoed Abbas (Abu Mazen) hebben in Jeruzalem op 19 februari in het gezelschap van Condoleezza Rice hun verbintenis bevestigd om te streven naar een twee-staten-oplossing voor het Israelisch-Palestijnse conflict. Deze principeverklaring maakt maar weinig kans, zelfs niet op een begin van toepassing. Tegelijk gaat de kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever onverminderd voort. En dat is zonder twijfel de reden waarom er steeds meer stemmen opgaan - en met steeds meer klem - om een binationale staat op te richten op het geheel van het grondgebied van het historische Palestina.

Drie jaar geleden schreef Meron Benvenisti - in de jaren zeventig loco-burgemeester van Jeruzalem - dat het niet langer de vraag is of er ooit een binationale staat komt in Palestina-Israel. Volgens hem is het de vraag welk soort binationalisme er bepaald en in de praktijk zal worden gebracht.(1) Bekende intellectuelen uit beide kampen benadrukken dat deze oplossing onvermijdelijk wordt: wijlen Edward Said en Azmi Bishara [Palestijns Knesset-lid], de historicus Ilan Pappé, de academici Tanya Reinhart [onlangs overleden] en Virginia Tilley, de journalisten en activisten Amira Hass en Ali Abunimah.(2) Er bestaan tal van werken waarin de idee van een binationale staat wordt verdedigd. De auteurs gaan telkens weer van dezelfde vaststelling uit: De mislukking van de Oslo-Akkoorden en van de versnippering van de Bezette Gebieden in vele bantoestans.(3). Kortom, de regio stevent eerder af op de afgrond van een nieuwe apartheid, dan op de co-existentie van twee leefbare, onafhankelijke staten.

De idee van een binationale staat is niet nieuw. Zij is afkomstig van een groep linkse zionistische intellectuelen uit de jaren twintig van vorige eeuw, met boegbeelden als de filosoof Martin Buber, de eerste rector van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem, Judah Magnes, en Haïm Kalvarisky die was aangesloten bij Brit Shalom en later bij Ihoed (Unie). Zij traden in de voetsporen van de schrijver Ahad Ha’am en beschouwden het zionisme als een zoektocht naar een culturele en spirituele renaissance van het jodendom, die in geen geval kon worden gerealiseerd op basis van onrecht. Voor hen was het essentieel een natie te stichten, maar daarom nog niet noodzakelijk een onafhankelijke joodse staat, vooral als die ten koste zou gaan van de autochtone bevolking. Judah Magnes benadrukte dat het joodse volk ‘geen joodse staat nodig heeft om zijn voortbestaan te garanderen’.(4)

Onder het Britse mandaat (1922-1948) bleven de voorstanders van de binationale optie binnen de zionistische beweging in de minderheid, maar zij hadden wel invloed. Zij lieten hun stem weerklinken in de zionistische middens en in de internationale arena, bijvoorbeeld in 1947 tijdens de hoorzittingen van het United Nations Special Committee on Palestine dat uiteindelijk de opdeling van Palestina zou voorstellen. Zij verzetten zich heftig tegen dit voorstel en verdedigden een andere keuze: Een binationale staat die een onderdeel zou worden van een Arabische federatie. Om de joodse nationale verzuchting naar een cultuur- en taalautonomie te vrijwaren, stelden de binationalisten een federale structuur voor die in geen enkel opzicht de fundamentele rechten van alle burgers mocht aantasten. Zij beriepen zich op de geest van het Britse mandaat om de oprichting van een wetgevende raad te bepleiten, die gebaseerd moest zijn op een proportionele vertegenwoordiging en de nationale rechten moest bevorderen, zonder afbreuk te doen aan de gelijke politieke rechten van alle burgers.

Met het verdelingsplan voor Palestina, dat door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 29 november 1947 werd goedgekeurd en met de eerste Israelisch-Arabische oorlog van 1948-1950 werd de idee van een binationale staat opzij geschoven. Deze mislukking werd vaak uitgelegd als het gevolg van het idealisme en het onvermogen van de binationalisten om rekening te houden met de realiteit op de grond. Maar klopt dat wel? Magnes ging er immers vanuit dat de binationale staat de enige realistische optie was die de joodse gemeenschap in Palestina kon redden, precies omdat deze gemeenschap een minderheid vormde. In feit heeft de binationale optie gefaald omdat de belangrijkste politieke protagonisten deze idee verwierpen: De zionistische organisaties wilden er niet van weten, het Groot-Brittannië moedigde het binationalisme allesbehalve aan. De Arabieren stonden er zeer wantrouwig tegenover.

In 1969 kwam de binationale optie weer naar boven - weliswaar in een andere vorm - met de verklaringen van de Palestijnse Bevrijdingsbeweging (FATAH), de organisatie van Yasser Arafat, over de oprichting van een democratische staat in Palestina. Deze staat moest een einde maken aan het onrecht dat de oprichting van de staat Israel en de verdrijving van 750.000 Palestijnen uit hun dorpen en steden veroorzaakt had. FATAH eiste de toepassing van hun recht op terugkeer, zonder evenwel de joodse aanwezigheid in Palestina aan te vechten. FATAH riep weliswaar op tot de vernietiging van de structuren van de staat Israel, die als een koloniale entiteit werd beschouwd, maar verdedigde de idee van een eenheidsstaat voor alle burgers: Moslims, christenen en joden. Het was de eerste officiële Palestijnse poging om het vraagstuk aan de orde te stellen van de verhouding tussen nationale rechten en individuele burgerrechten.

Dit voorstel kon in Israel op geen enkele positieve reactie rekenen, noch in de internationale arena. In de daarop volgende decennia werd de oprichting van twee staten zowat de enige mogelijkheid die in aanmerking kwam. Ondanks de verklaringen van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten gunste van een democratische staat, bereidde Arafat de Palestijnen voor om de opdeling van Palestina te aanvaarden. In 1974 stemde de Palestijnse Nationale Raad (het hoogste gezagsorgaan van de PLO) hiermee in en deed dat in 1988 nog duidelijker met de Palestijnse onafhankelijkheidsverklaring en de aanvaarding van het verdelingsplan van de Verenigde Naties. Een Palestijnse staat, ook al omvatte deze maar 22 procent van het oorspronkelijke grondgebied, was de enige mogelijke optie.

de nachtmerrie van een nieuwe apartheid

De lange mars van de Palestijnen naar de erkenning en oprichting van een onafhankelijke staat liep in 1993 uit in de Akkoorden van Oslo. Het belangrijkste en wellicht enige succes van deze overeenkomst was, zoals de toenmalige Israelische premier Yitzhak Rabin verklaarde, de officiële erkenning dat Israeli’s en Palestijnen ‘voorbestemd waren om op hetzelfde grondgebied samen te leven’. De grote tragedie van Oslo was echter dat de droom van twee staten omsloeg in de nachtmerrie van een nieuwe apartheid.[tragedie? Op Israel rust de volle verantwoordelijkheid daarvoor!; red.] Sinds 1994 zijn de Palestijnen de facto gevangenen. Zij zijn niet bevrijd, maar onderworpen aan een systeem van vergunningen, die door de Israeli’s worden verstrekt. Zij hebben te lijden onder de oprichting van meer dan vijftig permanente checkpoints en talloze andere versperringen die hun grondgebied opdelen in acht belangrijke bantoestans en voorts onder een verdubbeling van het aantal joodse kolonisten, die op dit ogenblik met meer dan 400.000 zijn. Sinds 2002 is het Palestijnse bestuur nog meer versnipperd door de bouw van de Muur, die - eenmaal voltooid - meer dan 750 km. lang zal zijn en 46 procent van het grondgebied van de Westelijke Jordaanoever zal wegsnijden.(5)

Hoe geloofwaardig is een binationale staat in deze omstandigheden? Ten eerste is de opdeling steeds minder een antwoord op de nationalistische verzuchtingen van de zionisten en van de Palestijnen. In tegenstelling tot de situatie in 1947, toen de opdeling nog helemaal niet op de proef was gesteld, wordt de twee-staten-oplossing op de grond gekenmerkt en bepaald door de totale dominantie van Israel. Ondanks het historisch compromis van 1993 hebben de Palestijnen nog steeds geen erkende en levensvatbare staat. Aan de andere kant heeft het Palestijnse nationalisme zijn limieten getoond, met leiders die niet in staat zijn hun volk naar de onafhankelijkheid te leiden en die elkaar onderling verscheuren. De opdeling heeft ten slotte ook voor de joden gefaald: Zij kennen allesbehalve de veiligheid die de staat Israel hen in het vooruitzicht had gesteld. In de jaren negentig kwamen rond 400 joodse Israeli’s bij zelfmoordaanslagen om het leven. Sinds het begin van de Tweede Intifada in september 2000 werden 1000 joodse Israeli’s gedood en in sommige landen in de wereld neemt het antisemitisme toe.

Tegelijk ondergraaft de demografische evolutie op de grond de leefbaarheid van elk verdelingsplan. In 2005 bedroeg het totaal aantal joodse Israeli’s die tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan leven 5,2 miljoen, tegenover 5,6 miljoen Palestijnen. Zelfs na zijn terugtrekking uit Gaza in 2005 en ondanks zijn plannen om zijn grenzen met de Westelijke Jordaanoever af te bakenen, zal Israel geconfronteerd blijven met een demografische groei, die aan de Palestijnse kant sterker is dan aan de Israelische. Deze demografische groei zal hoe dan ook economisch doorwegen, maar ook politiek, aangezien het Palestijnse bevolkingsdeel van zijn reële rechten verstoken blijft.

En er is nog een andere factor die de oplossing van een eenheidsstaat aantrekkelijker maakt: Het staatsburgerschap gebaseerd op rechtvaardigheid en gelijkheid, op betrokkenheid en niet op nationalistische uitsluiting. De geschiedenis heeft - hier en elders - aangetoond dat opdeling niet kan slagen zonder de verdrijving en de transfer van de bevolking. En dat stelt een ethisch probleem. De vrede kan - vanuit een moreel standpunt - nooit tot stand komen zonder een rechtvaardige oplossing voor het vluchtelingenvraagstuk met de eerbiediging van het recht op terugkeer of op compensatie voor het geleden verlies, zoals resolutie 194 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties uit 1948 dat eist. Maar het recht op terugkeer vormt, net als de Palestijnse demografische groei, een gevaar voor het joodse karakter van de staat Israel en dat is voor de Israeli’s een onoplosbare tegenstelling.

Volgens de historicus Tony Judt is dat precies de limiet van de staat Israel: Zijn anachronistische karakter. Geen enkele staat kan zich democratisch noemen en tegelijk etnische uitsluiting als grondslag hebben, zeker niet na de misdaden die in de vorige eeuw zijn begaan. Voor Virginia Tilley zijn de opdeling en dus ook het bestaan van de staat Israel al ‘van bij begin af aan tot mislukken gedoemd geweest, omdat deze gebaseerd zijn op de gediscrediteerde idee - waarop het zionisme echter heel zijn morele autoriteit blijft baseren - dat een etnische groep wettelijk de formele en permanente dominantie kan claimen over een territoriale staat.’

De verdediging van de democratische staat leidt tot een herdefiniëring van het concept staat, waarbij de democratie opnieuw de voorrang moet krijgen boven het nationalisme. Of zoals Ali Abunimah uitlegt: Dit zou ‘de hele bevolking toelaten te leven en te genieten van heel het land en tegelijk de verschillende gemeenschappen te beschermen en tegemoet te komen aan hun specifieke behoeften. Het zou toelaten het conflict te deterritorialiseren en demografie en etniciteit als factoren van macht en politieke legitimiteit te neutraliseren.’

En daar ligt precies de grote uitdaging, want dit conflict blijft - net zoals zo vele andere - een territoriaal conflict. De etniciteit en meer nog de religie blijven de bron van legitimiteit en macht. De voorstanders van de democratische staat stellen vast dat de bevolking zich meer en meer ten gunste van deze oplossing mobiliseert, die geïnspireerd is door het Zuid-Afrikaanse model. Er worden op diverse niveaus in Europa en in de Verenigde Staten boycotcampagnes gevoerd tegen, wat steeds meer mensen bestempelen als Israelische apartheid.(7) Actiegroepen in Palestina en Israel mobiliseren tegen de Muur en zijn op zoek naar een gezamenlijke verzetsstrategie die gekant is tegen de Israelische politiek - en niet tegen de joodse bevolking – en die gebaseerd is op gelijke rechten voor alle burgers en niet op twee afzonderlijke staten.

Het grote probleem blijft echter dat de drie belangrijkste politieke actoren verre van gewonnen zijn voor deze idee. De politieke klasse en de meerderheid van de bevolking in de staat Israel sturen aan op scheiding, zoals blijkt uit de verpletterende steun aan de bouw van de Muur. De ‘internationale gemeenschap’ heeft zich de twee-staten-oplossing tot doel gesteld, zonder evenwel iets te ondernemen om deze oplossing in de praktijk mogelijk te maken of na te gaan of er op dit vlak vooruitgang wordt geboekt. Het Palestijnse leiderschap van zijn kant heeft geen strategie meer, in die mate zelfs dat HAMAS en FATAH in gewelddadige gevechten zijn verwikkeld. De impasse kan misschien een sprankje hoop doen heropleven. Er zijn 60 jaar nodig geweest om de opdeling van Palestina op de proef te stellen en de beperkingen ervan aan den lijve te ondervinden. Is de tijd niet gekomen om over originele en nooit uitgegeven oplossingen na te denken?

noten

1 Meron Benvenisti, ‘Which kind of binational state?’, in Ha’aretz (Tel Aviv) van 20 november 2003.
2 Zie onder meer: <www. one-democratic-state.org> voor de verdedigers van een binationale eenheidsstaat.
3 Zie: ‘De l’Afrique du Sud à la Palestine’, Le Monde Diplomatique (Parijs) van december 2003.
4 Judah Magnes, Like All Nations, Jeruzalem, Weiss Press, 1930.
5 B’Tselem Database, <www.btselem.org/english/statistics>. Zie ook: Dominique Vidal en Philippe Rekacewicz, ‘Comment Israel confisque Jérusalem-Est’, Le Monde Diplomatique van februari 2007.
6 Tony Judt, ‘Israel: The Alternative’, New York Review of Books van 23 oktober 2003.
7 Zie bijvoorbeeld de campagne ‘Boycott, Divestment and Sanctions Against Israel’ (een Palestijnse boycot- en sanctiecampagne tegen Israel <www.bds-palestine.net>). Deze campagne gaat uit van het Palestijnse maatschappelijke middenveld met zeshonderd niet-gouvernementele organisaties, meer dan twintig vakbondsfederaties en een aantal groeperingen van academici en vluchtelingen.

uit: Le Monde Diplomatique (Parijs) van maart 2007
Leila Farsakh is docente politieke wetenschappen aan de Universiteit van Massachusetts in Boston en auteur van Palestinian Labour Migration to Israel - Labour, Land and Occupation, Londen, Routledge, 2005.

vertaling : Wim de Neuter

Tot zover deze drie artikelen. Er zal nog veel meer volgen, in de vorm van een uitgebreide historische beschouwing. Verder zou ik willen wijzen op een bijzonder verhelderende uiteenzetting van Anja Meulenbelt: http://anjameulenbelt.sp.nl/weblog/2004/07/28/de-paradigmastrijd-1/ (grote aanrader!). Zelfs mijn eigen ‘ontwikkeling’ (of ‘denken’, voorzover dat belangrijk is) herken ik in dit verhaal, zij het dat ik er nog nooit geweest ben. Voor mij is deze ontwikkeling vooral een intellectuele geweest en ontstaan door mijn vele contacten met ballingen uit de Arabische wereld (scriptie onderzoek hedendaagse kunstenaars uit de Arabische wereld in Nederlandse ballingschap, maar ook al iets daavoor). Maar de serie artikelen van Anja Meulenbelt (10 delig) geeft precies weer hoe ik in deze kwestie geleidelijk aan van standpunt ben veranderd en waar ik nu sta.

Zie ook een verstandig artikel van Jaap Hamburger (van ‘Een ander Joods Geluid’),  http://extra.volkskrant.nl/opinie/artikel/show/id/1113/Apartheid_is_meer_dan_rassenscheiding. Dit is een antwoord op een bijdrage van ene Ratna Pelle, die tracht hard te maken dat Israël een normale democratie is en al helemaal geen apartheidsstaat. Haar verschillende websites (http://www.zionism-israel.com/blog/ , http://www.israel-palestina.info/index.html, http://brabosh.com/ en nog veel meer) kan ik trouwens van harte aanbevelen, al was het maar om uit te zoeken wat er niet aan deugt.  Dat is namelijk fascinerend veel, net als de site van het CIDI, http://www.cidi.nl/, al slaan de sites van mevrouw Pelle werkelijk alles. Waarschijnlijk hebben we te maken met een pseudoniem (een nader onderzoekje naar de identiteit van deze mevrouw Pelle geeft een nogal bizarre en verwarde indruk van de figu(u)r(en) achter deze naam, zie link, maar goed, ieder zijn of haar eigen identiteitsbeleving).  Ze participeert echter wel in veel serieuze discussies, dus ik zal dit radicale geluid in alle ernst meewegen. Haar uitingen zijn nogal extreem (zo niet bizar), maar er wordt haar wel een podium geboden binnen de mainstream (zoals hier en vooral hier), dus reden genoeg om er wat serieuze aandacht aan te besteden. Zij produceert bijvoorbeeld dit soort teksten:

‘De campagne heeft in totaal tot aan het unilaterale staakt-het-vuren op 17-18 januari 3 weken geduurd, waarbij naar verluid zo’n 1.300 Palestijnen zijn omgekomen en 13 Israëli’s. Over het aantal burgerslachtoffers en strijders verschillen beide partijen sterk van mening. Volgens sommige bronnen is eenderde van de Palestijnse doden kind, volgens andere is dat aantal veel lager. Het maakt ook uit of je 16- en 17-jarigen die soms al volwaardig meedoen in de strijd als kind definieert, en we moeten niet vergeten dat de gemiddelde leeftijd in Gaza 17 jaar is’ (http://www.israel-palestina.info/gaza_oorlog.html)

Moeten die Palestijnen maar niet zoveel kinderen krijgen. Als je zoiets over ‘Joden’ zou zeggen zou je terecht voor antisemiet worden uitgemaakt.

Op een van haar vele websites ( http://www.zionismontheweb.org/blogs/index.php/new) laat zij iets over zichzelf los:

‘Ratna.NL bevat mijn opinies over het Israëlisch-Palestijnse conflict, het Joodse recht op zelfbeschikking (ook bekend als Zionisme) en het Palestijnse recht op zelfbeschikking. Ik ben Ratna Pelle, een academica uit Nederland, en ben actief geweest in diverse linkse bewegingen voor vrede, milieu en derde wereld. Ik ben noch Joods noch Palestijns noch Israëlisch noch Arabisch.

Vanwege spam heb ik al mijn blogs moeten afsluiten voor opmerkingen. Om te reageren of anderszins contact met me op te nemen, bezoek:

http://www.israel-palestina.info/

Hoewel zij/hij uiteindelijk een nogal marginaal figuur blijkt te zijn (zij zou bij Groen Links zitten, maar daar schijnt niemand haar te kennen) is deze persoon zo dominant op internet aanwezig (wanneer je ‘Israël Palestina conflict’ googlet kom je niet om een paar van zijn of haar weblogs heen) dat het mij niet verkeerd lijkt om dit verschijnsel een keer goed door te lichten en duidelijk te maken waar we hier eigenlijk mee te maken hebben. Wordt hoe dan ook vervolgd met een uitgebreider artikel, waarin ik ook de bovengenoemde rariteit (wat mij betreft net zo’n buitenissig verschijnsel als website ‘de Brug’, op dit blog besproken in de artikelen over de antroposofie) uitvoerig probeer af te handelen.

 

Palestinian loss of land

Floris Schreve

October 16, 2009

tentoonstelling Beemster Art Centre; Ruth van Beek en Zhanhong Liao

De Maakbare Wereld

Ruth van Beek en Zhanhong Liao

In de tweede expositie van Beemster Art Centre, ism de Stichting AIDA, staan twee kunstenaars centraal die beiden gebruik maken van bestaande beelden, maar deze zo weten te herschikken dat er een nieuwe en persoonlijke wereld ontstaat.

Ruth van Beek

Ruth van Beek (Zaandam, 1977) voltooide haar studie aan de Rietveld academie in Amsterdam in 2002. Sinds die tijd heeft zij zich sterk toegelegd op het medium fotografie. Daarbij maakt zij gebruik van bestaande foto’s, van willekeurige familiefoto’s tot landschapsfotografie, persfoto’s etc. Zoals zij het zelf heeft geformuleerd in een statement:

‘Ik verzamel alle soorten fotografisch beeld, familiefoto’s, krantenfoto’s, plaatjes uit boeken en folders.
Ik knip ze uit en haal ze uit hun oorspronkelijke context.
Samen vormen deze afbeeldingen een archief.
Het is een heel beweeglijk archief, steeds anders georganiseerd, soms op onderwerp, dan weer op basis van intuïtieve beeldassociaties, materiaal, of toeval.
Vanuit dit archief maak ik nieuwe beelden, bestaande uit de fysieke foto’s zelf. Ik snij en knip ze open, voeg beelden samen, of gebruik alleen hun silhouet.
Hierbij spelen niet alleen het onderwerp van de foto, maar ook de verschijning van de foto in zijn geheel, het materiaal, de kleuren en de vorm een belangrijke rol’.

    

Van belang is dat zij beelden combineert die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Juist het contrast fascineert haar:

‘Een terugkerend thema in mijn werk zijn de tegenstellingen tussen de huiselijke taferelen en de verre spectaculaire buitenwereld.
Ongelukken met vliegtuigen, paradijselijke landschappen, vechtende mensen, dansende mensen, verjaardagsfeestjes, reizen naar verre bestemmingen, vreemde objecten, archeologie, grote verhalen, jagers en bloemschikken, al deze onderwerpen komen voor in mijn verzameling.
Deze tegenstellingen staan samen met de chaos van mijn archief symbool voor de transformatie van de overzichtelijke buitenwereld zoals die vroeger bestond, in de vorm van bijvoorbeeld kranten, reisboeken en encyclopedieën’.

Het ogenschijnlijke willekeurige en het associatieve is essentieel in haar werk. Hoewel haar beelden zijn samengesteld uit elementen die normaal gesproken geen relatie hebben zet zij een overtuigend beeld neer dat volkomen geloofwaardig lijkt. Juist daarin ligt de kracht van haar werk: aan een kant overtuigend maar bij nader inzien vervreemdend, zonder dat deze vervreemding al te nadrukkelijk aanwezig is. Haar rangschikkingen zijn zo terloops dat het de vluchtige beschouwer in eerste instantie niet eens opvalt. De vervreemding treedt pas op bij nadere beschouwing. Toch zijn de door haar herschapen beelden zo natuurlijk vormgegeven dat de nieuw gecreëerde realiteit op de toeschouwer overkomt als een vanzelfsprekendheid.

Zhanhong Liao

Zhanhong Liao (Ghangzou, China, 1965) volgde haar opleiding in Engeland (Manchester), die zij in 1994 voltooide. Na haar studie vestigde zij zich in Vlaardingen. Sinds die tijd heeft zij een veelzijdig oeuvre opgebouwd. Haar werk bestaat uit schilderijen, objecten en assemblages.
Een essentieel onderdeel van haar oeuvre zijn haar dagboeken. Over deze ‘dagboeken’, eigenlijk kunstobjecten, zegt ze het volgende ‘Je kunt een boek van heel dichtbij bekijken en aanraken. Je wordt ook verrast door het steeds omslaan van een nieuwe pagina. De boeken zijn ook qua basismateriaal uiteenlopend; vaak gebruik ik dummy’s, die vrij stevige bladen hebben, maar soms werk ik met Chinese oefenschriften voor kalligrafie, met heel dunne, fragiele bladen. Voor de grotere formaten boeken heb ik zelf de bladen ingebonden tot boek. Je kunt alles kwijt in boeken, zoals indrukken van reizen, of bepaalde thema’s behandelen. Je hoeft niet alleen maar met jezelf bezig te zijn. Mijn boeken zijn een mix van werelden: niet alleen van China, maar ook mijn ervaringen in Nederland en in allerlei andere landen…. En streken waar ik nog eens naartoe wil (…) Als je het vergelijkt met een schilderij dan zijn mijn boeken lastiger te bevatten, omdat er in één boek zoveel collages zitten. Maar ik ben blij als mensen zich in mijn boeken herkennen’.

Zhanhong diary-25.jpg

Hoewel haar werk zeker ook teksten bevat staat bij Zhanhong vooral het beeld centraal. Hierbij put zij zowel uit de Chinese traditie als uit haar indrukken van Nederland, of van haar vele reizen en tracht zij deze verschillende elementen te combineren tot een geheel. Zhanhong: ‘Onbewust ben ik communicatief gaan werken. Ik durf meer van mijzelf te tonen, mijn eigen beeld in mijn eigen werk te gebruiken, omdat ik nu begrijp dat het niet letterlijk wordt genomen en in het vertrouwen dat ik er iets mee overbreng’.
Naast haar dagboeken hebben ook haar grote mixed media objecten en zelfde soort verhalend karakter. Veel bestaande beelden worden, soms in een gefragmenteerde vorm, herschikt en opnieuw gebruikt om een nieuw beeld te scheppen. Ook daarin speelt haar hybride achtergrond een rol. Zhanhong put uit verschillende tradities, die haar in de loop van haar leven hebben gevormd.

 

newworks-11.jpg

 

Hoewel in veel opzichten verschillend, zowel qua stijl, formaat en techniek, maar ook inhoudelijk, wordt het werk van Ruth van Beek en Zhanhong Liao met elkaar verbonden in het constante hergebruik van verschillende beelden. De aard en thematiek van hun werk is weliswaar weids en divers, maar beide kunstenaars weten een duidelijk persoonlijk universum te scheppen en daarmee een eigen wereld te creëren.

Floris Schreve

Van 16 oktober t/m 13 november, 2009, Sint Nicolaasstraat 21, Amsterdam. Zie voor meer info www.beemsterart.com

Voor deze tekst is geput uit:

Ruth van Beek, Toelichting op mijn werk
Josine Bokhoven, Van verwerking tot vervulling
Wim van Cleef, Zhanhong Liao: open boekpagina’s tussen persoonlijkheid en wereld

October 4, 2009

Vrijheid van meningsuiting????

Via de hyves ‘Stop de betutteling van dit kabinet’ (ben ik lid van vanwege mijn argwaan naar de Christen Unie en jawel…ook omdat ik nu eenmaal een kettingroker ben), kreeg ik het volgende bericht:

‘Als protest tegen de vergaande inperking van onze Vrijheid zoals het Roken, Meningsuiting enz. vraag ik om NU een respect op onderstaande foto tegeven.
Ook al ben je het niet altijd of niet eens het gaat mij erom dat hij opkomt voor Vrijheid in alle opzichten.
Daarom moet hij hoe Absurd het ook is terecht staan.
Daarom vraag ik Support de enige Politicus die opkomt voor o.a. de Rokers en de Vrijheid van Meningsuiting.
Indien gewenst mag ik ook anoniem maar ik wil zo een signaal afgeven dat het mis gaat met Nederland.

STUUR SVP DOOR AAN AL JE VRIENDEN

Geef deze foto een respect als blijk dat jullie achter Hier de foto klik erop en geef respect


klik hier

Speciaal dank voor het filmpje van mijn Vriend Robert-Michael beluister het svp en ik wil nogmaals benadrukken Je kunt Geert Supporten door deze mail door te zenden aan al je Vrienden

 Kunnen zeggen wat je denkt

Hartelijk Dank

Hans van Mourik

Tot zover de oproep van Hans van Mourik

Ik heb daarop als volgt gereageerd:

Beste Hans,

Na eventjes nadenken heb ik besloten om geen ‘respect’ te plaatsen (heb overigens wel respect voor je, maar het gaat hier om een hyves term). Ik zal dat niet doen bij het filmpje en ook niet bij die oproep.
Waarom niet? In de eerste plaats ben ik een groot voorstander van de vrijheid van meningsuiting. Misschien gaat die liefde voor het vrije woord zelfs nog iets verder dan de Nederlandse wet toestaat (ben zelfs geen voorstander van het vervolgen van Holocaustontkenners, om maar iets krankzinnigs te noemen, maar dat is mijn bescheiden persoonlijke mening). En geen misverstand, er is vrijheid van meningsuiting in Nederland, heel veel zelfs. Wellicht is die de laatste jaren zelfs nog toegenomen. Van mensen die er verstand van hebben (ik ben zelf geen jurist) heb ik kunnen vernemen dat het zeer waarschijnlijk is dat Janmaat met zijn uitspraak ‘als wij aan de macht komen schaffen wij de multiculturele samenleving af’ niet meer veroordeeld zou worden. En waarschijnlijk terecht, want deze uitspraak zou je nu nauwelijks meer controversieel kunnen noemen (ik vond dat overigens toen ook al, helemaal als je het vergelijkt met wat Joop Glimmerveen twee decennia eerder had gezegd ‘Nederland moet blank en veilig blijven’). In die zin is er dus echt wat veranderd.
Maar waarom steun ik je oproep niet? Wilders staat namelijk helemaal niet voor de vrijheid van meningsuiting. Integendeel zelfs. Eerder heeft hij opgeroepen om bijv. de Koran te verbieden. Dat is nogal een statement. Niks ‘vrijheid in alle opzichten’ (jouw woorden). Eerder zei Fortuyn dat er door de geschiedenis heen rivieren van bloed zijn gevloeid om de vrijheid van meningsuiting (en de vrijheid van godsdienst) te bevechten. Daar had Fortuyn gelijk in. Fortuyn parafraseerde verder (enigszins misplaatst theatraal) Voltaire, die zoiets gezegd zou hebben van ‘Ik verwerp uw mening, maar ik ben bereid mijn leven te offeren voor uw recht om uw mening te uiten’ (klopt niet helemaal, maar goed de strekking is duidelijk).
Bij Wilders is dat niet het geval. Of hij wil de Koran verbieden, of hij wil discrimineren (invoering van een ‘kopvodden tax’, hoe bezopen ook, toch een serieuze inbreuk op het gelijkheidsbeginsel voor de wet, die andere belangrijke peiler van iedere democratische rechtsorde).
Iemand die voor zijn xenofobe agenda zelfs de democratische basiswaarden met voeten treedt verdient wat mij betreft geen solidariteitsverklaring om het feit dat hij is aangeklaagd. Want hij is immers nog niet veroordeeld. Bovendien heeft Spong, net als iedere andere burger, het recht om Wilders voor de rechter te dagen. Om het preciezer uit te leggen, Spong heeft Wilders niet aangeklaagd maar staat iemand bij (een student van de UvA)die Wilders heeft aangeklaagd. Dan moet Wilders maar ook een goede advocaat nemen. Denk niet dat dit zo’n probleem is. Als hij echt een stunt wil uithalen moet hij Britta Böhler nemen (nu senator voor Groen Links), maar dat zou zijn achterban toch niet begrijpen en die pratende meneer in het filmpje al helemaal niet. Want die aanklacht is dus niet vanuit ‘Den Haag’ tot stand gekomen, maar is het initiatief van een medeburger. En waarom die suggestieve en speculatieve opmerking over de vermeende minderjarigheid van de bedmaatjes van dhr Spong? Is de PVV toch niet die partij die de homoseksuele medemens zo welgezind is tov die levensgevaarlijke islam? Goed om te weten.
Ik zeg dus niet dat ik hoop dat Wilders veroordeeld wordt. Dat hoop ik helemaal niet, al ben ik allesbehalve een medestander van deze intolerante en wat mij betreft ook ondemocratische politicus. Als hij wordt vrijgesproken, mij best. Maar laten we dat aan de rechter. Als het goed is weet de rechter heel goed wat Wilders vrijheidsrechten zijn en zal hij wijs oordelen, in de beste traditie van de democratische rechtsstaat, waarbinnen de vrijheid van meningsuiting een van de kernwaarden is (zo niet de belangrijkste). We zullen wel zien. Ik ben benieuwd naar de uitkomst en vooral naar de motivering van de rechter,

vriendelijke groet,
Floris Schreve

Over het gedachtegoed van de PVV, in welke extreem-rechtse Nederlandse traditie dit staat (Nederlandse Volks Unie, Centrum Partij en zelfs de NSB) volgt later meer.

August 25, 2009

A Bridge too far?

Filed under: Ahriman, Ariosofie, Ariërs/Arische ras, Atlantis, Aus der Akasha-Chronik, David Irving, Die Mission einzelner Volksseelen, Dieter Brüll, Driegonaal, Ernst Zündel, Erzengel und Volksgeister, Farbe und Menschenrassen, Francois de Wit, Frankfurther Memorandum, Geheimwissenschaft, Gienady Bondarev, Gjalt Zondergeld, Guido und Michael Grandt, Helena Blavatsky, Helmut Zander, Holocaust denial, Holocaust revisonist, Jan Vermeir, Jos Verhulst, Lemurië, Menschheitsentwickelung und Christus Erkentniss, Nazisme, Norman Finkelstein, Peter Bierl, Robert Faurrisson, Rudolf Steiner, Sigismund von Gleich, Vom Leben des Menschen und der Erde, Vrijgeestesleven.be, Wurzelrassen, anthroposophy and racism, antisemitisme, antroposofie, antroposofie en racisme, antroposofie4, articles in English, de Brug, de Brug (tijdschrift), de Volkszielen, der ewige jude, holocaust-ontkenners, homohaat, islamofobie, racisme, rassenleer — Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , — Floris @ 3:41 pm

A Bridge too far?

 

Neo-Nazi elements sold as Anthroposophy

 

By Floris Schreve

also published on Egoisten, the website of Michael Eggert (Germany), see http://www.egoisten.de/files/schreve.html

‘The members of the board hereby declare on behalf of the Rudolf Steiner Nachlassverwaltung that they emphatically reject the use of Rudolf Steiner’s remarks in any way which calls for hate against groups of people or is directed in a hostile and discriminatory way against groups of people on the basis of race, nation, gender, religion, etc. They would see that not just as a violation of basic principles of human dignity but also as an abuse of the intentions of Rudolf Steiner’

The Board of the Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, Dornach, October 2007

From ‘The Frankfurther Memorandum’[1]

Almost two years ago (autumn 2007, ironically almost at the same time the Board of the Nachlassverwaltung published this declaration) I searched the internet on the (Dutch) terms ‘antroposofie’ and ‘racisme’, trying to find an article I read years before (Jan Willem de Groot, Kosmisch racisme; over racistische elementen in de antroposofie on the website of Simpos[2] ). I found this article but also something else. The article Zogezegd racisme (‘So called racism’) of Thomas Voss, as it appeared in the google search engine, was part of a series of hundreds of articles on a Belgian website.[3] This website and magazine, De Brug (means ‘The Bridge’) called itself ‘anthroposophical’. Partly it appeared to me as anthroposophical as a lot of articles were dealing with Rudolf Steiner and with an affluent use of terms as ‘Atlantis’, ‘Lemuria’, ‘reincarnation’, ‘Archangels’, ‘Lucifer’, ‘Michael’ and above all ‘Ahriman’. But this was totally different stuff than I used to know as ‘anthroposophy’, as from my own memories of my primary school, the moderate and civilized Dutch anthroposophical magazine Jonas which I knew from my parental house and the basically non racist, quiet progressive and well educated, friendly and civilised people I knew with a strong sympathy for anthroposophy. Even after I read about the possibility of racist thought in Steiner’s work appeared in the newspapers and after the discussion began, and I started to believe there is some racism, this website was something I had never expected.
Long time ago, at my own Waldorf school (I did just my primary school at a Waldorf school) my teacher told me for the first time something about the second World War and about what happened with the Jews. Here I could read, in the name of the same anthroposophy, that this was a lie and that a few brave people, like the revisionists David Irving, Ernst Zündel and Robert Faurisson, had the guts to discuss this lie, known as the Holocaust.[4] They published also an interview with another Holocaust revisionist, Johannes Lerle.[5] And I could read on this site that ‘the Jews betray there fellow race members, when this is convenient to them’[6] (although it is a translation, the sentence has the same strange appearance in Dutch). And the lie of the Holocaust was a creation of Ahriman, together with some Anglo-Saxon Loges, Illuminati, capitalists and Zionists, to destroy the spiritual impulse of Central Europe.[7]
This was not the only thing which appeared to me as totally insane. A few examples. Ahriman had provoked the opium war, by kidnapping souls which were meant to incarnate in European bodies. But he putted them into Chinese bodies.[8] Homosexuals are displaced souls, born in a non fitting body as if they were ‘transsexuals’. But the reason why there are more homosexuals today (? Maybe homosexuality is more visible, since the acceptance and tolerance increased) is because of the increase of abortions. For that reason there are more displaced souls, who never got the chance to fulfil their Karma in the live which was meant for them, which was cut off.[9]
For me as a homosexual a bit hilarious (but to be honest also quiet insane and sick), but not for everyone. After this magazine published another tirade against homosexuals (we will discuss this article later), a reader (apparently homosexual) wrote an emotional letter that, although he was positively interested in anthroposophy and just started to read more about this philosophy, he felt deeply offended. De Brug published his emotional letter on the internet (lucky for him they didn’t show his name) with a reply (entitled The pain of being different) filled with speculations about his psychological condition and explained his ‘anger’ by his so called displaced state of being, because he is a homosexual (but subconsciously he realised himself that there was something wrong with him). For me the most appalling was this man described he and his partner were in their sixties and lived through long history of the strugle for acceptance. After their retirement, his partner became highly interested in anthroposophy (followed courses with Ron Dunselman). So also for me not very pleasant to read how this man was rejected offensively  by these anthroposophical radicals with all the almost abusive speculations about his personality. [10]
I don’t think it would be wise to speculate about the mental health of the authors of this magazine, but their articles are quiet often a little bit paranoid (just a little bit). What about a texts like these? A small collage: ‘Non-anthroposophists always see conspiracies of Freemasons, illuminati and Zionists (they always do, FS), while the real anthroposphist know these conspiracies are real, but that all these ‘occult fellowships’, including UFOs (apparently they are also organised by a secret occult fellowship, FS), are directed by Ahriman’. In the same article they admit that it is not easy to say something about UFOs, because ‘unfortunately Rudolf Steiner never spoke about this phenomenon, so we have to think by ourselves, which is (to be honest) not common use for us as anthroposophists’.[11] These real anthroposophists (not the weak hearted anthroposophists in the Netherlands, who installed the van Baarda commission to examine the possibility of racism in the work of Steiner[12] ) are comparable ‘with the Christians in the catacombs during the rule of the Roman emperor Nero. But finally his empire collapsed!’ So there is hope! (‘this could give us a bit of courage’, in their own words).[13]
Above all, anthroposophists are seen as victims. Victims of the materialistic science (Ahriman!), of the political correct elite, who tries to censor everyone with a non political correct opinion (also Ahriman! although I have not the impression that anyone tries to censor this strange magazine, because ‘the weak hearted mainstream’, in their view, has no problem to be associated with these ideas, at least till now). They seem almost to beg desperately: ‘Please, help us, we want to be like David Irving. Hatred, discredited and persecuted. Help us to confirm our self declared victimization’.
Belgium, their own country, is not a real nation but a ‘black magic construction’! Founded by ‘the occult loges’ and inspired by Ahriman[14]. I know there is a large movement of extreme right Flemish nationalists, sometimes organized in mostly racist political parties, but this was quiet weird. Also the European Union is an ‘Ahrimanic construction’ and Ahriman and his fellows (probably ‘the occult loges’) are building a ‘World Termite State’ (‘Wereld Termietenstaat’, as they call it). Ahriman was even the genius behind 9/11! (because his face was seen in the smoke and dust of the collapsing twin towers, as they try to prove with a picture they compare with a sculpture of Rudolf Steiner of the head of Ahriman [15] ). And above all: ‘Ahriman does not want us to become wise!’ (‘The wiser we become, the more wisdom of former incarnations we will gather, but if we neglect this wisdom, than someone comes to steal it and who knows to use it: Ahriman!’).[16]
This website was linked to a larger website www.vrijgeestesleven.be (‘Freies Geistesleben’, in the Netherlands ‘Vrij Geestesleven’ is the oldest anthroposophical publishing house. But this was something different than the decent publisher of the Dutch translations of the work of Rudolf Steiner). Who enters this website will be welcomed with the following text: ‘Vrij Geestesleven’, for all the victims of local, federal (Belgium is a federal state) and European Soviet Governments: Revisionists, smokers, refusers of vaccinations. (only the last group seemed to me more or less related to anthroposophical ideas, FS) More categories will follow!’ (so there are more victims of the Belgian and European Soviet regime? FS) . The link behind the ‘revisionists’ leads to the website www.vho.org announced as ‘The World’s largest website for Historical Revisionism! The Holocaust Controversy – A Case for open Debate’. And probably it is the largest ‘revisionist’ site, with a lot of illegal downloads of the works of David Irving, Ernst Zündel cs. Also Norman Finkelstein’s The Holocaust Industry, which I believe it is abused by these Nazi types, is illegally published in different languages on this site (Finkelstein, an American scholar with an Eastern European Jewish background, has the opinion that the remembrance of the Holocaust is being misused to support Israel by all means, also against the Palestinians and to maintain the illegal occupation of the Palestinian territories. Not everyone agrees with his ideas, but this book definitively doesn’t belong on a neo Nazi site). However, on this site the book of Finkelstein is available in different languages, also in Dutch (they used the text as it was published by Mets & Schilt, probably illegal).
I had no idea what this had to do with anthroposophy. Reading these articles I sometimes thought this website is a sick but brilliant joke (of monstrous proportions, both in ‘quality’ as ‘quantity’). But finally it appeared not to be. But what is it? Anthroposophy or neo-Nazism? (if is possible to combine these two things) Or total madness? And why was I almost the only one who saw this? Even now, when I putted a lot of attention on this ‘thing’ (earlier I called it ‘an orgy of insanity’ and I still agree with that), there were just a few anthroposophists who openly dared to criticize the insights as exposed on this website. In the first place I have to mention Ramon de Jonghe, who owns the website (Steinerscholen) where most of the discussions took place. Originally trained as a Waldorf school teacher, he runs this critical website and wrote recently a sharp analysis on everything what going on in the world of the ‘Steinerscholen’, as Waldorfschools are called in Belgium (in the Netherlands they are known as ‘Vrije Scholen’)[17]. Also Michel Gastkemper did, editor of the new Rudolf Steiner translations in the Netherlands, on his own weblog and on the site of Ramon de Jonghe. But till now they are the only ones from ‘anthroposophical inside’ (if Ramon de Jonghe considers himself, or is considered as such).[18]
When I discovered this website two years ago my curiosity had been triggered. I was intrigued by this phenomenon and started to find out and to read everything about this subject I could get. A lot of Rudolf Steiner, works of other anthroposophists, different kind of critics, both from the Netherlands and abroad and all those articles of this strange website, recommended as an anthroposophical magazine on every mainstream anthroposophical webportal of both the Netherlands and Belgium, together with decent journals as Flensburger Hefte, Info3 and Der Europäer[19]. De Brug is even sponsored by Demeter, or at least a banner of Demeter is shown on the homepage[20]. I have no idea if someone at Demeter realises what they support, just as some other anthroposophical companies and institutions who recommend or are linked with De Brug (recently one banner of a Dutch anthroposophical organisation disappeared).
I wanted to find out how it is possible that this medium is generally accepted by the mainstream, without any critical comment or whatsoever. And above all, how (or even ‘if’) these radical ideas fit in the tradition of Rudolf Steiner and the anthroposophy. This was the beginning of a lot of reading resulting in a series of articles on my blog and finally of a lot of long lasting debates with all different kind of anthroposophists and critics.[21] In this article I will discuss some insights of mine since that time, first some of the ideas of Steiner himself and than focus on this strange magazine/website I discovered two years ago.

There is a kind of racial doctrine

As an ex pupil of a primary Waldorfschool in the Netherlands (I didn’t go to high school at a Waldorfschool) and grown up in a family with a strong sympathy for anthroposophy, I followed the discussion about racist elements in the anthroposophy and thought of Rudolf Steiner in the Dutch newspapers during the nineties. In the beginning I wasn’t convinced that the things were that bad as some critics pointed out [22](at that time mainly Toos Jeurissen, author of Uit de Vrije school geklapt; racisme en antrpoposofie, een stellingname and several articles). Gradually my opinion changed when I finally started to read the original German text of Die Mission einzelner Volksseelen (GA 121, 1910). After studying this and several other texts of Rudolf Steiner, as Vom Leben des Menschen und der Erde (GA 349, 1923), Menschheits-entwickelung und Christus Erkenntnis; Theosophie und Rosenkreuzertum; Das Johannes Evangelium (GA 100, 1908), Aus der Akasha Chronik ( GA 11, 1907) and some other works, I gradually became to believe that there is a structural problem of racism in the anthroposophy, even when you regard this in the context and the time of Rudolf Steiner himself. Although the Report of the so-called van Baarda-Commission (the commission installed by the Dutch Anthroposophical Society, which had the assignment to examine the possibility of racism in the entire work of Rudolf Steiner) concluded that there is no racist doctrine in the work of Steiner (just sixteen passages which would be severe discriminative under the current Dutch law) in my view they missed the real point.
I will mention three ‘cases’. First Steiner’s notorious remark in Die Mission einzelner Volksseelen (GA 121:4): ‘Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten’. The commission qualified this statement in the so called third category ‘passages without discrimination of any kind’. They ‘defended’ this quote with the argument that genocide was not the only reason for the decimation of the population of the native Americans. There were also imported diseases from Europe the commission report states, referring to a recent study of Jarred Diamond, Guns, Germs and Steel; The fates of Human Societies, New York/London, 1999.[23] In my view a quiet opportunistic argument to justify Steiner’s concept of the native Americans as a decadent and dying race, representing ‘der Abenddämerung der Menschheit’ . Above all this argument is completely ignorant to the fact that this representation of the native Americans is a part of a larger concept in which each race has it ‘s own place, see also fig. 2. Steiner (in GA 121:4): ‘Diese Linie besteht auch für unsere Zeit (see figure 2). Der afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach eine Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteiligung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert, aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkenntnisse (…) Wenn wir dann diese Linie weiterziehen, so kommen wir weiter nach Westen nach den amerikanischen Gebieten hinüber, in jene Gebiete, wo diejenigen Kräfte wirksam sind, die jenseits des mittleren Lebensdrittels liegen. Und da kommen wir — ich bitte das nicht mißzuverstehen, was eben gesagt wird; es bezieht sich nur auf den Menschen, insofern er von den physisch-organisatorischen Kräften abhängig ist, von den Kräften, die nicht sein Wesen als Menschen ausmachen, sondern in denen er lebt -, da kommen wir zu den Kräften, die sehr viel zu tun haben mit dem Absterben des Menschen, mit demjenigen im Menschen, was dem letzten Lebensdrittel angehört. Diese gesetzmäßig verlaufende Linie gibt es durchaus; sie ist eine Wahrheit, eine reale Kurve, und drückt die Gesetzmäßigkeit im Wirken unserer Erde auf den Menschen aus. Diesen Gang nehmen die Kräfte, die auf den Menschen rassebestimmend wirken. Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten. Von der Eigentümlichkeit dieser Linie hängt das ab, was auf der Oberfläche unserer Erde mit den Rassen sich abspielt, was von den Kräften, die nicht unter dem Einfluß der normalen Geister der Form stehen, bewirkt wird. Wo Rassencharaktere in Betracht kommen, da wirken sie in dieser Weise. In unserer Zeit wird der Rassencharakter aber allmählich überwunden’.[25]
As we see, Steiner’s remarks are not an isolated description of historical events considering the native Americans, but they are part of a esoteric doctrine with an holistic worldview, in

Afb_zondergeld_van_der_tuin_2

Fig. 1: Hermann Poppelbaum, Zur Metamorphose der Menschengestalt, in ‘Gäa-Sophia, Jahrbuch der Naturwissenchaftlichen Section der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft am Goetheanum Dornach’, Band 3, Volkerenkunde, Stuttgart, Den Haag, Londen, 1929.

which every race needs a fitting place. The African race represents the stage of childhood, the Asiatic the teenager, the European adult stage of humanity and the native Americans the latest fase of coming at age.
Another example of defending Steiner with all means is how the commission discussed a passage from Steiner from 1923 (Vom Leben des Menschen und der Erde; über das Wesen des Christentums, GA 349, Dritter Vortrag Farbe und Menschenrassen). This was a lecture given for the workers who built the Goetheanum. For this public Steiner used some more drastic metaphors, more plastic than he normally did, like in this descriptions of the ‘black race’. A few examples of his three pages exposure considering ‘der Neger’: ‘Nun nehmen Sie einen Baum an. Der steht zunächst auf der Oberflache der Erde, nimmt etwas Licht auf, aber viel Licht verschluckt er, viel Wärme verschluckt er. Nun, das geht solange, bis er unter der Erde geblieben ist, was wird er? Schwarze Kohle! Schwarz wird er wie ein Baum war, Lichtund Wärme in sich aufgenommen hat (…) Wenden wir das auf den Menschen selber im Weltenraum an. Sehen wir uns zunächst die Schwarzen in Afrika an. Diese Schwarzen in Afrika haben die Eigentümlichkeit, daß sie alles Licht und diese Wärme vom Weltenraum aufsaugen. Sie nehmen das auf (…) Dadurch, daß er das tut, wirken über den ganzen Menschen hin die Kräfte des Weltenalls. Überall nimmt er Licht und Wärme auf, überall. Das verarbeitet er in sich selber. Da muß etwas da sein, was ihm hilft bei diesem Verarbeiten. Nun, sehen Sie, das, was ihm da hilft beim verarbeiten, das ist namentlich sein Hinterhirn. Beim Neger ist daher das Hinterhirn besonderes ausgebildet. Das geht durch das Rückenmark. Und das kann alles das, was da im Menschen drinnen ist an Licht und Wärme, verarbeiten. Daher ist beim Neger namentlich alles das, was mit dem Körper und mit dem Stoffwechsel zusammenhängt, lebhaft ausgebildet. Es hat, wie man sagt, ein starkes Triebleben, Instinktleben. Der Neger hat also ein starkes Triebleben. Und weil er eigentlich das Sonnige, Licht und Wärme, da an der Körperoberfläche in seiner Haut hat, geht sein ganze Stoffwechsel so vor sich, wie wenn in seinem Innern von der Sonne selber gekocht würde. Daher kommt sein Triebleben. Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn. Manchmal wirft die Einrichtung des Menschen noch solche Nebenprodukte ab. Das kann man gerade beim Neger sehen. Der Neger hat nicht nur, durch dieses Kochen in seinem Organismus, sondern er hat auch noch ein furchtbar schlaues und aufmerksames Auge. Er guckt schlau und sehr aufmerksam (…) Der Schwarze ist ein Egoist, der nimmt alle Licht und Wärme auf’.[26]
These remarkable passages about ‘der Neger’ in relation to the racial determined symptom of ‘kochen’[27] (cit. 124 of the report) were explained and defended by the commission as following: ‘The formulations of Steiner arouse some alienation for the public in these days. But by physiological research we could examine if there is any empirical evidence for these statements, but that is not within the goals of this report’.[28] That is almost everything the commission has to say about these remarkable statements of Steiner. Although the Commission qualified five passages of this lecture as severe discriminative (five of the sixteen passages of the total oeuvre of Steiner the commission found discriminative), all the above cited assertions on ‘the black race’ were classified as ‘non discriminative but could be discriminative interpreted without the context of the anthroposophy as a whole’ (this category was used for a lot of these kind of statements by Rudolf Steiner).
Finally the commission tries to argue with several different passages of Steiner, that in his view the ‘differences between races’ were significant in the past, but have no meaning anymore for today.[29] Interesting is in this part of the report they also choose this quote of Steiner (from Die Mission einzelner Volksseelen) to argue that the differences between races lost their meaning in the past and that the racial differences are not important anymore: ‘Die Rassen sind entstanden und werden einmal vergehen, werden einmal nicht mehr da sein. Sie wiederholen sich nicht etwa immer in der gleichen Art, wie es bei Sinnett falsch im «Esoterischen Buddhismus» dargestellt wird. In der alten lemurischen Zeit müssen wir das Aufgehen der Rassenmerkmale, der Rasseneigentümlichkeiten suchen; wir müssen dann deren Sich-Fortpflanzen bis in unsere Zeit verfolgen, müssen uns dabei aber klar sein, daß, wenn unsere gegenwärtige fünfte Entwickelungsepoche von der sechsten und siebenten abgelöst wird, keine Rede mehr sein kann von einem Zustande, den wir als Rasse werden bezeichnen können. Wenn wir uns diese Entwickelung aber so vorstellen, als ob sie immer nur gleichmäßig so fortrollte, dann haben wir nur eine Art Mühlrad im Kopfe, sind aber weit entfernt von dem Verständnisse dessen, was in der Welt wirklich vor sich geht’.
Ironically, Helmut Zander mentions also this quote, but to argue the opposite (in my view more convincing). Zander: ‘Rassen seien ein Intermezzo der Menschheitsgeschichte. »Die Rassen sind entstanden und werden einmal vergehen, werden einmal nicht mehr da sein.« (GA 121,76 [1910]) Erneut artikulierte Steiner sein antimaterialistisches Leitmotiv, aber bei näherem Hinsehen bleibt dies ein gänzlich unpolitisches Argument. Die Rassenentstehung, die erst in der lemurischen Zeit begonnen habe, werde in der sechsten und siebten »Entwickelungsepoche« verschwinden (ebd.), das heißt: frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend. Für eine politische Erledigung der Rassenfrage und für die Geltung von Steiners Rassentheorien ist dies eine lange, eine zu lange Zeit. Daß die Vielfalt von Völkern und Rassen ein Reichtum der Pluralität sein könnte, tritt im übrigen nicht in Steiners Blickfeld’.[30]
In my view is the most interesting aspect of this particular issue, when Steiner discusses the native Americans in the sixth lecture of Die Mission einzelner Volksseelen (GA 121: 6), he says: ‘Sehen Sie sich doch die Bilder der alten Indianer an, und Sie werden gleichsam mit Händen greifen können den geschilderten Vorgang, in dem Niedergang dieser Rasse. In einer solchen Rasse ist alles dasjenige gegenwärtig geworden, auf eine besondere Art gegenwärtig geworden, was in der Saturnentwickelung vorhanden war; dann aber hat es sich in sich selber zurückgezogen und hat den Menschen mit seinem harten Knochensystem allein gelassen, hat ihn zum Absterben gebracht. Man fühlt etwas von dieser wirklich okkulten Wirksamkeit, wenn man noch im neunzehnten Jahrhundert sieht, wie ein Vertreter dieser alten Indianer davon spricht, daß in ihm lebt, was vorher für die Menschen groß und gewaltig war, das aber die Weiterentwickelung unmöglich mitmachen konnte. Es existiert die Schilderung einer schönen Szene, bei welcher ein Führer der untergehenden Indianer einem europäischen Eindringling gegenübersteht’.[31]
‘Wenn man noch im neunzehnten Jahrhundert sieht’… And these pictures of ‘die alten Indianer’ were taken in the Lemurian era just as when these meetings took place with the ‘europäischen Eindringling’.[32] At least all his remarks about the Native Americans are about the situation in ‘Unsere Zeit’ (he cites even a Native American chief from the 1830’s!), not about the situation in Atlantis, Lemuria or before Christ, as suggested by some anthroposophists who tried to defend Steiner’s ideas about races, as Thomas Voss or Dieter Brüll.[33]

 

 

 

Rassebildung1

Fig. 2: Steiner’s model of the human races as explained in the fourth and the sixth lecture of Die Mission einzelner Volksseelen, presented on a anthroposophical website (http://wiki.anthroposophie.net/Rassen, see original figure: http://florisschreve.hyves.nl/fotos/450289093/0/ZLnH/?pageid=3MEJ8NFYBCIS0GG04 )
Fourth lecture (scheme of four human races, modelled to the different stages of age): Der afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach eine Gesetzmäßigkeit (..) Wenn wir dann diese Linie weiterziehen, so kommen wir weiter nach Westen nach den amerikanischen Gebieten hinüber, in jene Gebiete, wo diejenigen Kräfte wirksam sind, die jenseits des mittleren Lebensdrittels liegen. Und da kommen wir — ich bitte das nicht mißzuverstehen, was eben gesagt wird; es bezieht sich nur auf den Menschen, insofern er von den physisch-organisatorischen Kräften abhängig ist, von den Kräften, die nicht sein Wesen als Menschen ausmachen, sondern in denen er lebt -, da kommen wir zu den Kräften, die sehr viel zu tun haben mit dem Absterben des Menschen, mit demjenigen im Menschen, was dem letzten Lebensdrittel angehört. Diese gesetzmäßig verlaufende Linie gibt es durchaus; sie ist eine Wahrheit, eine reale Kurve, und drückt die Gesetzmäßigkeit im Wirken unserer Erde auf den Menschen aus. Diesen Gang nehmen die Kräfte, die auf den Menschen rassebestimmend wirken. Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten. Von der Eigentümlichkeit dieser Linie hängt das ab, was auf der Oberfläche unserer Erde mit den Rassen sich abspielt, was von den Kräften, die nicht unter dem Einfluß der normalen Geister der Form stehen, bewirkt wird. Wo Rassencharaktere in Betracht kommen, da wirken sie in dieser Weise. In unserer Zeit wird der Rassencharakter aber allmählich überwunden’ (p. 80-81, online version http://www.anthroposophie.net/steiner/ga/bib_steiner_ga_121_04.htm)
Sixth lecture (scheme of five races, modelled to the planets, see the astrological signs): ‘Wenn wir den Punkt, den wir vor einigen Tagen in unseren Darlegungen in Afrika gefunden haben, uns jetzt näher dadurch charakterisieren, daß, weil die normalen Geister der Form zusammenwirken mit denjenigen abnormen Geistern der Form, die im Merkur zentriert sind, die Rasse der Neger ensteht, bezeichnen wir okkult ganz richtig das, was in der schwarzen Rasse herauskommt, als die Merkur- Rasse. Jetzt verfolgen wir diese Linie weiter, die wir dazumal durch die Mittelpunkte der einzelnen Rassenausstrahlungen gezogen haben. Da kommen wir nach Asien und finden die Venus-Rasse oder die malayische Rasse. Wir kommen dann durch das breite Gebiet Asiens hindurch und finden der mongolischen Rasse, die Mars Rasse. Wir gehen dann herüber auf europäischen Gebiet und finden die europäischen Menschen, in ihrem Ur-Charakter die Jupiter Menschen. Gehen wir über das Meer hinüber nach Amerika, wo der Punkt, der Ort ist, an dem die Rassen oder Kulturen sterben, so finden wir die Rasse des Finsteren Saturn, die ursprüngliche indianische Rasse, die amerikanische Rasse. Die Indianische Rasse ist also die Saturn Rasse. Auf diese Weise Sie, wenn Sie sich okkult die Sache immer genauer vorstellen, die Kräfte, die diesen Weltenpunkten, diesen fünf Planeten, ihre äußere materielle Offenbarung erfahren haben. ( p. 113, online version http://www.anthroposophie.net/steiner/ga/bib_steiner_ga_121_06.htm)

 

Races and evolution in Steiner’s worldview

In my view the report of the Dutch Anthroposophical Society did not succeed to prove there is no racial doctrine in the work of Rudolf Steiner. I showed just a few examples but there are many more of the same kind. I agree with Helmut Zander, who stated in an interview: ‘Rudolf Steiner ist auch in der Evolutionslehre ein Kind des 19. Jahrhunderts. Er hat geglaubt, dass sich die Menschen von einem sehr primitiven Zustand zu einem hoch entwickelten entwickeln. Und dann gibt es natürlich degenerierte Rassen und solche, die einfach diese Entwicklung nicht mitgemacht haben. Das halte ich für keinen Ausrutscher, sondern für einen zentralen Teil seiner Weltanschauung (..) Er schwimmt in diesem Typus des rassistischen Denkens mit, wie gesagt, nicht als einer der Hurra-Patrioten, aber eben auch nicht als jemand - und davon gibt es auch im 19. Jahrhundert viele -, die gesagt haben, das ist wissenschaftlicher Humbug, Rassen gibt es eigentlich nicht’.[34]
There are some accusations against Steiner I do not agree with. That his teachings about races are closely related or even the same as the racial theories of the Nazis. There may be a historical connection with Guido von List and Jörg Lanz von Liebenfels and the so-called ‘Ariosophie’ (Liebenfels was, just as Steiner, highly influenced by the thought of Helena Blavatsky and the Theosophy). But these connections are indirect, at least for so far I know.
There may be a few similarities. In Die Mission einzelner Volksseelen Steiner mentions sometimes the term ‘arische Kaukasische Rasse’ (sixth lecture), and in his description of the history of the following ‘Nach-Atlantische Kulturepochen’ (at the end of the fourth lecture) he follows the same scheme which was often used by several descriptions of the Mythical roots of the Aryan race (the Aryan Myth). The main concept of this Aryan Myth (acc. Gobineau and later Lanz and von List) was that the superior and ruling race of this era originated in India slowly travelled to the west, on its way creating one sublime culture after another. This is quiet similar to Steiner’s vision on history, the notion of the so-called Kultur-Epochen. He describes this notion many times in different works and in different stages of his live. In 1923 (GA 349:3) he stated: ‘Und so ist es wirklich ganz interessant: Auf der einen Seite hat man die Schwarze Rasse, die am meisten irdisch ist. Wenn sie nach Westen geht stirbt sie aus. Man hat die gelbe Rasse, die mitten zwischen Erde und Weltenall ist. Wenn sie nach Osten geht, wird sie braun, gliedert sich sich zu viel dem Weltenall an, und stirbt aus. Die Weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse. Wie sie nach Indien gezogen ist, bildete sie die innerliche, poetische, dichterische, geistige indische Kultur aus. Wenn sie jetzt nach westen geht, wird sie eine Geistigkeit ausbilden, die nicht so sehr den innerlichen Menschen ergreift, aber die äußere Welt in ihrer Geistigkeit begreift’.[35]
Most of the time Steiner didn’t use the word ‘Aryan’ in a ‘conventional’ way or in the way nationalists or national socialists used it. In most cases he used the word ‘Aryan’ in the way Helena Blavatsky did, who spoke several times about the ‘Ffth Aryan rootrace’. In her view, as exposed in The Secret Doctrine the rootraces represented the humanity during a certain era. There was, for example, the Lemurian Rootrace, the Atlantean Rootrace and after the downfall of Atlantis the Aryan Rootrace, divided in several subraces, like the ancient Indian, the ancient Persian, the Greek-Roman, etc. Also the subraces represented different cultural episodes or stages in the development of mankind. Certainly ‘eurocentric’ or even ‘aryo-centric’ but not strictly racial. Nevertheless, she discussed the Rootraces in terms as: ‘(before the Sixth Root-Race dawns), the white (Aryan, Fifth Root-Race), the yellow, and the African negro — with their crossings (Atlanto-European divisions). Redskins, Eskimos, Papuans, Australians, Polynesians, etc., etc. — all are dying out. Those who realize that every Root-Race runs through a gamut of seven sub-races with seven branchlets, etc., will understand the “why.” The tide-wave of incarnating Egos has rolled past them to harvest experience in more developed and less senile stocks; and their extinction is hence a Karmic necessity’.[36]
In Aus der Akasha-Chronik ( GA 11, 1907) Steiner used the same terms as Blavatsky (Wurzelrassen, Unterrassen), but in the years after (as in Geheimwissenschaft, GA 13, 1909) he abandoned these terms and changed them in ‘Zeitalter’ and ‘Kultur Epochen’. But in general in Steiners teachings eurocentrism is dominant, with a very special role and mission for the European (Aryan) white race. Steiner in Aus der Akasha-Chronik: ‘Die größte Masse der atlantischen Bevölkerung kam in Verfall, und von einem kleinen Teil stammen die sogenannten Arier ab, zu denen unsere gegenwärtige Kulturmenschheit gehört. Lemurier, Atlantier und Arier sind, nach der Benennung der Geheimwissenschaft, Wurzelrassen der Menschheit. Man denke sich zwei solcher Wurzelrassen den Lemuriern vorangehend und zwei den Ariern in der Zukunft folgend, so gibt das im ganzen sieben. Es geht immer eine aus der andern in der Art hervor, wie dies eben in bezug auf Lemurier, Atlantier und Arier angedeutet worden ist. Und jede Wurzelrasse hat physische und geistige Eigenschaften, die von denen der vorhergehenden durchaus verschieden sind. Während zum Beispiel die Atlantier das Gedächtnis und alles, was damit zusammenhängt, zur besonderen Entfaltung brachten, obliegt es in der Gegenwart den Ariern, die Denkkraft und das, was zu ihr gehört, zu entwickeln’.[37]
Although these passages of Rudolf Steiner and Helena Blavatsky look like pure Aryan obsessed racism, it is important to stipulate they don’t use the regular definition of a ‘race’, when they discuss the phenomenon ‘Rootrace’ . With the concept ‘Rootrace’/ ‘Wurzelrasse’ they mean the dominant part of humanity during a certain era. In our time, in their view these are the ‘Aryans’. But this is a broader notion of the concept Aryan then used for example by the Nazis. With Rootrace they mean the dominant and cultured part of humanity during a certain episode.
On the other hand Blavatsky is very clear that ‘negroes’, Papuans and ‘other primitive peoples or races’, even the black race and the yellow race are not a part of the Aryan rootrace. Steiner is more indirect, but in other works he is quiet explicit that for example the Native Americans are decadent dissents of the Atlantean race and not a part of the ruling Post Atlantean Rootrace . In the Akasha Chronik he calls the population of Oceania decadent dissents of the ancient Lemurians. Steiner: ‘Denn in der lemurischen und noch in der atlantischen Zeit waren Steine und Metalle viel weicher als später. - (Dem widerspricht nicht, daß noch Nachkommen der letzten Lemurier und Atlantier vorhanden sind, die heute ebenso feste Formen aufweisen wie die später gebildeten Menschenrassen. Diese Überbleibsel mußten sich den geänderten Umgebungsverhältnissen der Erde anpassen und wurden so auch starrer. Gerade darin liegt der Grund, warum sie im Niedergang begriffen sind. Sie bildeten sich nicht von innen heraus um, sondern es wurde ihr weniger entwickeltes Innere von außen in die Starrheit gezwängt und dadurch zum Stillstande gezwungen. Und dieser Stillstand ist wirklich Rückgang, denn auch das Innenleben ist verkommen, weil es sich in der verfestigten äußeren Leiblichkeit nicht ausleben konnte.)’[38]
If there are dissents of the Lemurians, we may conclude that they are not a part of the fifth rootrace. So we can conclude that with the term rootrace stands for not just an era but for a part of humanity that is dominating a certain era. Second conclusion, also in Steiner’s view the Aryans are the dominating race, the rootrace. And the Native Americans were not a part of it. Steiner in Die Mission einzelner Volksseelen (GA 121: 6): ‘Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas vonder alte Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, welches in der alten Atlantische Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassespaltung, wo Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs-oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier den großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte. Dadurch hat er nicht mit aufgenommen das, was die Venus-, Merkur-, Mars- und Jupiter-Geister bewirkt haben im Osten. Durch dieses haben sie gebildet all die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braune Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem großen Geist der unfernen Vergangenheit. Das, was die anderen gemacht haben, die unfernen Vergangenheit auch den großen Geist aufgenommen haben, das trat ihm vor Augen, als ihm ein Blatt papier mit vielen kleinen Zeichen, den Buchstaben, von welchen er nichts verstand, vorgelegt werden’.[39]
We may conclude that in Steiner’s view the Native Americans were decadent dissents (Steiner uses the qualification ‘decadent’) of the Atlanteans. In Menschheits-entwickelung und Christus Erkenntnis; Theosophie und Rosenkreuzertum; Das Johannes Evangelium (GA 100; 7) Steiner says the following about the Native Americans: ‘Um uns hineinzuarbeiten in der Art und Weise, wie die Geisteswissenschaft über die Evolution denkt, müssen wir vom Nächstliegenden ausgehen. Nicht alle heute auf der Erde lebenden Menschen stehen auf derselben Stufe der Entwickelung. Neben den Völkern, die auf einer hohen Kulturstufe stehen, gibt es Naturvölker, welche in der Kultur weit zurückgeblieben sind. Es hat sich in der heutigen Naturwissenschaft die Anschauung herausgebildet-und sie wird mit großer Zähigkeit festgehalten, obschon neuere Tatsachen dagegen sprechen-, daß die höherentwickelten Völkern abstammen. Diese Anschauung is den Ergebnissen der Geistesforschung nicht entsprechend. Erwähnen wir hier beispielweise die Völker, die durch Entdeckung Amerikas bekannt wurden, und schildern wir in Kürze eine Episode, die uns einen Einblick in das Geistesleben dieser Völker gewährt. Bekanntlich hatten die Weißen die Indianerbevölkerung immer weiter in das Innere des Landes Zurückgedrängt und das Versprechen, ihnen Ländreien zu geben, nicht gehalten. Ein Häuptling dieser Indianer sagte einmal zu Anführer eines europäischen Eroberungszuges: Ihr Bleichgesichter habt unsere Länder genommen und habt uns versprochen, uns andere zu geben. Aber der weiße Mann hat dem braunen Mann das Wort nicht gehalten, und wir wissen auch warum. Der bleiche Mann hat kleine Zeichen, in denen Zauberwesen stecken und aus denen erforscht er die Wahrheit, denn es ist nicht gut. Der braune Mann sucht nicht in solchen kleinen Zauberzeichen die Wahrheit. Er hört den ‘Großen Geist’ im Rauschen des Waldes, im Rieseln des Baches. Im Blitz und Donner gibt ihm der ‘Großen Geist’ kund, was recht und unrecht ist.
Wir haben in der amerikanischen Rasse eine primitieve Urbevölkerung vor uns, die weit, weit zurückgeblieben ist, auch in Bezug auf religiöse Weltanschauung. Aber sie hat sich bewahrt den Glauben an einen monotheistischen Geist, der aus allen Lauten der Natur zu ihr spricht. Der Indianer steht mit der Natur in so innigem Verhältnis, daß er noch in allen ihren Äußerungen die Stimme des hohen schöpferischen Geistes hört, während der Europäer so in der materialistischen Kultur steckt, daß er die Stimme der Natur nicht mehr wahrnehmen kann. Beide Völker haben denselben Ursprung, beide stammen von der Bevölkerung der Atlantis ab, die einen monotheistischen Glauben besaß, entsprung aus einem geistigen Hellsehen. Aber die Europäer sind hinaufgestehen zu eine höhere Kulturstufe, während die Indianer stehengeblieben und dadurch in Dekadenz gekommen sind. Diesen Entwickelungsvorgang muß man immer beachten. Er läßt sich darstellen wie folgt. Im laufe der Jahrtausende verändert sich unser Planet, und diese Veränderung bedingt auch eine Entwickelung der Menschheit. Die Seitenzweige, die nicht mehr in die Verhältnisse hineinpassen, werden dekadent. Wir haben also einen geraden Entwickelungsstamm und abgehende Seitenzweige, die verfallen (siehe Zeichnung, fig. 3, FS).
Von dem Punkte der atlantische Zeit, wo Europäer und Indianer noch miteinander vereint waren, weiter zurückgehend, kommen wir in eine Zeit wo die Körper des Menschen noch verhältmäßig weich, von gallertartiger Dichtigkeit war. Da sehen wir wieder Wesen sich

Afb_ga_1001

Fig. 3: Evolution model 1, from GA 100; 7

abzweigen und zurückbleiben. Diese Wesen entwickeln sich weiter, aber in absteigende Linie, und aus ihnen entsteht das Affengeschlecht. Wir dürfen nicht sagen, der Mensch stamme vom Affen ab, sondern beide. Menschen und Affen, stammen von einer Form ab, die aber eine ganz andere Gestalt hatte als die Affen und heutigen Menschen. Die Abzweigung erfolgte von einem Punkte, wo diese Uniform die Möglichkeit hatte, einerseits aufsteigen zum Menschen und anderseits hinunterzufallen, zum Zerrbilde des Menschen zu werden. Wir wollen die Abstammungslehre nur so weit verfolgen, als nötig ist, um den Zusammenhang zu finden mit dem, was in früheren Vorträgen gesagt worden ist. Bei den alten Atlantische Menschen war der Ätherleib noch außerhalb des physischen Körpers. Heute ist nur noch der Astralleib des Menschen, und zwar im Schlafe, außerhalb des physischen Körpers. Heute ist daher der Mensch nur im Schlafe imstande, die Müdigkeit des physischen Körpers zu überwinden, weil da sein Astralleib außerhalb des physischen Körpers ist und so die Möglichkeit hat, sich an demselben zu betätigen’.[40]

Steiner_entwicklung_der_menschheit

Fig. 4: Evolution model 2, from GA 100; 7

Again Steiner cites the native American Chieftain (he used the same quote in the sixth lecture of Die Mission einzelner Volksseelen, to argue the American Indians are a dying race), who spoke these words in the nineteenth century [41] (not in the pre-Christian age, when the differences between races would have disappeared, acc Dieter Brüll and several others), so Steiner’s descriptions of races are also about the contemporary situation. But the main topic here is that a ‘Wurzelrasse’ is not the humanity as a whole during a certain era, but the dominating race during an era. Because (acc Steiner) the native Americans were still a part, or decadent dissents, of the Atlantean rootrace. And in our era the dominating race is the Aryan race, from which the native Americans are not a part of.
Remarkable is that in Steiner’s view both the Aryans as the Semites (he means most of the time the Jews) are dissents of the so called ‘Ur-Semiten’, one of the cultured people/subraces of Atlantis. All the ‘post Atlantean cultures’ (but not all cultures of humanity, only the cultures he calls ‘Kultur-Epochen’, like ‘the Ancient Indian’, ‘the Ancient Persian’, etc.) are Aryan in Steiner’s view.
An important aspect of Steiner’s evolutionary view is that human beings as we know exists since the end of the Atlantean era. During the Atlantean ers, the Lemurian era, etc. man was present but not in his contemporary form. Like there is an evolutionary line of the material form of natural life, Steiner believed there is also an involutionary development (a declining line) from the spiritual world. Human kind in Atlantis and Lemuria were made of a more etherical stuff than the complete material human beings of today. Steiner describes this process in several works. His most extended description of his view on evolution is his chapter ‘Die Weltentwickelung und der Mensch’ from his magnum opus Geheimwissenschaft (GA 13). This chapter is more than hundred pages and probably to complex to give even a short summary.
Steiner’s view on evolution has summarised and well formulated explained by Henk van Oort, in his Dutch short introduction on anthroposophy Antroposofie; een kennismaking (‘Anthroposophy; an introduction’), published by Vrij Geestesleven, Zeist ( the real one, not the strange website from Belgium). He describes Steiner’s concept of evolution on the hand of the evolution model drawn by Hermann Poppelbaum (see fig. 5), biologist and anthroposophist of the first generation. I have translated his explanation of two paragraphs:
‘The following visualisation will probably clarify the complex concept: Let us imagine that the ‘essence of human’ is present in a large floating balloon. This ‘human essence’ needs to develop apparently in a certain direction before the balloon lands on earth. The balloon floats to the earth. The moment of landing is constantly postponed because elements of this human essence separates and leave the balloon. First the balloon decreases less rapidly and, secondly, the space is increasing for developing the human essence. Many elements are successively emitted: starting with the minerals, then plants, invertebrates, fish, amphibians, reptiles, birds, mammals, primates and finally humans. There are two parallel levels on this development: the

 Model_poppelbaum_evolutie_involutie

Fig. 5: The anthroposophical evolution model, drawn by Hermann Poppelbaum, as it appeared in Mensch und Tier (1928). Texts translated in Dutch. Most of the text will be clear, except probably the descriptions on the involution and evolution line. Above left: ‘Spiritual essence’. Along the involution line: ‘spiritual development declining’. Left under: ‘fysical body’. Along the evolution line: ‘fysical development ascending’.

spiritual essence (= the balloon falls to the earth) and the physical medium, which leaves the balloon and materialise itself after landing on the earth. The hardened forms evolve each in their own earthly way. When the plants and animals are on the earth, is the process begin Darwin calls ‘evolution’. Steiner completes what Darwin says, he doesn’t exclude Darwin’s theory. The existing animal forms are the result of centuries of specialization. Every animal is a specialist (…) then when the primates, the apes, are leaving the imaginary balloon to incarnate on earth. Then the predecessors of humans are following. Under these early human forms we reckon the Peking Man (360.000 BC), the Pithecanthropus (100.000 BC) and Neanderthals (75.000 BC). The current man comes not from these precursors and certainly not from the ape men, as it becomes clear. When all these precursors arrived in the visible world, in the imaginary balloon, there was one form left. The latter form occurs gradually in the visible around 50,000 BC. This is what we call homo sapiens. According to Rudolf Steiner, these first people figures were as thin as the scent of a flower. The materialising process is continuing. Slowly the physical body materialises to cartilage. Then there is a hardening till the current hardness is achieved.
If you think back in time, keeping in mind that the bones were still soft, you may never be found fossil remains of the ancestors of the current humans. Cartilage, or soft material, now has been lost and didn’t fossilise like hard bones’.[42]
I think this is a quiet effective explanation, except for one thing. For so far I know Steiner doesn’t discuss, or hardly discuss (on ‘racisme debat’, one of the contributors claimed that he does somewhere, but these passages are unknown to me) earlier forms of man, like the Neanderthals, etc.. Steiner talks about ‘human races’. If we change the words ‘Peking Man’, ‘Pithecanthropus’ and ‘Neanderthals’ in ‘Indianer’ we can explain his two evolution models from GA 100. ‘Beide Völker haben denselben Ursprung, beide stammen von der Bevölkerung der Atlantis ab, die einen monotheistischen Glauben besaß, entsprung aus einem geistigen Hellsehen. Aber die Europäer sind hinaufgestehen zu eine höhere Kulturstufe, während die Indianer stehengeblieben und dadurch in Dekadenz gekommen sind’ and ‘Von dem Punkte der atlantische Zeit, wo Europäer und Indianer noch miteinander vereint waren, weiter zurückgehend, kommen wir in eine Zeit wo die Körper des Menschen noch verhältmäßig weich, von gallertartiger Dichtigkeit war. Da sehen wir wieder Wesen sich abzweigen und zurückbleiben. Diese Wesen entwickeln sich weiter, aber in absteigende Linie, und aus ihnen entsteht das Affengeschlecht. Wir dürfen nicht sagen, der Mensch stamme vom Affen ab, sondern beide. Menschen und Affen, stammen von einer Form ab, die aber eine ganz andere Gestalt hatte als die Affen und heutigen Menschen’. So the Native Americans left ‘the balloon’ too early and became ‘decadent’. According to the second drawing of GA 100 is the ‘real homo sapiens’ (in the terms of Henk van Oort) ‘der Arier’ (I will nuance this by stipulating that Rudolf Steiner considered all human races as human).
It is interesting to have a look on two fundamental quotes of Rudolf Steiner, both from two essential works. First a passage from Aus der Akasha-Chronik (from chapter 6 ‘Die letzten Zeiten vor der Geschlechtertrennung’), also discussed in the van Baarda Report, as passage 54: ‘In diesen Tieren hat man also Wesen zu sehen, welche auf einer früheren Stufe der Menschenentwickelung stehenbleiben mußten. Nur haben sie nicht dieselbe Form behalten, die sie bei ihrer Abgliederung hatten, sondern sind zurückgegangen von höherer zu tieferer Stufe. So sind die Affen rückgebildete Menschen einer vergangenen Epoche. So wie der Mensch einstmals unvollkommener war als heute, so waren sie einmal vollkommener, als sie heute sind. - Was aber im Gebiet des Menschlichen geblieben ist, hat einen ähnlichen Prozeß, nur innerhalb dieses Menschlichen, durchgemacht. Auch in mancher wilden Völkerschaft haben wir die heruntergekommenen Nachfahren einstmals höher stehender Menschenformen zu sehen. Sie sanken nicht bis zur Stufe der Tierheit, sondern nur bis zur Wildheit’.[43]
The van Baarda Report comments this passage (quote 54) as following: ‘In the article (originally Aus der Akasha-Chronik was published as a series of articles in the journal Luzifer-Gnosis, FS) where this passage comes from, a fundamental part of anthroposophical thought on development is being explained: the evolution was not only as a development from lower to higher organisms. The origin of the evolutionary development lays in the spiritual world.
The human kind was originally a spiritual being. In the long history as terrestrial arose essentially as a secondary development in addition to humans and the animal world, the plants and mineral world (see again the model of Poppelbaum to understand this assumption, FS). Both the terrestrial and the spiritual man made in this long history evolved. The animal is in that sense the precursor of man, but the (spiritual) man is the precursor of the terrestrial animals and terrestrial humans. The last remains ‘im Gebiet des Menschlichen’, from which the animals were separated.
The origin of the forerunners of current animals took place in what in anthroposophy is known as the ‘Lemurian era’. The original animals were then derived and according to Steiner human body shapes were developed higher than the current species. The ethereal formed human bodies didn’t leave any fossil remains, because they were not yet sufficiently hardened. The current monkeys are dissents of relatively higher developed animals, which are dissents of the ethereal formed people of that time. In this sense, Steiner called ‘die Affen rückgebildete Menschen einer vergangenen Epoche. So war der Mensch einstmals unvollkommener war als heute, so waren sie einmal volkommener als wie heute sind’. People have been further developed, the monkeys were in their human-stage ‘more perfected’ than they are today.
With regard to what he called ‘wilden Völkerschaft’ Steiner opposed the idea that they are at the beginning of a development of civilization. In his view they were descendants of the groups, at that time precursors of the present people who were highly developed, but returned in their development and had become primitive’.[44]
I think this time the report explained this perfectly well. But in my view the best parts of the report are when it explains anthroposophy. These parts are outstanding. But in qualifying passages like this in my view the report misses the point. Because I think this is the essence of Steiner’s racial teachings. The commission explains perfectly well why the Native Americans are a degenerated and decadent race (‘they had become primitive’, as the commission says). But that is racism, or at least ‘racist taught’.
Another crucial passage of Steiner can be found in probably his most important work Die Geheimwissenschaft in Umriß (GA 13) in the long chapter ‘Die Weltentwickelung und der Mensch’ (more than 100 pages, almost a separate book): ‘Diejenigen Menschen-Rassen-Formen, welche sich vor diesem Zeitraum verfestigt hatten, konnten sich zwar lange fortpflanzen, doch wurden nach und nach die in ihnen sich verkörpernden Seelen so beengt, daß die Rassen aussterben mußten. Allerdings erhielten sich gerade manche von diesen Rassenformen bis in die nach-atlantischen Zeiten hinein; die genügend beweglich gebliebenen in veränderter Form sogar sehr lange. Diejenigen Menschenformen, welche über den charakterisierten Zeitraum hinaus bildsam geblieben waren, wurden namentlich zu Körpern für solche Seelen, welche in hohem Maße den schädlichen Einfluß des gekennzeichneten Verrats erfahren haben. Sie waren zu baldigem Aussterben bestimmt.
Es hatten sich demnach seit der Mitte der atlantischen Entwickelungszeit Wesen im Bereich der Menschheitsentwickelung geltend gemacht, welche dahin wirkten, daß der Mensch sich in die sinnlich-physische Welt in einer ungeistigen Art hineinlebte. Das konnte so weit gehen, daß ihm statt der wahren Gestalt dieser Welt Trugbilder und Wahnphantome, Illusionen aller Art erschienen. Nicht nur dem luziferischen Einfluß war der Mensch ausgesetzt, sondern auch demjenigen dieser anderen Wesen, auf die oben hingedeutet worden ist und deren Führer nach der Benennung, die er später in der persischen Kultur erhalten hat, Ahriman genannt werden möge. (Der Mephistopheles ist dasselbe Wesen.) Durch diesen Einfluß kam der Mensch nach dem Tode unter Gewalten, welche ihn auch da nur als ein Wesen erscheinen ließen, welches den irdisch-sinnlichen Verhältnissen zugewandt ist. Der freie Ausblick in die Vorgänge der geistigen Welt wurde ihm immer mehr genommen. Er mußte sich in der Gewalt des Ahriman fühlen und bis zu einem gewissen Maße ausgeschlossen sein von der Gemeinschaft mit der geistigen Welt’.[45]
This long passage, in the report quote 48, is the only passage Steiner discusses theme ‘race’ in this chapter of Geheimwissenschaft. You could think this theme became less important in Steiner’s view on evolution (the report says the same), but I think that is very questionable, because one year later, he gave his lectures in Norway, known as Die Mission einzelner Volksseelen. On this passage the commission has a short comment: ‘In the following quote the words ‘Menschen-Rassen-Formen’ and ‘Rassenformen’ mean ‘the form of human races’. The word ‘form’ stands both for the forms of human races as for the appearance of the human body. With the use of the word ‘form’ Steiner emphasises that the race is the appearance of the human physical form, not his essence. Because these forms were not fitting anymore for the post-Atlantean situation, most of the Atlantean varieties died out’.[46]
‘Reincarnation as an alibi’. Although I heard this argument very often from different anthroposophists, in several debates, I read it in several articles, written to defence Steiner’s view on races and even long before from different sympathizers with the anthroposophy, when I confronted theme with racist remarks of Steiner. But the most interesting is, Steiner confirms his view on races again. Apparently there are decadent ‘leftovers’ from Atlantis, for whom there was no place anymore in the new situation. Therefore these degenerated forms had to die out, because they didn’t fit in the new situation. Steiner said this many times. Here with just one general remark, but much more detailed in Die Mission einzelner Volksseelen and in 1923, one and a half year before his death in 1925, in Vom Leben der Menschen un der Erde (GA 349): ‘Die Gelben wandern nach Osten hin¬über. Wenn die Gelben nach Osten hinüberwandern, dann wer¬den sie braun. Da entstehen dann die Malaien; die werden braun. Warum? Ja, warum werden sie braun? Was heißt denn das: sie werden braun? Nicht wahr, wenn sie gelb sind, werfen sie einen bestimmten Grad von Licht zurück; das andere nehmen sie auf. Wenn sie braun werden durch die andere Art, wie sie jetzt in der Sonne leben, weil sie ja von einem anderen Erdstück kommen, dann werfen sie weniger Licht zurück. Sie nehmen mehr Licht in sich auf. Also diese braunen Malaien sind ausgewanderte Mongo¬len, die sich aber jetzt, weil die Sonne anders auf sie wirkt, ange¬wöhnen, mehr Licht und mehr Wärme aufzunehmen. Bedenken Sie aber: nun haben sie nicht die Natur dazu. Sie haben sich schon

 

 Rassen1

Fig. 6: Ilustration from GA 349; 3

angewöhnt, sogar ein solches Knochengerüste zu haben, daß sie nur einen bestimmten Grad von Wärme aufnehmen können. Sie haben nicht die Natur, so viel Wärme aufzunehmen, als sie jetzt als Malaien aufnehmen. Die Folge davon ist, daß sie anfangen, unbrauchbare Menschen zu werden, daß sie anfangen, Menschen zu werden, die am Menschenkörper zerbröckeln, deren Körper abstirbt. Das ist in der Tat bei der malaiischen Bevölkerung der Fall. Die stirbt an der Sonne. Die stirbt an der Östlichkeit. So daß man sagen kann: Während die Gelben, die Mongolen, noch Men¬schen in der Vollkraft sind, sind die Malaien schon eine abster¬bende Rasse. Sie sterben ab.
Wenn die Neger - was sie allerdings heute weniger tun kön¬nen, heute sind die Verhältnisse schon anders, aber in Urzeiten war das schon so, wie ich es erzähle -, nach dem Westen hinüber-wandern - eine Schiffahrt hat es ja immer gegeben, und es waren ja außerdem durch den ganzen Atlantischen Ozean noch Inseln, der Atlantische Ozean war ja früher auch ein Kontinent -, also wenn die Schwarzen nach dem Westen auswandern, da können sie nicht mehr so viel Licht und Wärme aufnehmen wie in ihrem Afrika. Da kommt ihnen weniger Licht und Wärme zu. Was ist die Folge? Ja, ihre Natur ist eingerichtet darauf, so viel als mög¬lich Licht und Wärme aufzunehmen. Ihre Natur ist eigentlich eingerichtet, dadurch schwarz zu werden. Jetzt kriegen sie nicht so viel Licht und Wärme, als sie brauchen, um schwarz zu werden. Da werden sie kupferrot, werden Indianer. Das kommt davon her, weil sie gezwungen sind, etwas von Licht und Wärme zu¬rückzuwerfen. Das glänzt dann so kupferrot. Das Kupfer ist sel¬ber ein Körper, der Licht und Wärme so ein bißchen zurückwer¬fen muß. Das können sie nicht aushalten. Daher sterben sie als Indianer im Westen aus, sind wiederum eine untergehende Rasse, sterben an ihrer eigenen Natur, die zu wenig Licht und Wärme bekommt, sterben an dem Irdischen. Das Irdische ihrer Natur ist ja ihr Triebleben. Das können sie nicht mehr ordentlich ausbil¬den, während sie noch starke Knochen kriegen. Weil viel Asche hineingeht in ihre Knochen, können diese Indianer diese Asche nicht mehr aushalten. Die Knochen werden furchtbar stark, aber so stark, daß der ganze Mensch an seinen Knochen zugrunde geht.
Sehen Sie, so hat sich die Sache entwickelt, daß diese fünf Ras¬sen entstanden sind. Man möchte sagen, in der Mitte schwarz, gelb, weiß, und als ein Seitentrieb des Schwarzen das Kupferrote, und als ein Seitenzweig des Gelben das Braune - das sind immer die aussterbenden Teile. Die Weißen sind eigentlich diejenigen, die das Menschliche in sich entwickeln. Daher sind sie auf sich selber angewiesen. Wenn sie auswandern, so nehmen sie die Eigentümlichkeiten der anderen Gegenden etwas an, doch sie gehen, nicht als Rasse, son¬dern mehr als einzelne Menschen, zugrunde. Aber sie tun dafür noch etwas anderes. Sehen Sie, alles dasjenige, was ich Ihnen jetzt geschildert habe, das sind ja die Dinge, die im Leibe des Men¬schen vor sich gehen. Die Seele und der Geist sind mehr unabhän¬gig davon. Daher kann der Europäer, weil ihn Seele und Geist am meisten in Anspruch nimmt, Seele und Geist am meisten ver¬arbeiten. Der kann es am ehesten vertragen, in verschiedene Erd¬teile zu gehen’.[47]
In this long passages there are three passages which the van Baarda commission considered as severe discriminative (three of the sixteen in the total work of Steiner). So they were harsh on this lecture for the workers on building the Goetheanum in Dornach. Although Steiner’s formulations are quiet rough, what he says is not essentially different than what we saw before. There are some differences; for example he states that the predecessors of the Native Americans are Black Africans. Earlier, and more often, he said that the Native Americans were a kind of Atlanteans who survived, but became decadent. But this is the only thing in which he is not consequent. His description of the ‘Knochen’ (ashes on the skeleton, because in an earlier stage these Indians were ‘boiling negroes’) of the Native Americans, and his remark that they are ‘eine untergehende Rasse’, who ‘sterben an ihrer eigenen Natur’ is something we have seen before, in different varieties (‘Nicht etwa deshalb, weil es den Europäern gefallen hat, ist die indianische Bevölkerung ausgestorben, sondern weil die indianische Bevölkerung die Kräfte erwerben mußte, die sie zum Aussterben führten’, in Die Mission einzelner Volksseelen, or the description and the drawings from GA 100, where the native Americans are represented as a ‘decadent race’).
There are many, many more examples, too much to discuss them all. But that is not the aim of this article. The main conclusion is that there is a kind of structural racial teaching in the work of Rudolf Steiner, in contrary to the van Baarda Commission’s main conclusion: ‘Géén sprake van Rassenleer’ (‘No racial teachings’). There really is, whatever Steiner’s intentions were (see the declaration of the ‘Nachlassverwaltung’, which I have no reason to doubt).
According to Helmut Zander there are three central issues in Steiner’s racial teachings which are often defended by anthroposophists to argue Steiner was not a racist, but studying them in detail, these arguments are even quiet unvalid and even reveal the essence of the problematic side of Steiners racial teachings. Helmut Zander (in his major work Anthroposophie in Deutschland):

1. ‘Rassen sind für Steiner ein Epiphänomen der Materie und sollen den Menschen als Geistiges Wesen letztlich nicht betreffen: ‘Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschieden Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteilung’ (GA 121, 78 [1910]). Weil der Mensch also in der Reinkarnation in andere Rassen und Völker inkarnieren müsse, seien rassische oder völkische Dimensionen der Anthropologie sekundär. Dies war Steiners Versuch, dem biologischen Determinismus zu wehren. Allerdings ist dies eine bloße Binnenperspektive hat ihre Tücken: Wenn das karmische Schicksal eine Folge guter oder schlechter Taten ist, is das Leben in einer ‘degenerierten’ oder ‘passiven’ Rasse eine Strafe (oder Vorleistung für ein besseren Leben). Kant etwa bekam dies zu spüren, da Steiner glaubte, ‘daß in Kant eine junge Seele lebte. Ja, die Tatsachen sagen es, da ist nichts dagegen zu machen. Und man könnte nun darauf hinweisen, daß die jüngeren Seelen sich allerdings in der Mehrzahl in den farbigen Rassen verkörpern, daß also die farbigen Rassen, namentlich die Negerrasse, vorzugweise jüngere Seelen zur Verkörperung bringen’ (GA 126, 35 [1910]). Diese bedeutet daß ‘Neger’, Indianer oder andere negativ stigmatisierte Menschen in dieser Verkörperung ihre Strafinkarnation ableisten.

2. Rassen seien ein kollektiver Faktor und beträfen das Individuum letztlich nicht: ‘Die Rasse kann zurückbleiben, eine Völkergemeinschaft kann zurückbleiben, die Seelen aber schreiten über die einzelnen Rassen hinaus’ (GA 104, 89 [1908]). Auch in derartigen Aussagen kann man Steiners Versuch lesen, den Biologischen Determinismus zu umgehen, Steiner wollte keine Fixierung auf eine blutsmäßige Abstammung. Aber zugleich drückt sich darin eine ungeheure Naivität gegenüber die kulturellen Prägekraft gesellschaftlicher Verhältnisse, und eben dies sind ‘Rassen’ auch, aus. Zudem bleibt auch hier die Evolution das unangetastete Gesetz der Kultur: Wer zurückbleibt, gehört zu Konkursmasse. Die Abwertung aktueller Völker und Rassen bleibt bestehen.

3. Rassen seien ein Intermezzo der Menschheitsgeschichte. ‘Die Rassen sind entstanden und werden einmal vergehen, werden einmal nicht mehr da sein’ (GA 121, 76 [1910]). Erneut artikulierte Steiner sein antimaterialistisches Leitmotiv, aber bei näherem Hinsehen bliebt dies ein gänzlich unpolitischen Argument. Die Rassenenstehung, die erst in der lemurischen Zeit begonnen habe, werde in der sechsten und siebten ‘Entwickelungsepoche’ verschwinden (ebd.), das heißt: frühestens ungefähr im 9. Jahrtausend. Für eine politischen Erledigung der Rassenfrage und für die Geltung von Steiners Rassentheorien ist dies eine lange, zu lange Zeit. Daß die Vielfalt von Völkern und Rassen ein Reichtum der Pluralität sein könnte, tritt im übrigen nicht in Steiners Blickfeld’.[48]

So Helmut Zander argues the following (summarized in my own words):

1. Although, in Steiners view, every individual incarnates within different races, Steiner is very explicit about the different ‘qualities’ of these races. The ‘white race’ is the far best compared with other ‘races’, like native Americans or black Africans. So you could say there are more or less racial conglomerates of ‘Straf Inkarnationen’ (using this effective characterization of Zander).

2. The race is just a temporary step and just one factor in the development of an individual soul, on its journey through different incarnations. In Steiner’s view the individual can’t be reduced to its ‘race’. But this assertion doesn’t mean that in Steiner’s view all races are equal (the reincarnation alibi argument). This defence doesn’t release certain ‘races’ of their negative stigmas. Some races are degenerated when they don’t fit anymore in the general evolution of mankind and become, in Zanders words: ‘leftovers of the bankrupt property’.

3. In the several articles, discussions but also in de van Baarda rapport, very often has been argued by anthroposophists (see also Dieter Brüll and Thomas Voss) Steiner believed that races were an important factor in the past, but they lost there meaning in the present time. Zander shows one passage of the 4th lecture of the Mission einzelner Volksseelen, but there are many more of such passages, that the differences between races will disappear in the far future (acc. Zander’s calculation in the 9th millennium![49]).

But Zander continues and he discusses one aspect I think it is crucial in Steiner’s total vision on the development of mankind considering the ‘races’. Zander:

‘Schießlich unterschätzen derartige Interpretationen von Einstellen die Bedeutung einer zentralen Konstruktionsstelle in Steiners Denken: der Evolutionsdoktrin. Steiner sah die Entwickelung von Rassen, wie die Kosmologie oder die Bewußtseinsgesichte, als evolutiven Prozeß, der letztlich alle Dimensionen des Kosmos, des Leben oder der Kultur unterwarf. Hier liegt ein zentrales Problem seiner Rassismen, sie sind der Ausdruck eines tief im 19. Jahrhundert verwurzelten Evolutionsdenkens, das alle Bereiche seiner Weltanschauung prägte. Steiner formulierte mit seinem theosophischen Sozialdarwinismus eine Ethnologie, in die Rede von ‘degenerierten’, ‘zurückgeblebenen’ oder ‘zukünftigen’ Rasse keine ‘Unfälle’, sondern das Ergebnis einer konsequent durchgedachten Evolutionslehre waren. Ich sehe im Gegensatz zu viele Anthroposophen keine Möglichkeit, diese Konsequenz zu bestreiten. Ein weiteres Zentralen Problem liegt im Rassenbegriff: Anthropologen bestreiten heute, daß dem klassischen, auch kulturellen Begriff der Rasse ein genetische Substrat unterliegt.
Zurück zur Einfangsfrage dieses Kapitels, mit deren Beantwortung die Deutung der Geschichte zur Stellungnahme in einer aktuellen Debatte wird: Gibt es einen Rassismus bei Steiner? Wenn Rassismus die Bindung wichtiger Elemente der Anthropologie an augenblicklich existierende Rassen bedeutet, seien die biologisch oder spirituell definiert, dann kann man Steiner als Rassisten bezeichnen. Es wäre hilfreich, wenn manche Anthroposophen zugestehen würden, daß dies keine schlicht polemische Aussage ist, sondern in der kontextualisierenden Deutung des historischen Materials gründet. Zugleich aber gibt es bei Steiner Versuche, die deterministischen Konsequenzen dieses Denkens zu brechen, und es wäre gut, wenn viele Kritiker zu Kenntnis nehmen würden, daß Steiner kein Rassist sein wollte; aus diesem Grund spreche ich lieber von Steiners Rassentheorie als von Rassismus. Aber diese abgemilderte Begrifflichkeit birgt für die politische Debatte das Problem einer möglicherweise voreiligen Salvierung Steiners. Denn es gibt philanthropischen Anthroposophen solche, die rassistisch denken, wie es bei den Kritikern verständnisvolle neben blindwütigen gibt. Wir waren einen großen Schritt weiter, wenn man die historisch bedingten und in meiner Wahrnehmung vorhandenen Rassismen bei Steiner und die politischen Konsequenzen analytisch differenzieren könnte, bei Anhängern wie Kritikern Steiners.
Solange Anthroposophen sich hier zurückhalten, weil man Steiners höhere Einsicht nicht in Frage stellen will oder mit dem Argument, die Anthroposophie kenne keine Dogmen, aus rassistische Deutungen von Anthroposophen innerhalb der Anthroposophischen Gesellschaft deckt, bleibt die Debatte explosiv. Es gibt meines Erachtens nur einen Weg, Steiners Rassentheorie zu entschärfen: Indem man sie als Zeitgebundene Vorstellungswelt historisiert, sich insoweit davon distanziert und in normativer Hinsicht als Irrtum verwirft. So führt ein Weg von Steiners evolutionär hierarchisierte Rassentheorie zu einer egalitären Philantropie. Aber vor einer solchen Revision schrecken viele Anthroposophen weiterhin zurück, weil dies den Einstieg in die Kritik von Steiners ‘höheren Einsicht’ bedeuten würde’.[50]

So far this long passage of Zander. I have to say I just agree with these last conclusions and suggestions of Zander. In my earlier articles, although much more provocative and polemical, and far less empathically than Zander does, I wrote that the racial doctrines of Steiner are deeply interwoven with his concept of evolution and his view of the ‘quest’ of the development of the human kind. I argued more or less the same in this article. So I believe this is the main problem, but possibly also the most important challenge of anthroposophy in our current time. Although I am myself not a believer I never had any problem with the spiritual content of anthroposophy, just with the racist elements, or maybe better (in the words of Zander) ‘racial theories’. Nevertheless I believe this is the fundamental point. The same kind of thing was also said by Jana Husmann Kastein, also from the Humboldt University (I cited her article several times before).[51]
But whatever you may think of these factually nineteenth century and colonial ‘misconceptions’ of Evolution, as they were fit in a well constructed mystical and esoteric worldview (which in my view the problematic aspect of anthroposophy), there is no ground nor justification for denying the Holocaust in Steiner’s name, as some of his followers are doing. I think every even orthodox but decent anthroposophist should agree with that.
But let us have a look on Steiner’s position on Judaism and try to find out if there is any justification in the work of Steiner, which may ‘justify’ (from an anthroposophical point of view) some of the anti-Semitic texts of De Brug.

Steiner on Judaism

A different issue is the question of anti-Semitism in the work of Rudolf Steiner. The opinions about this sensitive issue are different. In the Netherlands one of the fiercest critics of Steiner’s racial theories Gjalt Zondergeld (Professor of History at the Free University of Amsterdam) stated (in an essay, written with the historian Evert van der Tuin, published in 1988 and republished in 2002): ‘Steiner was not anti-Semitic in the way the national socialists were. In the past we may have made to easy the connection with the Nazis’ (referring their earlier publications in the early eighties). ‘In the fierce debate, following after our first publications on this issue, the prominent anthroposophist Professor Dieter Brüll defended Steiner, by pointing at the current problems of Israel. He stated that Steiner was thinking of ‘solving the Jewish problem’ by racial mixing, because Steiner was against ‘racial messianism’, as Judaism in Steiner’s opinion stands for. The remarkable thing was that Brüll used the term ‘Jewish Race’.[52]
The same kind of argument in defending Steiner was used by the Belgian chemist and prominent anthroposophist Dr. Jos Verhulst. In an article, later republished in ‘De Brug’ he stated: ‘In the article ‘Is anthroposophy racist?’ (De Morgen, June 23, 2000, p. 34) the following ‘serious discrimination’ quote of Steiner was mentioned: ‘The Judaism itself has long survived, has no justification within the modern life of peoples, and that it still exists in the present, is a failure of world history of which the consequences could not be occurred. Here we mean not only of the Jewish religion, but also the spirit of Judaism, the Jewish way of thinking’. Verhulst continues: ‘At the first sight this statement of Steiner seems pure anti-Semitic and racist. But the things are not what they look like. The sentences immediately pr